Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2017-02-21
ECLI:NL:GHARL:2017:1472
Civiel recht
Hoger beroep
3,993 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.140.384
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 339126)
beschikking van de familiekamer van 21 februari 2017
inzake
[verzoeker]
,
wonende in [woonplaats],verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.H. Schijven-Bours te Arnhem,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.J. Hoff te Haarlem.
1Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van het geding tot 17 maart 2015 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Blijkens voormelde tussenbeschikking zouden partijen zich tot een mediator wenden om in onderling overleg tot een oplossing te komen.
1.3
Het verdere verloop blijkt uit:
- een journaalbericht namens mr. Schijven-Bours van 1 juli 2015;
- een journaalbericht van mr. Hoff van 2 juli 2015;
- een journaalbericht van mr. Schijven-Bours van 27 oktober 2015;
- een journaalbericht van mr. Hoff van 27 oktober 2015;
- een journaalbericht van mr. Hoff van 28 juni 2016, waarin wordt verzocht in verband met
het beëindigen van de mediation een beschikking te geven;
- een journaalbericht van mr. Schijven-Bours van 1 juli 2016 met bijlage, in welke bijlage wordt verzocht om voortzetting van de mondelinge behandeling.
1.4
Op 16 december 2016 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2De vaststaande feiten
2.1
Het huwelijk van partijen is op 24 oktober 2008 ontbonden door echtscheiding.
2.2
Partijen zijn de ouders van:
- [kind 1], geboren op [geboortedatum ] 1999, en
- [kind 2], geboren op [geboortedatum ] 2001,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
2.3
Bij echtscheidingsbeschikking van 2 juli 2008 heeft de rechtbank Amsterdam, kort gezegd, bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2008 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 590,- per kind per maand en met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw € 225,- per maand zal voldoen.
2.4
De man en de vrouw hebben hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking van 2 juli 2008. Bij beschikking van 14 mei 2013 heeft het gerechtshof Amsterdam, voor zover van belang, de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 3.576,- netto per maand, de beschikking van 2 juli 2008 vernietigd voor zover het de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft en die door de man te betalen uitkering met ingang van 24 oktober 2008 op € 3.317,- per maand bepaald.
2.5
De man heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 28 februari 2013 bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, verzocht:- primair voor recht te verklaren dat de verplichting van de man tot betaling van
partneralimentatie vanaf de echtscheiding van rechtswege is geëindigd op grond van artikel
1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW);- subsidiair de partneralimentatie op nihil te stellen of tot een zodanig bedrag te verlagen als
de rechtbank redelijk acht op grond van a. grievend gedrag en b. verminderde behoefte van
de vrouw in verband met het feit dat [A.], de vriend van de vrouw, in een groot deel
van de relevante kosten van de vrouw deelt of geacht kan worden te delen;- de vrouw te veroordelen de reeds ontvangen alimentatie terug te betalen, de kosten van een
door de man ingeschakeld recherchebureau te betalen, alsmede de vrouw te veroordelen in
de kosten van de procedure, waaronder de buitengerechtelijke kosten.
2.6
Bij brief van 16 augustus 2013 heeft de man, naar aanleiding van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2013 en onder aanvulling van rechtsgronden, verzocht om de behoefte van de vrouw vast te stellen op € 2.750,- bruto per maand dan wel op een in redelijkheid vast te stellen bedrag en om de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te wijzigen en op nihil vast te stellen vanaf de datum van echtscheiding dan wel op een bedrag en vanaf een datum als de rechtbank juist acht.
2.7
Bij beschikking van 24 december 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, het aanvullende verzoek van de man, waarvan de beslissing in de bestreden beschikking van 16 oktober 2013 was aangehouden, afgewezen.
3De omvang van het geschil
3.1
In geschil is de (hoogte van de) bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 16 oktober 2013: - het verzoek van de man voor recht te verklaren dan wel vast te stellen dat de verplichting
van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van
rechtswege is geëindigd, afgewezen;
- de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek de beschikking van de rechtbank
Amsterdam van 2 juli 2008 te wijzigen in die zin dat de bijdrage van de man in de kosten
van levensonderhoud van de vrouw op nihil dient te worden gesteld;
- het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen aan de man de kosten van het
onderzoeksbureau te vergoeden, afgewezen;
- het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure
afgewezen, alsmede de behandeling van de door de man bij brief van 16 augustus 2013 ingediende
overige verzoeken aangehouden.
3.2
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van
16 oktober 2013.In grief 1 betoogt de man dat het feit dat [A.] nog gehuwd is geen beletsel kan en mag zijn om ter zake van de samenwoning van de vrouw en [A.] artikel 1:160 BW toe te passen.
Grief 2 ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van de man door de rechtbank in zijn in eerste aanleg gedane subsidiaire verzoeken.
Grief 3 ziet op de afwijzing van de rechtbank om de vrouw te veroordelen in de kosten van het rechercherapport.
Grief 4 is een zogenoemde ‘veeggrief’ en ziet op de beslissing van de rechtbank onder verwijzing naar de grieven 1 tot en met 3.
Motivering
4.1
Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.
Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief dient te worden uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de partneralimentatie. Het gevolg is immers dat de betrokkene, die met een ander is gaan samenleven als waren zij gehuwd, definitief een aanspraak op levensonderhoud verliest (HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724).
4.2
De man voert in zijn eerste grief aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de situatie van de vrouw, te weten samenwoning met een gehuwde man, niet onder de reikwijdte van artikel 1:160 BW valt. De man is van oordeel dat hij voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat de vrouw en [A.] samenleven als waren zij gehuwd. Ter onderbouwing daarvan heeft de man onder meer een recherche-rapport van Recherchebureau Van Esdonk Beveiliging & Recherche van 11 april 2012 overgelegd. Volgens de man is het geen beletsel voor toepassing van artikel 1:160 BW dat [A.] nog gehuwd is. De vrouw betwist dit en verwijst naar de bestaande leer inhoudende dat een concubinaat met een gehuwde partner niet valt binnen de reikwijdte van 1:160 BW.
4.3
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat artikel 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd en dat samenleving met een gehuwde partner niet onder 1:160 BW valt zolang diens huwelijk voortduurt.
De man heeft weliswaar ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een uitspraak van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 8 maart 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9239), maar deze uitspraak is vernietigd bij uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2058). Uit laatstgenoemde uitspraak, die van redelijk recente datum is en waarin de recente maatschappelijke ontwikkelingen zijn verdisconteerd, volgt dat zelfs indien het huwelijk van de nieuwe partner van de alimentatiegerechtigde in stand zou worden gehouden om de alimentatieverplichting te laten voorduren, er geen sprake is van een situatie die valt binnen de reikwijdte van artikel 1:160 BW. In zo’n situatie geeft volgens de Hoge Raad nog steeds de doorslag dat toepasselijkheid van artikel 1:160 BW zou leiden tot het ingrijpende gevolg dat de alimentatieplicht definitief komt te vervallen, hoewel de positie van de alimentatiegerechtigde ten opzichte van de nieuwe partner wezenlijk verschilt van die in een huwelijk. Een relatie van de alimentatiegerechtigde met een derde kan wel een rol spelen bij de bepaling van de behoeftigheid. Gelet op het vorenstaande faalt grief 1.
4.4
In grief 2 voert de man aan dat hij zijn verzoeken en rechtsgronden in eerste aanleg bij brief van 16 augustus 2013 heeft aangevuld. Deze wijziging kwam niet in de plaats van het in het verzoekschrift geformuleerde subsidiaire verzoek, maar was een aanvulling op hetgeen hij reeds primair en subsidiair in zijn verzoekschrift had verzocht. De rechtbank heeft hem ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn subsidiaire verzoek tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2008.
4.5
Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de rechtbank hem terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn oorspronkelijke subsidiaire verzoek. Het staat de man immers vrij om in hoger beroep zijn in eerste aanleg gedane verzoek, al dan niet gewijzigd, wederom te doen.
Nu de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2008 is vernietigd bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2013, zodat bij wijziging van eerstgenoemde beschikking geen belang meer bestaat, moet worden aangenomen dat de man thans wijziging beoogt van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2013.
4.6
Ten aanzien van hetgeen de man in hoger beroep subsidiair en meer subsidiair heeft verzocht (zie 3.2) overweegt het hof als volgt. Aan het subsidiair verzochte heeft de man ten grondslag gelegd dat er sprake is van grievend gedrag van de zijde van de vrouw en aan het meer subsidiair verzochte dat de (aanvullende) behoefte van de vrouw op een lager bedrag moet worden vastgesteld omdat de vrouw de kosten van levensonderhoud deelt met [A.]. De rechtbank heeft zich in de bestreden beschikking niet over deze punten uitgelaten, omdat deze verzoeken onderdeel waren van het oorspronkelijke subsidiaire verzoek waarin de rechtbank de man niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.7
Ten aanzien van het beroep van de man op beëindiging dan wel verlaging van de onderhoudsverplichting op grond van grievend gedrag van de vrouw oordeelt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere echtgenoot kan worden gevergd en, zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende echtgenoot. De vraag die daarbij speelt, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het ontbonden huwelijk voortvloeit als gevolg van gedragingen van de onderhoudsgerechtigde als verbroken kan worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 1:157 BW, een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet langer kan worden gevergd. Daarbij geldt als criterium of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de alimentatieplichtige in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde te voorzien. Lotsverbondenheid is een van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht. Niet het mogelijke wangedrag op zichzelf, maar het bij dergelijk gedrag vorderen van steun kan in dat geval een zo kwetsende bejegening van de aangesprokene opleveren, dat van deze laatste betaling van onderhoud moreel niet of niet ten volle kan worden gevergd.
De enkele constatering van grievend gedrag jegens de onderhoudsplichtige van degene die alimentatie verzoekt, leidt niet zonder meer er toe dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is. Voorts dient in het algemeen terughoudendheid te worden betracht bij de beoordeling of zich in een concreet geval een zodanige situatie voordoet, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een beëindiging of matiging van de onderhoudsverplichting. Ook dient te worden bedacht dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel een echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen.
4.8
In het onderhavige geval heeft de man in eerste aanleg en in hoger beroep betoogd, de vrouw heeft dit bestreden, dat de vrouw zich zodanig jegens hem heeft gedragen dat er een einde is gekomen aan de hiervoor bedoelde lotsverbondenheid. De man heeft in dit verband een uiteenzetting gegeven van hetgeen er in zijn beleving is voorgevallen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
16 oktober 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.J. Haarhuis, A. Smeeïng-van Hees en R. Feunekes, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. A. Smeeïng-van Hees en is op 21 februari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.