Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-10-03
ECLI:NL:GHARL:2017:8604
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.181.796/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/146731 / HA ZA 14-57) arrest van 3 oktober 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant] , advocaat: mr. J.H. Mastenbroek, kantoorhoudend te Groningen, tegen [geïntimeerde] , wonende te [B] , geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.J. Reiziger, kantoorhoudend te Assen. 1 Het verdere verloop van het geding. 1.1. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 februari 2017 hier over. 1.2. De in het voornoemd tussenarrest bepaalde comparitie heeft plaatsgehad op 9 mei 2017. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. Mr. Mastenbroek heeft pleitaantekeningen overgelegd, die aan het proces-verbaal zijn gehecht. Een schikking is niet bereikt. 1.3. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier. 1.4. [appellant] vordert in hoger beroep: "dat uw Gerechtshof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis gewezen door de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, zittingsplaats Groningen, van 18 maart 2015 onder (…) vernietigt en - opnieuw rechtdoende -geïntimeerde veroordeelt tot betaling aan appellant van een bedrag van € 65.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 april 2012 tot op de dag van algehele voldoening, alsook tot betaling van een bedrag van € 3.550,- ter zake van door appellant aan geïntimeerde betaalde proceskosten in eerste instantie, onder veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties." 2 De vaststaande feiten. 2.1. De grieven I en II zijn mede gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Aangezien het hof zelf de feiten heeft vastgesteld en daarbij rekening heeft gehouden met hetgeen in genoemde grieven is aangevoerd, heeft [appellant] in zoverre geen belang bij afzonderlijke bespreking van deze grieven. 2.2. [geïntimeerde] is bestuurder van Exploitatiemaatschappij Noord-Nederland B.V. Exploitatiemaatschappij Noord-Nederland B.V. is (onder meer) indirect bestuurder van Pedro Boat Occasions B.V. (hierna: Pedro Boat). 2.3. Op 3 november 2011 heeft [appellant] aan Pedro Boat opdracht verleend zijn motorjacht " [C] " (hierna: het jacht) te verkopen (hierna: de bemiddelingsovereenkomst). In de bemiddelingsovereenkomst van die datum staat onder meer vermeld: Overeengekomen bedrag dat, bij verkoop door PEDRO-BOAT OCCASIONS B.V., aan de verkoper contant en zonder berekening van provisie, wordt uitbetaald, bedraagt € 70.000,-. (…). Zonder tegenbericht van de verkoper wordt na deze periode deze overeenkomst stilzwijgend met telkens 6 maanden verlengd." 2.4. Op 29 maart 2012 is het jacht door Pedro Boat verkocht aan de heer [D] (hierna: [D] ) voor een bedrag van € 75.000,-. In het koopcontract is onder meer het volgende bepaald: "(…) 2. Der Verkauf und Kauf erfoglen zum Kaufpreis von: € 75.000,00 Anzahlung --- € 0,00 Restsumme Alles in April 2012 € 75.000,00 3. Die Yacht wird in Mai 2012 abgenommen und geliefert, nachdem die Zahlung wie unter Punkt 2. Vereinbart, geleistert wurde. Bis zur Lieferung bleibt die Yacht auf Rechnung und Gefahr des Verkaufers. 4. Mit eventuellen Arbeiten, gemäss Punt 8, wird est angefangen, nachdem die Anzahlung, wie unter Punkt 2. Vereibart geleistet wurde." Onder 8. staan de werkzaamheden opgesomd die nog aan het schip verricht moeten worden. 2.5. In de brief van 30 maart 2012 van Pedro Boat aan [appellant] staat onder meer het volgende vermeld: "Naar aanleiding van het telefoongesprek d.d. 30.03.2012 delen wij u hierbij schriftelijk mede dat uw schip, de [C] met bouwnummer [0000] verkocht is. Het contract is ondertekend en het wachten is op de aanbetaling. Zodra deze binnen is, is het schip definitief verkocht. De aanbetaling verwachten we binnen twee weken. Als dit binnen is melden we dit aan u. Volgens af In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006: AZ0758, NJ 2006, 659, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (De zogenoemde Beklamelnorm naar HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990, 286, laatstelijk geduid in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K waaruit volgt dat deze norm in de kern de eis inhoudt dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden). In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. In dit onder (ii) bedoelde geval draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal. Het ligt daarbij bij zowel de hiervoor onder (i) als de onder (ii) bedoelde gevallen op de weg van de benadeelde crediteur om per aangesproken bestuurder te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Ten aanzien van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon heeft het volgende te gelden (zie HR 12 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275). Art. 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Artikel 2:11 BW is van toepassing in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet. Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op art. 6:162 BW. Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van Nadat er daadwerkelijk een koper was gevonden zijn voornoemde partijen telefonisch met elkaar in contact getreden en is vervolgens onder verwijzing naar dit contact schriftelijk vastgelegd welk bedrag aan [appellant] zou worden uitbetaald "Volgens afspraak krijgt u netto van ons een bedrag van € 65.000,= incl. BTW" en wanneer betaling van dit bedrag zou plaatsvinden " Zodra het schip is uitgeleverd, eind Mei/begin Juni 2012 dan ontvangt u dit bedrag." [appellant] heeft deze brief voor akkoord getekend. Pedro Boat en [geïntimeerde] hebben deze verklaring onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo mogen opvatten dat betaling eerst diende plaats te vinden bij levering. [appellant] heeft aangevoerd dat bij de overeenkomst van opdracht van 3 november 2011 is overeengekomen dat Pedro Boat reeds bij verkoop aan [appellant] diende te betalen. Het hof overweegt ter zake als volgt. Het is de vraag of op grond van de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen – waaronder, maar niet beperkt tot de letterlijke tekst van de overeenkomst van opdracht van 3 november 2011 - mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, de door [appellant] voorgestane uitleg de juiste is. De door [appellant] voorgestane uitleg zou met zich brengen dat Pedro Boat reeds verplicht zou zijn om EUR 70.000,- aan [appellant] te betalen voordat zij van de koper de koopsom zou hebben ontvangen, hetgeen voorshands niet in de rede ligt. De beantwoording van de vraag hoe de overeenkomst van 3 november 2011 dient te worden uitgelegd, kan echter achterwege blijven, nu tussen partijen op 30 maart 2012 een nadere overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan betaling eerst diende plaats te vinden bij levering. 4.8. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is wanneer die levering heeft plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de comparitie bij het hof verklaard dat op het moment dat het schip door de klant wordt opgehaald, bij hem op kantoor wordt getekend voor de levering. [geïntimeerde] heeft een zogenoemde "Empfangserklärung" gedateerd 22 juni 2012 overgelegd (rov. 2.9.) waarin [D] verklaart dat hij het jacht in ontvangst heeft genomen. Het feit dat de levering heeft plaatsgevonden geruime tijd na betaling van de koopprijs, sluit aan bij de koopovereenkomst met [D] waarin is overeengekomen dat betaling van de koopprijs zou plaatsvinden in april 2012 en een levering in mei 2012 is voorzien. Het feit dat er nog (in de koopovereenkomst genoemde) werkzaamheden aan het jacht zijn verricht is hiermee niet in tegenspraak. In het licht van de geschetste feiten en omstandigheden heeft [appellant] zijn stelling dat levering op 30 april 2012 heeft plaatsgevonden en dat op die datum de betalingsverplichting van Pedro Boat is ontstaan onvoldoende onderbouwd. Nu [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan komt het hof aan bewijslevering niet toe. Dit leidt tot het oordeel dat levering heeft plaatsgehad op 22 juni 2012 en op dat moment tevens de betalingsverplichting voor Pedro Boat ontstond. 4.9. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de vennootschap niet tot betaling in staat was, heeft [geïntimeerde] het volgende aangevoerd. Er was sprake van een concernfinanciering. Het krediet was gebaseerd op de aanwezige voorraad waar de ING Bank een pandrecht op had. Het maximale krediet bedroeg € 1.500.000,-. In de winter (tot mei van elk jaar) werd dit krediet verhoogd met € 300.000,-. Op deze manier konden de wintermaanden overbrugd worden. Het was gebruikelijk dat in het voorjaar de verkopen aantrokken, waardoor dit extra krediet niet nodig was. Ter onderbouwing van deze afspraken is de offerte van ING Bank d.d. 24 maart 2009 overgelegd en een overzicht van de saldi van de bankrekeningen van de verschillende vennootschappen (conclusie na comparitie in eerste aanleg prod. 5 en prod. 6). In het voorjaar van 2012 bleven de verkopen achter. Door de achterblij