Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-12-14
ECLI:NL:GHARL:2017:11069
GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.226.755 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, C/16/17/341-342 R) beschikking van 14 december 2017 inzake [appellant], en [appellante] , beiden wonende te [woonplaats], appellanten hierna: [appellant] en [appellante], advocaat: mr. J. Braak. 1 Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 mei 2017 zijn [appellant] en [appellante] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarbij is mr. P.J. Neijt benoemd tot rechter-commissaris en [de bewindvoerder] tot bewindvoerder. 1.2 Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 oktober 2017 is het verzoek van [appellant] en [appellante] tot homologatie van het akkoord dat zij hebben aangeboden aan hun schuldeisers geweigerd. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 2 november 2017 ingekomen verzoekschrift zijn [appellant] en [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 27 oktober 2017 en hebben zij het hof verzocht die beschikking te vernietigen en alsnog de homologatie van het aangeboden akkoord toe te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede van de brief van 29 november 2017 met bijlagen van mr. Braak en van de brief van 29 november 2017 met bijlagen van de bewindvoerder. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 december 2017, waarbij [appellant] en [appellante] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun advocaat, vergezeld van [medewerker], werkzaam bij Schuldhulpverlening [schuldhulpverlening]. Voorts is de bewindvoerder verschenen. 3 De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 De rechtbank heeft de homologatie van het door [appellant] en [appellante] aan hun schuldeisers aangeboden akkoord geweigerd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de weigeringsgrond van artikel 153, tweede lid, aanhef en onder b van de Faillissementswet (Fw) van toepassing is en dat derhalve de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd. De onvoldoende waarborg bestaat er volgens de rechtbank in dat het Bbz-krediet nog niet ter beschikking van [appellant] en [appellante] is gesteld en dat de eerste hypotheekhouder een verklaring dient af te geven dat hij instemt met een vestiging van tweede hypotheekrecht tot zekerheidstelling van de terugbetaling van het Bbz-krediet. 3.2 [appellant] en [appellante] kunnen zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen. Zij stellen dat zij inmiddels de overeenkomst met de gemeente tot het verkrijgen van het Bbz-krediet hebben ondertekend en dat de middelen uit dat krediet spoedig daarna op de derdengeldenrekening van de bewindvoerder zullen worden bijgeschreven. Daarmee is aan het eerste vereiste voldaan. Door bijschrijving van de middelen uit het Bbz-krediet op de derdengeldenrekening van de bewindvoerder is het vereiste voor een tweede hypotheekrecht komen te vervallen, zodat zich ook in die zin geen weigeringsgrond meer voordoet en dus de nakoming van het aangeboden akkoord is gewaarborgd. 3.3 De bewindvoerder heeft in haar brief van 29 november 2017 aan het hof verklaard dat op 3 november 2017 door de gemeente Utrecht een bedrag van € 33.186,- op haar derdengeldenrekening is gestort en dat het saldo van de boedelrekening van [appellant] en [appellante] € 2.200,- bedraagt, waarmee de gelden direct beschikbaar zijn en er direct kan worden uitgedeeld aan de schuldeisers volgens het aangeboden akkoord. 3.4 Het hof stelt voorop dat de rechter op grond van de wet (artikel 153 Fw) in vier gevallen verplicht is de homologatie te weigeren, te weten (art. 153 lid 2 Fw): 1. indien de baten van de boedel hoger zijn dan die van het aangeboden akkoord; 2. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd; 3. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van