Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-12-12
ECLI:NL:GHARL:2017:11184
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Locatie Arnhem nummers: 16/01509 en 16/01510 uitspraakdatum: 12 december 2017 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] ( hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 7 november 2016, nummers AWB 16/1974 en 16/1975, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende zijn over de tijdvakken 28 februari 2014 tot en met 27 november 2014 respectievelijk 28 november 2014 tot en met 1 januari 2015 naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting opgelegd. Daarbij zijn voorts verzuimboeten aan belanghebbende opgelegd. 1.2 De daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaren zijn door de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard. 1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep gegrond verklaard, doch uitsluitend met betrekking tot de bij de tweede naheffingsaanslag opgelegde verzuimboete. De Rechtbank heeft die verzuimboete verminderd. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Tot de stukken van het geding behoren voorts de dossiers van de Rechtbank die op deze zaken betrekking hebben. 1.6 Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 16 november 2017 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende alsmede [A] namens de Inspecteur. 1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht. 2 De vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende is van 28 februari 2011 tot en met 8 september 2015 houder van een motorrijtuig van het merk Toyota, type Landcruiser en voorzien van het kenteken [00-YYY-0] (hierna: de auto) geweest. De datum van eerste toelating van de auto is 28 mei 1986. 2.2 De geldigheid van het voor de auto afgegeven kentekenbewijs is op verzoek van belanghebbende verschillende keren geschorst geweest, onder meer voor de perioden van 25 maart 2011 tot en met 30 mei 2011, van 5 maart 2012 tot en met 13 augustus 2012 en van 2 januari 2014 tot en met 2 januari 2015. Tijdens de laatste schorsingsperiode stond de auto gestald in een loods te [B] . 2.3 Belanghebbende heeft als hobby het restaureren van oude auto’s. Hij is houder geweest van verschillende auto’s, waarvan diverse op zijn verzoek onder de schorsingsregeling zijn gebracht. 2.4 Op 17 november 2014 om 11.01 uur, tijdens de schorsing van het kentekenbewijs, is door ambtenaren van de Belastingdienst geconstateerd dat de auto in een parkeervak aan de [a-straat] , zijnde een openbare weg, te [Z] stond. Tot de gedingstukken behoort een door die ambtenaren opgemaakte ‘Melding Controle Autoheffingen’ met een foto van de auto. 2.5 De Inspecteur heeft naar aanleiding van deze constatering op de voet van artikel 35 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet Mrb) met dagtekening 2 november 2015 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting aan belanghebbende opgelegd ten bedrage van € 1.818, berekend over de periode van 28 februari 2014 tot en met 27 november 2014. Daarbij is voorts een verzuimboete aan belanghebbende opgelegd van € 1.818, zijnde 100% van de nageheven belasting. 2.6 De Inspecteur heeft aan belanghebbende voorts (met dagtekening 30 november 2015) een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode van 28 november 2014 tot en met 1 januari 2015 ten bedrage van € 215. Daarbij is een verzuimboete van € 158 aan belanghebbende opgelegd. 2.7 Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar aangetekend tegen de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen. 2.8 De Rechtbank heeft de naheffingsaanslagen en de verzuimboete van € 1.818 gehandhaafd, maar de verzuimboete van € 158 verminderd tot € 52. 3 Het geschil, de standp HR 25 oktober 2013, nr. 11/04730, ECLI:NL:HR:2013:973, r.o. 3.5.2.). In zoverre heeft de Inspecteur terecht een verzuimboete aan belanghebbende opgelegd. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat sprake is van ‘grove schuld’ of ‘opzet’ aan de zijde van belanghebbende. 4.5 Op de voet van artikel 37 Wet Mrb in verbinding met artikel 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen is de Inspecteur gerechtigd belanghebbende een verzuimboete op te leggen van ten hoogste € 4.920 (tekst 2014). In een beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën is evenwel geregeld, voor zover hier van belang, dat de op te leggen verzuimboete maximaal 100 percent bedraagt van het bedrag aan belasting dat niet is betaald (§34 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst). Bij het opleggen van de onderhavige verzuimboete heeft de Inspecteur zich hieraan gehouden. 4.6 In zoverre belanghebbende de hoogte van de verzuimboete in het kader van straftoemeting bestrijdt, dient het volgende te worden vooropgesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in gevallen als het onderhavige, naar de bedoeling van de wetgever, een verzuimboete van 100% aan de belastingplichtige wordt opgelegd met inachtneming van het wettelijke maximum (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2014, nr. 13/01102, ECLI:NL:GHARL:2014:4891). Dit neemt evenwel niet weg dat de bestuursrechter in belastingzaken in het kader van straftoemeting gehouden is om, gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden, te beoordelen wat een passende en geboden sanctie is voor het verzuim dat door de belastingplichtige is begaan. 4.7 Belanghebbende heeft in bezwaar onder meer verklaard dat hij in de naheffingsperiode de auto met het oog op een reparatie vaker (drie tot vier keer) heeft achtergelaten op een plaats aan de [a-straat] te [Z] , waar de garagehouder, de heer [C] , woonde. Belanghebbende vervoerde de auto per trailer van de loods in [B] naar de [a-straat] te [Z] en plaatste de auto indien mogelijk op het privéterrein van [C] en anders op een vrije parkeerplaats in die straat . Deze garagehouder vervoerde de auto vervolgens naar zijn garage in Zeist, verrichtte aldaar de benodigde reparaties en vervoerde vervolgens de auto weer terug naar de [a-straat] te [Z] en parkeerde de auto op een parkeerplaats in die straat, dan wel op zijn privéterrein. Op diezelfde dag of soms na een paar dagen haalde belanghebbende de auto weer op en vervoerde de auto per trailer terug naar de loods in [B] . In aanmerking genomen dit relaas - dat het Hof niet ongeloofwaardig voorkomt - waaruit naar voren komt dat belanghebbende in de schorsingsperiode meerdere malen in strijd met de schorsingsvoorwaarden heeft gehandeld en de omstandigheid dat belanghebbende veelvuldig gebruik heeft gemaakt van de faciliteit van de schorsingsregeling en aldus goed op de hoogte is van de voorwaarden van deze regeling - hetgeen ter zitting van het Hof een bevestiging kreeg - acht het Hof, gelet ook op de in rechtsoverweging 4.6 vermelde bedoeling van de wetgever, een boete van € 1.818 te dezen passend en geboden voor het verzuim dat door belanghebbende is begaan. De boetebeschikking is derhalve terecht aan belanghebbende opgelegd. Verzuimboete 30 november 2015 4.8 Met betrekking tot de verzuimboete ter zake van het niet betalen van de over de periode 28 november 2014 tot en met 1 januari 2015 verschuldigde motorrijtuigenbelasting, heeft de Inspecteur ter zitting nader het standpunt ingenomen dat deze verzuimboete dient te worden vernietigd. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen. In zoverre is het hoger beroep gegrond. Slotsom Het hoger beroep van belanghebbende is ten dele gegrond. 5 Kosten Het Hof acht, nu belanghebbende ter zitting desgevraagd heeft verklaard daarop geen aanspraak te maken, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de verzuimboete opgelegd voor de periode 28 november