Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2014-02-25
ECLI:NL:GHARL:2014:1926
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
7,146 tokens
Inleiding
WAHV 200.123.514
25 februari 2014
CJIB 153218151
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 7 januari 2013
betreffende
[naam betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats].
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1.
Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 180,- opgelegd ter zake van “Op een kruising niet de richting volgen die het voorsorteervak aangeeft”, welke gedraging zou zijn verricht op 10 mei 2011 om 16.56 uur op de Rondweg N3 te Papendrecht met het voertuig met het kenteken
[kenteken].
2.
De betrokkene voert hiertegen aan dat hij reeds in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft gevraagd naar de exacte pleeglocatie van de gedraging, maar dat de officier van justitie daar niet op de juiste wijze op heeft gereageerd. De betrokkene merkt daarbij op dat hij in dat beroepschrift ook een WOB-verzoek had opgenomen met betrekking tot het verstrekken van verschillende stukken en dat hierop ook niet op de juiste wijze is gereageerd. De betrokkene voelt zich hierdoor benadeeld. Voorts stelt de betrokkene dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Hij voert hiertoe aan dat sprake was van een onderbroken streep, hetgeen er op duidt dat het is toegestaan om die te overschrijden. De betrokkene verwijst hierbij naar artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) en stelt dat moet worden gekeken naar de letter van de wet, zodat de Memorie (het hof begrijpt: Nota) van Toelichting die de in bestreden beslissing is aangehaald niet relevant is. Voorts merkt de betrokkene op dat hij door de drukte niet in de gelegenheid was om eerder in te voegen, dat hij wel degelijk richting heeft aangegeven en dat hij door zijn handelen niemand in gevaar heeft gebracht.
3.
Voor zover de betrokkene klaagt over de wijze waarop de officier van justitie heeft gereageerd op zijn vraag naar de exacte pleeglocatie van de gedraging, overweegt het hof als volgt.
4.
Uitgangspunt in WAHV-zaken is dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren (vergelijk onder meer Hof Leeuwarden 26 januari 2005, WAHV 04-00910, ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8373, gepubliceerd op rechtspraak.nl). Dat brengt mee dat van een betrokkene mag worden verwacht dat deze op basis van de inleidende beschikking in staat is de bezwaren tegen die beschikking te formuleren.
5.
In het onderhavige geval heeft de betrokkene in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking aangegeven dat hem niet duidelijk is waar de gedraging ter zake waarvan hem een sanctie was opgelegd zou zijn verricht. De betrokkene heeft daartoe aangevoerd dat de plaats die in de inleidende beschikking wordt genoemd zodanig vaag is dat niet valt te reconstrueren waar de gedraging zich zou kunnen hebben voorgedaan. De betrokkene heeft daarbij diverse alternatieve mogelijkheden genoemd en voorts verzocht om hem informatie over de exacte pleeglocatie te doen toekomen.
6.
Uit hetgeen de betrokkene in zijn beroepschrift heeft aangevoerd blijkt dat de betrokkene zonder de door hem gevraagde informatie niet in staat was om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren. Dan vereist een zorgvuldige beoordeling van het beroep door de officier van justitie dat hij de betrokkene, teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen, deze informatie doet toekomen. Dit geldt in het onderhavige geval temeer, nu uit het dossier blijkt dat de officier van justitie, vóór zijn beslissing op het beroep, reeds de beschikking had gekregen over het brondocument en in dat brondocument (op de achterzijde, in het vakje dat is bestemd voor de overtredingsgegevens) de pleegplaats van de gedraging nader wordt aangeduid. Derhalve had de officier van justitie in dit geval op eenvoudige wijze aan het verzoek van de betrokkene kunnen voldoen door hem een afschrift van dat brondocument toe te sturen.
7.
Uit het dossier is echter niet af te leiden dat de officier van justitie vóór het geven van de beslissing op het beroep van de betrokkene een afschrift van het brondocument aan de betrokkene heeft doen toekomen. Evenmin is uit het dossier af te leiden of de officier van justitie zich ervan heeft vergewist dat de betrokkene inmiddels (via een andere weg) over de benodigde informatie beschikte en hem (vervolgens) in de gelegenheid heeft gesteld om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren. Gelet hierop heeft de officier van justitie niet de voor het beslissen op het beroep vereiste zorgvuldigheid betracht.
8.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten. Het hof zal de bestreden beslissing dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, met gegrondverklaring van het beroep van de betrokkene, de beslissing van de officier van justitie vernietigen en het beroep van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie beoordelen. In dit verband stelt het hof vast dat de betrokkene thans wel beschikt over de voor het formuleren van bezwaren tegen de inleidende beschikking vereiste informatie.
9.
Ter beoordeling van het hof ligt derhalve de vraag voor of de betrokkene de gedraging heeft verricht en of dientengevolge de sanctie terecht is opgelegd.
10.
Artikel 62 van het RVV 1990 houdt in:
“Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.”
11.
Artikel 78, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in:
"Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze voorsorteerstrook."
12.
De Nota van Toelichting bij artikel 78 van het RVV 1990 luidt, voor zover hier van belang:
“Met de nieuwe tekst wordt bereikt dat de bestuurder die van voorsorteerstrook wisselt daarop kan worden aangesproken zelfs al is ter plaatse geen doorgetrokken streep toegepast. In dergelijke gevallen kan van de bestuurder immers niet worden gezegd dat hij bij het volgen van een bepaalde richting van de voorsorteerstrook gebruik heeft gemaakt omdat hij deze pas op een later moment is gaan berijden. Hiermee wordt een rustig verkeersbeeld bevorderd. Op kruispunten met voorsorteerstroken moeten bestuurders van de voorsorteerstrook die op hun richting betrekking heeft gebruik maken. Het ergerlijke rijstrook wisselen kan hiermee worden beperkt.”
13.
De opvatting van de betrokkene, dat niet relevant is wat in de Toelichting staat vermeld vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Slechts indien hetgeen in de toelichting is opgenomen strijdig is met de bewoordingen van de wet kan aanleiding bestaan aan hetgeen in de toelichting is gesteld voorbij te gaan. Daarvan is hier geen sprake.
14.
Gelet op het voorgaande is voor de vaststelling of de gedraging is verricht van belang dat komt vast te staan dat de betrokkene in de voorsorteerstrook van rijstrook is gewisseld. Anders dan de betrokkene aanvoert, is daarbij niet van belang of hij daarbij een onderbroken of een doorgetrokken streep heeft overschreden.
15.
In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
veroordeelt de advocaat-generaal in de vergoeding van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 25,10.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.
Inleiding
WAHV 200.123.514
25 februari 2014
CJIB 153218151
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 7 januari 2013
betreffende
[naam betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats].
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1.
Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 180,- opgelegd ter zake van “Op een kruising niet de richting volgen die het voorsorteervak aangeeft”, welke gedraging zou zijn verricht op 10 mei 2011 om 16.56 uur op de Rondweg N3 te Papendrecht met het voertuig met het kenteken
[kenteken].
2.
De betrokkene voert hiertegen aan dat hij reeds in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft gevraagd naar de exacte pleeglocatie van de gedraging, maar dat de officier van justitie daar niet op de juiste wijze op heeft gereageerd. De betrokkene merkt daarbij op dat hij in dat beroepschrift ook een WOB-verzoek had opgenomen met betrekking tot het verstrekken van verschillende stukken en dat hierop ook niet op de juiste wijze is gereageerd. De betrokkene voelt zich hierdoor benadeeld. Voorts stelt de betrokkene dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Hij voert hiertoe aan dat sprake was van een onderbroken streep, hetgeen er op duidt dat het is toegestaan om die te overschrijden. De betrokkene verwijst hierbij naar artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) en stelt dat moet worden gekeken naar de letter van de wet, zodat de Memorie (het hof begrijpt: Nota) van Toelichting die de in bestreden beslissing is aangehaald niet relevant is. Voorts merkt de betrokkene op dat hij door de drukte niet in de gelegenheid was om eerder in te voegen, dat hij wel degelijk richting heeft aangegeven en dat hij door zijn handelen niemand in gevaar heeft gebracht.
3.
Voor zover de betrokkene klaagt over de wijze waarop de officier van justitie heeft gereageerd op zijn vraag naar de exacte pleeglocatie van de gedraging, overweegt het hof als volgt.
4.
Uitgangspunt in WAHV-zaken is dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren (vergelijk onder meer Hof Leeuwarden 26 januari 2005, WAHV 04-00910, ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8373, gepubliceerd op rechtspraak.nl). Dat brengt mee dat van een betrokkene mag worden verwacht dat deze op basis van de inleidende beschikking in staat is de bezwaren tegen die beschikking te formuleren.
5.
In het onderhavige geval heeft de betrokkene in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking aangegeven dat hem niet duidelijk is waar de gedraging ter zake waarvan hem een sanctie was opgelegd zou zijn verricht. De betrokkene heeft daartoe aangevoerd dat de plaats die in de inleidende beschikking wordt genoemd zodanig vaag is dat niet valt te reconstrueren waar de gedraging zich zou kunnen hebben voorgedaan. De betrokkene heeft daarbij diverse alternatieve mogelijkheden genoemd en voorts verzocht om hem informatie over de exacte pleeglocatie te doen toekomen.
6.
Uit hetgeen de betrokkene in zijn beroepschrift heeft aangevoerd blijkt dat de betrokkene zonder de door hem gevraagde informatie niet in staat was om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren. Dan vereist een zorgvuldige beoordeling van het beroep door de officier van justitie dat hij de betrokkene, teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen, deze informatie doet toekomen. Dit geldt in het onderhavige geval temeer, nu uit het dossier blijkt dat de officier van justitie, vóór zijn beslissing op het beroep, reeds de beschikking had gekregen over het brondocument en in dat brondocument (op de achterzijde, in het vakje dat is bestemd voor de overtredingsgegevens) de pleegplaats van de gedraging nader wordt aangeduid. Derhalve had de officier van justitie in dit geval op eenvoudige wijze aan het verzoek van de betrokkene kunnen voldoen door hem een afschrift van dat brondocument toe te sturen.
7.
Uit het dossier is echter niet af te leiden dat de officier van justitie vóór het geven van de beslissing op het beroep van de betrokkene een afschrift van het brondocument aan de betrokkene heeft doen toekomen. Evenmin is uit het dossier af te leiden of de officier van justitie zich ervan heeft vergewist dat de betrokkene inmiddels (via een andere weg) over de benodigde informatie beschikte en hem (vervolgens) in de gelegenheid heeft gesteld om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren. Gelet hierop heeft de officier van justitie niet de voor het beslissen op het beroep vereiste zorgvuldigheid betracht.
8.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten. Het hof zal de bestreden beslissing dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, met gegrondverklaring van het beroep van de betrokkene, de beslissing van de officier van justitie vernietigen en het beroep van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie beoordelen. In dit verband stelt het hof vast dat de betrokkene thans wel beschikt over de voor het formuleren van bezwaren tegen de inleidende beschikking vereiste informatie.
9.
Ter beoordeling van het hof ligt derhalve de vraag voor of de betrokkene de gedraging heeft verricht en of dientengevolge de sanctie terecht is opgelegd.
10.
Artikel 62 van het RVV 1990 houdt in:
“Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.”
11.
Artikel 78, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in:
"Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze voorsorteerstrook."
12.
De Nota van Toelichting bij artikel 78 van het RVV 1990 luidt, voor zover hier van belang:
“Met de nieuwe tekst wordt bereikt dat de bestuurder die van voorsorteerstrook wisselt daarop kan worden aangesproken zelfs al is ter plaatse geen doorgetrokken streep toegepast. In dergelijke gevallen kan van de bestuurder immers niet worden gezegd dat hij bij het volgen van een bepaalde richting van de voorsorteerstrook gebruik heeft gemaakt omdat hij deze pas op een later moment is gaan berijden. Hiermee wordt een rustig verkeersbeeld bevorderd. Op kruispunten met voorsorteerstroken moeten bestuurders van de voorsorteerstrook die op hun richting betrekking heeft gebruik maken. Het ergerlijke rijstrook wisselen kan hiermee worden beperkt.”
13.
De opvatting van de betrokkene, dat niet relevant is wat in de Toelichting staat vermeld vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Slechts indien hetgeen in de toelichting is opgenomen strijdig is met de bewoordingen van de wet kan aanleiding bestaan aan hetgeen in de toelichting is gesteld voorbij te gaan. Daarvan is hier geen sprake.
14.
Gelet op het voorgaande is voor de vaststelling of de gedraging is verricht van belang dat komt vast te staan dat de betrokkene in de voorsorteerstrook van rijstrook is gewisseld. Anders dan de betrokkene aanvoert, is daarbij niet van belang of hij daarbij een onderbroken of een doorgetrokken streep heeft overschreden.
15.
In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
veroordeelt de advocaat-generaal in de vergoeding van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 25,10.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.
Inleiding
WAHV 200.123.514
25 februari 2014
CJIB 153218151
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 7 januari 2013
betreffende
[naam betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats].
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1.
Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 180,- opgelegd ter zake van “Op een kruising niet de richting volgen die het voorsorteervak aangeeft”, welke gedraging zou zijn verricht op 10 mei 2011 om 16.56 uur op de Rondweg N3 te Papendrecht met het voertuig met het kenteken
[kenteken].
2.
De betrokkene voert hiertegen aan dat hij reeds in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft gevraagd naar de exacte pleeglocatie van de gedraging, maar dat de officier van justitie daar niet op de juiste wijze op heeft gereageerd. De betrokkene merkt daarbij op dat hij in dat beroepschrift ook een WOB-verzoek had opgenomen met betrekking tot het verstrekken van verschillende stukken en dat hierop ook niet op de juiste wijze is gereageerd. De betrokkene voelt zich hierdoor benadeeld. Voorts stelt de betrokkene dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Hij voert hiertoe aan dat sprake was van een onderbroken streep, hetgeen er op duidt dat het is toegestaan om die te overschrijden. De betrokkene verwijst hierbij naar artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) en stelt dat moet worden gekeken naar de letter van de wet, zodat de Memorie (het hof begrijpt: Nota) van Toelichting die de in bestreden beslissing is aangehaald niet relevant is. Voorts merkt de betrokkene op dat hij door de drukte niet in de gelegenheid was om eerder in te voegen, dat hij wel degelijk richting heeft aangegeven en dat hij door zijn handelen niemand in gevaar heeft gebracht.
3.
Voor zover de betrokkene klaagt over de wijze waarop de officier van justitie heeft gereageerd op zijn vraag naar de exacte pleeglocatie van de gedraging, overweegt het hof als volgt.
4.
Uitgangspunt in WAHV-zaken is dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren (vergelijk onder meer Hof Leeuwarden 26 januari 2005, WAHV 04-00910, ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8373, gepubliceerd op rechtspraak.nl). Dat brengt mee dat van een betrokkene mag worden verwacht dat deze op basis van de inleidende beschikking in staat is de bezwaren tegen die beschikking te formuleren.
5.
In het onderhavige geval heeft de betrokkene in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking aangegeven dat hem niet duidelijk is waar de gedraging ter zake waarvan hem een sanctie was opgelegd zou zijn verricht. De betrokkene heeft daartoe aangevoerd dat de plaats die in de inleidende beschikking wordt genoemd zodanig vaag is dat niet valt te reconstrueren waar de gedraging zich zou kunnen hebben voorgedaan. De betrokkene heeft daarbij diverse alternatieve mogelijkheden genoemd en voorts verzocht om hem informatie over de exacte pleeglocatie te doen toekomen.
6.
Uit hetgeen de betrokkene in zijn beroepschrift heeft aangevoerd blijkt dat de betrokkene zonder de door hem gevraagde informatie niet in staat was om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren. Dan vereist een zorgvuldige beoordeling van het beroep door de officier van justitie dat hij de betrokkene, teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen, deze informatie doet toekomen. Dit geldt in het onderhavige geval temeer, nu uit het dossier blijkt dat de officier van justitie, vóór zijn beslissing op het beroep, reeds de beschikking had gekregen over het brondocument en in dat brondocument (op de achterzijde, in het vakje dat is bestemd voor de overtredingsgegevens) de pleegplaats van de gedraging nader wordt aangeduid. Derhalve had de officier van justitie in dit geval op eenvoudige wijze aan het verzoek van de betrokkene kunnen voldoen door hem een afschrift van dat brondocument toe te sturen.
7.
Uit het dossier is echter niet af te leiden dat de officier van justitie vóór het geven van de beslissing op het beroep van de betrokkene een afschrift van het brondocument aan de betrokkene heeft doen toekomen. Evenmin is uit het dossier af te leiden of de officier van justitie zich ervan heeft vergewist dat de betrokkene inmiddels (via een andere weg) over de benodigde informatie beschikte en hem (vervolgens) in de gelegenheid heeft gesteld om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren. Gelet hierop heeft de officier van justitie niet de voor het beslissen op het beroep vereiste zorgvuldigheid betracht.
8.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten. Het hof zal de bestreden beslissing dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, met gegrondverklaring van het beroep van de betrokkene, de beslissing van de officier van justitie vernietigen en het beroep van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie beoordelen. In dit verband stelt het hof vast dat de betrokkene thans wel beschikt over de voor het formuleren van bezwaren tegen de inleidende beschikking vereiste informatie.
9.
Ter beoordeling van het hof ligt derhalve de vraag voor of de betrokkene de gedraging heeft verricht en of dientengevolge de sanctie terecht is opgelegd.
10.
Artikel 62 van het RVV 1990 houdt in:
“Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.”
11.
Artikel 78, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in:
"Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze voorsorteerstrook."
12.
De Nota van Toelichting bij artikel 78 van het RVV 1990 luidt, voor zover hier van belang:
“Met de nieuwe tekst wordt bereikt dat de bestuurder die van voorsorteerstrook wisselt daarop kan worden aangesproken zelfs al is ter plaatse geen doorgetrokken streep toegepast. In dergelijke gevallen kan van de bestuurder immers niet worden gezegd dat hij bij het volgen van een bepaalde richting van de voorsorteerstrook gebruik heeft gemaakt omdat hij deze pas op een later moment is gaan berijden. Hiermee wordt een rustig verkeersbeeld bevorderd. Op kruispunten met voorsorteerstroken moeten bestuurders van de voorsorteerstrook die op hun richting betrekking heeft gebruik maken. Het ergerlijke rijstrook wisselen kan hiermee worden beperkt.”
13.
De opvatting van de betrokkene, dat niet relevant is wat in de Toelichting staat vermeld vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Slechts indien hetgeen in de toelichting is opgenomen strijdig is met de bewoordingen van de wet kan aanleiding bestaan aan hetgeen in de toelichting is gesteld voorbij te gaan. Daarvan is hier geen sprake.
14.
Gelet op het voorgaande is voor de vaststelling of de gedraging is verricht van belang dat komt vast te staan dat de betrokkene in de voorsorteerstrook van rijstrook is gewisseld. Anders dan de betrokkene aanvoert, is daarbij niet van belang of hij daarbij een onderbroken of een doorgetrokken streep heeft overschreden.
15.
In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
veroordeelt de advocaat-generaal in de vergoeding van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 25,10.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.