Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-11-24
ECLI:NL:GHARL:2017:10358
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Wrakingskamer locatie Leeuwarden wrakingsnummer 200.223.547/01 beslissing van 24 november 2017 op het mondelinge verzoek van de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie te Apeldoorn , (hierna: verzoeker) dat strekt tot wraking ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van: mr. E. Polak , raadsheer-plaatsvervanger in dit hof, locaties Arnhem en Leeuwarden, 1 Het verloop van de procedure 1.1 Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 augustus 2016, nummer LEE 16/1602, in de zaak tussen [A] en verzoeker. Deze zaak betreft de vraag of aan [A] terecht een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting is opgelegd wegens het gebruik van een handelaarskentekenplaat op een tot de handelsvoorraad van [A] behorende auto. Het hoger beroep is bij het Hof ingeschreven onder nummer 16/01138. 1.2 Verzoeker en [A] zijn bij brieven van de griffier van 26 juni 2016 uitgenodigd het onderzoek ter zitting van het hoger beroep op dinsdag 19 september 2017 om 13.30 bij te wonen. In deze brieven is vermeld dat de samenstelling van de kamer als volgt is: mr. J.W. van Knobelsdorff, mr. G.B.A. Brummer en mr. E. Polak. Bij brieven van 27 juni 2017 heeft de griffier bericht dat de zitting is verschoven naar woensdag 20 september 2017. 1.3 Voorafgaand aan de zitting heeft verzoeker op 18 september 2017 een brief met bijlage aan het Hof gestuurd. De bijlage betreft een krantenartikel van Het Financieele Dagblad van 27 juli 2017 met als titel ‘Efteling voert loopgravenoorlog tegen 21% btw voor parkeren’. Verzoeker stelt in de brief het volgende: ‘Volgens de desbetreffende journalist is de ervaring van mevrouw Polak dat “(d)e fiscus zich altijd laat leiden door de belastingopbrengst (…). Als een dienst opgesplitst kan worden zodat die deels onder het gewone tarief in plaats van het verlaagde tarief valt, zal de Belastingdienst dat doen.”. De uitlatingen zoals die in het Financieele Dagblad zijn geciteerd, kunnen worden opgevat als omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Mogelijk is echter sprake van een onjuiste weergave van de journalist van hetgeen door mevrouw Polak naar voren gebracht is. Ik wens dan ook graag te vernemen wat het standpunt van mevrouw Polak is met betrekking tot de geciteerde passage.’ 1.4 Ter zitting van het Hof van 20 september 2017 zijn verschenen [A] en namens verzoeker mr. [B] . Verzoeker heeft ter zitting de voorzitter, mr. Polak, gewraakt. Voor de feiten en omstandigheden die aanleiding vormen tot het wrakingsverzoek heeft verzoeker ter zitting verwezen naar zijn brief van 18 september 2017, met name naar de zinssnede die uitdrukking geeft aan de wijze waarop de Belastingdienst zich zou opstellen in procedures. De voorzitter heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. 1.5 Mr. Polak heeft bij brief van 20 oktober 2017 op het wrakingsverzoek gereageerd. Zij heeft niet in de wraking berust, maar in voormelde brief aangegeven ter zitting van de wrakingskamer aanwezig te zullen zijn om eventuele vragen te beantwoorden. 1.6 Het wrakingsverzoek is ter zitting van 15 november 2017 behandeld door de wrakingskamer. Mr. Polak is bij deze behandeling verschenen. Namens verzoeker is verschenen mr. [B] , mr. [C] en mr. [D] . Verzoeker heeft een pleitnota overgelegd. De pleitnota maakt deel uit van de gedingstukken. 1.7 Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze beslissing is gehecht. 2 De beoordeling van het verzoek 2.1 Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm gegeven door zowel artikel 8:15 van de Awb als door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria