Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2015-07-21
ECLI:NL:GHARL:2015:5439
Civiel recht
Hoger beroep
2,392 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.091.465
(zaaknummer rechtbank Arnhem 207485)
arrest van de tweede kamer van 21 juli 2015
inzake:
[appellante]
,
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. M.P.H. Sanders,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Autobedrijf Hazet Ochten B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna: Hazet,
advocaat: mr. M.W. van Ochten.
1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 10 september 2013 verwijst het hof naar dat arrest. Het verdere verloop van het geding blijkt uit:
-een brief van de griffier van het HvJ EU met de betekening van de schriftelijke opmerkingen van 2 april 2014;
-een brief van de griffier van het HvJ EU met de betekening van de conclusie van de advocaat-generaal van 27 november 2014;
-een brief van de griffier van het HvJ EU met de betekening van het arrest van het HvJ EU van 4 juni 2015 in de zaak C-497/13 (ECLI:EU:C:2015:357).
2De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1
Bij tussenarrest van 10 september 2013 heeft het hof in deze zaak de volgende vragen van uitleg (als bedoeld in artikel 267 VWEU) gesteld aan het HvJ EU:
Is de nationale rechter, hetzij op grond van het effectiviteitsbeginsel, hetzij op grond van het met Richtlijn 1999/44 beoogde hoge niveau van consumentenbescherming binnen de Unie hetzij op grond van andere bepalingen of normen van Unierecht verplicht ambtshalve te onderzoeken of de koper bij een overeenkomst (een) consument in de zin van artikel 1 lid 2 sub a van Richtlijn 1999/44 is?
Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, geldt dit ook indien het procesdossier geen (of onvoldoende of tegenstrijdige) feitelijke informatie bevat om de hoedanigheid van de koper te kunnen vaststellen?
Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, geldt dit ook voor een procedure in hoger beroep, waarin de koper geen grieven heeft gericht tegen het vonnis van de rechter in eerste aanleg, voor zover in dat vonnis dat (ambtshalve) onderzoek niet is verricht, en daarin de vraag of de koper als een consument kan worden aangemerkt uitdrukkelijk in het midden is gelaten?
Moet (artikel 5 van) Richtlijn 1999/44 worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden?
Verzetten het effectiviteitsbeginsel, dan wel het met Richtlijn 1999/44 beoogde hoge niveau van consumentenbescherming binnen de Unie, dan wel andere bepalingen of normen van Unierecht zich tegen het Nederlandse recht ten aanzien van stelplicht en bewijslast van de consument-koper met betrekking tot de plicht tot (tijdige) kennisgeving van het veronderstelde gebrek van een afgeleverd goed aan de verkoper?
Verzetten het effectiviteitsbeginsel, dan wel het met Richtlijn 1999/44 beoogde hoge niveau van consumentenbescherming binnen de Unie, dan wel andere bepalingen of normen van Unierecht zich tegen het Nederlandse recht ten aanzien van stelplicht en bewijslast van de consument-koper dat het goed non-conform is en dat deze non-conformiteit zich binnen zes maanden na aflevering heeft geopenbaard? Wat betekenen de woorden "Manifesteert zich een gebrek aan overeenstemming" in artikel 5 lid 3 van de Richtlijn 1999/44 en met name: in welke mate moet de consument-koper feiten en omstandigheden stellen die (de oorzaak van) de non-conformiteit betreffen? Is daarvoor voldoende dat de consument-koper stelt en bij gemotiveerde betwisting bewijst dat het gekochte niet (goed) functioneert of dient hij ook te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen welk gebrek aan het verkochte dit niet (goed) functioneren veroorzaakt (heeft)?
Speelt bij de beantwoording van de voorafgaande vragen nog een rol dat [appellante] zich in deze procedure in beide instanties heeft laten bijstaan door een advocaat?
2.2
In zijn arrest van 4 juni 2015 (met als kenmerk C-497/13) heeft het HvJ EU de door het hof in deze zaak gestelde vragen van uitleg als volgt beantwoord:
1) Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen moet aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over een overeenkomst die binnen de werkingssfeer van die richtlijn kan vallen, wanneer hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt of daarover op eenvoudig verzoek om verduidelijkingen kan beschikken, verplicht is om na te gaan of de koper als consument in de zin van die richtlijn kan worden aangemerkt, ook al heeft de koper zich niet op die hoedanigheid beroepen.
2) Artikel 5, lid 3, van richtlijn 1999/44 moet aldus worden uitgelegd dat het moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan een nationale regel die in de interne rechtsorde als regel van openbare orde geldt en dat de nationale rechter verplicht is om iedere bepaling waarbij dat artikel in nationaal recht is omgezet, ambtshalve toe te passen.
3) Artikel 5, lid 2, van richtlijn 1999/44 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regel volgens welke de consument de rechten die hij aan die richtlijn ontleent niet kan uitoefenen dan wanneer hij de verkoper binnen bekwame tijd op de hoogte brengt van het gebrek aan overeenstemming, op voorwaarde dat die consument voor die kennisgeving beschikt over een termijn van ten minste twee maanden na de datum waarop hij dat gebrek heeft vastgesteld, de kennisgeving die hij moet doen alleen op het bestaan van dat gebrek betrekking heeft en voor die kennisgeving geen bewijsregels gelden die het voor die consument onmogelijk of uiterst moeilijk maken om zijn rechten uit te oefenen.
4) Artikel 5, lid 3, van richtlijn 1999/44 moet aldus worden uitgelegd dat het vermoeden dat het gebrek aan overeenstemming bestond op het tijdstip van aflevering van het goed,
– geldt wanneer de consument bewijst dat het verkochte goed niet in overeenstemming is met de overeenkomst en dat het betrokken gebrek aan overeenstemming zich binnen een termijn van zes maanden vanaf de aflevering van het goed heeft gemanifesteerd, dat wil zeggen zich werkelijk heeft voorgedaan. De consument is niet verplicht om de oorzaak van dat gebrek aan overeenstemming te bewijzen of te bewijzen dat de oorsprong van dat gebrek te wijten is aan de verkoper;
– slechts buiten toepassing kan worden gelaten indien de verkoper rechtens genoegzaam bewijst dat dit gebrek aan overeenstemming het gevolg is van of zijn oorsprong vindt in een omstandigheid die zich na de aflevering van het goed heeft voorgedaan.
2.3
Het hof zal een comparitie van partijen gelasten waarbij partijen zich kunnen uitlaten over de consequenties van het arrest van het HvJ EU van 4 juni 2015 voor de verdere beslechting van deze zaak. Om proceseconomische redenen zal genoemde comparitie tevens worden benut om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de hierna volgende vragen van het hof.
1.
Conclusie
Het hof zal, alvorens verder te beslissen, de zaak naar de rol verwijzen voor de opgave van verhinderdata voor een comparitie van partijen met het onder 2.3 en 2.4 genoemde doel.
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bepaalt dat partijen in persoon samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door de voorzitter te bepalen dag en tijdstip, met het onder 2.3 en 2.4 genoemde doel;
bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met december 2015 zullen opgeven op de roldatum 18 augustus 2015, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de voorzitter zullen worden vastgesteld;
bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proces-handeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen, wat betreft het hof in zesvoud;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, F.J.P. Lock en S.M. Evers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.