Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-10-17
ECLI:NL:GHARL:2017:9007
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.174.205/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/369121 / HL ZA 14-151) arrest van 17 oktober 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant] , advocaat: mr. E.C. Aantjes-Breel, kantoorhoudend te Utrecht, tegen 1 Readen Real Estate B.V., gevestigd te Hilversum, hierna: Readen, 2. [geïntimeerde2] , wonende te [B] , hierna: [geïntimeerde2] , geïntimeerden,in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: Readen c.s. , niet verschenen. 1 Het geding in eerste aanleg 1.1 Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van 16 juli 2014 en 18 februari 2015 van de rechtbank Midden Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank). 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 mei 2015;- de verstekverlening tegen Readen c.s.;- de memorie van grieven (met producties). 2.2 Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt ertoe dat het vonnis van de rechtbank van 18 februari 2015 wordt vernietigd en dat de door hem in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog worden toegewezen, een en ander met veroordeling van Readen c.s. in de proceskosten. 3 De vaststaande feiten 3.1 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.14) van het vonnis van 18 februari 2015 de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling van de feiten zijn geen grieven gericht, zodat er in hoger beroep van kan worden uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten komen, aangevuld met enkele andere vaststaande feiten, op het volgende neer. 3.2 Readen houdt zich bezig met handel in onroerend goed en projectontwikkeling. [geïntimeerde2] is volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel sinds 4 maart 2014 bestuurder van Readen. 3.3 [appellant] , die geboren is [in] 1926, woont in de woning gelegen aan de [a-straat] 250 te [A] (hierna: de woning). [appellant] is alleenstaand en heeft geen directe familieleden. 3.4 [appellant] is in 2011 in verband met aan de woning uit te voeren schilderwerkzaamheden in contact gekomen met de heren [C1] en [C2] (omdat in de processtukken door partijen geen - consequent en nauwkeurig - onderscheid wordt gemaakt tussen deze beide heren [C] zullen zij hierna, zowel elk afzonderlijk als gezamenlijk, ook worden aangeduid als: de gebroeders [C] ). De gebroeders [C] hebben in opdracht van [appellant] vervolgens (schilder)werkzaamheden verricht. 3.5 [appellant] heeft op 4 november 2011 ten overstaan van mr. Eveline Schot, notaris te Amsterdam (hierna: notaris Schot) zijn testament herroepen en [C1] tot zijn enig erfgenaam benoemd. Voor het geval deze erfstelling geen effect sorteert, heeft [appellant] [C2] tot zijn enig erfgenaam benoemd. 3.6 Begin september 2013 heeft D5 Avenue Ltd (hierna: D5), een aan Readen gelieerde vennootschap, goederen (accessoires voor mobiele i-Phones, i-Pads en i-Pods) geleverd aan Van Schaaik B.V., een vennootschap van de gebroeders [C] . 3.7 De woning is op 26 september 2013 getaxeerd door de heer [D] . Tijdens de taxatie waren [appellant] en één van de gebroeders [C] aanwezig. Laatstgenoemde heeft zich aan de taxateur voorgesteld als het kleinkind van [appellant] . In het taxatierapport staat onder meer vermeld: “(…)Bedrijfsnaam opdrachtgever: Readen Realestate bv (…)Marktwaarde: €275.000, -(…)Volgens opgave van: Opdrachtgever wordt het object (...) c. onbewoond opgeleverd: Nee, huidige eigenaar gaf aan niets van een verkoop te weten tevens de voorkeur heeft er tot aan zijn overlijden er te blijven wonen. d. gebruikt of in eigen gebruik genomen doorde aanvrager van de financiering; Nee, huidige eigenaar zal de woning blijven bewonen. (.. (...) De overdrachtsbelasting (…) is voor rekening van koper.De notariële kosten terzake deze overeenkomst en de kosten wegens de levering en overdracht van het verkochte, alsmede de over die kosten verschuldigde omzetbelasting, zijn voor rekening van koper.(…)De leveringsakte zal worden verleden op éénendertig oktober tweeduizend dertien (...)Verkoper zal het verkochte levenslang blijven huren voor één euro (€ 1,00) per maand exclusief kosten van gas, water en electra. (...)" 3.13 [appellant] heeft op 21 oktober 2013 tevens een “volmacht verkoop registergoed” ondertekend, waarin hij heeft verklaard volmacht te geven aan ieder van de medewerkers van notariskantoor Van Limburg Stirum te Hilversum om voor en namens hem, de woning in eigendom over te dragen. In de volmacht staat hierbij vermeld, voor zover hier van belang: "zulks voor de prijs van tweehonderdachtenveertigduizend euro (€ 248.000.00), waarvan reeds is ontvangen éénhonderdachtenzestigduizend euro (€ 168.000,00) (in goederen), het restant ad tachtigduizend euro (€ 80.000,00) zal bij de overdracht worden voldaan (…)” 3.14 Uit de door notaris Van Limburg Stirum op 23 oktober 2013 gemaakte eindafrekening voor [appellant] volgt dat een bedrag van € 86.907,38 is voldaan ter aflossing van een hypothecaire geldlening bij de ING bank en dat een bedrag van € 168.000,- is "voldaan door koper". De afrekening sluit op een door [appellant] , na verrekening van zakelijke lasten en de kosten van aflossing van de hypotheek, te betalen bedrag van € 7.104,98. 3.15 In een e-mailbericht van 29 oktober 2013 van notaris Van Limburg Stirum aan [G] , een broer van [geïntimeerde2] , schrijft notaris Van Limburg Stirum onder meer:"Ik heb ontvangen een bedrag ad E 86.124,77. Omdat er door de bank E 30,-- kosten buitenland in aftrek worden gebracht, is er dus per saldo E 30,-- te weinig overgemaakt.Wilt u dit alsnog overmaken?Ik heb van de kant van verkoper nog niet het door hem te betalen bedrag van E 7.104,98 ontvangen, wellicht kunt U daar nog een belletje aan wagen.Als beide bedragen binnen zijn kan ik de overdracht effectueren." 3.16 In een telefoonnotitie van 29 oktober 2013 van een medewerker van notariskantoor Van Limburg Stirum is onder meer het volgende vermeld:"telefoontje van de heer [G] op 29-10-2013 (…) om 12 uur.Het bedrag van 7.104,98 is door de heer [appellant] aan de broer van [G] gegeven. Deze laatste komt dit bedrag contant brengen op 29 /10 om 14 uur." 3.17 De akte tot levering van de woning is op 29 oktober 2013 door notaris Van Limburg Stirum verleden. In de leveringsakte staat onder meer:"De koopprijs is gedeeltelijk reeds voldaan, doordat koper aan verkoper goederen heeft geleverd ten bedrage van éénhonderdachtenzestigduizend euro (€ 168.000,00). Het resterende deel van de koopsom ad tachtigduizend euro (€ 80.000,00) is door koper voldaan door storting op rekening ten name van gesteld van derdengelden notariskantoor Van Limburg Stirum; verkoper verleent aan koper kwijting terzake van de betaling van de gehele koopsom, (…)"Aan de akte is een factuur van 21 oktober 2013 gehecht van A4 aan Van Schaaik B.V. "t.a.v. De heer [appellant] " betreffende de levering van een groot aantal goederen op 2 en 6 september en op 10 en 14 oktober 2013 voor een totaalbedrag van € 168.000,13 (inclusief BTW). De geleverde goederen woorden in de factuur gespecificeerd. 3.18 Tussen [appellant] en Readen is een schriftelijk vastgelegde huurovereenkomst gesloten waarbij is overeengekomen dat [appellant] het recht heeft in de woning te blijven wonen tegen betaling van een symbolische huurprijs van € 1,00 per maand. 3.19 Ter verzekering van zijn rechten heeft [appellant] , na verkregen verlof, ten laste van Readen conservatoir (verhaals)beslag doen leggen op de woning. 3.20 Op 10 april 2014 heeft [appellant] aangifte gedaan van oplichting. 3.21 In een brief van 16 april 2014 aan Readen heeft de advocaat van [appellant] de nietigheid van de overeenkomst tussen [appellant] en Readen ingeroepen wegen ook de naam van klager, maar klager heeft geen enkele relatie met die vennootschap. Aldus moet worden geconcludeerd dat in het koopcontract - en in het verlengde daarvan de leveringsakte - ten onrechte is vermeld dat koper een deel van de koopsom aan verkoper (klager) heeft voldaan. De door de notaris gegeven uitleg dat D5 een vennootschapsrechtelijke zuster is van Readen maakt dit niet anders. Nog daargelaten dat dit niet is onderbouwd met documenten waarover de notaris in oktober 2013 beschikte, blijft het onjuist dat in het contract en de akte de gestelde verwevenheid niet wordt genoemd en is met een levering van goederen aan Van Schaaik B.V. geen sprake van een levering van goederen aan klager.” 3.23 Notaris Van Limburg Stirum is tegen deze beslissing in beroep gegaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij beslissing van 12 juli 2016 heeft het hof overwogen dat de klacht gegrond is en heeft het notaris Van Limburg Stirum de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee weken opgelegd. Het hof heeft de gronden van het oordeel van de kamer van toezicht overgenomen en daaraan onder meer toegevoegd:(…)6.2.2. In het onderhavige geval zijn met name de volgende omstandigheden van belang. De werkzaamheden van de notaris betroffen een overeenkomst die de notaris ter zitting van het hof zelf heeft omschreven als een 'vreemd contract', en waarvan hij heeft gezegd dat hij een dergelijke transactie nog nooit zo had gedaan. Het was bovendien een overeenkomst die vooral het (zakelijke) belang van klagers wederpartij(en) diende en waarbij klager de enige was voor wie er risico's aan waren verbonden, mede in aanmerking genomen dat geen enkele zekerheid werd gegeven dat klager een geldelijke tegenprestatie zou ontvangen voor de verkoop van zijn woning, anders dan noodzakelijk ter aflossing van de bestaande hypothecaire lening. Daar komt bij dat klager - een man op leeftijd - een leek was op dit gebied en als enige van de betrokken partijen niet zakelijk handelde. Onder deze omstandigheden bracht de zorgplicht van de notaris mee dat hij de details en de gevolgen van de overeenkomst vooraf met klager buiten aanwezigheid van de overige betrokken partijen moest bespreken, teneinde te verifiëren of klager de rechtsgevolgen en risico's van de overeenkomst begreep en daarmee instemde. Het had daarbij in de rede gelegen dat de notaris de (bijzondere) juridische en financiële (rechts)gevolgen en risico's voor klager vooraf op schrift zou hebben toegelicht, zodat klager daarvan tijdig kennis had kunnen nemen en zich daarover had kunnen beraden. Op deze wijze had de notaris de bestaande onevenwichtigheid tussen klager en de andere partijen - die voor hem kenbaar was of althans had moeten zijn - behoren te compenseren.(…) 6.3 Het hof acht het verder onbegrijpelijk dat de koopovereenkomst en de leveringsakte niet overeenstemmen met de daadwerkelijke gang van zaken. In die stukken is immers niet opgenomen welke partijen de goederen hebben geleverd en afgenomen (of de rechtsverhouding van deze partijen ten opzichte van de daadwerkelijke koper en verkoper). De notaris heeft vermeld dat koper (Readen) een deel van de koopsom aan verkoper (klager) in goederen heeft voldaan, terwijl de goederen met een waarde van € 168.000,00 door D5 aan Van Schaaik B.V. zijn geleverd. Dat de notaris klager en de gebroeders [C] bij het opstellen van de akten enigszins heeft vereenzelvigd en dat het klager zelf geweest is die door ondertekening van de koopovereenkomst heeft verklaard dat hij € 168.000,00 in goederen heeft ontvangen, aldus de notaris ter zitting in hoger beroep, kan de notaris niet baten. Hetzelfde geldt voor de in dit hoger beroep geopperde mogelijkheid dat de goederen door D5 aan de gebroeders [C] na september 2013 in consignatie zijn geleverd en de rechten op die goederen door de verkoop op klager zijn overgegaan. Dit betreft niet meer dan een achteraf opgekomen veronderstelling. De notaris had tot taak bij het opmaken van de ko Na storting van het hypotheekbedrag op de rekening van [appellant] hebben de gebroeders [C] voorgesteld om dit bedrag voor [appellant] in bewaring te nemen onder meer om zo de betaling van de werkzaamheden direct te kunnen verrekenen. [appellant] , destijds ruim 85 jaar oud, begreep een en ander niet goed, maar wilde dat bouw- en schilderwerkzaamhedenzouden worden afgerond omdat de woning al enkele maanden in de steigers stond en er nog nauwelijks werkzaamheden waren verricht. [appellant] is daarom in goed vertrouwen akkoord gaan met het in bewaring geven van zijn geld en heeft zijn pinpas met pincode aan de gebroeders [C] gegeven. In de periode van 1 tot en met 9 juli 2011 hebben de gebroeders [C] een totaalbedrag van € 75.000,00 van de rekening van [appellant] opgenomen. e. In de daaropvolgende maanden kregen de gebroeders [C] ook de sleutel van de woning, namen zij regelmatig zijn post mee en vertelden zij aan [appellant] dat zij, om hem daarmee te ontlasten, zijn administratie lieten verzorgen door de administrateur van hun bouwbedrijf. [appellant] verloor hierdoor het overzicht over zijn financiën. Ondertussen lagen de werkzaamheden stil. f. Op enig moment hebben de gebroeders [C] geopperd dat de omvangrijke muziekcollectie van [appellant] , die van grote emotionele waarde voor hem is, bewaard zou moeten blijven en na zijn overlijden tentoongesteld zou kunnen worden in de woning. De woning zou dan door de gebroeders [C] zodanig verbouwd worden dat de begane grond als kantoorruimte voor hun bouwbedrijf zou kunnen worden gebruikt en de bovenverdieping als tentoonstellingsruimte dienst zou kunnen doen. [appellant] heeft geen naaste familieleden en heeft niemand om zijn platencollectie aan na te kunnen laten. [appellant] is daarom ingegaan op het voorstel van de gebroeders [C] om zijn testament te wijzigen in die zin dat zij de enige erfgenamen zouden worden. g. Enige tijd later is aan [appellant] verteld dat het testament niet voldoende waarborg bood dat de woning na zijn overlijden daadwerkelijk aan de gebroeders [C] toe zou komen. Om te voorkomen dat verre familie van [appellant] mogelijk ook (deels) aanspraak zou kunnen maken op de woning, waardoor de realisatie van een museum voor de muziekcollectie in gevaar zou kunnen komen, is gekozen voor het verkopen van de woning aan de gebroeders [C] tegen een marktconforme koopsom, met de afspraak dat [appellant] de rest van zijn leven voor een symbolische huurprijs van € 1,00 per maand in de woning zou mogen blijven wonen. h. De woning is op 26 september 2013 getaxeerd door de heer [D] . Omdat de heer [D] het niet vertrouwde, is hij later op de dag nogmaals langs gegaan bij [appellant] en heeft hij zijn contactgegevens achtergelaten, zodat [appellant] hem kon bellen als hij daar behoefte aan zou hebben. De heer [D] heeft [geïntimeerde2] gebeld om te melden dat hij de situatie niet vertrouwde. i. Na de taxatie boden de gebroeders [C] aan om de woning in bewoonde staat van [appellant] te kopen voor een bedrag van € 248.000,00. Na aftrek van de hypotheeksom zou een bedrag overblijven van € 168.000,00, welk bedrag op de rekening van [appellant] zou worden gestort. j. Op 21 oktober 2013 hebben de gebroeders [C] [appellant] meegenomen naar het kantoor van Readen en naar notariskantoor Van Limburg Stirum. Toen heeft [appellant] kennis gemaakt met Readen en [geïntimeerde2] . [appellant] wist niet waarom zij bij de afspraak aanwezig waren, maar begreep dat [geïntimeerde2] bevriend was met de gebroeders [C] . In het notariskantoor werd [appellant] gevraagd een aantal documenten te paraferen en te ondertekenen. [appellant] werd niet in de gelegenheid gesteld de documenten, die hij ook niet op voorhand van de notaris had ontvangen, door te lezen alvorens tot ondertekening over te gaan. Omdat hem werd verteld dat hij bij de notaris was om de woning over te dragen aan de gebroeders [C] en dat hij op korte termijn een bedrag van € 168.000,00 op zijn bankrekening zou ontvangen, heeft [appella De gebroeders [C] hadden belang bij de transactie, omdat daarmee de aankoop door hun vennootschap van een grote hoeveelheid goederen van D5 werd gefinancierd. Het contact tussen [appellant] en Readen is door de gebroeders [C] gelegd. Het is evident dat de overeenkomst nadelig was voor [appellant] ; hij verloor de eigendom van zijn woning en de overwaarde van de woning kwam niet hem ten goede, maar de gebroeders [C] (via hun vennootschap). Door de overeenkomst nam het vermogen van [appellant] met € 168.000,00 - het bedrag dat werd ingehouden op de koopsom - af. 5.6 Naar het oordeel van het hof staat op grond van de hiervoor weergegeven feiten vast dat [appellant] de overeenkomst met Readen is aangegaan door misbruik van omstandigheden door de gebroeders [C] . Daartoe is het volgende redengevend:Allereerst is vanwege de afhankelijkheid van [appellant] van de gebroeders [C] sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW.Vervolgens is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat [appellant] deze overeenkomst niet zou hebben gesloten wanneer hij niet afhankelijk zou zijn geweest van de gebroeders [C] . Voor [appellant] zou er geen enkele reden zijn geweest in dat geval zijn woning te verkopen aan een onbekende partij (Readen) en om er genoegen mee te nemen dat het grootste deel van de verkoopprijs zou worden gebruikt om een schuld van een derde (Van Schaaik B.V.) aan een aan de koper gelieerde vennootschap te betalen. Er is dan ook causaal verband tussen de bijzondere omstandigheden en de koopovereenkomst.De gebroeders [C] waren, gelet op hun contacten met [appellant] , bekend met zijn afhankelijkheid van hen. Zij wisten dat hij hen volkomen vertrouwde, zijn financiën aan hen in handen had gegeven en geloof hechtte aan hun belofte om goed te beschikken over zijn (geestelijke) nalatenschap, door na zijn overlijden een museum in de woning te beginnen. De gebroeders [C] hadden al van de afhankelijkheid van [appellant] misbruik gemaakt door hem een bedrag van € 75.000,- afhandig te maken. De door de gebroeders [C] geëntameerde overeenkomst tussen [appellant] en Readen was, naar de gebroeders [C] bekend was, uitermate nadelig voor [appellant] . [appellant] zou de eigendom van zijn woning verliezen, zou het overgrote deel van de koopsom besteden aan de aflossing van een schuld van een derde (de vennootschap van de gebroeders van [C] ) en de overeenkomst betekende dat de wens van [appellant] dat zijn muziekcollectie na zijn dood als collectie in de woning zou blijven staan, onmogelijk werd gemaakt. De gebroeders [C] hadden, gelet op hun bekendheid met de afhankelijkheid van [appellant] , hem van het aangaan van de overeenkomst moeten weerhouden, in plaats van er bij hem op aan te dringen dat hij de overeenkomst zou sluiten. 5.7 De overeenkomst is, nu aan de vereisten van artikel 3:44 lid 4 BW is voldaan, dan ook tot stand gekomen door misbruik van omstandigheden. Daarbij kan in het midden blijven of [appellant] ermee bekend was - zoals Readen c.s. stellen, maar [appellant] betwist - dat hij de woning niet aan de gebroeders [C] maar aan Readen verkocht en dat hij niet kon beschikken over de overwaarde. Het gaat er om dat [appellant] door de gebroeders [C] is bewogen tot het aangaan van de overeenkomst die daadwerkelijk gesloten is. 5.8 Dat de gebroeders [C] hebben bewerkstelligd dat [appellant] de overeenkomst door misbruik van omstandigheden is aangegaan, betekent nog niet dat de overeenkomst vernietigbaar is. Dat is alleen het geval indien de overeenkomst tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden mede van de zijde van Readen dan wel wanneer Readen reden had te veronderstellen dat sprake was van misbruik van omstandigheden. In dat laatste geval kan [appellant] zich jegens Readen op misbruik van omstandigheden door de gebroeders [C] , die zijn te beschouwen als derden bij de overeenkomst tussen [appellant] en Readen, beroepen (vgl. artikel 3:44 lid 5 BW). De rechtbank heeft overwogen dat daa Op grond daarvan is Readen naar het oordeel van het hof niet een wederpartij die geen reden had het bestaan van misbruik van omstandigheden te veronderstellen in de zin van artikel 3:44 lid 5 BW. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat Readen geen onderzoek heeft gedaan naar de verhouding tussen [appellant] en de gebroeders [C] , ofschoon zij daar gelet op het karakter en het nadeel van de transactie voor [appellant] in combinatie met de waarschuwing van de heer [D] alle reden toe had. Ook indien, zoals de rechtbank heeft overwogen, de waarschuwing van de heer [D] zag op de omstandigheid dat [appellant] in de woning wilde wonen en dat aan die wens was tegemoetgekomen door het sluiten van een huurovereenkomst, bleef de waarschuwing van betekenis. Het was een signaal dat [D] ten tijde van de taxatie niet wist wat de bedoeling van de overeenkomst was. Indien [appellant] , zoals Readen c.s. stellen, zijn testament heeft getoond, mocht Readen er nog niet zonder meer vanuit gaan dat de gebroeders [C] en [appellant] familie waren. Bovendien vormt een eventuele familieverhouding tussen [C] en [appellant] nog geen verklaring voor een transactie die erop neerkomt dat [appellant] (vrijwel) zijn gehele vermogen, dat in zijn woning was vastgelegd, besteedde aan de aanschaf van goederen door een vennootschap van [C] .Readen c.s. hebben nog aangevoerd dat [appellant] een zeer scherpe indruk maakte. Hij zou hebben verteld langdurig werkzaam te zijn geweest in de verzekeringsbranche, zou blijk hebben gegeven van een grote kennis van de Tweede Wereldoorlog en kende de ‘ins and outs’ van de stamboom van de familie Van Limburg Stirum. Readen c.s. miskennen dat het feit dat een oude man veel kennis heeft van het verleden niets zegt over de vraag of hij in staat is om vrij (zonder dat zijn wil tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden) zijn wil over een ingewikkelde vermogensrechtelijke transactie te bepalen. Dat notaris Van Limburg Stirum (evenals de twee notarissen met wie [appellant] eerder contact heeft gehad) niet heeft getwijfeld aan de wilsbekwaamheid van [appellant] , staat niet in de weg aan een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden. [appellant] heeft niet gesteld dat zijn wil en verklaring niet met elkaar overeenstemden, en dat dus sprake is geweest van een wilsgebrek in de zin van artikel 3:34 BW, maar dat zijn wil op een gebrekkige wijze is gevormd. Uit de in rechtsoverweging 3.22 en 3.23 aangehaalde uitspraken volgt bovendien dat notaris Van Limburg Stirum (in elk geval) in tuchtrechtelijk opzicht is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht. 5.11 De slotsom is dat grief III slaagt. Grief V , die zich keert tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is voor vernietiging van de koopovereenkomst, slaagt eveneens. Het hof is van oordeel dat de koopovereenkomst vernietigbaar is op grond van het bepaalde in artikel 3:44 lid 4 juncto artikel 3:44 lid 5 BW. [appellant] heeft de overeenkomst met de brief van zijn advocaat van 18 april 2014 (aangehaald in rechtsoverweging 3.21) weliswaar vernietigd, maar nu de vernietiging een rechtshandeling betreft met betrekking tot een registergoed en Readen niet in de vernietiging heeft berust, kan deze brief de rechtshandeling niet vernietigen (artikel 3:50 lid 2 BW). Het hof zal de overeenkomst dan ook vernietigen. De daartoe strekkende vordering van [appellant] is toewijsbaar. 5.12 [appellant] heeft ook gevorderd dat Readen wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de kadastrale registratie van de woning op zijn naam, althans te bepalen dat het in deze te wijzen arrest in de plaats komt van de bij de eigendomsoverdracht en levering noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van Readen. 5.13 Op grond van het bepaalde in artikel 3:53 BW werkt de vernietiging terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht, in dit geval derhalve tot 21 oktober 2013. Wat op grond van de (vernietigde) overeenkomst is gepresteerd, is zonder tit 5.20 De slotsom is dat [appellant] zijn stelling dat hij een bedrag van € 7.104,98 aan schade heeft geleden doordat hij de kosten van overdracht van de woning heeft moeten betalen, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof stelt vast dat [appellant] niet heeft aangevoerd dat hij andere materiële schade heeft geleden dan het door hem gevorderde bedrag van € 7.104,98. 5.21 [appellant] heeft vervolgens ook een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade gevorderd. Hij stelt dat hij "meerdere psychisch nadelige gevolgen" heeft ondervonden sinds de overdracht van de woning. Het hof gaat ervan uit - [appellant] heeft dat verder niet uitgewerkt - dat [appellant] met deze stelling wil aangeven dat hij in die zin in zijn persoon is aangetast dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen. [appellant] heeft aangevoerd dat hij onzeker is geworden rond het aangaan van sociale contacten, bang is om alleen over straat te gaan en zich in zijn eigen woning niet veilig voelt. Dat duidt erop dat bij [appellant] sprake is van psychisch onbehagen. Volgens vaste rechtspraak is om van geestelijk letsel te kunnen spreken echter niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Nu [appellant] niets meer heeft aangevoerd, bijvoorbeeld dat bij hem sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld waarvoor hij onder behandeling is (geweest), heeft hij geen aanspraak op vergoeding van immateriële schade. 5.22 Uit het voorgaande volgt dat [appellant] niet heeft onderbouwd dat hij (materiële of immateriële) schade heeft geleden. Dat betekent dat de vorderingen van [appellant] tot betaling van de door hem gevorderde bedragen aan materiële en immateriële schade niet toewijsbaar zijn. [appellant] heeft niet aangevoerd dat hij ook andere schade heeft geleden dan de door hem gevorderde schadebedragen. Onder deze omstandigheden is de gevorderde verklaring voor recht dat dat een verklaring voor recht dat Readen c.s. onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld, niet toewijsbaar. Grief VIII faalt dan ook. 5.23 Nu de vorderingen op basis van onrechtmatige daad reeds vanwege het ontbreken van schade niet toewijsbaar zijn, is de grondslag van de vernietiging van de overeenkomst ook niet van belang voor een beoordeling van deze vorderingen. Dat betekent dat [appellant] er geen belang bij heeft dat het hof, nu het al heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van omstandigheden (de meer subsidiaire grondslag), ook nog onderzoekt of sprake is van bedrog (de primaire grondslag) en/of dwaling (de subsidiaire) grondslag. 5.24 Bij deze stand van zaken kunnen de grieven I, II en VI en VII over respectievelijk het beroep op bedrog, dwaling, de wijziging van de overeenkomst en de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid onbesproken blijven. Bij de bespreking van grief IV heeft [appellant] geen belang. Met deze grief komt [appellant] op tegen de overweging in het vonnis dat geen van de notarissen die [appellant] van november 2011 tot en met september 2013 hebben gezien, aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van [appellant] . Zoals hiervoor is overwogen, heeft [appellant] geen beroep gedaan op een (ten gevolge van wilsonbekwaamheid) van zijn wil verschillende verklaring, maar op een wilsgebrek. 5.25 Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en de overeenkomst tussen [appellant] en Readen vernietigen. In het geschil tussen [appellant] en Readen is laatstgenoemde dan ook de overwegend in het ongelijk gestelde partij. De vorderingen tegen [geïntimeerde2] zullen worden afgewezen, zodat in het geschil tussen [appellant] en [geïntimeerde2] [appellant] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Omdat Readen en [geïntimeerde2] in de procedure samen zijn opgetrokken, zal het hof de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep compenseren. Daaruit volgt dat de vordering van [appellant] tot terugbetaling van hetgeen hij op grond van het vonnis van 18 februari 2015 aan Readen c.s