Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2016-02-02
ECLI:NL:GHARL:2016:639
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
1,523 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Afdeling belastingrecht
Locatie Arnhem
nummer 15/00046
uitspraakdatum: 2 februari 2016
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] (hierna: belanghebbende),
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2014, nummer UTR 14/1362, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft bij brief van 9 september 2013 het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: het college) verzocht hem op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) gegevens te verstrekken met betrekking tot twee WOZ-objecten.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij brief van 7 november 2013 enige gegevens verstrekt.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 februari 2014 het door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 21 november 2014, verzonden op 28 november 2014, zich onbevoegd verklaard van het ingestelde beroep kennis te nemen.
1.5.
Belanghebbende heeft bij brief van 7 januari 2015, ingekomen bij het Hof op dezelfde datum, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.6.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.8.
Partijen hebben het Hof toestemming verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Daarop heeft het Hof het onderzoek op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gesloten.
Overwegingen
2.1.
Belanghebbende heeft in zijn brief van 9 september 2013 verzocht enige gegevens te verstrekken met betrekking tot de WOZ-objecten [a-straat] 29b en 29c. Belanghebbende is eigenaar van laatstgenoemd object. Belanghebbende heeft in de brief van 9 september 2013 zich niet beroepen op, noch verwezen naar de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
2.2.
De heffingsambtenaar heeft in zijn besluit van 7 november 2013 besloten de gegevens waarover hij beschikt openbaar te maken en belanghebbende daarvan kopieën te verstrekken.
2.3.
Naar het oordeel van het Hof dient belanghebbendes verzoek te worden beoordeeld aan de hand van de in artikel 40 Wet WOZ vervatte openbaarmakingsregeling. Deze regeling heeft een uitputtend karakter en zet de bepalingen van de Wob opzij (vgl. ABRvS 7 augustus 2013, nr. 201208505/1/A3, ECLI:NL:RVS:2013:629). Op het verzoek van belanghebbende is de Wob derhalve niet van toepassing.
2.4.
Dictum
2.6.
Op grond van artikel 8:1 Awb is de algemene bestuursrechter in deze bevoegd. Daaraan kan niet afdoen dat de gevraagde informatie wellicht een rol zou kunnen spelen in een procedure over een belastingaanslag, welke procedure niet tot de competentie van de algemene bestuursrechter behoort (vgl. HR 5 maart 2010, nr. 08/01707, ECLI:NL:HR:2010:BL6423).
2.7.
Op grond van artikel 12 van Bijlage 2 bij de Awb: Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, kan tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent een besluit genomen op grond van artikel 40 Wet WOZ geen hoger beroep worden ingesteld bij een gerechtshof. Gelet daarop is het Hof onbevoegd van het geschil kennis te nemen. Ingevolge artikel 8:105 Awb dient hoger beroep te worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het Hof zal met toepassing van artikel 6:15 Awb de zaak doorzenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3Proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof:
- verklaart zich onbevoegd om van het ingestelde hoger beroep kennis te nemen, en
- draagt de griffier op het hogerberoepschrift door te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State indien deze uitspraak in rechte is komen vast te staan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (A.J.H. van Suilen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 2 februari 2016
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)
postbus 20 303, 2500 EH Den Haag
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.