Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-12-12
ECLI:NL:GHARL:2017:10905
K17/210073 Beschikking inzake [klager] , domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigden, klager, bijgestaan door mr. G. Spong en mr. M. Lochs, advocaten te Amsterdam, tegen [beklaagde 1] , en [beklaagde 2] , domicilie kiezende ten kantore van hun gemachtigde, officieren van justitie in de strafzaak tegen klager, beklaagden, bijgestaan door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden. Op 23 januari 2017 is ter griffie van het hof namens klager een klaagschrift binnengekomen van de gemachtigden van klager. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland om tegen beklaagden geen strafvervolging in te stellen. Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken. Op 10 november 2017 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. De gemachtigden van klager zijn in aanwezigheid van de advocaat-generaal gehoord. Beklaagden en hun gemachtigden zijn in aanwezigheid van de advocaat-generaal en mr. Lochs – enkel aanwezig als toehoorder – gehoord. De advocaat-generaal heeft – in overeenstemming met schriftelijk verslag – geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Het beklag De gemachtigden van klager hebben namens laatstgenoemde op 19 december 2014 aangifte gedaan van schending van het ambtsgeheim zoals bedoeld in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), gepleegd door beklaagden. Voorts hebben klager en zijn gemachtigden zich op het standpunt gesteld dat het verstrekken van (onbewerkte) verhoren van aangevers, getuigen en verdachten, opgenomen op grond van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren (hierna: AVR-verhoren) aan SBS een schending oplevert van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Bij schrijven van 2 januari 2015 heeft de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket te Amsterdam de Hoge Raad op voet van artikel 510 Wetboek van Strafvordering verzocht een ander parket aan te wijzen. De aangifte van klager is door de Hoge Raad verwezen naar het arrondissementsparket Oost-Nederland. De officier van justitie bij voornoemd arrondissementsparket heeft de Rijksrecherche opdracht gegeven tot het verrichten van een strafrechtelijk onderzoek. Bij brief van 15 november 2016 is door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland aan de gemachtigden van klager medegedeeld dat beklaagden niet (verder) strafrechtelijk vervolgd zullen worden, omdat geen sprake is geweest van schending van een ambtsgeheim door beklaagden. Van schending van artikel 8 EVRM is eveneens geen sprake, aldus de officier van justitie. Overwogen is dat – hoewel de AVR-verhoren aanvankelijk aangemerkt dienden te worden als geheime informatie – deze verhoren niet langer vielen onder de geheimhoudingsplicht van beklaagden door de behandeling van de strafzaak tegen klager op openbare terechtzittingen. Ook is meegewogen dat de ‘exposure’ van de SBS-uitzending in de media zeer gering is geweest. En voorts is zodanig intensief en langdurig aandacht geweest voor de strafzaak in de media, dat niet gezegd kan worden dat van enig ‘geheim’ nog sprake kan zijn, te meer nu de inhoud van de opgenomen gesprekken – de bekennende verklaring van klager – al uitvoerig in de media was besproken. Daarnaast is het verstrekken van de verhoren gepaard gegaan met een maximale bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de klager, aldus de officier van justitie. In het ambtsbericht van het ressortsparket van 28 juni 2017 wordt het volgende standpunt ingenomen. Dat er sprake was van een ambtsgeheim staat buiten twijfel. Ook kunnen beklaagden worden aangemerkt als geheimhoudingsplichtigen. De vraag is of geheime informatie op een later moment openbare of met derden deelbare informatie kan Uit het onderzoek komt naar voren dat het openbaar ministerie in het algemeen en de beklaagden in het bijzonder in hun hoedanigheid als zaaksofficieren ermee hebben ingestemd dat de AVR-verhoren ter beschikking konden worden gesteld aan SBS onder de voorwaarden dat klager onherkenbaar zou worden gemaakt en zijn stem zou worden vervormd. Afspraken werden neergelegd in een mediacontract tussen het openbaar ministerie en SBS. Vaststaat dat aan de politie is overgelaten de beelden aan SBS te doen toekomen. Wat de politie precies aan SBS heeft verstrekt is onduidelijk gebleven. Van een selectie van (delen van) de AVR-verhoren door beklaagden (dan wel door enig ander lid van het openbaar ministerie of de politie) is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat er afspraken zijn gemaakt over het terugzenden van de beelden van de AVR verhoren. Voorafgaand aan de uitzending heeft er een viewing plaatsgevonden en zijn beklaagden op enkele kanttekeningen na, akkoord gegaan met het uitzenden van de documentaire. Visie van klager en zijn gemachtigden De gemachtigden van klager stellen zich op het standpunt dat beklaagden in hun rol als zaaksofficieren verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor de verstrekking van de AVR-verhoren aan SBS, althans voor het verlenen van toestemming voor de verstrekking van die verhoren. Daartoe is aangevoerd dat de AVR-verhoren aangemerkt dienen te worden als ‘geheim’ zoals bedoeld in artikel 272 Sr en beklaagden aangemerkt moeten worden als geheimhoudingsplichtigen zoals bedoeld in datzelfde artikel. Dat de zaak veel media-aandacht heeft gehad doet daaraan niet af, evenals het feit dat de bekennende verklaring van klager onderdeel uitmaakte van de behandeling ter terechtzitting. Nu de Aanwijzing AVR niet voorziet in de mogelijkheid om registraties te verstrekken (aan derden) met het oog op buiten het strafproces gelegen doelen en voorts van een situatie waarin het noodzakelijk is de registraties te verstrekken met het oog op een zwaarwegend algemeen belang geen sprake is, hebben beklaagden zich op het moment van het verstrekken van de AVR-verhoren aan SBS schuldig gemaakt aan het misdrijf als bedoeld in artikel 272 Sr. Wat SBS vervolgens met de verhoren heeft gedaan is niet relevant voor de beoordeling van de strafbaarheid van het handelen van beklaagden. Voorts stellen de gemachtigden van klager dat beklaagden artikel 8 EVRM hebben geschonden, nu kennisname van een deel (of delen) van het AVR-verhoor door derden een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van klager. Wat betreft de vraag of vervolging opportuun is, wordt aangegeven dat het in het algemeen belang is om middels een vervolging duidelijkheid te scheppen over de ontoelaatbaarheid van deze handelswijze. Visie van beklaagden en hun gemachtigde Beklaagden en hun gemachtigde stellen zich op het standpunt dat van een strafrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Wat betreft de haalbaarheid heeft de gemachtigde van beklaagden een drietal punten naar voren gebracht. Ten eerste is betoogd dat artikel 272 Sr een zogenaamd klachtdelict betreft en in het dossier zich geen enkel stuk bevindt waaruit de wens van klager kan worden afgeleid dat beklaagden strafrechtelijk vervolgd zouden moeten worden, hetgeen een succesvolle strafrechtelijke vervolging in de weg staat. Ten tweede is betoogd dat op basis van de stukken in het dossier er geen enkele aanwijzing is dat beklaagden willens en wetens hun ambtsgeheim hebben geschonden, dan wel in voorwaardelijke zin opzet hebben gehad. Ten derde is betoogd dat een absoluut verbod om informatie te verstrekken aan de media niet bestaat en er ruimte is voor een belangenafweging. Bij die belangenafweging hebben beklaagden er blijk van gegeven zorgvuldig te hebben gehandeld en oog te hebben gehad voor de belangen van klager, zodat niet kan worden gezegd dat een ambtsgeheim is geschonden door de AVR-verhoren ter beschikking te stellen aan SBS. Wat betreft de opportuniteit van de vervolging is aang