Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-11-21
ECLI:NL:GHARL:2017:10223
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Locatie Arnhem nummers 13/00771 en 13/00772 uitspraakdatum: 21 november 2017 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 4 juni 2013, nummers AWB 08/3434 en 10/2390, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2003 en 2004 belastingaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd met boeten. Daarbij is voorts heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de belastingaanslagen, de boeten en de beschikkingen inzake de heffingsrente gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De Rechtbank heeft belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk gesteld. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Voorts zijn door partijen nadere stukken ingediend. 1.5. Tot de stukken van het geding behoren de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben. 1.6. Het eerste onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 8 september 2015 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede – namens de Inspecteur – mr. [B] , [C] en mr. [D] . 1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan partijen verzonden. 1.8. Het Hof heeft vervolgens het vooronderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend. 1.9. Het tweede onderzoek ter zitting, een zogenoemde regiezitting, heeft plaatsgehad op 19 april 2016 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [E] als de gemachtigde van belanghebbende alsmede mr. [F] , [C] en mr. [G] namens de Inspecteur. 1.10. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan partijen verzonden. 1.11. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest van het Hof van Justitie EU van 15 februari 2017, X, nr. C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. 1.12. Het derde onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 26 september 2017 te Arnhem. Namens belanghebbende is, met kennisgeving van haar nieuwe gemachtigde mr. [H] aan het Hof, niemand verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen en gehoord: mr. [B] , [C] en mr. [F] . 1.13. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren [in] 1958 en heeft volgens de gegevens van de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) op de volgende adressen ingeschreven gestaan: - van 8 augustus 1958 tot 14 november 1997, [a-straat] 40 te [Z] ; - vanaf 14 november 1997, [b-straat] 39 te [Z] . 2.2. De (toenmalige) partner van belanghebbende, [I] , is geboren op [in] 1959 en heeft als roepnaam [I1] . Volgens de gegevens van de GBA heeft hij ingeschreven gestaan op de volgende adressen: - van 15 februari 1959 tot 13 november 1997, [c-straat] 17A te [J] ; - van 13 november 1997 tot 30 november 2011, [b-straat] 39 te [Z] ; Nadien is hij vertrokken naar [d-street] Thailand. 2.3. [I] dreef in de onderhavige jaren, samen met zijn vader tot aan diens overlijden [in] 2004, een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de vof). De vof was gevestigd in [J] en hield zich bezig met de detailhandel in naaimachines en naaimachinebenodigdheden. Nadien is [I] de onderneming in de vorm van een bv gaan exploiteren. 2.4. De vader van [I] heeft als roepnaam [K] en is tot zijn overlijden gehuwd geweest met [L] . De voornaam van de moede In artikel 49 AWR is bepaald dat de gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25 lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is.’ 2.8. De bijlage bij de vragenbrief van 16 mei 2006 bevat het formulier ‘Opgaaf Buitenlands vermogen’, waarin [I] onder meer wordt gevraagd om – onder vermelding van rekeningnummer(s), naam van de bank en jaar van opening van de rekening(en) – aan te geven tot welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij gerechtigd is geweest. Op 30 mei 2006 heeft [I] voormeld formulier ondertekend en onder meer aangegeven dat hij niet gerechtigd is (geweest) tot een of meerdere bankrekeningen in het buitenland. 2.9. Op 4 juni 2007 heeft de FIOD op basis van de Richtlijn een inlichtingenverzoek gedaan aan het Bundeszentralamt für Steuern in Bonn (Duitsland). In de brief van 12 september 2007, ontvangen door de FIOD op 18 september 2007, van het Bundeszentralamt is onder meer het volgende vermeld: ‘ (…) Betreff Auskunftaustausch (…); Deutsche Bank Emmerich Deutsche Bank AG Frankfurt [K] / [L] / [I] / [X] / VOF [O] (…) dass ab 01/1997 bis heute für die oben genannten Personen beziehungsweise Firmen keine Kundenverbindungen beziehungsweise Vollmachten feststellbar waren. Unter genannten Kontonummer [00000] besteht bundesweit keine Kundenverbindung. Zusätzlich wurde darauf hingewiesen, dass die Kontonummern bei der Deutsche Bank AG 7- beziehungsweise 9- stellig sind. Unter der genannten Kontonummer [00001] wird bei der Filiale Frankfurt der Deutschen Bank AG die Kundenverbindung der Deutschen Bank S.A. (Suisse) in Genf geführt. Die Nummers 100 und 311 sind jeweils Filialnummern. Diese Nummern stehen vor der eigentlichen Kontonummer (…). Filiale 311 is der Filialbereich Kleve und Filiale 100 ist der Filialbereich Frankfurt. (…)’ 2.10. Aan [I] zijn in verband met de verdenking van diens gerechtigdheid tot het vermogen van een verzwegen Zwitserse bankrekening over een reeks van jaren (1995 – 2005) belastingaanslagen opgelegd in onder meer de IB/PVV. Daarbij is door de Inspecteur uitgegaan van de volgende uitgangspunten: “ [I] Waarde buitenlandse vermogensbestanddelen. - schatting op basis van redelijkheid en billijkheid; - deze percentages zijn de gewogen gemiddeldes over diverse veelvoorkomende obligatieleningen met diverse looptijden waarde 1-1-1994 f 600.000 schatting Rendement 1994 – 7% f. 42.000 Waarde 1-1-1995 f 642.000 Rendement 1995 – 7% f. 44.940 Waarde 1-1-1996 f 686.940 Rendement 1996 – 6% f. 41.216 Waarde 1-1-1997 f 728.156 Rendement 1997 – 6% f. 43.689 Waarde 1-1-1998 f 771.846 Rendement 1998 – 5% f. 38.592 Waarde 1-1-1999 f 810.438 Rendement 1999 – 5% f. 40.522 Waarde 1-1-2000 f 850.960 Rendement 2000 – 5% f. 42.548 Waarde 1-1-2001 f 893.508 € 405.456 Rendement 2001 – 5% f. 44.675 € 20.273 Waarde 1-1-2002 f 938.183 € 425.729 Rendement 2002 – 5% f. 46.909 € 21.286 Waarde 1-1-2003 f 985.093 € 447.016 Rendement 2003 – 5% f. 49.255 € 22.351 Waarde 1-1-2004 f 1.034.347 € 469.366 Rendement 2004 – 5% f. 51.717 € 23.468 Waarde 1-1-2005 f 1.086.065 € 492.835’ 2.11. Voor de jaren 2003 en 2004 is de Inspecteur van de volgende verdeling in box 3 uitgegaan: Voor 2003: ‘ (…) 2003 1-1-2003 31-12-2003 gemiddeld Correctie € 447.016 € 469.366 € 458.191 [I] Toerekening 50% € 229.095 Corr. voordeel sparen en beleggen 4% € 9.163 Correctie box 3 € 9.163’ Bij belanghebbende is eveneens 50% (€ 229.095) in aanmerking genomen. Voorts is een bedrag van € 51.750 aan niet aangegeven contant geld in de rendementsgrondslag van belanghebbende begrepen. Voor 2004: ‘2004 1-1-2004 31-12-2004 gemiddeld Correctie € 4 Op 15 februari 2017 zijn die vragen beantwoord door het Hof van Justitie EU (HvJ EU 15 februari 2017, X, nr. C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119). 2.18. Bij uitspraak van 15 maart 2016 (nrs. AWB 08/3434 en 10/2390) heeft de Rechtbank belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend van € 3.000. Het onderhavige hoger beroep heeft geen betrekking op die uitspraak. 2.19. Op 19 april 2016 heeft in de onderhavige zaken een regiezitting in hoger beroep plaatsgehad. Het laatste onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 26 september 2017. 3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de belastingaanslagen, de vergrijpboete over 2003 (zoals verminderd door de Rechtbank) en de beschikkingen inzake de heffingsrente terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar de processen-verbaal van de zittingen. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar, en kennelijk tot vernietiging onderscheidenlijk vermindering van de belastingaanslagen, boete en van de beschikkingen inzake de heffingsrente. 3.4. De Inspecteur concludeert in tegengestelde zin. 4 Beoordeling van het geschil Omvang dossiers 4.1. Het Hof heeft de onderhavige zaken ter zitting van 8 september 2015 behandeld en het onderzoek ter zitting gesloten. Vervolgens heeft het Hof het vooronderzoek op de voet van artikel 8:68 Awb heropend, doch uitsluitend met betrekking tot de kwestie – kort gezegd – of hier de zogenoemde, in artikel 64 VWEU vervatte, standstillbepaling van toepassing is. Het Hof wenste de antwoorden af te wachten op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 april 2015, nr. 14/00528, ECLI:NL:HR:2015:913 aan het Hof van Justitie EU gestelde préjudiciële vragen, wegens het belang daarvan voor de met de onderhavige zaken samenhangende zaken van [I] . Zulks is partijen bij brieven van 11 december 2015 van de griffier van het Hof medegedeeld. 4.2. Nadien heeft de Inspecteur verschillende keren nadere stukken willen indienen die geen betrekking hadden op het geschilpunt inzake, kort gezegd, de verlengde navorderingstermijn (standstillbepaling). 4.3. Het Hof heeft die stukken buiten beschouwing gelaten. 4.4. Dienaangaande is het volgende van belang. Artikel 8:68, lid 1, Awb biedt het Hof de mogelijkheid het onderzoek te heropenen indien het van mening is dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het staat de rechter vrij, zoals het Hof heeft gedaan, het onderzoek na heropening te beperken tot aanvullend onderzoek met betrekking tot een bepaalde aangelegenheid. In dat geval is het Hof niet gehouden aan de partijen de gelegenheid te bieden om daarbuiten andere punten, zoals nieuwe geschilpunten, alsnog in de procedure in te brengen (vgl. onder meer HR 13 november 2009, nr. 08/03055, ECLI:NL:HR:2009:BK3069). Weliswaar zagen de nadere stukken van de Inspecteur niet op nieuwe geschilpunten, maar bij de afweging van het belang van de Inspecteur bij de inbreng en behandeling van de nieuwe stukken tegenover het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure in deze complexe en zeer omvangrijke en bewerkelijke zaken, heeft het Hof het algemene belang van een doelmatige procesgang laten prevaleren. Gerechtigdheid tot buitenlandse bankrekening 4.5. In de heden door het Hof gedane uitspraak met rolnummers 13/00773 tot en met 13/00800 heeft het Hof onder meer beslist dat [I] ook in de jaren 2003 en 2004 gerechtigd is geweest tot het vermogen en de opbrengsten van een in Zwitserland aangehouden (voor de Nederlandse fiscus verzwegen) bankrekening en dat de daarmee samenhangende correcties in box 3 terecht door de Inspecteur zijn toegepast. Verdeling 4.6. Als uitgangspunt heeft te gel