Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-12-06
ECLI:NL:GHARL:2017:10748
ECLI:NL:GHARL:2017:10748 text/xml public 2025-03-22T06:56:11 2017-12-06 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-12-06 WAHV 200.203.671 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl VR 2018/125 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:10748 text/html public 2017-12-11T10:05:03 2017-12-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2017:10748 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 06-12-2017 / WAHV 200.203.671 Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) brengt mee dat indien, zoals hier, in het kader van de aanwending van rechtsmiddelen tegen de oplegging van de sanctie op grond van de Wahv, de rechtmatigheid van de bebording en het daaraan ten grondslag liggende verkeersbesluit wordt betwist, door de officier van justitie in administratief beroep en de rechter zal moeten worden onderzocht of dat besluit ten tijde van de gedraging rechtskracht had gekregen en dat besluit niet later in een bestuursrechtelijke procedure is vernietigd of met terugwerkende kracht tot (vóór) het tijdstip van de gedraging is ingetrokken. Ook indien kan worden vastgesteld dat gehandeld is in strijd met een op een in rechte vaststaand verkeersbesluit gebaseerd verkeersteken, kan er sprake zijn van feiten of omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken. Daarvan kan sprake zijn indien moet worden vastgesteld dat het verkeersbesluit onbevoegdelijk is genomen of evident in strijd is met een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie dan wel rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht. In een dergelijk geval is de grondslag voor het verkeersteken zodanig dat voor het niet gevolg geven daaraan geen sanctie mag worden opgelegd. WAHV 200.203.671 6 december 2017 CJIB 189462595 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2016 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld ter zitting van 22 november 2017. De betrokkene en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. [D] . De voorzitter heeft de zaak na de behandeling ter zitting verwezen naar de meervoudige kamer. Beoordeling 1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “Handelen in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990”, welke gedraging zou zijn verricht op 1 mei 2015 om 15.28 uur op de Croeselaan 235 te Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] . 2. De betrokkene erkent dat hij op het genoemde tijdstip met zijn personenauto, een dieselvoertuig van voor 1 januari 2001, op de genoemde locatie was en dat hij daaraan voorafgaand een verkeersbord C6 van bijlage 1 van het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990 (hierna: RVV 1990) met daarboven het bord "milieuzone" en daaronder het bord "uitsluitend voor dieselvoertuigen van voor 1-1-2001" heeft gepasseerd. 3. De rechtmatigheid van dit verkeersbord en het Deze bepaling brengt mee dat indien, zoals hier, in het kader van de aanwending van rechtsmiddelen tegen de oplegging van de sanctie op grond van de Wahv, de rechtmatigheid van de bebording en het daaraan ten grondslag liggende verkeersbesluit wordt betwist, door de officier van justitie in administratief beroep en de rechter zal moeten worden onderzocht of dat besluit ten tijde van de gedraging rechtskracht had gekregen en dat besluit niet later in een bestuursrechtelijke procedure is vernietigd of met terugwerkende kracht tot (vóór) het tijdstip van de gedraging is ingetrokken. 8. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Ten tijde van de gedraging had, zo heeft de kantonrechter ook vastgesteld, het verkeersbesluit rechtskracht. De rechtmatigheid van het verkeersbesluit is in eerste aanleg (door de rechtbank Midden-Nederland, uitspraak van 22 januari 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:RBMNE:2016:339) en in hoger beroep (door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:700) beoordeeld. Het besluit is in stand gebleven. Het besluit is evenmin (met terugwerkende kracht) ingetrokken. 9. Inhoudelijke bezwaren tegen een verkeersbesluit dienen in de daarvoor openstaande bestuursrechtelijke procedure, die met voldoende rechtswaarborgen is omgeven, te worden aangevoerd. De betrokkene heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het verkeersbesluit. Reden daarvoor is, zo heeft hij ter zitting in hoger beroep verklaard, dat hij te laat kennis kreeg van het verkeersbesluit. Overigens verwacht hij, omdat hij niet woonachtig is in Utrecht en daar ook niet veelvuldig komt, niet als belanghebbende in die procedure te worden beschouwd. Deze omstandigheden brengen echter niet mee dat in het kader van de beoordeling of oplegging van de sanctie wel billijk is, bij de betrokkene levende inhoudelijke bezwaren tegen het (in rechte vaststaande) verkeersbesluit kunnen worden beoordeeld. 10. Dit neemt niet weg dat, ook indien kan worden vastgesteld dat gehandeld is in strijd met een op een in rechte vaststaand verkeersbesluit gebaseerd verkeersteken, er sprake kan zijn van feiten of omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken. Daarvan kan sprake zijn indien moet worden vastgesteld dat het verkeersbesluit onbevoegdelijk is genomen of evident in strijd is met een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie dan wel rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht. In een dergelijk geval is de grondslag voor het verkeersteken zodanig dat voor het niet gevolg geven daaraan geen sanctie mag worden opgelegd. 11. Het hof tekent hierbij aan dat, indien de bestuursrechter in de hem voorgelegde procedure met betrekking tot dat verkeersbesluit tot het oordeel is gekomen dat het verkeersbesluit bevoegdelijk gegeven is en/of van strijd met zodanige bepaling of besluit geen sprake is, dit oordeel, uit een oogpunt van een behoorlijke rechterlijke taakverdeling, in beginsel door de rechter in de Wahv-procedure mag worden gevolgd. 12. Vastgesteld kan worden dat in de bestuursrechtelijke procedure in hoogste instantie is vastgesteld dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht bevoegd was tot het nemen van het verkeersbesluit. Het hof volgt dit oordeel in het kader van de hem voorgelegde beoordeling van de billijkheid van de sanctieoplegging. 13. Met betrekking tot het beroep dat is gedaan op het vrij verkeer van goederen en personen en het recht op eigendom stelt het hof vast dat de bestuursrechter in de bestuursrechtelijke procedure naar aanleiding van het verkeersbesluit zich niet heeft uitgelaten over de vraag of het verkeersbesluit zich verdraagt met de hierop betrekking hebbende bepalingen. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. 14. Met betrekking tot het vrij verkeer van goederen en personen is betoogd dat de geslotenverklaring slechts Nederlandse auto's treft en geen auto's uit andere landen van