Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-12-19
ECLI:NL:GHARL:2017:11194
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers 16/01204 en 16/01205 uitspraakdatum: 19 december 2017 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 augustus 2016, nummers AWB 16/1282 en AWB 16/1283, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn over de tijdvakken 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 en 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en zijn boeten opgelegd. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen met betrekking tot de boetebeschikkingen gegrond verklaard, de desbetreffende uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de boeten verminderd, de Inspecteur veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2 De vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is een beheermaatschappij. Enig aandeelhouder van belanghebbende is de Stichting [A] . Enig certificaathouder, enig bestuurder en enig werknemer van belanghebbende is [B] (hierna: de werknemer). Belanghebbende houdt 49% van de aandelen in [C] BV. 2.2. Belanghebbende heeft ervoor gekozen in 2011 de werkkostenregeling niet toe te passen (artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964; hierna: de Wet LB). 2.3. Belanghebbende heeft aan de werknemer een maandelijkse kostenvergoeding van € 200 betaald en deze als volgt gespecificeerd: Representatiekosten € 100 Autokosten € 35 Vakliteratuur € 15 Kosten van voedsel en drank persoonlijk € 35 Diverse kostenposten € 15 2.4. Belanghebbende heeft in de onderhavige tijdvakken aan de werknemer de volgende auto’s ter beschikking gesteld: 1 januari t/m 3 oktober 2008 Porsche Cayenne S [00-YY-YY] € 112.753 3 juli 2009 t/m 31 december 2010 Porsche Cayenne S [01-YY-YY] € 134.036 1 januari 2008 t/m 30 juni 2010 Porsche 911 Carrera 4S Cabrio [02-YY-YY] € 180.907 2.5. Voor de berekening van de verschuldigde loonheffingen heeft belanghebbende een bijtelling privégebruik auto toegepast van € 45.318 per jaar in 2008 en 2009 en van € 39.414 in 2010. 2.6. Belanghebbende heeft met betrekking tot de Carrera een rittenadministratie overgelegd. Deze start op 1 januari 2008 met 4.950 en eindigt op 31 december 2008 met 11.911. Eind 2009 is een kilometerstand vermeld van 14.107. De laatstvermelde rit is op 12 mei 2010 met een eindstand van 17.006. Op 30 juni 2010 is de auto opgehaald met volgens de leasemaatschappij een kilometerstand van 17.024. 2.7. Op 20 maart 2009 heeft de garagehouder een kilometerstand van 8.128 doorgegeven aan de Nationale Autopas (hierna: NAP). Op deze datum staat geen rit in de rittenadministratie van belanghebbende. 2.8. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de kostenvergoeding tot het loon behoort en dat voor alle ter beschikking gestelde auto’s het autokostenforfait moet worden toegepast. Hij heeft daarom de in geding zijnde naheffingsaanslagen opgelegd. Deze zijn als volgt berekend: 2008 privégebruik Cayenne € 21.368 privégebruik Carrera € 45.226 totaal € 66.594 bijgeteld € 45.318 verschil € 21.276 kostenvergoeding € 2.400 loon € 23.676 naheffing 52% € 12.311 2009 privégebruik Cayenne € 16.574 privégebruik Carrera € 45.226 totaal € 61.800 bijgeteld € 45.318 verschil € 16.482 kostenvergoeding € 2.400 loon € 18.882 naheffing 52% € 9.818 201 De werkzaamheden van de werknemer houden in dat hij bij andere concernvennootschappen werkzaamheden verricht, waarvoor belanghebbende een managementfee ontvangt. Daarom is naar het oordeel van het Hof relevant of uitgaven die de werknemer in verband met zijn werkzaamheden doet, door die andere concernvennootschappen worden betaald. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer voor eigen rekening uitgaven doet ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Privégebruik auto 4.8. Partijen discussiëren over de vraag op welke auto de toegepaste bijtelling voor privégebruik betrekking heeft. Het Hof acht dat niet relevant. Het gaat erom of de inhouding van loonheffingen al dan niet voldoende was. Daarbij is niet van belang of de inhoudingsplichtige bij het bepalen van de hoogte van het loon is uitgegaan van de juiste veronderstelling over welke auto wel en welke auto niet zou zijn gebruikt voor privédoeleinden. 4.9. Niet in geschil is dat voor de Cayenne een bedrag wegens privégebruik tot het loon moet worden gerekend. Belanghebbende stelt echter dat voor de Carrera geen bedrag wegens privégebruik tot het loon moet worden gerekend, omdat zij heeft doen blijken dat deze auto voor minder dan 500 km voor privédoeleinden is gebruikt. Zij verwijst in dat verband naar een door haar overgelegde rittenregistratie. Belanghebbende erkent dat deze rittenregistratie niet voldoet aan de eisen (artikel 21c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001), maar zij wijst erop dat deze registratie niettemin als bewijsmiddel kan gelden. Belanghebbende erkent dat de gereden route niet is vermeld, maar stelt zich op het standpunt dat de rittenregistratie nog steeds als bewijs kan dienen. Zij stelt zich voorts op het standpunt dat ook een achteraf opgestelde rittenregistratie tot bewijs kan dienen. Verder wijst belanghebbende erop dat zij met de werknemer is overeengekomen dat de Carrera niet voor privédoeleinden mag worden gebruikt. Belanghebbende stelt dat de werknemer in zijn elektronische agenda de kilometerstanden vermeldde, waarna deze werden vastgelegd in een Excel-bestand. Belanghebbende stelt dat de auto in de eerste twee maanden veel is gebruikt, omdat de werknemer toen 1 à 2 keer per week naar Köln ging in verband met het zoeken van kantoorruimte en personeel voor de vestiging aldaar. 4.10. De Inspecteur stelt dat de overgelegde rittenregistratie niet voldoet. Hij stelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat alle vermelde ritten zijn gereden, dat de als zakelijk vermelde ritten ook een zakelijk doel hadden en evenmin dat de wel verreden ritten zijn gereden met de Carrera. Hij wijst erop dat soms exacte adresgegevens ontbreken en dat vermelde afstanden soms afwijken van die volgens de routeplanner. Zo wijst de Inspecteur erop dat voor ritten vanaf het adres [a-straat] 25 te [E] naar het adres [b-straat] 19 te [F] en terug afstanden staan vermeld van 149 (7 augustus 2009), 158 (26 augustus 2008) en 169 (12 mei 2010) kilometer, terwijl volgens de routeplanner de afstand 136 kilometer is. Voorts wijst hij erop dat de gereden route niet is vermeld. Hij wijst erop dat de garage op 20 maart 2009 in het kader van de NAP een kilometerstand heeft ingevoerd van 8.128 (zie 2.7), terwijl volgens de rittenregistratie de kilometerstand aan het einde van 2008 11.991 was. Volgens de rittenregistratie is de eindstand op 2 februari 2009 evenals de beginstand op 22 maart 2009 12.377. De Inspecteur wijst erop dat volgens de rittenregistratie de kilometerstand bij inlevering van de auto op 30 juni 2010 17.006 was. Volgens de leasemaatschappij was de kilometerstand 17.024. 4.11. Belanghebbende stelt dat de gestelde kilometerstand op 20 maart 2009 geen bewijs is dat de rittenregistratie in andere jaren dan 2009 onjuist is. Belanghebbende stelt dat de garagehouder een onjuiste kilometerstand heeft doorgegeven. Omdat dit niet eerder is opgemerkt, is dat niet aan de garagehouder gemeld. Op de gegevens van de NAP wordt, ald