Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2015-07-08
ECLI:NL:GHARL:2015:5184
Strafrecht
Hoger beroep
7,071 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004365-13
Uitspraak d.d.: 8 juli 2015
TEGENSPRAAK
Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland van 28 maart 2013 met parketnummer 05-986023-11 in de strafzaak tegen
[bedrijf] VOF,
gevestigd te [vestigingsplaats].
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. drs. W.J.W. van Eijk, naar voren is gebracht.
Omvang van het hoger beroep
In de appelakte is aangegeven dat het beroep zich niet richt tegen hetgeen waarvan verdachte is vrijgesproken (de feiten 1 en 2). Derhalve is slechts feit 3 aan het oordeel van het hof onderworpen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging vanwege – kort gezegd – schending van het ne bis in idem-beginsel. De verdediging heeft betoogd dat het onder 3 tenlastegelegde feit ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr betreft als het feit dat in het - door de verdachte geaccepteerde - transactieaanbod van het openbaar ministerie van 16 april 2010 staat omschreven.
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie wel degelijk ontvankelijk is in zijn strafvervolging. Zij heeft aangevoerd dat er niet sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr en heeft daarbij verwezen naar de overweging daarover in het vonnis van de rechtbank.
Oordeel hof
In de onderhavige zaak is bij brief van 16 april 2010 namens de officier van justitie een transactie aangeboden van € 4.800. Deze transactie is door verdachte voldaan.
De getransigeerde gedraging wordt in het transactieaanbod als volgt omschreven:
“Op 14 september 2009 is proces-verbaal opgemaakt tegen [bedrijf] v.o.f. (hierna [bedrijf]) in verband met overtreding van artikel 8.1. van de Wet Milieubeheer. In het kort komt het erop neer dat [bedrijf] rivierzand heeft ontvangen terwijl een bij het College van Gedeputeerde Staten ingediende melding ‘veranderen inrichting’ op dat moment niet was geaccepteerd en uiteindelijk ook niet geaccepteerd is.”
Een nadere omschrijving wordt niet gegeven. Het proces-verbaal waarover gesproken wordt bevindt zich niet bij de stukken in de onderhavige zaak. In het stamproces-verbaal heeft het hof echter wel enige opmerkingen over het onderzoek aangetroffen.
Onder feit 3 – het enige feit dat in hoger beroep nog aan de orde is – wordt verdachte het volgende verweten:
“Zij, in de periode van 11 augustus 2009 tot en met 2 september 2009, te Lelystad, althans in Nederland, opzettelijk bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, immers heeft zij, verdachte, partijen zogenaamd kribbenzand van verschillende milieuhygiënische kwaliteit tot een partij (van ongeveer 17.045.00 kilogram) grond samengevoegd en/of vervoerd en/of in ontvangst genomen, zijnde (een) handeling(en) als bedoeld in artikel 10.1. lid 3 Wet milieubeheer.”
Op grond van de laatste volzin van artikel 74, eerste lid, Sr wordt een voldane transactie wegens een strafbaar feit gelijkgesteld met een onherroepelijke veroordeling voor dat feit. De vraag die het hof dient te beantwoorden, is of de in tenlastelegging omschreven gedraging hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr vormt als de in het transactieaanbod omschreven gedraging. Volgens bestendige jurisprudentie - toegespitst op de onderhavige situatie - dient ter beantwoording van die vraag het volgende te worden onderzocht (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011: BM9102, NJ 2011/394):
(A) De juridische aard van de feiten.
Indien de feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Indien het transactieaanbod en de tenlastelegging niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.
Met betrekking tot criterium (A) overweegt het hof als volgt.
De juridisch aard van de feiten verschilt voor wat betreft de toepasselijke delictsomschrijving. Artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (oud) ziet immers op het zonder of in afwijking van een milieuvergunning in werking hebben van een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort, waarbij onder andere regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op de wijze waarop in zo’n installatie met afvalstoffen wordt omgegaan, terwijl artikel 10.1 Wet milieubeheer (oud) betrekking heeft op het verrichten van handeling met afvalstoffen.
Hoewel echter in hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer regelingen worden getroffen voor inrichtingen en in hoofdstuk 10 van die wet voor afvalstoffen, is het rechtsgoed dat de te onderscheiden delictsomschrijvingen beogen te beschermen in een situatie als de onderhavige wel hetzelfde, namelijk het beschermen van het milieu tegen de mogelijk nadelige gevolgen van het omgaan met afvalstoffen.
Het strafmaximum dat op de onderscheiden feiten is gesteld, is hetzelfde. In beide gevallen wordt overtreding van de bepalingen in geval van een misdrijf bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie en in geval van overtreding met hechtenis van ten hoogste één jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.
In het onderhavige geval is daarmee zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken als het verschil in de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, niet dermate groot dat geen sprake kan zijn van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.
Met betrekking tot criterium (B) overweegt het hof als volgt.
De brief bij het transactieaanbod en de tenlastelegging beschrijven niet dezelfde gedraging.
Conclusie
Op grond van het vorenoverwoge komt het hof tot de conclusie dat er weliswaar verschillen zijn in zowel de juridische aard van de feiten als in de gedraging van verdachte maar dat die - alles bijeengenomen - van zo beperkte betekenis zijn dat er sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde feit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,
mr. A. van Waarden en mr. J.F.L. Roording, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok, griffier,
en op 8 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Voor de toepassing op het onderhavige geval heft het hof zich mede georiënteerd op onder meer HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1686, NJ 2014, 527 m.n. T.M. Reijntjes, HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3636, NJ 2015, 63 m.nt. J.M. Reijntjes en HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1449.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004365-13
Uitspraak d.d.: 8 juli 2015
TEGENSPRAAK
Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland van 28 maart 2013 met parketnummer 05-986023-11 in de strafzaak tegen
[bedrijf] VOF,
gevestigd te [vestigingsplaats].
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. drs. W.J.W. van Eijk, naar voren is gebracht.
Omvang van het hoger beroep
In de appelakte is aangegeven dat het beroep zich niet richt tegen hetgeen waarvan verdachte is vrijgesproken (de feiten 1 en 2). Derhalve is slechts feit 3 aan het oordeel van het hof onderworpen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging vanwege – kort gezegd – schending van het ne bis in idem-beginsel. De verdediging heeft betoogd dat het onder 3 tenlastegelegde feit ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr betreft als het feit dat in het - door de verdachte geaccepteerde - transactieaanbod van het openbaar ministerie van 16 april 2010 staat omschreven.
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie wel degelijk ontvankelijk is in zijn strafvervolging. Zij heeft aangevoerd dat er niet sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr en heeft daarbij verwezen naar de overweging daarover in het vonnis van de rechtbank.
Oordeel hof
In de onderhavige zaak is bij brief van 16 april 2010 namens de officier van justitie een transactie aangeboden van € 4.800. Deze transactie is door verdachte voldaan.
De getransigeerde gedraging wordt in het transactieaanbod als volgt omschreven:
“Op 14 september 2009 is proces-verbaal opgemaakt tegen [bedrijf] v.o.f. (hierna [bedrijf]) in verband met overtreding van artikel 8.1. van de Wet Milieubeheer. In het kort komt het erop neer dat [bedrijf] rivierzand heeft ontvangen terwijl een bij het College van Gedeputeerde Staten ingediende melding ‘veranderen inrichting’ op dat moment niet was geaccepteerd en uiteindelijk ook niet geaccepteerd is.”
Een nadere omschrijving wordt niet gegeven. Het proces-verbaal waarover gesproken wordt bevindt zich niet bij de stukken in de onderhavige zaak. In het stamproces-verbaal heeft het hof echter wel enige opmerkingen over het onderzoek aangetroffen.
Onder feit 3 – het enige feit dat in hoger beroep nog aan de orde is – wordt verdachte het volgende verweten:
“Zij, in de periode van 11 augustus 2009 tot en met 2 september 2009, te Lelystad, althans in Nederland, opzettelijk bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, immers heeft zij, verdachte, partijen zogenaamd kribbenzand van verschillende milieuhygiënische kwaliteit tot een partij (van ongeveer 17.045.00 kilogram) grond samengevoegd en/of vervoerd en/of in ontvangst genomen, zijnde (een) handeling(en) als bedoeld in artikel 10.1. lid 3 Wet milieubeheer.”
Op grond van de laatste volzin van artikel 74, eerste lid, Sr wordt een voldane transactie wegens een strafbaar feit gelijkgesteld met een onherroepelijke veroordeling voor dat feit. De vraag die het hof dient te beantwoorden, is of de in tenlastelegging omschreven gedraging hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr vormt als de in het transactieaanbod omschreven gedraging. Volgens bestendige jurisprudentie - toegespitst op de onderhavige situatie - dient ter beantwoording van die vraag het volgende te worden onderzocht (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011: BM9102, NJ 2011/394):
(A) De juridische aard van de feiten.
Indien de feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Indien het transactieaanbod en de tenlastelegging niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.
Met betrekking tot criterium (A) overweegt het hof als volgt.
De juridisch aard van de feiten verschilt voor wat betreft de toepasselijke delictsomschrijving. Artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (oud) ziet immers op het zonder of in afwijking van een milieuvergunning in werking hebben van een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort, waarbij onder andere regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op de wijze waarop in zo’n installatie met afvalstoffen wordt omgegaan, terwijl artikel 10.1 Wet milieubeheer (oud) betrekking heeft op het verrichten van handeling met afvalstoffen.
Hoewel echter in hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer regelingen worden getroffen voor inrichtingen en in hoofdstuk 10 van die wet voor afvalstoffen, is het rechtsgoed dat de te onderscheiden delictsomschrijvingen beogen te beschermen in een situatie als de onderhavige wel hetzelfde, namelijk het beschermen van het milieu tegen de mogelijk nadelige gevolgen van het omgaan met afvalstoffen.
Het strafmaximum dat op de onderscheiden feiten is gesteld, is hetzelfde. In beide gevallen wordt overtreding van de bepalingen in geval van een misdrijf bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie en in geval van overtreding met hechtenis van ten hoogste één jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.
In het onderhavige geval is daarmee zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken als het verschil in de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, niet dermate groot dat geen sprake kan zijn van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.
Met betrekking tot criterium (B) overweegt het hof als volgt.
De brief bij het transactieaanbod en de tenlastelegging beschrijven niet dezelfde gedraging.
Conclusie
Op grond van het vorenoverwoge komt het hof tot de conclusie dat er weliswaar verschillen zijn in zowel de juridische aard van de feiten als in de gedraging van verdachte maar dat die - alles bijeengenomen - van zo beperkte betekenis zijn dat er sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde feit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,
mr. A. van Waarden en mr. J.F.L. Roording, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok, griffier,
en op 8 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Voor de toepassing op het onderhavige geval heft het hof zich mede georiënteerd op onder meer HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1686, NJ 2014, 527 m.n. T.M. Reijntjes, HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3636, NJ 2015, 63 m.nt. J.M. Reijntjes en HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1449.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004365-13
Uitspraak d.d.: 8 juli 2015
TEGENSPRAAK
Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland van 28 maart 2013 met parketnummer 05-986023-11 in de strafzaak tegen
[bedrijf] VOF,
gevestigd te [vestigingsplaats].
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. drs. W.J.W. van Eijk, naar voren is gebracht.
Omvang van het hoger beroep
In de appelakte is aangegeven dat het beroep zich niet richt tegen hetgeen waarvan verdachte is vrijgesproken (de feiten 1 en 2). Derhalve is slechts feit 3 aan het oordeel van het hof onderworpen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging vanwege – kort gezegd – schending van het ne bis in idem-beginsel. De verdediging heeft betoogd dat het onder 3 tenlastegelegde feit ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr betreft als het feit dat in het - door de verdachte geaccepteerde - transactieaanbod van het openbaar ministerie van 16 april 2010 staat omschreven.
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie wel degelijk ontvankelijk is in zijn strafvervolging. Zij heeft aangevoerd dat er niet sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr en heeft daarbij verwezen naar de overweging daarover in het vonnis van de rechtbank.
Oordeel hof
In de onderhavige zaak is bij brief van 16 april 2010 namens de officier van justitie een transactie aangeboden van € 4.800. Deze transactie is door verdachte voldaan.
De getransigeerde gedraging wordt in het transactieaanbod als volgt omschreven:
“Op 14 september 2009 is proces-verbaal opgemaakt tegen [bedrijf] v.o.f. (hierna [bedrijf]) in verband met overtreding van artikel 8.1. van de Wet Milieubeheer. In het kort komt het erop neer dat [bedrijf] rivierzand heeft ontvangen terwijl een bij het College van Gedeputeerde Staten ingediende melding ‘veranderen inrichting’ op dat moment niet was geaccepteerd en uiteindelijk ook niet geaccepteerd is.”
Een nadere omschrijving wordt niet gegeven. Het proces-verbaal waarover gesproken wordt bevindt zich niet bij de stukken in de onderhavige zaak. In het stamproces-verbaal heeft het hof echter wel enige opmerkingen over het onderzoek aangetroffen.
Onder feit 3 – het enige feit dat in hoger beroep nog aan de orde is – wordt verdachte het volgende verweten:
“Zij, in de periode van 11 augustus 2009 tot en met 2 september 2009, te Lelystad, althans in Nederland, opzettelijk bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, immers heeft zij, verdachte, partijen zogenaamd kribbenzand van verschillende milieuhygiënische kwaliteit tot een partij (van ongeveer 17.045.00 kilogram) grond samengevoegd en/of vervoerd en/of in ontvangst genomen, zijnde (een) handeling(en) als bedoeld in artikel 10.1. lid 3 Wet milieubeheer.”
Op grond van de laatste volzin van artikel 74, eerste lid, Sr wordt een voldane transactie wegens een strafbaar feit gelijkgesteld met een onherroepelijke veroordeling voor dat feit. De vraag die het hof dient te beantwoorden, is of de in tenlastelegging omschreven gedraging hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr vormt als de in het transactieaanbod omschreven gedraging. Volgens bestendige jurisprudentie - toegespitst op de onderhavige situatie - dient ter beantwoording van die vraag het volgende te worden onderzocht (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011: BM9102, NJ 2011/394):
(A) De juridische aard van de feiten.
Indien de feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Indien het transactieaanbod en de tenlastelegging niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.
Met betrekking tot criterium (A) overweegt het hof als volgt.
De juridisch aard van de feiten verschilt voor wat betreft de toepasselijke delictsomschrijving. Artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (oud) ziet immers op het zonder of in afwijking van een milieuvergunning in werking hebben van een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort, waarbij onder andere regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op de wijze waarop in zo’n installatie met afvalstoffen wordt omgegaan, terwijl artikel 10.1 Wet milieubeheer (oud) betrekking heeft op het verrichten van handeling met afvalstoffen.
Hoewel echter in hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer regelingen worden getroffen voor inrichtingen en in hoofdstuk 10 van die wet voor afvalstoffen, is het rechtsgoed dat de te onderscheiden delictsomschrijvingen beogen te beschermen in een situatie als de onderhavige wel hetzelfde, namelijk het beschermen van het milieu tegen de mogelijk nadelige gevolgen van het omgaan met afvalstoffen.
Het strafmaximum dat op de onderscheiden feiten is gesteld, is hetzelfde. In beide gevallen wordt overtreding van de bepalingen in geval van een misdrijf bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie en in geval van overtreding met hechtenis van ten hoogste één jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.
In het onderhavige geval is daarmee zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken als het verschil in de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, niet dermate groot dat geen sprake kan zijn van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.
Met betrekking tot criterium (B) overweegt het hof als volgt.
De brief bij het transactieaanbod en de tenlastelegging beschrijven niet dezelfde gedraging.
Conclusie
Op grond van het vorenoverwoge komt het hof tot de conclusie dat er weliswaar verschillen zijn in zowel de juridische aard van de feiten als in de gedraging van verdachte maar dat die - alles bijeengenomen - van zo beperkte betekenis zijn dat er sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde feit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,
mr. A. van Waarden en mr. J.F.L. Roording, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok, griffier,
en op 8 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Voor de toepassing op het onderhavige geval heft het hof zich mede georiënteerd op onder meer HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1686, NJ 2014, 527 m.n. T.M. Reijntjes, HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3636, NJ 2015, 63 m.nt. J.M. Reijntjes en HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1449.