Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-03-31
ECLI:NL:GHAMS:2026:862
Strafrecht
Hoger beroep
48,552 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:862 text/xml public 2026-04-01T00:01:34 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-31 23-001727-21 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2021:2732 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:862 text/html public 2026-03-31T18:54:56 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:862 Gerechtshof Amsterdam , 31-03-2026 / 23-001727-21 Onderzoek 13Orinus. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren voor leiderschap aan een criminele organisatie die tot oogmerk had drugs, witwassen en moord. afdeling strafrecht parketnummer: 23-001727-21 datum uitspraak: 31 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-728003-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Chili) op [geboortedatum 1] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] . Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 april 2022, 13 en 18 januari 2023, 25 april, 5 juni en 7 november 2024, 18, 24 en 26 februari en 12 en 17 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Inhoudsopgave Inleiding……………………………………………………………………………………………….2 Voorvragen……………………………………………………………………………………………5 Beoordeling van het bewijs…………………………………………………………………………..6 3.1. Identificaties…………………………………………………………………………………6 3.2. Inleiding criminele organisatie……………………………………………………………13 3.2. Oogmerk Opiumwet……………………………………………………………………….15 3.3. Gewoontewitwassen (feit 2) en oogmerk witwassen (feit 1)……………………………..24 3.4. Oogmerk moord……………………………………………………………………………45 4. Bewezenverklaring………………………………………………………………………………….55 5. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte………………………………...57 6. Verzoeken en eerlijkheid proces…………………………………………………………………...57 7. Oplegging van straf…………………………………………………………………………………60 8. Beslagbeslissing……………………………………………………………………………………..62 9. Toepasselijke wettelijke voorschriften…………………………………………………………….62 BESLISSING………………………………………………………………………………………….…63 Bijlage I: tenlastelegging………………………………………………………………………………..65 1 Inleiding Deze strafzaak tegen de verdachte heeft de naam 13Orinus gekregen. Binnen 13Orinus is onderzoek gedaan naar strafbare gedragingen van de verdachte en een groep personen rond de verdachte. Dit heeft geresulteerd in de verdenking dat deze groep, onder leiding van de verdachte, gedurende langere tijd in georganiseerd verband misdrijven heeft gepleegd. Als specifieke doelen van de organisatie worden in het politiedossier genoemd: (gewoonte)witwassen, het bezit van (vuur)wapens en munitie, het plegen van moorden en drugshandel. Het onderzoek heeft ook geleid tot de verdenking dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen en medeplegen van het bezit van (vuur)wapens en munitie. De verdachte is op 20 oktober 2017 op verzoek van de Nederlandse autoriteiten aangehouden in Chili. Op 21 maart 2018 is de verdachte aangekomen in Nederland . Sindsdien bevindt hij zich in voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft de verdachte op 31 mei 2021 veroordeeld voor het leiding geven aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (gewoonte)witwassen en moord en voor het medeplegen van (gewoonte)witwassen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het leiding geven aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot het bezit van (vuur)wapens en munitie en drugshandel. Aan de verdachte is een gevangenisstraf van elf jaren opgelegd. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep van het Openbaar Ministerie is met name gericht tegen de vrijspraak van het leiding geven aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot drugshandel. Het hoger beroep van de verdachte is met name gericht tegen de beslissing tot de bewezenverklaring van het leiding geven aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (gewoonte)witwassen en moord en de bewezenverklaring van (gewoonte)witwassen. Onderzoek op de zitting Het hof heeft zijn beslissingen gebaseerd op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep dat heeft plaatsgevonden op meerdere zittingsdagen, zoals hierboven vermeld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht. Daarnaast heeft het hof geoordeeld op basis van het onderzoek dat eerder bij de rechtbank heeft plaatsgevonden, zoals dat is beschreven in de processen-verbaal van die zittingen. Het hoger beroep heeft lang geduurd. De reden daarvoor is onder meer dat er meerdere regiezittingen hebben plaatsgevonden waarop verzoeken zijn besproken en enkele getuigen zijn gehoord. Toen de zaak medio 2024 behandeld kon worden, is de zaak alsnog aangehouden omdat de getuige [getuige 1] – die zich in detentie in Italië bevond – werd gehoord. Taak strafrechter De strafbare feiten waarvan een verdachte door het Openbaar Ministerie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de strafrechter op grond van de wet een aantal vragen beantwoorden. Hij doet dat op basis van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. De vragen die de rechter moet beantwoorden zijn de volgende. Het hof moet eerst beoordelen of het hoger beroep ontvankelijk is. Daarna moet het hof beoordelen of de dagvaarding geldig is, of de rechter bevoegd is om over deze tenlastelegging te oordelen, of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De vier laatste punten worden ‘de voorvragen’ genoemd. Het hof zal deze voorvragen beantwoorden in hoofdstuk 2, voor zover dat nodig is. Vervolgens moet het hof beoordelen of bewezen is dat de tenlastegelegde feiten door de verdachte zijn begaan (zie hoofdstukken 3, ‘Beoordeling van het bewijs’ en 4, ‘Bewezenverklaring’) en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert (zie hoofdstuk 5 ‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde’). Als wordt aangenomen dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan moet de rechter oordelen over de strafbaarheid van de verdachte (zie hoofdstuk 6 ‘Strafbaarheid van de verdachte’) en over de oplegging van een straf of maatregel (zie hoofdstuk 7. ‘Oplegging van straf’). Tenslotte moet de rechter oordelen over goederen die onder de verdachte in beslag zijn genomen (zie hoofdstuk 8, ‘Beslissing omtrent het beslag’). Afbakening van de zaak in hoger beroep De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van wat aan hem als feit 3 ten laste is gelegd; het medeplegen van het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie op 5 juli 2016. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en heeft het hoger beroep niet beperkt. Dit betekent dat het hoger beroep ook is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van dat tenlastegelegde feit. Een verdachte kan niet in hoger beroep gaan tegen een beslissing van een rechtbank waarbij hij is vrijgesproken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep tegen die beslissing is gericht. Het Openbaar Ministerie heeft naar voren gebracht dat zij zich ook kan vinden in die vrijspraak en dat het als feit 3 tenlastegelegde feit in hoger beroep niet aan de orde hoeft te komen. Het hof is niet gebleken dat er een belang bestaat bij de behandeling van het hoger beroep dat door het Openbaar Ministerie is ingesteld tegen de beslissing over feit 3. Onder deze omstandigheden zal ook het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de verdachte van feit 3 vrij te spreken.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:862 text/xml public 2026-04-01T14:06:32 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-31 23-001727-21 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2021:2732 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:862 text/html public 2026-04-01T14:06:13 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:862 Gerechtshof Amsterdam , 31-03-2026 / 23-001727-21 Onderzoek 13Orinus. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren voor leiderschap aan een criminele organisatie die tot oogmerk had drugs, witwassen en moord. afdeling strafrecht parketnummer: 23-001727-21 datum uitspraak: 31 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-728003-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Chili) op [geboortedatum 1] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] . Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 april 2022, 13 en 18 januari 2023, 25 april, 5 juni en 7 november 2024, 18, 24 en 26 februari en 12 en 17 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Inhoudsopgave Inleiding……………………………………………………………………………………………….2 Voorvragen……………………………………………………………………………………………5 Beoordeling van het bewijs…………………………………………………………………………..6 3.1. Identificaties…………………………………………………………………………………6 3.2. Inleiding criminele organisatie……………………………………………………………13 3.2. Oogmerk Opiumwet……………………………………………………………………….15 3.3. Gewoontewitwassen (feit 2) en oogmerk witwassen (feit 1)……………………………..24 3.4. Oogmerk moord……………………………………………………………………………45 4. Bewezenverklaring………………………………………………………………………………….55 5. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte………………………………...57 6. Verzoeken en eerlijkheid proces…………………………………………………………………...57 7. Oplegging van straf…………………………………………………………………………………60 8. Beslagbeslissing……………………………………………………………………………………..62 9. Toepasselijke wettelijke voorschriften…………………………………………………………….62 BESLISSING………………………………………………………………………………………….…63 Bijlage I: tenlastelegging………………………………………………………………………………..65 1 Inleiding Deze strafzaak tegen de verdachte heeft de naam 13Orinus gekregen. Binnen 13Orinus is onderzoek gedaan naar strafbare gedragingen van de verdachte en een groep personen rond de verdachte. Dit heeft geresulteerd in de verdenking dat deze groep, onder leiding van de verdachte, gedurende langere tijd in georganiseerd verband misdrijven heeft gepleegd. Als specifieke doelen van de organisatie worden in het politiedossier genoemd: (gewoonte)witwassen, het bezit van (vuur)wapens en munitie, het plegen van moorden en drugshandel. Het onderzoek heeft ook geleid tot de verdenking dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen en medeplegen van het bezit van (vuur)wapens en munitie. De verdachte is op 20 oktober 2017 op verzoek van de Nederlandse autoriteiten aangehouden in Chili. Op 21 maart 2018 is de verdachte aangekomen in Nederland . Sindsdien bevindt hij zich in voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft de verdachte op 31 mei 2021 veroordeeld voor het leiding geven aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (gewoonte)witwassen en moord en voor het medeplegen van (gewoonte)witwassen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het leiding geven aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot het bezit van (vuur)wapens en munitie en drugshandel. Aan de verdachte is een gevangenisstraf van elf jaren opgelegd. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep van het Openbaar Ministerie is met name gericht tegen de vrijspraak van het leiding geven aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot drugshandel. Het hoger beroep van de verdachte is met name gericht tegen de beslissing tot de bewezenverklaring van het leiding geven aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (gewoonte)witwassen en moord en de bewezenverklaring van (gewoonte)witwassen. Onderzoek op de zitting Het hof heeft zijn beslissingen gebaseerd op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep dat heeft plaatsgevonden op meerdere zittingsdagen, zoals hierboven vermeld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht. Daarnaast heeft het hof geoordeeld op basis van het onderzoek dat eerder bij de rechtbank heeft plaatsgevonden, zoals dat is beschreven in de processen-verbaal van die zittingen. Het hoger beroep heeft lang geduurd. De reden daarvoor is onder meer dat er meerdere regiezittingen hebben plaatsgevonden waarop verzoeken zijn besproken en enkele getuigen zijn gehoord. Toen de zaak medio 2024 behandeld kon worden, is de zaak alsnog aangehouden omdat de getuige [getuige 1] – die zich in detentie in Italië bevond – werd gehoord. Taak strafrechter De strafbare feiten waarvan een verdachte door het Openbaar Ministerie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de strafrechter op grond van de wet een aantal vragen beantwoorden. Hij doet dat op basis van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. De vragen die de rechter moet beantwoorden zijn de volgende. Het hof moet eerst beoordelen of het hoger beroep ontvankelijk is. Daarna moet het hof beoordelen of de dagvaarding geldig is, of de rechter bevoegd is om over deze tenlastelegging te oordelen, of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De vier laatste punten worden ‘de voorvragen’ genoemd. Het hof zal deze voorvragen beantwoorden in hoofdstuk 2, voor zover dat nodig is. Vervolgens moet het hof beoordelen of bewezen is dat de tenlastegelegde feiten door de verdachte zijn begaan (zie hoofdstukken 3, ‘Beoordeling van het bewijs’ en 4, ‘Bewezenverklaring’) en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert (zie hoofdstuk 5 ‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde’). Als wordt aangenomen dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan moet de rechter oordelen over de strafbaarheid van de verdachte (zie hoofdstuk 6 ‘Strafbaarheid van de verdachte’) en over de oplegging van een straf of maatregel (zie hoofdstuk 7. ‘Oplegging van straf’). Tenslotte moet de rechter oordelen over goederen die onder de verdachte in beslag zijn genomen (zie hoofdstuk 8, ‘Beslissing omtrent het beslag’). Afbakening van de zaak in hoger beroep De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van wat aan hem als feit 3 ten laste is gelegd; het medeplegen van het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie op 5 juli 2016. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en heeft het hoger beroep niet beperkt. Dit betekent dat het hoger beroep ook is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van dat tenlastegelegde feit. Een verdachte kan niet in hoger beroep gaan tegen een beslissing van een rechtbank waarbij hij is vrijgesproken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep tegen die beslissing is gericht. Het Openbaar Ministerie heeft naar voren gebracht dat zij zich ook kan vinden in die vrijspraak en dat het als feit 3 tenlastegelegde feit in hoger beroep niet aan de orde hoeft te komen. Het hof is niet gebleken dat er een belang bestaat bij de behandeling van het hoger beroep dat door het Openbaar Ministerie is ingesteld tegen de beslissing over feit 3. Onder deze omstandigheden zal ook het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de verdachte van feit 3 vrij te spreken.
Volledig
Dit alles heeft tot gevolg dat de beslissing van de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het medeplegen van het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie, blijft staan. Het hof hoeft over feit 3 dan ook geen beslissing te nemen. Beschuldiging De tekst van de tenlastelegging met daarin de beschuldiging, is voor de rechter de basis voor het oordeel. De verdachte wordt – na meerdere wijzigingen van de tenlastelegging – kort weergegeven – in hoger beroep nog beschuldigd van: 1. Deelneming als leider aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten: . (gewoonte)witwassen, . bezit van (vuur)wapens en munitie en . moord in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017; en Deelneming als leider aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017; 2. Medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017. De volledige tekst van de tenlastelegging is in bijlage 1 opgenomen en maakt deel uit van dit arrest. Het feit waarvoor de verdachte door de rechtbank is vrijgesproken, staat niet meer in de tekst van de tenlastelegging in bijlage 1. Motivering en bewijsmiddelen Het hof heeft in dit arrest de beslissingen neergelegd en heeft deze beslissingen ook gemotiveerd voor zover een motivering: - nodig is om de beslissingen te begrijpen; - ( op grond van de wet) vereist is bij het gebruik van een bepaald bewijsmiddel; - ( op grond van de wet) vereist is omdat het Openbaar Ministerie en de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren hebben gebracht of de verdediging een verweer heeft gevoerd. Het hof zal in het arrest niet steeds reageren op standpunten en verweren van de verdediging wanneer de overwegingen en beslissingen van het hof in overeenstemming zijn met dat standpunt. Het is bijvoorbeeld niet nodig om te reageren op het standpunt dat een bepaalde getuige onbetrouwbaar is, als de rechter ervoor heeft gekozen de verklaring van die getuige niet te gebruiken voor het bewijs. Het is voor het hof dus niet nodig om op alle standpunten van de verdediging te reageren. Hetzelfde geldt voor standpunten die het Openbaar Ministerie heeft ingenomen. Vonnis Het vonnis waartegen beroep is ingesteld, zal worden vernietigd, omdat het hof op verschillende punten tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Ten aanzien van de overige beslissingen kan het hof zich in grote lijnen echter vinden in de beslissingen en de motiveringen van de rechtbank. In die gevallen heeft het hof dan ook gebruik gemaakt van de overwegingen van de rechtbank en aangepast of aangevuld waar nodig. 2 Voorvragen Geldigheid van de dagvaarding De rechter moet oordelen op de grondslag van de tenlastelegging. Het doel van de tenlastelegging is om voor de procesdeelnemers – de rechter, het Openbaar Ministerie, de verdachte en eventueel de benadeelde partij – duidelijk vast te leggen wat de inzet van de strafzaak is en de te volgen beslissingsstructuur. Met het oog daarop moet de dagvaarding op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een opgave bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd. Bij die opgave wordt vermeld omstreeks welke tijd, waar en onder welke omstandigheden het feit zou zijn begaan. Het is de vraag of de tenlastelegging voldoende duidelijk is voor zover onder feit 2 het witwassen ten laste is gelegd van: - een of meer (andere) luxe goed(eren), te weten (onder) andere een of meer (exclusieve) horloge(s) (van het merk Audemars Piquet en/of Rolex en/of Jaeger Lecoultre en/of Franck Muller en/of Cartier en/of Panerai). In de tenlastelegging zijn de merken van de horloges genoemd. Uit het dossier is af te leiden op welke plaatsen er horloges, certificaten en doosjes zijn aangetroffen. De hoeveelheid horloges is bovendien te overzien. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de tenlastelegging – tegen de achtergrond van het dossier – voor wat betreft de horloges voldoende feitelijk en duidelijk is. Het is voor de verdachte voldoende duidelijk wat hem wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. In hoger beroep heeft de verdediging hierover ook geen standpunt meer ingenomen. In de tenlastelegging zijn ook de woorden ‘(onder) andere’ opgenomen. Met die woorden is kennelijk ook het witwassen van nog andere luxe goederen ten laste gelegd dan de genoemde horloges. Er is echter op geen enkele wijze beschreven welke andere goederen bedoeld worden. Voor zover in de tenlastelegging met de woorden ‘(onder) andere’ wordt gedoeld op andere luxegoederen dan horloges, is het hof van oordeel dat de tenlastelegging (gedeeltelijk) nietig is omdat de tenlastelegging op dit punt onvoldoende feitelijk en duidelijk is. Het hof zal de tenlastelegging daarom nietig verklaren voor zover in de tenlastelegging onder feit 2 de woorden ‘(onder) andere’ zijn opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat hof dat deel van de beschuldiging verder niet zal onderzoeken en daarover niet zal oordelen. De dagvaarding voldoet verder aan de vereisten van artikel 261 Sv. De dagvaarding is voor het overige dan ook geldig. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in Nederland niet voor leiderschap van de criminele organisatie vervolgd kan worden omdat hij niet voor dat verwijt door Chili is uitgeleverd, maar alleen voor deelneming aan de criminele organisatie. Door de verdachte wel voor leiderschap van de criminele organisatie te vervolgen, wordt het specialiteitsbeginsel geschonden. Het Openbaar Ministerie is voor dat deel van de tenlastelegging niet-ontvankelijkheid in de vervolging. Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat de verdachte wel voor leiderschap van de criminele organisatie kan worden vervolgd omdat kortgezegd de Chileense autoriteiten de uitlevering hebben toegestaan voor ‘toebehoren aan een criminele organisatie’ en dat gelet op de inhoud van het uitleveringsverzoek van de Nederlandse autoriteiten en de daarin omschreven feiten dit ook leiderschap omvat. Oordeel van het hof Het specialiteitsbeginsel houdt in dat een uitgeleverde persoon niet wordt vervolgd, berecht of van zijn vrijheid beroofd in verband met enig ander vóór de uitlevering begaan feit (of feiten) dan het feit (of feiten) dat de reden tot de uitlevering is geweest. Het is dan ook de vraag of de verdachte voor zover hij wordt vervolgd voor het als leider deelnemen aan een criminele organisatie wordt vervolgd voor een ander feit dan dat waarvoor zijn uitlevering door de Chileense autoriteiten is toegestaan. Daarvan is in de deze zaak geen sprake. In het uitleveringsverzoek van 24 oktober 2017 is door de Nederlandse officier van justitie verzocht om uitlevering van de verdachte voor onder meer deelname aan een criminele organisatie. In de uiteenzetting van de feiten is aangegeven dat de verdachte er van wordt verdacht leiding te hebben gegeven aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van diverse strafbare feiten. Melding is verder gemaakt van de toepasselijke wetsbepalingen waaronder artikel 140 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) die inhouden dat ten aanzien van leiders de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd. In de aanvulling op het uitleveringsverzoek van 22 december 2017 is nog expliciet gewezen op de maximale straf die opgelegd kan worden als het gaat om leiderschap van een criminele organisatie. De Chileense rechter heeft op 15 januari 2018 de uitlevering toelaatbaar verklaard en onder meer overwogen dat verdachte wordt verweten dat hij als leider van een criminele organisatie zich schuldig heeft gemaakt aan kort gezegd het plegen van verschillende strafbare feiten (Dossierpagina G1456). Dit vonnis is op 7 maart 2018 bevestigd, waarna de verdachte op 21 maart 2018 feitelijk aan Nederland is uitgeleverd.
Volledig
Dit alles heeft tot gevolg dat de beslissing van de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het medeplegen van het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie, blijft staan. Het hof hoeft over feit 3 dan ook geen beslissing te nemen. Beschuldiging De tekst van de tenlastelegging met daarin de beschuldiging, is voor de rechter de basis voor het oordeel. De verdachte wordt – na meerdere wijzigingen van de tenlastelegging – kort weergegeven – in hoger beroep nog beschuldigd van: 1. Deelneming als leider aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten: . (gewoonte)witwassen, . bezit van (vuur)wapens en munitie en . moord in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017; en Deelneming als leider aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017; 2. Medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017. De volledige tekst van de tenlastelegging is in bijlage 1 opgenomen en maakt deel uit van dit arrest. Het feit waarvoor de verdachte door de rechtbank is vrijgesproken, staat niet meer in de tekst van de tenlastelegging in bijlage 1. Motivering en bewijsmiddelen Het hof heeft in dit arrest de beslissingen neergelegd en heeft deze beslissingen ook gemotiveerd voor zover een motivering: - nodig is om de beslissingen te begrijpen; - ( op grond van de wet) vereist is bij het gebruik van een bepaald bewijsmiddel; - ( op grond van de wet) vereist is omdat het Openbaar Ministerie en de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren hebben gebracht of de verdediging een verweer heeft gevoerd. Het hof zal in het arrest niet steeds reageren op standpunten en verweren van de verdediging wanneer de overwegingen en beslissingen van het hof in overeenstemming zijn met dat standpunt. Het is bijvoorbeeld niet nodig om te reageren op het standpunt dat een bepaalde getuige onbetrouwbaar is, als de rechter ervoor heeft gekozen de verklaring van die getuige niet te gebruiken voor het bewijs. Het is voor het hof dus niet nodig om op alle standpunten van de verdediging te reageren. Hetzelfde geldt voor standpunten die het Openbaar Ministerie heeft ingenomen. Vonnis Het vonnis waartegen beroep is ingesteld, zal worden vernietigd, omdat het hof op verschillende punten tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Ten aanzien van de overige beslissingen kan het hof zich in grote lijnen echter vinden in de beslissingen en de motiveringen van de rechtbank. In die gevallen heeft het hof dan ook gebruik gemaakt van de overwegingen van de rechtbank en aangepast of aangevuld waar nodig. 2 Voorvragen Geldigheid van de dagvaarding De rechter moet oordelen op de grondslag van de tenlastelegging. Het doel van de tenlastelegging is om voor de procesdeelnemers – de rechter, het Openbaar Ministerie, de verdachte en eventueel de benadeelde partij – duidelijk vast te leggen wat de inzet van de strafzaak is en de te volgen beslissingsstructuur. Met het oog daarop moet de dagvaarding op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een opgave bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd. Bij die opgave wordt vermeld omstreeks welke tijd, waar en onder welke omstandigheden het feit zou zijn begaan. Het is de vraag of de tenlastelegging voldoende duidelijk is voor zover onder feit 2 het witwassen ten laste is gelegd van: - een of meer (andere) luxe goed(eren), te weten (onder) andere een of meer (exclusieve) horloge(s) (van het merk Audemars Piquet en/of Rolex en/of Jaeger Lecoultre en/of Franck Muller en/of Cartier en/of Panerai). In de tenlastelegging zijn de merken van de horloges genoemd. Uit het dossier is af te leiden op welke plaatsen er horloges, certificaten en doosjes zijn aangetroffen. De hoeveelheid horloges is bovendien te overzien. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de tenlastelegging – tegen de achtergrond van het dossier – voor wat betreft de horloges voldoende feitelijk en duidelijk is. Het is voor de verdachte voldoende duidelijk wat hem wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. In hoger beroep heeft de verdediging hierover ook geen standpunt meer ingenomen. In de tenlastelegging zijn ook de woorden ‘(onder) andere’ opgenomen. Met die woorden is kennelijk ook het witwassen van nog andere luxe goederen ten laste gelegd dan de genoemde horloges. Er is echter op geen enkele wijze beschreven welke andere goederen bedoeld worden. Voor zover in de tenlastelegging met de woorden ‘(onder) andere’ wordt gedoeld op andere luxegoederen dan horloges, is het hof van oordeel dat de tenlastelegging (gedeeltelijk) nietig is omdat de tenlastelegging op dit punt onvoldoende feitelijk en duidelijk is. Het hof zal de tenlastelegging daarom nietig verklaren voor zover in de tenlastelegging onder feit 2 de woorden ‘(onder) andere’ zijn opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat hof dat deel van de beschuldiging verder niet zal onderzoeken en daarover niet zal oordelen. De dagvaarding voldoet verder aan de vereisten van artikel 261 Sv. De dagvaarding is voor het overige dan ook geldig. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in Nederland niet voor leiderschap van de criminele organisatie vervolgd kan worden omdat hij niet voor dat verwijt door Chili is uitgeleverd, maar alleen voor deelneming aan de criminele organisatie. Door de verdachte wel voor leiderschap van de criminele organisatie te vervolgen, wordt het specialiteitsbeginsel geschonden. Het Openbaar Ministerie is voor dat deel van de tenlastelegging niet-ontvankelijkheid in de vervolging. Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat de verdachte wel voor leiderschap van de criminele organisatie kan worden vervolgd omdat kortgezegd de Chileense autoriteiten de uitlevering hebben toegestaan voor ‘toebehoren aan een criminele organisatie’ en dat gelet op de inhoud van het uitleveringsverzoek van de Nederlandse autoriteiten en de daarin omschreven feiten dit ook leiderschap omvat. Oordeel van het hof Het specialiteitsbeginsel houdt in dat een uitgeleverde persoon niet wordt vervolgd, berecht of van zijn vrijheid beroofd in verband met enig ander vóór de uitlevering begaan feit (of feiten) dan het feit (of feiten) dat de reden tot de uitlevering is geweest. Het is dan ook de vraag of de verdachte voor zover hij wordt vervolgd voor het als leider deelnemen aan een criminele organisatie wordt vervolgd voor een ander feit dan dat waarvoor zijn uitlevering door de Chileense autoriteiten is toegestaan. Daarvan is in de deze zaak geen sprake. In het uitleveringsverzoek van 24 oktober 2017 is door de Nederlandse officier van justitie verzocht om uitlevering van de verdachte voor onder meer deelname aan een criminele organisatie. In de uiteenzetting van de feiten is aangegeven dat de verdachte er van wordt verdacht leiding te hebben gegeven aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van diverse strafbare feiten. Melding is verder gemaakt van de toepasselijke wetsbepalingen waaronder artikel 140 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) die inhouden dat ten aanzien van leiders de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd. In de aanvulling op het uitleveringsverzoek van 22 december 2017 is nog expliciet gewezen op de maximale straf die opgelegd kan worden als het gaat om leiderschap van een criminele organisatie. De Chileense rechter heeft op 15 januari 2018 de uitlevering toelaatbaar verklaard en onder meer overwogen dat verdachte wordt verweten dat hij als leider van een criminele organisatie zich schuldig heeft gemaakt aan kort gezegd het plegen van verschillende strafbare feiten (Dossierpagina G1456). Dit vonnis is op 7 maart 2018 bevestigd, waarna de verdachte op 21 maart 2018 feitelijk aan Nederland is uitgeleverd.
Volledig
Uit de beslissing van de Chileense rechter blijkt dat in de beoordeling van deze rechter mede is betrokken het verwijt dat de verdachte ervan verdacht wordt leiding te hebben gegeven aan een criminele organisatie dat het oogmerk het plegen van strafbare feiten heeft. Het leiderschap van een criminele organisatie is dan ook door de Chileense rechter onder ogen gezien en uit de overweging blijkt de uitlevering hiervoor ook is toegelaten. Op grond hiervan moet het verweer worden verworpen. Het hof verwerpt het verweer. 3. Beoordeling van het bewijs Het hof zal hieronder de feiten en omstandigheden bespreken die van belang zijn voor het bewijs. Eerst zal worden beschreven wie de gebruikers zijn van verschillende PGP-adressen en wie er worden bedoeld met sommige bijnamen. Daarna wordt het bewijs beschreven dat betrekking heeft op de criminele organisatie (feit 1). De feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het tenlastegelegde gewoontewitwassen (feit 2) zullen worden besproken in de paragraaf over het oogmerk witwassen. 3.1. Identificaties Verdachte ‘# [accountnaam 1] ’ Tijdens de aanhouding van de verdachte op 20 oktober 2017 in Chili is onder hem een iPhone 6 inbeslaggenomen. De iPhone bleek na onderzoek eigendom te zijn van [betrokkene 1] , met wie de verdachte een relatie had. In de telefoon stond een foto van het scherm van een BlackBerry telefoon. Op het scherm was een PGP-bericht te zien dat afkomstig was van een gebruiker met de naam ‘ [accountnaam 1] ’. In het bericht beklaagde ‘ [accountnaam 1] ’ zich erover dat de gebruiker van de telefoon waar het bericht naartoe was gestuurd nooit berichten terugstuurt. ‘ [accountnaam 1] ’ zou de PGP-telefoon annuleren en hem aan iemand anders geven. Het bericht lijkt te gaan over een onenigheid in de relationele sfeer. Op [datum 1] 2015 wordt door de gebruiker van het PGP-adres # [accountnaam 2] @pgpsafe.net aan [accountnaam 1] @limitedpgp.com (hierna # [accountnaam 1] ) gevraagd of hij zijn verjaardag nog gaat vieren. De verdachte is geboren op [geboortedatum 1] . Onder [betrokkene 2] is een PGP-telefoon inbeslaggenomen. Deze telefoon lag in een nachtkastje op de slaapkamer waar [betrokkene 2] werd aangetroffen en aangehouden en is gekoppeld aan het PGP-adres [accountnaam 3] @blackberrysecure.biz (hierna: # [accountnaam 3] ). De telefoon bevat een PGP-gesprek van 30 november 2015, waarin # [accountnaam 1] omstreeks 17:37 uur aan # [accountnaam 3] vraagt of hij even langs het hotel kan komen en een kamer kan pakken. Daarop antwoordt # [accountnaam 3] bevestigend. Op de camerabeelden van het Van der Valk hotel in Breukelen is te zien dat [betrokkene 2] om 23:10 uur aan de balie staat om een kamer te boeken. Uit beelden bleek ook dat de verdachte diezelfde avond bij dat hotel verscheen. De verdachte checkte niet zelf in. In dezelfde telefoon met daaraan gekoppeld het account # [accountnaam 3] is ook een PGP-gesprek aangetroffen van 1 december 2015, waarin # [accountnaam 1] aan # [accountnaam 3] vraagt of hij mee naar Spanje gaat, waarop de gebruiker van account # [accountnaam 3] instemmend reageert. Op 2 december 2015 worden door de Franse politie de inzittenden van twee Audi’s met opeenvolgende kentekennummers ( [kenteken 1] en [kenteken 2] ) gecontroleerd, met als inzittenden de verdachte en [betrokkene 2] . Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte de gebruiker was van ‘# [accountnaam 1] ’. Niet gesteld of gebleken is dat deze gebruikersnaam of het PGP-adres door iemand anders werd gebruikt. Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte was die berichten via dit adres verstuurde. ‘# [accountnaam 4] ’ en bijnaam [bijnaam 1] Het PGP-adres ‘# [accountnaam 1] ’ komt in meerdere contactlijsten van andere PGP gebruikers voor. In vijf contactlijsten is het account ‘ [accountnaam 1] ’ opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 1] of [bijnaam 1] of [bijnaam 1] nieuw’. Bovendien blijkt ook uit contactlijsten dat het PGP-adres [accountnaam 4] @secretblackmars.com (hierna: # [accountnaam 4] ) in de contactlijsten van twee andere PGP gebruikers ook is opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 1] ’. Op 16 juni 2016 werd de verdachte aangehouden in Alcoron in Spanje. [betrokkene 3] is toen naar Madrid gegaan waar op 18 juni 2016 een hoorzitting was in de zaak tegen de verdachte. Hierover hadden [betrokkene 3] en [betrokkene 4] PGP-contact. In dat gesprek vroeg [betrokkene 4] of de advocaat ‘ [bijnaam 1] ’ had gezien. [betrokkene 3] bevestigde dit. [getuige 1] heeft bij de raadsheer commissaris op 11 november 2024 bevestigd dat hij de verdachte ‘ [bijnaam 1] ’ noemde en als hij met hem communiceerde via PGP-toestellen dan schreef hij ‘ [bijnaam 1] ’ en de verdachte schreef dan ‘mi [bijnaam 1] ’. Ook is door hem in die verklaring bevestigd dat als hij in april 2016 berichten uitwisselt over cocaïne dat dit dan met ‘ [bijnaam 2] ’ was. [getuige 1] heeft dat verklaard over berichten die zijn gewisseld tussen het account # [accountnaam 5] (van [getuige 1] ) en de # [accountnaam 4] , die later in dit arrest nog worden besproken. Dit bevestigt naar het oordeel van het hof dat de verdachte ook de gebruiker was van het account # [accountnaam 4] . Het hof is van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat ‘ [bijnaam 1] ’ een bijnaam van de verdachte is en dat het de verdachte is die gebruik maakte van het account # [accountnaam 4] . Overige PGP gebruikers Op grond van de hieronder weergegeven feiten en omstandigheden is het hof verder van oordeel dat de hierna te noemen PGP-adressen zijn te koppelen aan respectievelijk [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [getuige 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 9] . Door de verdachte is de toeschrijving van deze accounts aan deze gebruikers overigens ook niet weersproken. [betrokkene 5] ‘# [accountnaam 6] ’ In de periode van 16 april 2016 tot 19 april 2016 vindt er PGP-communicatie plaats tussen de PGP-adressen [accountnaam 6] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 6] ) en de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 7] (hierna: # [accountnaam 7] ). De berichten gaan over ‘broertje’ en het feit dat de gebruiker # [accountnaam 6] trots is dat de # [accountnaam 7] zijn broertje is en over ‘ [naam 1] ’, ‘ [naam 2] ’, ‘ [naam 3] ’ en ‘graf van papa’. Ook wordt door # [accountnaam 7] tegen # [accountnaam 6] gezegd dat hij alle zussen heeft gesproken over het kopen van kleding voor hun zelf en de kids: ‘ [bijnaam 3] 2 kids’, ‘ [bijnaam 4] 3 kids’, ‘ [bijnaam 5] 4 kids’ en ‘ [naam 3] 1 kid’. [naam 1] is getrouwd met [naam 2] , de zus van [betrokkene 5] . Van [naam 2] is bekend dat zij twee kinderen heeft. [naam 3] is ook een zus van [betrokkene 5] . Van [naam 3] is bekend dat zij één kind heeft. [naam 4] is ook een zus van [betrokkene 5] . Van haar is bekend dat zij vier kinderen heeft. De vader van [betrokkene 5] is in [jaartal] overleden. Dat de gebruiker [betrokkene 5] betreft en niet een van de andere broers of zussen van [betrokkene 5] leidt het hof af uit berichtenverkeer tussen de gebruiker van het account [accountnaam 8] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 8] ) en # [accountnaam 6] op 17 april 2016 waarin # [accountnaam 8] tegen # [accountnaam 6] zegt dat hij zijn kinderen nodig heeft en dat zij hem nodig hebben, dat hij al te lang bij zijn gezin weg is, hij veel woede in zich heeft en dat ‘ [bijnaam 6] ’ er heel erg mee zit en ook veel woede in zich heeft. [betrokkene 5] heeft een zoon [naam 5] . Het hof leidt uit dit bericht af dat de partner van [betrokkene 5] , tevens de moeder van zijn kinderen, hem hier aanspreekt. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het [betrokkene 5] is die de gebruiker van het account # [accountnaam 6] is. ‘# [accountnaam 9] ’ De telefoonboeken van de PGP-adressen # [accountnaam 6] en [accountnaam 9] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 9] ) komen nagenoeg geheel overeen met elkaar. Ogenschijnlijk zijn de telefoonboeken één op één overgezet van het ene account naar het andere account. Dit is een sterke aanwijzing dat beide accounts bij dezelfde persoon in gebruik zijn geweest.
Volledig
Uit de beslissing van de Chileense rechter blijkt dat in de beoordeling van deze rechter mede is betrokken het verwijt dat de verdachte ervan verdacht wordt leiding te hebben gegeven aan een criminele organisatie dat het oogmerk het plegen van strafbare feiten heeft. Het leiderschap van een criminele organisatie is dan ook door de Chileense rechter onder ogen gezien en uit de overweging blijkt de uitlevering hiervoor ook is toegelaten. Op grond hiervan moet het verweer worden verworpen. Het hof verwerpt het verweer. 3. Beoordeling van het bewijs Het hof zal hieronder de feiten en omstandigheden bespreken die van belang zijn voor het bewijs. Eerst zal worden beschreven wie de gebruikers zijn van verschillende PGP-adressen en wie er worden bedoeld met sommige bijnamen. Daarna wordt het bewijs beschreven dat betrekking heeft op de criminele organisatie (feit 1). De feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het tenlastegelegde gewoontewitwassen (feit 2) zullen worden besproken in de paragraaf over het oogmerk witwassen. 3.1. Identificaties Verdachte ‘# [accountnaam 1] ’ Tijdens de aanhouding van de verdachte op 20 oktober 2017 in Chili is onder hem een iPhone 6 inbeslaggenomen. De iPhone bleek na onderzoek eigendom te zijn van [betrokkene 1] , met wie de verdachte een relatie had. In de telefoon stond een foto van het scherm van een BlackBerry telefoon. Op het scherm was een PGP-bericht te zien dat afkomstig was van een gebruiker met de naam ‘ [accountnaam 1] ’. In het bericht beklaagde ‘ [accountnaam 1] ’ zich erover dat de gebruiker van de telefoon waar het bericht naartoe was gestuurd nooit berichten terugstuurt. ‘ [accountnaam 1] ’ zou de PGP-telefoon annuleren en hem aan iemand anders geven. Het bericht lijkt te gaan over een onenigheid in de relationele sfeer. Op [datum 1] 2015 wordt door de gebruiker van het PGP-adres # [accountnaam 2] @pgpsafe.net aan [accountnaam 1] @limitedpgp.com (hierna # [accountnaam 1] ) gevraagd of hij zijn verjaardag nog gaat vieren. De verdachte is geboren op [geboortedatum 1] . Onder [betrokkene 2] is een PGP-telefoon inbeslaggenomen. Deze telefoon lag in een nachtkastje op de slaapkamer waar [betrokkene 2] werd aangetroffen en aangehouden en is gekoppeld aan het PGP-adres [accountnaam 3] @blackberrysecure.biz (hierna: # [accountnaam 3] ). De telefoon bevat een PGP-gesprek van 30 november 2015, waarin # [accountnaam 1] omstreeks 17:37 uur aan # [accountnaam 3] vraagt of hij even langs het hotel kan komen en een kamer kan pakken. Daarop antwoordt # [accountnaam 3] bevestigend. Op de camerabeelden van het Van der Valk hotel in Breukelen is te zien dat [betrokkene 2] om 23:10 uur aan de balie staat om een kamer te boeken. Uit beelden bleek ook dat de verdachte diezelfde avond bij dat hotel verscheen. De verdachte checkte niet zelf in. In dezelfde telefoon met daaraan gekoppeld het account # [accountnaam 3] is ook een PGP-gesprek aangetroffen van 1 december 2015, waarin # [accountnaam 1] aan # [accountnaam 3] vraagt of hij mee naar Spanje gaat, waarop de gebruiker van account # [accountnaam 3] instemmend reageert. Op 2 december 2015 worden door de Franse politie de inzittenden van twee Audi’s met opeenvolgende kentekennummers ( [kenteken 1] en [kenteken 2] ) gecontroleerd, met als inzittenden de verdachte en [betrokkene 2] . Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte de gebruiker was van ‘# [accountnaam 1] ’. Niet gesteld of gebleken is dat deze gebruikersnaam of het PGP-adres door iemand anders werd gebruikt. Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte was die berichten via dit adres verstuurde. ‘# [accountnaam 4] ’ en bijnaam [bijnaam 1] Het PGP-adres ‘# [accountnaam 1] ’ komt in meerdere contactlijsten van andere PGP gebruikers voor. In vijf contactlijsten is het account ‘ [accountnaam 1] ’ opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 1] of [bijnaam 1] of [bijnaam 1] nieuw’. Bovendien blijkt ook uit contactlijsten dat het PGP-adres [accountnaam 4] @secretblackmars.com (hierna: # [accountnaam 4] ) in de contactlijsten van twee andere PGP gebruikers ook is opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 1] ’. Op 16 juni 2016 werd de verdachte aangehouden in Alcoron in Spanje. [betrokkene 3] is toen naar Madrid gegaan waar op 18 juni 2016 een hoorzitting was in de zaak tegen de verdachte. Hierover hadden [betrokkene 3] en [betrokkene 4] PGP-contact. In dat gesprek vroeg [betrokkene 4] of de advocaat ‘ [bijnaam 1] ’ had gezien. [betrokkene 3] bevestigde dit. [getuige 1] heeft bij de raadsheer commissaris op 11 november 2024 bevestigd dat hij de verdachte ‘ [bijnaam 1] ’ noemde en als hij met hem communiceerde via PGP-toestellen dan schreef hij ‘ [bijnaam 1] ’ en de verdachte schreef dan ‘mi [bijnaam 1] ’. Ook is door hem in die verklaring bevestigd dat als hij in april 2016 berichten uitwisselt over cocaïne dat dit dan met ‘ [bijnaam 2] ’ was. [getuige 1] heeft dat verklaard over berichten die zijn gewisseld tussen het account # [accountnaam 5] (van [getuige 1] ) en de # [accountnaam 4] , die later in dit arrest nog worden besproken. Dit bevestigt naar het oordeel van het hof dat de verdachte ook de gebruiker was van het account # [accountnaam 4] . Het hof is van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat ‘ [bijnaam 1] ’ een bijnaam van de verdachte is en dat het de verdachte is die gebruik maakte van het account # [accountnaam 4] . Overige PGP gebruikers Op grond van de hieronder weergegeven feiten en omstandigheden is het hof verder van oordeel dat de hierna te noemen PGP-adressen zijn te koppelen aan respectievelijk [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [getuige 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 9] . Door de verdachte is de toeschrijving van deze accounts aan deze gebruikers overigens ook niet weersproken. [betrokkene 5] ‘# [accountnaam 6] ’ In de periode van 16 april 2016 tot 19 april 2016 vindt er PGP-communicatie plaats tussen de PGP-adressen [accountnaam 6] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 6] ) en de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 7] (hierna: # [accountnaam 7] ). De berichten gaan over ‘broertje’ en het feit dat de gebruiker # [accountnaam 6] trots is dat de # [accountnaam 7] zijn broertje is en over ‘ [naam 1] ’, ‘ [naam 2] ’, ‘ [naam 3] ’ en ‘graf van papa’. Ook wordt door # [accountnaam 7] tegen # [accountnaam 6] gezegd dat hij alle zussen heeft gesproken over het kopen van kleding voor hun zelf en de kids: ‘ [bijnaam 3] 2 kids’, ‘ [bijnaam 4] 3 kids’, ‘ [bijnaam 5] 4 kids’ en ‘ [naam 3] 1 kid’. [naam 1] is getrouwd met [naam 2] , de zus van [betrokkene 5] . Van [naam 2] is bekend dat zij twee kinderen heeft. [naam 3] is ook een zus van [betrokkene 5] . Van [naam 3] is bekend dat zij één kind heeft. [naam 4] is ook een zus van [betrokkene 5] . Van haar is bekend dat zij vier kinderen heeft. De vader van [betrokkene 5] is in [jaartal] overleden. Dat de gebruiker [betrokkene 5] betreft en niet een van de andere broers of zussen van [betrokkene 5] leidt het hof af uit berichtenverkeer tussen de gebruiker van het account [accountnaam 8] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 8] ) en # [accountnaam 6] op 17 april 2016 waarin # [accountnaam 8] tegen # [accountnaam 6] zegt dat hij zijn kinderen nodig heeft en dat zij hem nodig hebben, dat hij al te lang bij zijn gezin weg is, hij veel woede in zich heeft en dat ‘ [bijnaam 6] ’ er heel erg mee zit en ook veel woede in zich heeft. [betrokkene 5] heeft een zoon [naam 5] . Het hof leidt uit dit bericht af dat de partner van [betrokkene 5] , tevens de moeder van zijn kinderen, hem hier aanspreekt. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het [betrokkene 5] is die de gebruiker van het account # [accountnaam 6] is. ‘# [accountnaam 9] ’ De telefoonboeken van de PGP-adressen # [accountnaam 6] en [accountnaam 9] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 9] ) komen nagenoeg geheel overeen met elkaar. Ogenschijnlijk zijn de telefoonboeken één op één overgezet van het ene account naar het andere account. Dit is een sterke aanwijzing dat beide accounts bij dezelfde persoon in gebruik zijn geweest.
Volledig
Tevens is # [accountnaam 9] in diverse andere telefoons opgeslagen onder de bij verbalisant ambtshalve bekende bijnamen van [betrokkene 5] (‘ [bijnaam 7] ’, ‘ [bijnaam 8] ’ en ‘ [bijnaam 9] ’) en werd de gebruiker in communicatie aangesproken met ‘ [bijnaam 7] ’. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat ook dit account door [betrokkene 5] werd gebruikt. De verdachte heeft de toekenning van dit account aan [betrokkene 5] overigens ook niet weersproken. ‘# [accountnaam 10] ’ Zoals hiervoor overwogen heeft [betrokkene 5] gebruik gemaakt van de accounts # [accountnaam 6] en # [accountnaam 9] . [betrokkene 7] (zoals hierna wordt vastgesteld de gebruiker van account # [accountnaam 11] ) heeft het PGP account # [accountnaam 9] opgeslagen onder de naam [bijnaam 10] . [betrokkene 7] (zoals hierna wordt vastgesteld ook de gebruiker van account # [accountnaam 12] ) heeft het PGP account # [accountnaam 10] opgeslagen onder de naam [bijnaam 10] . Het account # [accountnaam 10] wordt daarnaast door een andere gebruiker van een PGP-telefoon opgeslagen als ‘ [bijnaam 11] ’ (zoals door de gebruiker van het account # [accountnaam 13] ) terwijl dit een bekende bijnaam van [betrokkene 5] is, zoals hiervoor is overwogen. Het bekende account # [accountnaam 6] van [betrokkene 5] is door anderen eveneens opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 12] ’ terwijl het account # [accountnaam 10] door de gebruiker van account # [accountnaam 14] en account # [accountnaam 15] eveneens onder de naam ‘ [bijnaam 12] ’ is opgeslagen. Uit de berichten blijkt dat de gebruiker van account # [accountnaam 10] dit PGP-adres rond 1 september 2015 in gebruik neemt. Hij bevindt zich rond die tijd in Dubai en schrijft dat zijn kinderen daar naar school gaan. Van [betrokkene 5] is bekend dat hij vier kinderen heeft. Dit bevestigt dat het ook in deze gesprekken daadwerkelijk [betrokkene 5] is die hier communiceert. Het hof stelt vast dat [betrokkene 5] ook de gebruiker was van het account # [accountnaam 10] . Dit is overigens ook niet door de verdediging weersproken. [betrokkene 6] “# [accountnaam 7] ” Hiervoor is uiteengezet dat [betrokkene 5] (# [accountnaam 6] ) in de periode van 16 april 2016 tot 19 april 2016 heeft gecommuniceerd met de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 7] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 7] ) over zijn zussen en ‘mama’ en ‘graf van papa’. [betrokkene 5] heeft ook naar # [accountnaam 7] gestuurd: “Ben echt trots op jouw en dan allah iedere dag dat je my broertje bent al ben ik hard tegen je hou van je brot tot de dood en erna!!!” . Daarop antwoordt # [accountnaam 7] : “ (…) Ben ook trots op jou als broer (…)”. [betrokkene 5] is een broer van [betrokkene 6] . Dat het [betrokkene 6] is en niet de andere broer van [betrokkene 5] leidt het hof af uit het volgende. Op 18 april 2016 om 18:28 uur heeft de gebruiker van # [accountnaam 7] contact met de gebruiker van account [accountnaam 16] (hierna: # [accountnaam 16] ). De gebruiker van # [accountnaam 7] spreekt de gebruiker van # [accountnaam 16] aan als ‘sis’. ‘Sis’ vraagt: ‘he ga je nou nog trouwen van de zomer???’ # [accountnaam 7] antwoordt: ‘ Wollah sis weet t echt niet’. [betrokkene 5] heeft twee broers. [betrokkene 6] is de enige van de drie broers [betrokkene 5] die toen nog niet getrouwd was. ‘# [accountnaam 17] ’ Op 30 maart 2016 stuurt de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 18] @ennetcom.com (hierna: # [accountnaam 17] ) naar de helpdesk van Ennetcom (helpdesk3@ennetcom.com): “Amigo mij pgp geeft sos aan, hoe kan dat. Hij is pas verlengd. [accountnaam 7] @ennetcom.biz (…)”. Op 17 april 2016 stuurt # [accountnaam 7] naar het PGP-adres [accountnaam 19] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 19] ) om 11:40 uur: “(…) Kan je een pgp afgeven aan die jongen die met jou mee was gegaan na club aub ”. Op de vraag van # [accountnaam 19] of hij “sims” erin moet doen, antwoordt # [accountnaam 7] : “Ja bro ” en “ [accountnaam 18] @ennetcom.com Zet mij in die nieuwe toestellen. Met deze mail [bijnaam 7] ”. Ook vraagt # [accountnaam 7] om 13:09 uur aan de gebruiker van account [accountnaam 20] (hierna: # [accountnaam 20] ): “Bro tekst mij zo met die nieuwe (…). Zet erbij wie mij tekst, afz [naam 6] ” . Vervolgens stuurt de gebruiker van het PGP-account # [accountnaam 20] om 13:10 uur naar gebruiker # [accountnaam 7] : ‘oke bro k tekst je meteen de mijne’. En dan stuurt de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 21] @ennetcom.com om 13:11 uur naar # [accountnaam 17] : “Afz [naam 6] ”. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de gebruiker van account # [accountnaam 17] dezelfde persoon is als de gebruiker van # [accountnaam 7] , te weten [betrokkene 6] . [betrokkene 7] ‘# [accountnaam 12] ’, ‘# [accountnaam 22] ’, ‘# [accountnaam 23] ’ en bijnamen ‘ [bijnaam 13] ’ en ‘ [bijnaam 14] ’ Bij de aanhouding van [betrokkene 7] in [land] op [datum 2] zijn twee PGP-telefoons aangetroffen waaraan de PGP-adressen # [accountnaam 22] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 22] ) en [accountnaam 23] @ennetcom (hierna: # [accountnaam 23] ) zijn gekoppeld. Beide toestellen ontvingen op 9 april 2016 een wipe-verzoek op verzoek van [betrokkene 6] . Binnen het onderzoek 26Tandem, het onderzoek naar de moordaanslag op [naam 7] , is vastgesteld dat het PGP-adres [accountnaam 2] @pgpsafe.net (hierna: # [accountnaam 2] ) door [betrokkene 7] gebruikt werd. Na onderzoek in de Ennetcomserver is gebleken dat dit PGP-adres door verschillende personen in de contactlijst van hun PGP-toestel is opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 15] ’ en ‘ [bijnaam 16] ’. Binnen het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [betrokkene 7] zichzelf ‘ [bijnaam 15] noemt en dat hij door anderen ‘ [bijnaam 16] wordt genoemd. Door Ennetcom-gebruikers zijn de volgende PGP-adressen opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 15] ’: # [accountnaam 12] , # [accountnaam 23] en # [accountnaam 2] , onder de naam ‘ [bijnaam 16] ’: # [accountnaam 12] en # [accountnaam 2] en onder de naam ‘ [bijnaam 17] ’: de PGP-adressen # [accountnaam 12] , # [accountnaam 22] , # [accountnaam 2] en # [accountnaam 23] . Op 17 november 2015 stuurt # [accountnaam 23] naar de gebruiker van het PGP-adres beginnend met # [accountnaam 24] dat hij gisteren vijf keer de verkeerde code had gedrukt. # [accountnaam 23] zegt tegen # [accountnaam 24] dat hij in [land] zit en vraagt aan # [accountnaam 24] of hij een nieuw toestel kan laten brengen. Dat # [accountnaam 23] in [land] zit mag # [accountnaam 24] tegen niemand zeggen. Uit het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [betrokkene 7] in ieder geval rond 5 november 2015 al in [land] ) verbleef. Op 1 oktober 2015 is door de gebruiker van het PGP-adres beginnend met # [accountnaam 25] een foto met daarop de zus en moeder van [betrokkene 7] naar # [accountnaam 23] gestuurd. De gebruiker van # [accountnaam 25] is geïdentificeerd als [betrokkene 10] , de vrouw/vriendin van [betrokkene 7] . Door de gebruiker van het account # [accountnaam 22] is de gebruiker van het account # [accountnaam 1] opgeslagen als ‘ [bijnaam 18] ’ en de gebruiker van het account # [accountnaam 4] als [bijnaam 19] . De verdachte, die zoals hiervoor is overwogen, de gebruiker is van de accounts # [accountnaam 1] en # [accountnaam 4] heeft de gebruiker van account [accountnaam 22] opgeslagen als ‘ [naam 8] ’ en ‘ [naam 9] ’. De verdachte werd ‘ [bijnaam 20] ’ genoemd. Onder de bijnaam ‘ [bijnaam 13] GmbH is ook het PGP-adres [accountnaam 26] @PGPSAFE.NET opgeslagen. Dit PGP-adres is door contactpersonen opgeslagen onder bijnamen van [betrokkene 7] , waaronder ‘ [bijnaam 21] (news)’ en ‘ [bijnaam 9] [bijnaam 21] ’. [betrokkene 7] is op [datum 2] in [land] aangehouden. Op 17 en 18 april 2016 hebben de verdachte (# [accountnaam 1] ) en [betrokkene 5] (# [accountnaam 6] ) contact met elkaar. Op 17 april 2016 stuurt [betrokkene 5] naar de verdachte een bericht door van ‘Adv’ waarin ‘adv’ schrijft: “ Ik kreeg net een rare mail. Ene [naam 10] die zegt dat hij begrijpt dat ik [naam 11] bij bijsta en die vraagt of ik zijn telefoonnummer kan doorgeven aan [naam 11] , zodat die hem kan bellen. (…) Alsof ik zomaar tel nrs door geef of kan doorgeven en [naam 11] hem zomaar kan bellen.
Volledig
Tevens is # [accountnaam 9] in diverse andere telefoons opgeslagen onder de bij verbalisant ambtshalve bekende bijnamen van [betrokkene 5] (‘ [bijnaam 7] ’, ‘ [bijnaam 8] ’ en ‘ [bijnaam 9] ’) en werd de gebruiker in communicatie aangesproken met ‘ [bijnaam 7] ’. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat ook dit account door [betrokkene 5] werd gebruikt. De verdachte heeft de toekenning van dit account aan [betrokkene 5] overigens ook niet weersproken. ‘# [accountnaam 10] ’ Zoals hiervoor overwogen heeft [betrokkene 5] gebruik gemaakt van de accounts # [accountnaam 6] en # [accountnaam 9] . [betrokkene 7] (zoals hierna wordt vastgesteld de gebruiker van account # [accountnaam 11] ) heeft het PGP account # [accountnaam 9] opgeslagen onder de naam [bijnaam 10] . [betrokkene 7] (zoals hierna wordt vastgesteld ook de gebruiker van account # [accountnaam 12] ) heeft het PGP account # [accountnaam 10] opgeslagen onder de naam [bijnaam 10] . Het account # [accountnaam 10] wordt daarnaast door een andere gebruiker van een PGP-telefoon opgeslagen als ‘ [bijnaam 11] ’ (zoals door de gebruiker van het account # [accountnaam 13] ) terwijl dit een bekende bijnaam van [betrokkene 5] is, zoals hiervoor is overwogen. Het bekende account # [accountnaam 6] van [betrokkene 5] is door anderen eveneens opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 12] ’ terwijl het account # [accountnaam 10] door de gebruiker van account # [accountnaam 14] en account # [accountnaam 15] eveneens onder de naam ‘ [bijnaam 12] ’ is opgeslagen. Uit de berichten blijkt dat de gebruiker van account # [accountnaam 10] dit PGP-adres rond 1 september 2015 in gebruik neemt. Hij bevindt zich rond die tijd in Dubai en schrijft dat zijn kinderen daar naar school gaan. Van [betrokkene 5] is bekend dat hij vier kinderen heeft. Dit bevestigt dat het ook in deze gesprekken daadwerkelijk [betrokkene 5] is die hier communiceert. Het hof stelt vast dat [betrokkene 5] ook de gebruiker was van het account # [accountnaam 10] . Dit is overigens ook niet door de verdediging weersproken. [betrokkene 6] “# [accountnaam 7] ” Hiervoor is uiteengezet dat [betrokkene 5] (# [accountnaam 6] ) in de periode van 16 april 2016 tot 19 april 2016 heeft gecommuniceerd met de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 7] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 7] ) over zijn zussen en ‘mama’ en ‘graf van papa’. [betrokkene 5] heeft ook naar # [accountnaam 7] gestuurd: “Ben echt trots op jouw en dan allah iedere dag dat je my broertje bent al ben ik hard tegen je hou van je brot tot de dood en erna!!!” . Daarop antwoordt # [accountnaam 7] : “ (…) Ben ook trots op jou als broer (…)”. [betrokkene 5] is een broer van [betrokkene 6] . Dat het [betrokkene 6] is en niet de andere broer van [betrokkene 5] leidt het hof af uit het volgende. Op 18 april 2016 om 18:28 uur heeft de gebruiker van # [accountnaam 7] contact met de gebruiker van account [accountnaam 16] (hierna: # [accountnaam 16] ). De gebruiker van # [accountnaam 7] spreekt de gebruiker van # [accountnaam 16] aan als ‘sis’. ‘Sis’ vraagt: ‘he ga je nou nog trouwen van de zomer???’ # [accountnaam 7] antwoordt: ‘ Wollah sis weet t echt niet’. [betrokkene 5] heeft twee broers. [betrokkene 6] is de enige van de drie broers [betrokkene 5] die toen nog niet getrouwd was. ‘# [accountnaam 17] ’ Op 30 maart 2016 stuurt de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 18] @ennetcom.com (hierna: # [accountnaam 17] ) naar de helpdesk van Ennetcom (helpdesk3@ennetcom.com): “Amigo mij pgp geeft sos aan, hoe kan dat. Hij is pas verlengd. [accountnaam 7] @ennetcom.biz (…)”. Op 17 april 2016 stuurt # [accountnaam 7] naar het PGP-adres [accountnaam 19] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 19] ) om 11:40 uur: “(…) Kan je een pgp afgeven aan die jongen die met jou mee was gegaan na club aub ”. Op de vraag van # [accountnaam 19] of hij “sims” erin moet doen, antwoordt # [accountnaam 7] : “Ja bro ” en “ [accountnaam 18] @ennetcom.com Zet mij in die nieuwe toestellen. Met deze mail [bijnaam 7] ”. Ook vraagt # [accountnaam 7] om 13:09 uur aan de gebruiker van account [accountnaam 20] (hierna: # [accountnaam 20] ): “Bro tekst mij zo met die nieuwe (…). Zet erbij wie mij tekst, afz [naam 6] ” . Vervolgens stuurt de gebruiker van het PGP-account # [accountnaam 20] om 13:10 uur naar gebruiker # [accountnaam 7] : ‘oke bro k tekst je meteen de mijne’. En dan stuurt de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 21] @ennetcom.com om 13:11 uur naar # [accountnaam 17] : “Afz [naam 6] ”. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de gebruiker van account # [accountnaam 17] dezelfde persoon is als de gebruiker van # [accountnaam 7] , te weten [betrokkene 6] . [betrokkene 7] ‘# [accountnaam 12] ’, ‘# [accountnaam 22] ’, ‘# [accountnaam 23] ’ en bijnamen ‘ [bijnaam 13] ’ en ‘ [bijnaam 14] ’ Bij de aanhouding van [betrokkene 7] in [land] op [datum 2] zijn twee PGP-telefoons aangetroffen waaraan de PGP-adressen # [accountnaam 22] @ennetcom.biz (hierna: # [accountnaam 22] ) en [accountnaam 23] @ennetcom (hierna: # [accountnaam 23] ) zijn gekoppeld. Beide toestellen ontvingen op 9 april 2016 een wipe-verzoek op verzoek van [betrokkene 6] . Binnen het onderzoek 26Tandem, het onderzoek naar de moordaanslag op [naam 7] , is vastgesteld dat het PGP-adres [accountnaam 2] @pgpsafe.net (hierna: # [accountnaam 2] ) door [betrokkene 7] gebruikt werd. Na onderzoek in de Ennetcomserver is gebleken dat dit PGP-adres door verschillende personen in de contactlijst van hun PGP-toestel is opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 15] ’ en ‘ [bijnaam 16] ’. Binnen het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [betrokkene 7] zichzelf ‘ [bijnaam 15] noemt en dat hij door anderen ‘ [bijnaam 16] wordt genoemd. Door Ennetcom-gebruikers zijn de volgende PGP-adressen opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 15] ’: # [accountnaam 12] , # [accountnaam 23] en # [accountnaam 2] , onder de naam ‘ [bijnaam 16] ’: # [accountnaam 12] en # [accountnaam 2] en onder de naam ‘ [bijnaam 17] ’: de PGP-adressen # [accountnaam 12] , # [accountnaam 22] , # [accountnaam 2] en # [accountnaam 23] . Op 17 november 2015 stuurt # [accountnaam 23] naar de gebruiker van het PGP-adres beginnend met # [accountnaam 24] dat hij gisteren vijf keer de verkeerde code had gedrukt. # [accountnaam 23] zegt tegen # [accountnaam 24] dat hij in [land] zit en vraagt aan # [accountnaam 24] of hij een nieuw toestel kan laten brengen. Dat # [accountnaam 23] in [land] zit mag # [accountnaam 24] tegen niemand zeggen. Uit het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [betrokkene 7] in ieder geval rond 5 november 2015 al in [land] ) verbleef. Op 1 oktober 2015 is door de gebruiker van het PGP-adres beginnend met # [accountnaam 25] een foto met daarop de zus en moeder van [betrokkene 7] naar # [accountnaam 23] gestuurd. De gebruiker van # [accountnaam 25] is geïdentificeerd als [betrokkene 10] , de vrouw/vriendin van [betrokkene 7] . Door de gebruiker van het account # [accountnaam 22] is de gebruiker van het account # [accountnaam 1] opgeslagen als ‘ [bijnaam 18] ’ en de gebruiker van het account # [accountnaam 4] als [bijnaam 19] . De verdachte, die zoals hiervoor is overwogen, de gebruiker is van de accounts # [accountnaam 1] en # [accountnaam 4] heeft de gebruiker van account [accountnaam 22] opgeslagen als ‘ [naam 8] ’ en ‘ [naam 9] ’. De verdachte werd ‘ [bijnaam 20] ’ genoemd. Onder de bijnaam ‘ [bijnaam 13] GmbH is ook het PGP-adres [accountnaam 26] @PGPSAFE.NET opgeslagen. Dit PGP-adres is door contactpersonen opgeslagen onder bijnamen van [betrokkene 7] , waaronder ‘ [bijnaam 21] (news)’ en ‘ [bijnaam 9] [bijnaam 21] ’. [betrokkene 7] is op [datum 2] in [land] aangehouden. Op 17 en 18 april 2016 hebben de verdachte (# [accountnaam 1] ) en [betrokkene 5] (# [accountnaam 6] ) contact met elkaar. Op 17 april 2016 stuurt [betrokkene 5] naar de verdachte een bericht door van ‘Adv’ waarin ‘adv’ schrijft: “ Ik kreeg net een rare mail. Ene [naam 10] die zegt dat hij begrijpt dat ik [naam 11] bij bijsta en die vraagt of ik zijn telefoonnummer kan doorgeven aan [naam 11] , zodat die hem kan bellen. (…) Alsof ik zomaar tel nrs door geef of kan doorgeven en [naam 11] hem zomaar kan bellen.
Volledig
Zegt u dit iets? ” [betrokkene 5] vraagt aan de verdachte “ Zegt u dit iets? ”. Daarop vraagt de verdachte aan [betrokkene 5] wie [naam 11] is. [betrokkene 5] antwoordt: “ [bijnaam 14] [bijnaam 7] ”. Op 18 april 2016 vraagt de verdachte (# [accountnaam 1] ) aan [betrokkene 5] (# [accountnaam 6] ) of [betrokkene 5] het nummer ‘van de advo van onze broer in [land] ’ kan geven. [betrokkene 5] stuurt daarop: “ Ok [bijnaam 7] ga even [naam 12] mailen en vraag haar num direct [bijnaam 7] [naam 13] heet ie” . Vervolgens stuurt [betrokkene 5] naar de verdachte een bericht van ‘adv’ door, waarin ‘adv’ stuurt dat [naam 13] in Dublin ‘de barrister’ is en dat [naam 14] ‘de solicitor’ is. Ook heeft ‘adv’ gestuurd dat [naam 14] heeft gezegd dat de rechter pro deo had afgewezen, dat zij nu als advocaten graag iets vernemen over betaling en dat ze dat ook aan ‘ [bijnaam 21] ’ zouden melden. “Adv’ heeft verder geschreven dat “een vrouw naar kantoor heeft gebeld die zei dat zij de zus van F is” en vraagt hoe dat kan. Later stuurt [betrokkene 5] naar verdachte: “ [bijnaam 7] [naam 12] is gebelt die persoon zei ze is zusje van [bijnaam 21] nu blykt ze heeft helemaal niet gebelt [bijnaam 7] dus iemand wilt slim spelen ”. Het hof concludeert op basis van het bovenstaande dat [betrokkene 7] de gebruiker is van de accounts ‘# [accountnaam 12] ’, ‘# [accountnaam 22] ’ en ‘# [accountnaam 23] ’ en dat zijn bijnamen ‘ [bijnaam 14] ’ en ‘ [bijnaam 13] ’ waren. [betrokkene 8] ‘# [accountnaam 27] ’ Het onderzoek 26Tandem bevat een PGP-bericht waarin door de gebruiker van het PGP-adres met account [accountnaam 28] (hierna: # [accountnaam 28] ) het volgende bericht is gestuurd naar ‘ [naam 15] ’: “ Yo… [bijnaam 22] wilt je spreken?? ” en “ Hier is zen mail bro.. [accountnaam 27] @publicpgp.com ”. Het is de verbaliserende verbalisant ambtshalve bekend dat ‘ [bijnaam 22] ’ een bekende bijnaam van [betrokkene 8] is. Vervolgens slaat # [accountnaam 28] het PGP-adres # [accountnaam 27] @publicpgp.com (hierna: # [accountnaam 27] ) op onder de naam ‘ [bijnaam 22] ’. ‘ [naam 15] ’ slaat # [accountnaam 27] op onder de naam ‘ [bijnaam 22] ’. Door andere Ennetcomgebruikers is # [accountnaam 27] opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 22] ’, [bijnaam 22] ’, ‘ [bijnaam 22] ’. Ook is # [accountnaam 27] door Ennetcom-gebruikers opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 23] ’ en ‘ [bijnaam 24] ’. Dit zijn ook bekende bijnamen van [betrokkene 8] . In een onderzoek genaamd 13Ebetsu is een man die door [betrokkene 7] “ [bijnaam 22] / [bijnaam 22] ” wordt genoemd geïdentificeerd als [betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum 2] . Uit dat onderzoek is gebleken dat [betrokkene 7] aan een gesprekspartner in de Penitentiaire Inrichting Havenstraat te Amsterdam heeft gezegd dat [bijnaam 22] hem gaat bellen. Kort daarna wordt [betrokkene 7] gebeld door een man die hij [bijnaam 22] noemt. De man geeft zijn personalia door zodat [betrokkene 7] hem op de bezoekerslijst kan zetten, te weten [betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum 2] te Amsterdam. Uit het voorgaande leidt het hof af dat [betrokkene 8] de gebruiker was van het account ‘# [accountnaam 27] ’. [getuige 1] ‘# [accountnaam 5] ’ [getuige 1] heeft als getuige in de zaak van de verdachte verklaard dat hij met de verdachte communiceerde via PGP-telefoons en hij heeft bevestigd dat het account [accountnaam 5] @luxberry.cc door hem werd gebruikt. [betrokkene 2] ‘# [accountnaam 3] ’ De PGP-telefoon die onder [betrokkene 2] in beslag is genomen (in zijn slaapkamer), was gekoppeld aan het PGP-adres [accountnaam 3] @blackberrysecure.biz (hierna: # [accountnaam 3] ). Met dit PGP-adres was (zoals hierboven al uiteengezet) contact met # [accountnaam 1] . Ook is [betrokkene 2] naar aanleiding van contact met # [accountnaam 1] gezien bij het Van der Valk hotel en werd hij staande gehouden door de Franse politie. Het account # [accountnaam 3] was dus in gebruik bij [betrokkene 2] . [betrokkene 9] ‘# [accountnaam 24] ’ Op 1 februari 2015 stuurt de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 24] @ennetcom.com (hierna: # [accountnaam 24] ) naar een PGP-adres dat begint met # [accountnaam 29] een bericht over een vingerafdruk die van hem op een papiertje zou zijn aangetroffen. Aan hem zou zijn gevraagd of hij dit kan uitleggen en of hij een Turk kent. In de politiesystemen is een mutatie aangetroffen, waarin staat dat in het onderzoek 13Ebetsu een vingerafdruk van [betrokkene 9] is aangetroffen op een foto van het beoogde slachtoffer van een schietpartij. In deze mutatie staat ook de naam [naam 16] , die de bijnaam ‘ [bijnaam 25] ’ heeft. [betrokkene 9] is tijdens een getuigenverhoor in het onderzoek 13Ebetsu onder andere gevraagd naar de vingerafdruk die van hem op de foto is aangetroffen en of hij [naam 16] kent. Op 17 november 2015 stuurt de gebruiker van # [accountnaam 24] een bericht naar het PGP-adres # [accountnaam 23] (zoals hiervoor vastgesteld in gebruik bij [betrokkene 7] ), waarin hij zegt dat hij morgen om 09:00 uur ‘die zitting’ heeft. Op 18 november 2015 om 09:00 uur stond bij het Gerechtshof Amsterdam een zaak van [betrokkene 9] op de rol. ‘# [accountnaam 30] ’ In het adresboek van de # [accountnaam 23] van [betrokkene 7] , is het PGP-adres # [accountnaam 24] van [betrokkene 9] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 26] ’. Het PGP-adres [accountnaam 30] @ennetcom.com (hierna: # [accountnaam 30] ) is in dit adresboek opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 26] 2’. Tussen [betrokkene 7] en ‘ [bijnaam 26] 2’ vindt op 6 april 2016 communicatie plaats waaruit volgt dat ‘ [bijnaam 26] 2’ zich in Dubai bevindt. Blijkens gegevens van American Express bevond [betrokkene 9] zich ook daadwerkelijk in april 2016 in Dubai. [betrokkene 9] zelf heeft als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij meerdere keren in Dubai is geweest en dat het mogelijk is dat hij hier ook in april 2016 was. Het hof koppelt de accounts # [accountnaam 24] en # [accountnaam 30] dan ook aan [betrokkene 9] . Samenvatting Het hof stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat de verdachte gebruiker was van de PGP-adressen ‘# [accountnaam 1] ’ en ‘# [accountnaam 4] ’ en dat hij de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’ had. Voorts stelt het hof vast dat de hierna genoemde personen de gebruikers zijn van de volgende PGP adressen en/of bijnamen hadden: [betrokkene 5] : ‘# [accountnaam 6] ’, ‘# [accountnaam 9] ’ en ‘# [accountnaam 10] ’ [betrokkene 6] : ‘# [accountnaam 7] ’ en ‘# [accountnaam 17] ’ [betrokkene 7] : ‘# [accountnaam 12] ’, ‘# [accountnaam 22] ’, ‘# [accountnaam 23] ’ en bijnamen ‘ [bijnaam 13] ’ en ‘ [bijnaam 14] ’ [betrokkene 8] : ‘ # [accountnaam 27] ’ [getuige 1] : ‘# [accountnaam 5] ’ [betrokkene 2] : ‘# [accountnaam 3] ’ [betrokkene 9] : ‘# [accountnaam 24] ’, ‘# [accountnaam 30] ’ en bijnaam ‘ [bijnaam 26] ’ Voor de leesbaarheid van dit arrest zullen in het vervolg bij de weergave van PGP-gesprekken de door het hof aan die PGP-adressen gekoppelde personen worden genoemd. 3.2. Inleiding criminele organisatie Aan de verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat hij leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met gewoontewitwassen, het bezit van vuurwapens en munitie, met drugsdelicten en met moorden. Juridisch kader Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Voor de beoordeling of een verdachte heeft deelgenomen aan een zogenoemde criminele organisatie gebruikt de rechter de volgende criteria (voor zover in deze strafzaak van belang). Een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor het bewijs van die ‘deelneming’ is nodig dat komt vast te staan dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen – of gedragingen ondersteunt – die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Volledig
Zegt u dit iets? ” [betrokkene 5] vraagt aan de verdachte “ Zegt u dit iets? ”. Daarop vraagt de verdachte aan [betrokkene 5] wie [naam 11] is. [betrokkene 5] antwoordt: “ [bijnaam 14] [bijnaam 7] ”. Op 18 april 2016 vraagt de verdachte (# [accountnaam 1] ) aan [betrokkene 5] (# [accountnaam 6] ) of [betrokkene 5] het nummer ‘van de advo van onze broer in [land] ’ kan geven. [betrokkene 5] stuurt daarop: “ Ok [bijnaam 7] ga even [naam 12] mailen en vraag haar num direct [bijnaam 7] [naam 13] heet ie” . Vervolgens stuurt [betrokkene 5] naar de verdachte een bericht van ‘adv’ door, waarin ‘adv’ stuurt dat [naam 13] in Dublin ‘de barrister’ is en dat [naam 14] ‘de solicitor’ is. Ook heeft ‘adv’ gestuurd dat [naam 14] heeft gezegd dat de rechter pro deo had afgewezen, dat zij nu als advocaten graag iets vernemen over betaling en dat ze dat ook aan ‘ [bijnaam 21] ’ zouden melden. “Adv’ heeft verder geschreven dat “een vrouw naar kantoor heeft gebeld die zei dat zij de zus van F is” en vraagt hoe dat kan. Later stuurt [betrokkene 5] naar verdachte: “ [bijnaam 7] [naam 12] is gebelt die persoon zei ze is zusje van [bijnaam 21] nu blykt ze heeft helemaal niet gebelt [bijnaam 7] dus iemand wilt slim spelen ”. Het hof concludeert op basis van het bovenstaande dat [betrokkene 7] de gebruiker is van de accounts ‘# [accountnaam 12] ’, ‘# [accountnaam 22] ’ en ‘# [accountnaam 23] ’ en dat zijn bijnamen ‘ [bijnaam 14] ’ en ‘ [bijnaam 13] ’ waren. [betrokkene 8] ‘# [accountnaam 27] ’ Het onderzoek 26Tandem bevat een PGP-bericht waarin door de gebruiker van het PGP-adres met account [accountnaam 28] (hierna: # [accountnaam 28] ) het volgende bericht is gestuurd naar ‘ [naam 15] ’: “ Yo… [bijnaam 22] wilt je spreken?? ” en “ Hier is zen mail bro.. [accountnaam 27] @publicpgp.com ”. Het is de verbaliserende verbalisant ambtshalve bekend dat ‘ [bijnaam 22] ’ een bekende bijnaam van [betrokkene 8] is. Vervolgens slaat # [accountnaam 28] het PGP-adres # [accountnaam 27] @publicpgp.com (hierna: # [accountnaam 27] ) op onder de naam ‘ [bijnaam 22] ’. ‘ [naam 15] ’ slaat # [accountnaam 27] op onder de naam ‘ [bijnaam 22] ’. Door andere Ennetcomgebruikers is # [accountnaam 27] opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 22] ’, [bijnaam 22] ’, ‘ [bijnaam 22] ’. Ook is # [accountnaam 27] door Ennetcom-gebruikers opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 23] ’ en ‘ [bijnaam 24] ’. Dit zijn ook bekende bijnamen van [betrokkene 8] . In een onderzoek genaamd 13Ebetsu is een man die door [betrokkene 7] “ [bijnaam 22] / [bijnaam 22] ” wordt genoemd geïdentificeerd als [betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum 2] . Uit dat onderzoek is gebleken dat [betrokkene 7] aan een gesprekspartner in de Penitentiaire Inrichting Havenstraat te Amsterdam heeft gezegd dat [bijnaam 22] hem gaat bellen. Kort daarna wordt [betrokkene 7] gebeld door een man die hij [bijnaam 22] noemt. De man geeft zijn personalia door zodat [betrokkene 7] hem op de bezoekerslijst kan zetten, te weten [betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum 2] te Amsterdam. Uit het voorgaande leidt het hof af dat [betrokkene 8] de gebruiker was van het account ‘# [accountnaam 27] ’. [getuige 1] ‘# [accountnaam 5] ’ [getuige 1] heeft als getuige in de zaak van de verdachte verklaard dat hij met de verdachte communiceerde via PGP-telefoons en hij heeft bevestigd dat het account [accountnaam 5] @luxberry.cc door hem werd gebruikt. [betrokkene 2] ‘# [accountnaam 3] ’ De PGP-telefoon die onder [betrokkene 2] in beslag is genomen (in zijn slaapkamer), was gekoppeld aan het PGP-adres [accountnaam 3] @blackberrysecure.biz (hierna: # [accountnaam 3] ). Met dit PGP-adres was (zoals hierboven al uiteengezet) contact met # [accountnaam 1] . Ook is [betrokkene 2] naar aanleiding van contact met # [accountnaam 1] gezien bij het Van der Valk hotel en werd hij staande gehouden door de Franse politie. Het account # [accountnaam 3] was dus in gebruik bij [betrokkene 2] . [betrokkene 9] ‘# [accountnaam 24] ’ Op 1 februari 2015 stuurt de gebruiker van het PGP-adres [accountnaam 24] @ennetcom.com (hierna: # [accountnaam 24] ) naar een PGP-adres dat begint met # [accountnaam 29] een bericht over een vingerafdruk die van hem op een papiertje zou zijn aangetroffen. Aan hem zou zijn gevraagd of hij dit kan uitleggen en of hij een Turk kent. In de politiesystemen is een mutatie aangetroffen, waarin staat dat in het onderzoek 13Ebetsu een vingerafdruk van [betrokkene 9] is aangetroffen op een foto van het beoogde slachtoffer van een schietpartij. In deze mutatie staat ook de naam [naam 16] , die de bijnaam ‘ [bijnaam 25] ’ heeft. [betrokkene 9] is tijdens een getuigenverhoor in het onderzoek 13Ebetsu onder andere gevraagd naar de vingerafdruk die van hem op de foto is aangetroffen en of hij [naam 16] kent. Op 17 november 2015 stuurt de gebruiker van # [accountnaam 24] een bericht naar het PGP-adres # [accountnaam 23] (zoals hiervoor vastgesteld in gebruik bij [betrokkene 7] ), waarin hij zegt dat hij morgen om 09:00 uur ‘die zitting’ heeft. Op 18 november 2015 om 09:00 uur stond bij het Gerechtshof Amsterdam een zaak van [betrokkene 9] op de rol. ‘# [accountnaam 30] ’ In het adresboek van de # [accountnaam 23] van [betrokkene 7] , is het PGP-adres # [accountnaam 24] van [betrokkene 9] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 26] ’. Het PGP-adres [accountnaam 30] @ennetcom.com (hierna: # [accountnaam 30] ) is in dit adresboek opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 26] 2’. Tussen [betrokkene 7] en ‘ [bijnaam 26] 2’ vindt op 6 april 2016 communicatie plaats waaruit volgt dat ‘ [bijnaam 26] 2’ zich in Dubai bevindt. Blijkens gegevens van American Express bevond [betrokkene 9] zich ook daadwerkelijk in april 2016 in Dubai. [betrokkene 9] zelf heeft als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij meerdere keren in Dubai is geweest en dat het mogelijk is dat hij hier ook in april 2016 was. Het hof koppelt de accounts # [accountnaam 24] en # [accountnaam 30] dan ook aan [betrokkene 9] . Samenvatting Het hof stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat de verdachte gebruiker was van de PGP-adressen ‘# [accountnaam 1] ’ en ‘# [accountnaam 4] ’ en dat hij de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’ had. Voorts stelt het hof vast dat de hierna genoemde personen de gebruikers zijn van de volgende PGP adressen en/of bijnamen hadden: [betrokkene 5] : ‘# [accountnaam 6] ’, ‘# [accountnaam 9] ’ en ‘# [accountnaam 10] ’ [betrokkene 6] : ‘# [accountnaam 7] ’ en ‘# [accountnaam 17] ’ [betrokkene 7] : ‘# [accountnaam 12] ’, ‘# [accountnaam 22] ’, ‘# [accountnaam 23] ’ en bijnamen ‘ [bijnaam 13] ’ en ‘ [bijnaam 14] ’ [betrokkene 8] : ‘ # [accountnaam 27] ’ [getuige 1] : ‘# [accountnaam 5] ’ [betrokkene 2] : ‘# [accountnaam 3] ’ [betrokkene 9] : ‘# [accountnaam 24] ’, ‘# [accountnaam 30] ’ en bijnaam ‘ [bijnaam 26] ’ Voor de leesbaarheid van dit arrest zullen in het vervolg bij de weergave van PGP-gesprekken de door het hof aan die PGP-adressen gekoppelde personen worden genoemd. 3.2. Inleiding criminele organisatie Aan de verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat hij leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met gewoontewitwassen, het bezit van vuurwapens en munitie, met drugsdelicten en met moorden. Juridisch kader Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Voor de beoordeling of een verdachte heeft deelgenomen aan een zogenoemde criminele organisatie gebruikt de rechter de volgende criteria (voor zover in deze strafzaak van belang). Een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor het bewijs van die ‘deelneming’ is nodig dat komt vast te staan dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen – of gedragingen ondersteunt – die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Volledig
Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt, of bekend is, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Ook is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Voor het bewijs gaat het erom dat de organisatie het ‘oogmerk’ heeft tot het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat er daadwerkelijk misdrijven zijn gepleegd. Het oogmerk, of het doel, van de organisatie hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit het bewijs blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Voor de vraag of de verdachte kan worden aangemerkt als ‘leider’ van die organisatie, gaat het erom of die deelnemer binnen de organisatie een bepaalde macht heeft of een bepaald gezag bezit. Omstandigheden die daarvoor van belang kunnen zijn, zijn dat de deelnemer dwingende aanwijzingen aan andere deelnemers kan geven of dat de deelnemer binnen de organisatie belangrijke initiatieven ontplooit, waarnaar andere deelnemers zich richten. Het hof acht daarnaast dat de omstandigheid dat door andere deelnemers verantwoording aan de verdachte wordt afgelegd, duidt op een bepaalde macht of gezag binnen de organisatie. Beoordeling van de feiten in deze zaak Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen, volgt -samengevat- dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie die als oogmerk het plegen van witwassen, drugsdelicten en het plegen van moorden had. Het hof zal deze bewijsmiddelen bespreken aan de hand van de verschillende criminele activiteiten van deze organisatie: witwassen, drugsdelicten en moorden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de organisatie naast de verdachte bestond uit [betrokkene 11] , [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 12] , [betrokkene 7] en één (of meer) onbekend gebleven ander(en) , waarbij de verdachte de spil in de organisatie was, en de overige leden betrokken waren bij tenminste een van het type delicten waar het oogmerk van de organisatie op was gericht: [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 12] bij het plegen van witwassen, [betrokkene 11] en één (of meer) onbekend gebleven ander(en) bij drugsdelicten en [betrokkene 7] bij het plegen van moorden. Anders dan de rechtbank, vindt het hof niet bewezen dat [betrokkene 5] en [getuige 1] deel uitmaakten van de organisatie van de verdachte. In het dossier bevinden zich aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat de organisatie van de verdachte bij gelegenheid samenwerkte met de organisatie van [betrokkene 5] en de organisatie van [getuige 1] . In het dossier bevindt zich onvoldoende bewijs waaruit blijkt dat deze samenwerking voldoende duurzaam was en een structuur had om als een samenwerkingsverband als bedoeld in art 140 Sr of art. 11b Opiumwet te kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van het bezit van vuurwapens De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken voor zover aan de verdachte ten laste is gelegd dat hij leiding heeft gegeven aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot het bezit van (vuur)wapens en munitie. De verdediging en het Openbaar Ministerie zijn het in hoger beroep met die beslissing eens. Ook het hof zal de verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken. Ten aanzien van het witwassen Het hof is van oordeel dat bewezen is dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk gewoontewitwassen, zoals later in dit arrest zal worden uitgelegd. Op grond van de feiten en omstandigheden waarop dat oordeel is gebaseerd, is het hof van oordeel dat ook worden bewezen dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk gewoontewitwassen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de spil was in deze organisatie. Hij was de leider en [betrokkene 4] was zijn coördinator. [betrokkene 3] verving de verdachte als dat nodig was. Aan hen gaf de verdachte opdrachten door, waarna [betrokkene 4] en [betrokkene 3] deze naar de uitvoerders zoals [betrokkene 2] en [betrokkene 12] doorzetten. Er was sprake van een duidelijke hiërarchie. Er was ook een hoge mate van georganiseerdheid. Verdachte en zijn vermogen moesten buiten beeld blijven en daarvoor waren geraffineerde afschermconstructies opgetuigd. In kasboeken werden de inkomsten en uitgaven van zeer grote geldbedragen bijgehouden. [betrokkene 4] moest daarover verantwoording afleggen aan de verdachte. Uit de kasboeken en notities blijkt ook het duurzame karakter van de organisatie, nu daarin inkomsten en uitgaven staan genoteerd over de jaren 2015 en 2016. Maar ook in 2014 was de organisatie al actief. Op 4 augustus 2014 is namelijk de energierekening van de [adres 1] , de woning die feitelijk aan de verdachte toebehoorde, betaald vanaf de bankrekening van [betrokkene 12] . Er was dan ook sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Door bewust afschermconstructies op te zetten om buiten beeld van politie en justitie te blijven en van geld te leven dat van misdrijf afkomstig is, heeft de verdachte opzet gehad op zowel het oogmerk gewoontewitwassen als op zijn leiderschap. Ten aanzien van drugsdelicten Het hof vindt ook bewezen dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk - kort gezegd- drugshandel, zoals later in dit arrest zal worden uitgelegd. Uit het bewijs volgt dat er gedurende een langere tijd cocaïne werd ingevoerd waarbij verschillende mensen samenwerkten, waaronder [betrokkene 11] . De verdachte betrok anderen bij de levering van de cocaïne. Uit het bewijs wordt duidelijk dat de verdachte een spilfunctie had en anderen aanwijzingen gaf. Ook [betrokkene 11] was betrokken bij de invoer zoals blijkt uit het gesprek dat hij op 15 april 2016 heeft. [betrokkene 11] moest aan de verdachte vragen of hij voor 300 kilo aan dit transport wil meedoen. Ten aanzien van de moorden Tot slot vindt het hof bewezen dat de verdachte ook leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk moord. Uit het hierna te bespreken bewijs volgt dat de verdachte een samenwerkingsverband leidde dat zich richtte op het plannen van en helpen bij moorden op verschillende doelwitten. 3.3. Oogmerk Opiumwet Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het samenwerkingsverband waaraan de verdachte leiding heeft gegeven, zich bezig hield met drugshandel. Het Openbaar Ministerie heeft – onder meer – gewezen op notities, documenten en goederen die zijn gevonden bij doorzoekingen, op de inhoud van PGP-gesprekken en op de verklaringen die de getuige [getuige 1] heeft afgelegd. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor zover ten laste is gelegd dat hij als leider heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van opiumwetdelicten als oogmerk had. De verdediging heeft ten aanzien van een aantal feiten en omstandigheden aangevoerd dat deze niet de betekenis hebben die het Openbaar Ministerie daaraan toekent.
Volledig
Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt, of bekend is, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Ook is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Voor het bewijs gaat het erom dat de organisatie het ‘oogmerk’ heeft tot het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat er daadwerkelijk misdrijven zijn gepleegd. Het oogmerk, of het doel, van de organisatie hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit het bewijs blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Voor de vraag of de verdachte kan worden aangemerkt als ‘leider’ van die organisatie, gaat het erom of die deelnemer binnen de organisatie een bepaalde macht heeft of een bepaald gezag bezit. Omstandigheden die daarvoor van belang kunnen zijn, zijn dat de deelnemer dwingende aanwijzingen aan andere deelnemers kan geven of dat de deelnemer binnen de organisatie belangrijke initiatieven ontplooit, waarnaar andere deelnemers zich richten. Het hof acht daarnaast dat de omstandigheid dat door andere deelnemers verantwoording aan de verdachte wordt afgelegd, duidt op een bepaalde macht of gezag binnen de organisatie. Beoordeling van de feiten in deze zaak Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen, volgt -samengevat- dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie die als oogmerk het plegen van witwassen, drugsdelicten en het plegen van moorden had. Het hof zal deze bewijsmiddelen bespreken aan de hand van de verschillende criminele activiteiten van deze organisatie: witwassen, drugsdelicten en moorden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de organisatie naast de verdachte bestond uit [betrokkene 11] , [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 12] , [betrokkene 7] en één (of meer) onbekend gebleven ander(en) , waarbij de verdachte de spil in de organisatie was, en de overige leden betrokken waren bij tenminste een van het type delicten waar het oogmerk van de organisatie op was gericht: [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 12] bij het plegen van witwassen, [betrokkene 11] en één (of meer) onbekend gebleven ander(en) bij drugsdelicten en [betrokkene 7] bij het plegen van moorden. Anders dan de rechtbank, vindt het hof niet bewezen dat [betrokkene 5] en [getuige 1] deel uitmaakten van de organisatie van de verdachte. In het dossier bevinden zich aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat de organisatie van de verdachte bij gelegenheid samenwerkte met de organisatie van [betrokkene 5] en de organisatie van [getuige 1] . In het dossier bevindt zich onvoldoende bewijs waaruit blijkt dat deze samenwerking voldoende duurzaam was en een structuur had om als een samenwerkingsverband als bedoeld in art 140 Sr of art. 11b Opiumwet te kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van het bezit van vuurwapens De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken voor zover aan de verdachte ten laste is gelegd dat hij leiding heeft gegeven aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot het bezit van (vuur)wapens en munitie. De verdediging en het Openbaar Ministerie zijn het in hoger beroep met die beslissing eens. Ook het hof zal de verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken. Ten aanzien van het witwassen Het hof is van oordeel dat bewezen is dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk gewoontewitwassen, zoals later in dit arrest zal worden uitgelegd. Op grond van de feiten en omstandigheden waarop dat oordeel is gebaseerd, is het hof van oordeel dat ook worden bewezen dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk gewoontewitwassen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de spil was in deze organisatie. Hij was de leider en [betrokkene 4] was zijn coördinator. [betrokkene 3] verving de verdachte als dat nodig was. Aan hen gaf de verdachte opdrachten door, waarna [betrokkene 4] en [betrokkene 3] deze naar de uitvoerders zoals [betrokkene 2] en [betrokkene 12] doorzetten. Er was sprake van een duidelijke hiërarchie. Er was ook een hoge mate van georganiseerdheid. Verdachte en zijn vermogen moesten buiten beeld blijven en daarvoor waren geraffineerde afschermconstructies opgetuigd. In kasboeken werden de inkomsten en uitgaven van zeer grote geldbedragen bijgehouden. [betrokkene 4] moest daarover verantwoording afleggen aan de verdachte. Uit de kasboeken en notities blijkt ook het duurzame karakter van de organisatie, nu daarin inkomsten en uitgaven staan genoteerd over de jaren 2015 en 2016. Maar ook in 2014 was de organisatie al actief. Op 4 augustus 2014 is namelijk de energierekening van de [adres 1] , de woning die feitelijk aan de verdachte toebehoorde, betaald vanaf de bankrekening van [betrokkene 12] . Er was dan ook sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Door bewust afschermconstructies op te zetten om buiten beeld van politie en justitie te blijven en van geld te leven dat van misdrijf afkomstig is, heeft de verdachte opzet gehad op zowel het oogmerk gewoontewitwassen als op zijn leiderschap. Ten aanzien van drugsdelicten Het hof vindt ook bewezen dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk - kort gezegd- drugshandel, zoals later in dit arrest zal worden uitgelegd. Uit het bewijs volgt dat er gedurende een langere tijd cocaïne werd ingevoerd waarbij verschillende mensen samenwerkten, waaronder [betrokkene 11] . De verdachte betrok anderen bij de levering van de cocaïne. Uit het bewijs wordt duidelijk dat de verdachte een spilfunctie had en anderen aanwijzingen gaf. Ook [betrokkene 11] was betrokken bij de invoer zoals blijkt uit het gesprek dat hij op 15 april 2016 heeft. [betrokkene 11] moest aan de verdachte vragen of hij voor 300 kilo aan dit transport wil meedoen. Ten aanzien van de moorden Tot slot vindt het hof bewezen dat de verdachte ook leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie met het oogmerk moord. Uit het hierna te bespreken bewijs volgt dat de verdachte een samenwerkingsverband leidde dat zich richtte op het plannen van en helpen bij moorden op verschillende doelwitten. 3.3. Oogmerk Opiumwet Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het samenwerkingsverband waaraan de verdachte leiding heeft gegeven, zich bezig hield met drugshandel. Het Openbaar Ministerie heeft – onder meer – gewezen op notities, documenten en goederen die zijn gevonden bij doorzoekingen, op de inhoud van PGP-gesprekken en op de verklaringen die de getuige [getuige 1] heeft afgelegd. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor zover ten laste is gelegd dat hij als leider heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van opiumwetdelicten als oogmerk had. De verdediging heeft ten aanzien van een aantal feiten en omstandigheden aangevoerd dat deze niet de betekenis hebben die het Openbaar Ministerie daaraan toekent.
Volledig
Ook uit de verklaring van de getuige [getuige 1] kan niet worden afgeleid dat de verdachte of zijn groep betrokken is geweest bij drugshandel. Er is ook geen bewijs voor een duurzame samenwerking tussen de verdachte en [getuige 1] . Uit de verklaring van [getuige 1] kan hooguit blijken dat de verdachte [getuige 1] in contact heeft gebracht met anderen die aan [getuige 1] cocaïne hebben geleverd. Oordeel van het hof [verdachte] wordt [bijnaam 1] genoemd zoals hiervoor al is vastgesteld. Nadat [getuige 1] in 2014 uit de gevangenis kwam , kreeg hij weer contact met [bijnaam 2] . Toen [bijnaam 2] naar Dubai verhuisde, had hij een aanzienlijk kapitaal, 80 of 100 miljoen euro. [bijnaam 2] stond aan het hoofd van een organisatie. Hij was de belangrijkste man van een groep waar meerdere mensen bij hoorden. [bijnaam 2] was altijd samen met [naam 17] . [naam 17] was een man van [bijnaam 2] . [getuige 1] herkende [naam 17] op een foto van [betrokkene 11] . [bijnaam 2] sloot joint-ventures met de Colombiaanse kartels. Het aandeel van de verdachte in de internationale cocaïnehandel was ongeveer van hetzelfde niveau als van [getuige 1] en van [bijnaam 27] (het hof begrijpt: [naam 18] ). [bijnaam 27] was middelgroot. Communicatie met [getuige 1] Aan de getuige [getuige 1] zijn tijdens zijn verhoor op 27 september 2023 chatgesprekken getoond. [getuige 1] verklaarde daarbij dat hij in gesprekken zelf ‘ [bijnaam 1] ’ schreef (het hof begrijpt: dat de getuige de verdachte aansprak met ‘ [bijnaam 1] ’) en dat de verdachte dan ‘Mi [bijnaam 1] ’ zei (het hof begrijpt: dat de verdachte de getuige aansprak met ‘Mi [bijnaam 1] ). lmperiale heeft de gebruiker van mailadres [accountnaam 4] @secretblackmars.com ( [verdachte] ) opgeslagen als ‘ [accountnaam 31] ’. [getuige 1] 's eigen toestel staat opgeslagen als ‘ [accountnaam 32] ’. [verdachte] heeft de gebruiker van mailadres [accountnaam 5] @luxberry.cc ( [getuige 1] ) opgeslagen als ‘ [accountnaam 33] ’. [verdachte] 's eigen toestel staat opgeslagen als ‘ [accountnaam 34] ’. Het hof zal voor deze mailadressen en gebruikersnamen steeds de namen [getuige 1] en [verdachte] gebruiken, voor de leesbaarheid van het arrest. Zoals ook uit het vervolg nog zal blijken, volgt uit de verklaring van [getuige 1] dat hij en de verdachte de deelnemers waren aan deze gesprekken. Op 11 april 2016 in de avond en de vroege ochtend van 12 april 2016 vindt het volgende gesprek plaats tussen [getuige 1] en de verdachte. [verdachte] (..) Mi [bijnaam 1] , can you please tell me what time tomorrow we meet whit you lads [bijnaam 1] ? onbekend What time is good for you? [getuige 1] [bijnaam 1] please if your people can Can we move the phones friday to not keep in the warehouse for many days because I think will not before friday or saturday morning like last time [verdachte] No mi [bijnaam 1] , we will not be able to do that mi [bijnaam 1] , we have to do other things, Please let us do it tomorrow mi [bijnaam 1] , sorry…! [verdachte] Hermani , what time are we seeing the lads tomorrow for the phones ? [getuige 1] Any time you want the guy is in alicante waiting for my message Aan [getuige 1] is een bericht voorgehouden – dat hieronder is weergegeven – waarin wordt gesproken over ‘some phones we have in holand’ . De getuige verklaarde dat ‘phones’ cocaïne is. Het hof stelt vast dat [verdachte] in het hiervoor genoemde gesprek aan [getuige 1] vraagt hoe laat zij de jongens van [getuige 1] zullen ontmoeten. [getuige 1] vraagt daarop of het mogelijk is dat zij de cocaïne (‘phones’) vrijdag verplaatsen, als dat voor de mensen van [verdachte] (‘your people’) mogelijk is. Dat blijkt niet mogelijk omdat de verdachte en een ander of anderen (‘we’) andere dingen te doen hebben. Het is kennelijk niet de eerste keer dat er cocaïne wordt geleverd, omdat [getuige 1] verwijst naar een eerdere keer: ‘like last time’. Uit het vervolg van het gesprek blijkt verder dat het gaat om cocaïne die zich in Spanje bevindt. Op de vraag van de verdachte hoe laat zij de jongens morgen kunnen verwachten, antwoordt [getuige 1] namelijk dat zijn jongen al in Alicante aan het wachten is op zijn bericht. De berichten die hierboven zijn weergegeven, worden opgevolgd door de volgende berichten: [verdachte] One other thing mi [bijnaam 1] .. Can we give you some phones we have in holand .. Please help us whit that [bijnaam 1] .. !! [getuige 1] [bijnaam 1] are good quality? I only need warehouse and I already have one taxi always going to holand I was changing he rout and put also to sp to have 2 taxi a week in spain because I thought we don't do any more in holand but for me is perfect because this taxi I trust the driver and he is the one bring the money for me so if you want I let you come next week because I have also money ready for you and he can bring money and drive back with phones Only problem the quality [bijnaam 1] [verdachte] No [bijnaam 1] , .. Better is spain , better .. Y think you have somethings all ready going in holland , .. we have there 48 phones , price 22 you can take and send .. But we don't work there . .. And we don't have ware house nothinq .. Pff .. [getuige 1] [bijnaam 1] why price 22 is not good quality? [verdachte] Because we are direct whit people and we want to help them , they sell them for 24 normal .. And we help them , .. They are between 8 / 9 .. And smell good , if you can look [bijnaam 1] .. [getuige 1] Ok [bijnaam 1] tom if you want I can look [verdachte] Where do we have to bring them [getuige 1] Amsterdam [bijnaam 1] tom I ask my friend where he want meet Behalve over het afhalen van cocaïne in Spanje spreken [getuige 1] en [verdachte] op de vroege ochtend van 12 april 2016 ook over een andere kwestie (‘one other thing’). [verdachte] vraagt aan [getuige 1] of zij hem cocaïne kunnen geven die zij in Holland hebben liggen. [getuige 1] vraagt waarom de prijs 22 is en of het van goede kwaliteit is. Hij heeft dan wel een opslagplek (‘warehouse’) nodig. Hij had al een taxi die altijd naar Holland gaat en was al bezig de route aan het veranderen om hem ook naar sp (het hof begrijpt uit het vervolg: Spanje) te laten rijden zodat hij twee taxi’s per week in Spanje zou hebben. Hij dacht namelijk dat ze niets meer deden in Holland. Maar het zou perfect voor [getuige 1] zijn omdat er al een chauffeur naar Nederland gaat die het geld voor hem brengt. [getuige 1] heeft geld gereed voor [verdachte] . Dus als [verdachte] dat wil, dan laat hij hem de volgende week komen. Hij kan geld brengen en met de cocaïne terugrijden. De verdachte antwoordt dat het tussen de 8/9 is en dat het goed ruikt, normaal wordt het verkocht voor 24. [betrokkene 2] heeft op 8 juli 2016 uitgelegd dat de beste kwaliteit cocaïne 8 is en dat je er 23.000 per kilo voor moet betalen. Het hof gaat er daarom van uit dat met 8/9 de kwaliteit van de cocaïne wordt genoemd en dat deze cocaïne (op dat moment) normaal wordt verkocht voor € 24.000,00. Uit het gesprek tussen de verdachte en [getuige 1] blijkt verder dat de verdachte direct in contact staat met de verkopende partij die hij wil helpen. De verdachte vraagt waar zij de cocaïne kunnen brengen. [getuige 1] zal een vriend vragen om te gaan kijken. [getuige 1] heeft verklaard dat dit bericht over drugs gaat. Met ‘taxi’ wordt een vrachtwagen voor drugstransport bedoeld. Op 12 april 2012 in de avond en de vroege ochtend van 13 april 2016 wordt het gesprek tussen [getuige 1] en de verdachte vervolgd: [verdachte] Here all ok mi [bijnaam 1] , .. What happen to the friend , to look in holland at the flat (holland ) ? [getuige 1] Sorry [bijnaam 1] I forget ))) Tell me tom what time and where [verdachte] (..) Please tomorrow you tell me what time we do and we fix ok Y will y look what time and we fix ok [bijnaam 1] . [getuige 1] Ok [bijnaam 1] I ask now the guy onbekend [accountnaam 35] @ennetcom.biz [bijnaam 1] this is the pgp of old man that is with me he is like my uncle any thing happen to me you keep in contact with him And right now he is in holand he can check the phones tom from 12 any time you want Het hof leidt uit deze berichten af dat [getuige 1] vergeten is om de vriend te sturen om naar de cocaïne te kijken.
Volledig
Ook uit de verklaring van de getuige [getuige 1] kan niet worden afgeleid dat de verdachte of zijn groep betrokken is geweest bij drugshandel. Er is ook geen bewijs voor een duurzame samenwerking tussen de verdachte en [getuige 1] . Uit de verklaring van [getuige 1] kan hooguit blijken dat de verdachte [getuige 1] in contact heeft gebracht met anderen die aan [getuige 1] cocaïne hebben geleverd. Oordeel van het hof [verdachte] wordt [bijnaam 1] genoemd zoals hiervoor al is vastgesteld. Nadat [getuige 1] in 2014 uit de gevangenis kwam , kreeg hij weer contact met [bijnaam 2] . Toen [bijnaam 2] naar Dubai verhuisde, had hij een aanzienlijk kapitaal, 80 of 100 miljoen euro. [bijnaam 2] stond aan het hoofd van een organisatie. Hij was de belangrijkste man van een groep waar meerdere mensen bij hoorden. [bijnaam 2] was altijd samen met [naam 17] . [naam 17] was een man van [bijnaam 2] . [getuige 1] herkende [naam 17] op een foto van [betrokkene 11] . [bijnaam 2] sloot joint-ventures met de Colombiaanse kartels. Het aandeel van de verdachte in de internationale cocaïnehandel was ongeveer van hetzelfde niveau als van [getuige 1] en van [bijnaam 27] (het hof begrijpt: [naam 18] ). [bijnaam 27] was middelgroot. Communicatie met [getuige 1] Aan de getuige [getuige 1] zijn tijdens zijn verhoor op 27 september 2023 chatgesprekken getoond. [getuige 1] verklaarde daarbij dat hij in gesprekken zelf ‘ [bijnaam 1] ’ schreef (het hof begrijpt: dat de getuige de verdachte aansprak met ‘ [bijnaam 1] ’) en dat de verdachte dan ‘Mi [bijnaam 1] ’ zei (het hof begrijpt: dat de verdachte de getuige aansprak met ‘Mi [bijnaam 1] ). [getuige 1] heeft de gebruiker van mailadres [accountnaam 4] @secretblackmars.com ( [verdachte] ) opgeslagen als ‘ [accountnaam 31] ’. [getuige 1] 's eigen toestel staat opgeslagen als ‘ [accountnaam 32] ’. [verdachte] heeft de gebruiker van mailadres [accountnaam 5] @luxberry.cc ( [getuige 1] ) opgeslagen als ‘ [accountnaam 33] ’. [verdachte] 's eigen toestel staat opgeslagen als ‘ [accountnaam 34] ’. Het hof zal voor deze mailadressen en gebruikersnamen steeds de namen [getuige 1] en [verdachte] gebruiken, voor de leesbaarheid van het arrest. Zoals ook uit het vervolg nog zal blijken, volgt uit de verklaring van [getuige 1] dat hij en de verdachte de deelnemers waren aan deze gesprekken. Op 11 april 2016 in de avond en de vroege ochtend van 12 april 2016 vindt het volgende gesprek plaats tussen [getuige 1] en de verdachte. [verdachte] (..) Mi [bijnaam 1] , can you please tell me what time tomorrow we meet whit you lads [bijnaam 1] ? onbekend What time is good for you? [getuige 1] [bijnaam 1] please if your people can Can we move the phones friday to not keep in the warehouse for many days because I think will not before friday or saturday morning like last time [verdachte] No mi [bijnaam 1] , we will not be able to do that mi [bijnaam 1] , we have to do other things, Please let us do it tomorrow mi [bijnaam 1] , sorry…! [verdachte] Hermani , what time are we seeing the lads tomorrow for the phones ? [getuige 1] Any time you want the guy is in alicante waiting for my message Aan [getuige 1] is een bericht voorgehouden – dat hieronder is weergegeven – waarin wordt gesproken over ‘some phones we have in holand’ . De getuige verklaarde dat ‘phones’ cocaïne is. Het hof stelt vast dat [verdachte] in het hiervoor genoemde gesprek aan [getuige 1] vraagt hoe laat zij de jongens van [getuige 1] zullen ontmoeten. [getuige 1] vraagt daarop of het mogelijk is dat zij de cocaïne (‘phones’) vrijdag verplaatsen, als dat voor de mensen van [verdachte] (‘your people’) mogelijk is. Dat blijkt niet mogelijk omdat de verdachte en een ander of anderen (‘we’) andere dingen te doen hebben. Het is kennelijk niet de eerste keer dat er cocaïne wordt geleverd, omdat [getuige 1] verwijst naar een eerdere keer: ‘like last time’. Uit het vervolg van het gesprek blijkt verder dat het gaat om cocaïne die zich in Spanje bevindt. Op de vraag van de verdachte hoe laat zij de jongens morgen kunnen verwachten, antwoordt [getuige 1] namelijk dat zijn jongen al in Alicante aan het wachten is op zijn bericht. De berichten die hierboven zijn weergegeven, worden opgevolgd door de volgende berichten: [verdachte] One other thing mi [bijnaam 1] .. Can we give you some phones we have in holand .. Please help us whit that [bijnaam 1] .. !! [getuige 1] [bijnaam 1] are good quality? I only need warehouse and I already have one taxi always going to holand I was changing he rout and put also to sp to have 2 taxi a week in spain because I thought we don't do any more in holand but for me is perfect because this taxi I trust the driver and he is the one bring the money for me so if you want I let you come next week because I have also money ready for you and he can bring money and drive back with phones Only problem the quality [bijnaam 1] [verdachte] No [bijnaam 1] , .. Better is spain , better .. Y think you have somethings all ready going in holland , .. we have there 48 phones , price 22 you can take and send .. But we don't work there . .. And we don't have ware house nothinq .. Pff .. [getuige 1] [bijnaam 1] why price 22 is not good quality? [verdachte] Because we are direct whit people and we want to help them , they sell them for 24 normal .. And we help them , .. They are between 8 / 9 .. And smell good , if you can look [bijnaam 1] .. [getuige 1] Ok [bijnaam 1] tom if you want I can look [verdachte] Where do we have to bring them [getuige 1] Amsterdam [bijnaam 1] tom I ask my friend where he want meet Behalve over het afhalen van cocaïne in Spanje spreken [getuige 1] en [verdachte] op de vroege ochtend van 12 april 2016 ook over een andere kwestie (‘one other thing’). [verdachte] vraagt aan [getuige 1] of zij hem cocaïne kunnen geven die zij in Holland hebben liggen. [getuige 1] vraagt waarom de prijs 22 is en of het van goede kwaliteit is. Hij heeft dan wel een opslagplek (‘warehouse’) nodig. Hij had al een taxi die altijd naar Holland gaat en was al bezig de route aan het veranderen om hem ook naar sp (het hof begrijpt uit het vervolg: Spanje) te laten rijden zodat hij twee taxi’s per week in Spanje zou hebben. Hij dacht namelijk dat ze niets meer deden in Holland. Maar het zou perfect voor [getuige 1] zijn omdat er al een chauffeur naar Nederland gaat die het geld voor hem brengt. [getuige 1] heeft geld gereed voor [verdachte] . Dus als [verdachte] dat wil, dan laat hij hem de volgende week komen. Hij kan geld brengen en met de cocaïne terugrijden. De verdachte antwoordt dat het tussen de 8/9 is en dat het goed ruikt, normaal wordt het verkocht voor 24. [betrokkene 2] heeft op 8 juli 2016 uitgelegd dat de beste kwaliteit cocaïne 8 is en dat je er 23.000 per kilo voor moet betalen. Het hof gaat er daarom van uit dat met 8/9 de kwaliteit van de cocaïne wordt genoemd en dat deze cocaïne (op dat moment) normaal wordt verkocht voor € 24.000,00. Uit het gesprek tussen de verdachte en [getuige 1] blijkt verder dat de verdachte direct in contact staat met de verkopende partij die hij wil helpen. De verdachte vraagt waar zij de cocaïne kunnen brengen. [getuige 1] zal een vriend vragen om te gaan kijken. [getuige 1] heeft verklaard dat dit bericht over drugs gaat. Met ‘taxi’ wordt een vrachtwagen voor drugstransport bedoeld. Op 12 april 2012 in de avond en de vroege ochtend van 13 april 2016 wordt het gesprek tussen [getuige 1] en de verdachte vervolgd: [verdachte] Here all ok mi [bijnaam 1] , .. What happen to the friend , to look in holland at the flat (holland ) ? [getuige 1] Sorry [bijnaam 1] I forget ))) Tell me tom what time and where [verdachte] (..) Please tomorrow you tell me what time we do and we fix ok Y will y look what time and we fix ok [bijnaam 1] . [getuige 1] Ok [bijnaam 1] I ask now the guy onbekend [accountnaam 35] @ennetcom.biz [bijnaam 1] this is the pgp of old man that is with me he is like my uncle any thing happen to me you keep in contact with him And right now he is in holand he can check the phones tom from 12 any time you want Het hof leidt uit deze berichten af dat [getuige 1] vergeten is om de vriend te sturen om naar de cocaïne te kijken.
Volledig
Hij gaat het de vriend alsnog vragen. Op enig moment wordt een PGP-adres gestuurd van een oude man die in Nederland is, deze man kan de volgende dag vanaf 12:00 uur de cocaïne checken. Uit de inhoudelijke samenhang van de berichten volgt dat [getuige 1] de verzender van dat bericht is. Dit volgt ook uit het eerste bericht hieronder. [getuige 1] stuurde dus het PGP-account van zijn vriend die de cocaïne zou komen bekijken. Op 13 april 2016 in de middag vindt het volgende berichtenverkeer plaats: [getuige 1] Hola [bijnaam 1] how are you? Yesterday I sent to you the pgp of my friend did you received ? [verdachte] Good day mi [bijnaam 1] , yes got it , sorry was away, ..Perfecto ! [getuige 1] Bro he is in holand now let me know what time he can see the phones And please sent one invitation to him so he also have your pgp [verdachte] Right away mi [bijnaam 1] .. He has a place ? [getuige 1] I think so [bijnaam 1] let me ask [getuige 1] Hahahaha [bijnaam 1] the friend in holand flight [naam 46] can we have look today we can do to his house or [nam] house as you like Om 17:25 uur (UTC) stuurt [verdachte] een bericht door aan [getuige 1] van [accountnaam 36] . Het bericht luidt: “Kunnen ze om 20 30 op de lindegracht zijn [bijnaam 12] . By cafe de kat dan komt er een Hele lange jongen die neemt ze mee naar die woning waar ze kunnen chekken. Die 3. De rest ligt in noord vlakby de ring als ze ze goed vinden krygen ze de rest daar Oke?” In de avond van 13 april 2016 en de vroege ochtend van 14 april 2016 worden de volgende berichten verstuurd: [getuige 1] [bijnaam 1] my friend is on the way is that ok? [verdachte] Yes mi [bijnaam 1] , he look at them and did like them ! onbekend Yes [bijnaam 1] very bad I think even present nobody will take ))) [verdachte] Hahaha .. He say good mi [bijnaam 1] !!..haha Why you make me scare .. Haha . [verdachte] Hahaha .. Ok , then no problem , then don't take them ,.. Your man say it was good, but then we understand wrong you don't take .. [verdachte] “Tomorrow what time they take the phones in holand ? They will give 50 y think ok .” [verdachte] Hahaha .. You are crazy mi [bijnaam 1] , almost we put in de basura .. Hahaha [getuige 1] [bijnaam 1] I really want help you but this is not phones we will not be able to sell believe me [bijnaam 1] is to bad Het hof stelt vast dat de vriend van [getuige 1] op 13 april 2016 alsnog is gaan kijken naar de cocaïne. [verdachte] gaat er eerst van uit gaat dat deze vriend tevreden was over de kwaliteit, dat had deze vriend namelijk gezegd nadat hij de cocaïne had gezien. [getuige 1] heeft juist van die vriend begrepen dat de cocaïne te slecht is (‘very bad en ‘to bad’). [getuige 1] heeft over één van deze berichten verklaard dat het gaat over een andere deal in Nederland van 50 kilo. De verdachte vraagt hem in dit bericht hoe laat hij de drugs gaat ophalen, 50 kilo. Het ging om 50 kilo cocaïne die [verdachte] verkocht. De getuige herinnert zich deze deal overigens niet. Wel verklaart [getuige 1] in dat verband dat er snelle deals waren die hij aannam. Op 14 april 2016 vanaf het einde van de middag vindt de volgende interactie plaats: [verdachte] Mi [bijnaam 1] , Here all good, we move the ones in holland to some where else, they where from a colombian friend there.. He had 150 Where they so bad mi [bijnaam 1] ? And mi [bijnaam 1] , your man have always have to tell if things are NOT good. Because he say to the friends…They were …GOOD…He make the friend happy and know the friend in holland think y don’t want.. Hahaha.. [getuige 1] Bro I don’t know why he told the guy is good very strange I will ask him now To me he sent message and he said bro I never see something so bad in my life of course you right if not good he should tell to the guys first then to us but le me ask because for sure is misunderstanding [getuige 1] Sorry for that [bijnaam 1] [verdachte] No .. Never say sorry mi [bijnaam 1] , .. Its not your fault and it was mistake , but please ask the friend why he say that .. Please and if can make good he mail the friend he make mistake so y don't look like the one that don't want to help the friend .. Please . [getuige 1] [bijnaam 1] I alredy spoke with him and I told him to sent mail to you He told me he did not say any thing good or bad only say ok I will tell to my friend Het hof leidt uit deze berichten af dat [getuige 1] de cocaïne, die door zijn vriend in Nederland is bekeken, niet door hem is afgenomen. De cocaïne was te slecht. [verdachte] laat [getuige 1] later ook weten dat de cocaïne naar een ander is gegaan. De cocaïne was van een Colombiaanse vriend van [verdachte] . [verdachte] vraagt aan [getuige 1] of hij zijn vriend wil vragen te erkennen dat hij een fout heeft gemaakt door niet te zeggen dat hij de cocaïne te slecht vond. Anders zou het erop kunnen lijken dat de verdachte iemand is die deze Colombiaanse vriend niet wilde helpen: ‘Please and if can make good he mail the friend he make mistake so y don't look like the one that don't want to help the friend .. Please’. De inhoud van deze berichten bieden ook ondersteuning voor de verklaring van [getuige 1] dat de verdachte joint-ventures sloot met de Colombiaanse kartels. Op 13 april 2016 werden ’s avonds ook de volgende berichten gewisseld: [verdachte] Mi [bijnaam 1] , .. We gave you today 100 ok . From that is 25 for .. No ? And when you send other taxi so we send other 100? Onbekend “ [bijnaam 1] as you told me 750 550/200 Now I receive 250 at the end we do bookholding. Very soon I start to sent 2 truck a week and every weeks sent money and take phones when we reach 750 we close the bookhoudong and we start again” Uit deze berichten volgt dat [verdachte] en een ander of anderen (‘we’) die dag 100 hebben gegeven. Omdat uit de berichtenwisseling volgt dat [verdachte] de cocaïne levert en [getuige 1] daarvoor betaalt, gaat het hof ervan uit dat op die dag 100 kilo cocaïne aan [getuige 1] is geleverd. Opvallend is verder dat er ook een tussenstand wordt doorgegeven: ‘now I receive 250, at the end we do bookholding’. De verzender van het bericht laat weten dat hij binnenkort per week twee vrachtwagens stuurt, elke week wordt geld gestuurd en wordt de cocaïne in ontvangst genomen. Als de 750 wordt bereikt, dan wordt de boekhouding gesloten en wordt er opnieuw begonnen. Het hof stelt dan ook vast dat het niet gaat om een eenmalige samenwerking. Op 15 april 2016 vindt het volgende gesprek plaats: [getuige 1] Today the 100 left [bijnaam 1] all ok Please we like M to much if you have more keep all for us and the AMG is also good ciao [bijnaam 1] we speak later [verdachte] Okmi [bijnaam 1] , no problem .. You are the boss we do what we can ok mi [bijnaam 1] ..Thak you . [getuige 1] heeft over dit bericht verklaard dat hij hier zegt dat er 100 kilo vertrokken is. Hij zegt tegen de verdachte dat ze die met het logo M heel fijn vinden en vraagt hem alles met dat logo te bewaren, ook die met AMG. Uit de verklaring van de getuige blijkt dat ‘M’ en ‘AMG’ in dit bericht, logo’s zijn. [getuige 1] zag de verdachte dus als iemand die meer cocaïne beschikbaar had of beschikbaar zou kunnen krijgen dan de hoeveelheid die hij al aan [getuige 1] had geleverd. De getuige [getuige 1] heeft tijdens zijn verhoren op 18 oktober 2024 en op 11 november 2024 zijn eerder afgelegde verklaring gerelativeerd. Zo heeft de getuige verklaard dat de verdachte hem nooit persoonlijk heeft verteld dat hij zich in de periode van 2014 tot 2017 heeft bezig gehouden met de handel in verdovende middelen. Verder heeft de getuige verklaard dat de verdachte hem slechts in contact heeft gebracht met anderen met betrekking tot drie transporten van 100 kilo cocaïne, in totaal 300 kilo cocaïne. Dit was de enige deal waar de verdachte bij betrokken is geweest, uitsluitend door [getuige 1] in contact te brengen met mensen in Spanje. De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep geen antwoord gegeven op de vraag of hij de gesprekspartner was in deze gesprekken. De verdachte heeft uitgelegd niet de ruimte te hebben dat te erkennen. Wel heeft de verdachte verklaard hoe deze gesprekken zouden kunnen worden uitgelegd.
Volledig
Hij gaat het de vriend alsnog vragen. Op enig moment wordt een PGP-adres gestuurd van een oude man die in Nederland is, deze man kan de volgende dag vanaf 12:00 uur de cocaïne checken. Uit de inhoudelijke samenhang van de berichten volgt dat [getuige 1] de verzender van dat bericht is. Dit volgt ook uit het eerste bericht hieronder. [getuige 1] stuurde dus het PGP-account van zijn vriend die de cocaïne zou komen bekijken. Op 13 april 2016 in de middag vindt het volgende berichtenverkeer plaats: [getuige 1] Hola [bijnaam 1] how are you? Yesterday I sent to you the pgp of my friend did you received ? [verdachte] Good day mi [bijnaam 1] , yes got it , sorry was away, ..Perfecto ! [getuige 1] Bro he is in holand now let me know what time he can see the phones And please sent one invitation to him so he also have your pgp [verdachte] Right away mi [bijnaam 1] .. He has a place ? [getuige 1] I think so [bijnaam 1] let me ask [getuige 1] Hahahaha [bijnaam 1] the friend in holand flight [naam 46] can we have look today we can do to his house or [nam] house as you like Om 17:25 uur (UTC) stuurt [verdachte] een bericht door aan [getuige 1] van [accountnaam 36] . Het bericht luidt: “Kunnen ze om 20 30 op de lindegracht zijn [bijnaam 12] . By cafe de kat dan komt er een Hele lange jongen die neemt ze mee naar die woning waar ze kunnen chekken. Die 3. De rest ligt in noord vlakby de ring als ze ze goed vinden krygen ze de rest daar Oke?” In de avond van 13 april 2016 en de vroege ochtend van 14 april 2016 worden de volgende berichten verstuurd: [getuige 1] [bijnaam 1] my friend is on the way is that ok? [verdachte] Yes mi [bijnaam 1] , he look at them and did like them ! onbekend Yes [bijnaam 1] very bad I think even present nobody will take ))) [verdachte] Hahaha .. He say good mi [bijnaam 1] !!..haha Why you make me scare .. Haha . [verdachte] Hahaha .. Ok , then no problem , then don't take them ,.. Your man say it was good, but then we understand wrong you don't take .. [verdachte] “Tomorrow what time they take the phones in holand ? They will give 50 y think ok .” [verdachte] Hahaha .. You are crazy mi [bijnaam 1] , almost we put in de basura .. Hahaha [getuige 1] [bijnaam 1] I really want help you but this is not phones we will not be able to sell believe me [bijnaam 1] is to bad Het hof stelt vast dat de vriend van [getuige 1] op 13 april 2016 alsnog is gaan kijken naar de cocaïne. [verdachte] gaat er eerst van uit gaat dat deze vriend tevreden was over de kwaliteit, dat had deze vriend namelijk gezegd nadat hij de cocaïne had gezien. [getuige 1] heeft juist van die vriend begrepen dat de cocaïne te slecht is (‘very bad en ‘to bad’). [getuige 1] heeft over één van deze berichten verklaard dat het gaat over een andere deal in Nederland van 50 kilo. De verdachte vraagt hem in dit bericht hoe laat hij de drugs gaat ophalen, 50 kilo. Het ging om 50 kilo cocaïne die [verdachte] verkocht. De getuige herinnert zich deze deal overigens niet. Wel verklaart [getuige 1] in dat verband dat er snelle deals waren die hij aannam. Op 14 april 2016 vanaf het einde van de middag vindt de volgende interactie plaats: [verdachte] Mi [bijnaam 1] , Here all good, we move the ones in holland to some where else, they where from a colombian friend there.. He had 150 Where they so bad mi [bijnaam 1] ? And mi [bijnaam 1] , your man have always have to tell if things are NOT good. Because he say to the friends…They were …GOOD…He make the friend happy and know the friend in holland think y don’t want.. Hahaha.. [getuige 1] Bro I don’t know why he told the guy is good very strange I will ask him now To me he sent message and he said bro I never see something so bad in my life of course you right if not good he should tell to the guys first then to us but le me ask because for sure is misunderstanding [getuige 1] Sorry for that [bijnaam 1] [verdachte] No .. Never say sorry mi [bijnaam 1] , .. Its not your fault and it was mistake , but please ask the friend why he say that .. Please and if can make good he mail the friend he make mistake so y don't look like the one that don't want to help the friend .. Please . [getuige 1] [bijnaam 1] I alredy spoke with him and I told him to sent mail to you He told me he did not say any thing good or bad only say ok I will tell to my friend Het hof leidt uit deze berichten af dat [getuige 1] de cocaïne, die door zijn vriend in Nederland is bekeken, niet door hem is afgenomen. De cocaïne was te slecht. [verdachte] laat [getuige 1] later ook weten dat de cocaïne naar een ander is gegaan. De cocaïne was van een Colombiaanse vriend van [verdachte] . [verdachte] vraagt aan [getuige 1] of hij zijn vriend wil vragen te erkennen dat hij een fout heeft gemaakt door niet te zeggen dat hij de cocaïne te slecht vond. Anders zou het erop kunnen lijken dat de verdachte iemand is die deze Colombiaanse vriend niet wilde helpen: ‘Please and if can make good he mail the friend he make mistake so y don't look like the one that don't want to help the friend .. Please’. De inhoud van deze berichten bieden ook ondersteuning voor de verklaring van [getuige 1] dat de verdachte joint-ventures sloot met de Colombiaanse kartels. Op 13 april 2016 werden ’s avonds ook de volgende berichten gewisseld: [verdachte] Mi [bijnaam 1] , .. We gave you today 100 ok . From that is 25 for .. No ? And when you send other taxi so we send other 100? Onbekend “ [bijnaam 1] as you told me 750 550/200 Now I receive 250 at the end we do bookholding. Very soon I start to sent 2 truck a week and every weeks sent money and take phones when we reach 750 we close the bookhoudong and we start again” Uit deze berichten volgt dat [verdachte] en een ander of anderen (‘we’) die dag 100 hebben gegeven. Omdat uit de berichtenwisseling volgt dat [verdachte] de cocaïne levert en [getuige 1] daarvoor betaalt, gaat het hof ervan uit dat op die dag 100 kilo cocaïne aan [getuige 1] is geleverd. Opvallend is verder dat er ook een tussenstand wordt doorgegeven: ‘now I receive 250, at the end we do bookholding’. De verzender van het bericht laat weten dat hij binnenkort per week twee vrachtwagens stuurt, elke week wordt geld gestuurd en wordt de cocaïne in ontvangst genomen. Als de 750 wordt bereikt, dan wordt de boekhouding gesloten en wordt er opnieuw begonnen. Het hof stelt dan ook vast dat het niet gaat om een eenmalige samenwerking. Op 15 april 2016 vindt het volgende gesprek plaats: [getuige 1] Today the 100 left [bijnaam 1] all ok Please we like M to much if you have more keep all for us and the AMG is also good ciao [bijnaam 1] we speak later [verdachte] Okmi [bijnaam 1] , no problem .. You are the boss we do what we can ok mi [bijnaam 1] ..Thak you . [getuige 1] heeft over dit bericht verklaard dat hij hier zegt dat er 100 kilo vertrokken is. Hij zegt tegen de verdachte dat ze die met het logo M heel fijn vinden en vraagt hem alles met dat logo te bewaren, ook die met AMG. Uit de verklaring van de getuige blijkt dat ‘M’ en ‘AMG’ in dit bericht, logo’s zijn. [getuige 1] zag de verdachte dus als iemand die meer cocaïne beschikbaar had of beschikbaar zou kunnen krijgen dan de hoeveelheid die hij al aan [getuige 1] had geleverd. De getuige [getuige 1] heeft tijdens zijn verhoren op 18 oktober 2024 en op 11 november 2024 zijn eerder afgelegde verklaring gerelativeerd. Zo heeft de getuige verklaard dat de verdachte hem nooit persoonlijk heeft verteld dat hij zich in de periode van 2014 tot 2017 heeft bezig gehouden met de handel in verdovende middelen. Verder heeft de getuige verklaard dat de verdachte hem slechts in contact heeft gebracht met anderen met betrekking tot drie transporten van 100 kilo cocaïne, in totaal 300 kilo cocaïne. Dit was de enige deal waar de verdachte bij betrokken is geweest, uitsluitend door [getuige 1] in contact te brengen met mensen in Spanje. De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep geen antwoord gegeven op de vraag of hij de gesprekspartner was in deze gesprekken. De verdachte heeft uitgelegd niet de ruimte te hebben dat te erkennen. Wel heeft de verdachte verklaard hoe deze gesprekken zouden kunnen worden uitgelegd.
Volledig
Die uitleg komt in hoofdlijnen overeen met wat [getuige 1] daarover heeft verklaard. De gesprekspartner van [getuige 1] - de verdachte dus - had [getuige 1] in contact gebracht met een leverancier van cocaïne. De verdachte stond daarom over en weer garant, als een waarborg van vertrouwen, voor zowel de leverancier van de cocaïne als voor [getuige 1] . De verklaring van [getuige 1] en de uitleg van de verdachte zijn op deze punten in strijd met de inhoud van de hiervoor weergegeven berichten. Het hof volgt die verklaring van [getuige 1] en de uitleg van de verdachte op deze punten dan ook niet. Uit die berichten blijkt dat [verdachte] zelf met anderen actief betrokken is bij de aflevering van cocaïne. Het is de verdachte die contact heeft met de personen waar de cocaïne wordt opgehaald en het is de verdachte die op de hoogte wordt gehouden van de tussenstand en de boekhouding. [getuige 1] stuurt het geld naar de verdachte. Als er een misverstand ontstaat over de kwaliteit van de cocaïne die in Nederland ligt en op 13 april 2016 wordt bekeken door een vriend van [getuige 1] , zorgt de verdachte ervoor dat hij niet door zijn Colombiaanse vrienden er op wordt aangekeken. Zonder uitzondering spreekt de verdachte in termen van ‘wij’. Als de uitleg van de verdachte waar zou zijn, moet dat op de een of andere manier te lezen zijn geweest in de berichten. Dan was er ook gesproken in termen van ‘zij’, zoals in de gesprekken te zien is over de ‘Colombiaanse vrienden’ van de verdachte. Het hof houdt voor mogelijk dat de organisatie van de verdachte een tussenschakel was tussen leveranciers en afnemers. Dat neemt alleen niet weg dat de organisatie van de verdachte nauw betrokken was bij de invoer van cocaïne en dat de organisatie van de verdachte dat oogmerk had. Uit de inhoud van het bewijs volgt ook dat het niet gaat om een eenmalige deal tussen [getuige 1] en de verdachte. Op 13 april 2016 verwijst [getuige 1] naar een eerdere keer (‘like last time’). Er wordt gesproken over een langere samenwerking. [getuige 1] zal binnenkort twee vrachtwagens per week sturen, elke week wordt geld gestuurd en wordt de cocaïne in ontvangst genomen. Als een totaal van 750 kilo is bereikt, dan wordt de boekhouding gesloten en wordt er opnieuw begonnen (‘when we reach 750 we close the bookhoudong and we start again’). Gesprek [betrokkene 11] Dat verdachte met anderen actief is in de cocaïnehandel volgt ook uit gesprekken tussen [betrokkene 11] en een andere persoon. [betrokkene 11] werd door anderen opgeslagen als ‘ [bijnaam 28] ’, ‘ [bijnaam 29] ’ en ‘ [bijnaam 30] ’. Onder de bijnaam ‘ [bijnaam 28] ’ is op een ander toestel het pgp-adres [accountnaam 37] @publicpgp.com opgeslagen. Dit wijst er op dat [betrokkene 11] gebruik maakt van het account [accountnaam 37] @publicpgp.com. Op 16 april 2016 vindt het volgende gesprek plaats tussen [accountnaam 37] @publicpgp.com en [accountnaam 38] @ennetcom.biz. Het hof zal voor het adres [accountnaam 37] @publicpgp.com hieronder de naam [betrokkene 11] gebruiken voor de leesbaarheid van het arrest. [accountnaam 38] Rustig aan bro .......die mo heeft nog altyd niets laten weten of het mogelyk is 200 stuks te zetten ...... ! ! Pfff En lh zegt geef mail of nummer .....ik heb hem gestuurd van kan niet via tel bespreken ! [accountnaam 38] Haha toevallig reageerd die mo net .....hy zegt die mensen willen niet 200 .,......hy zegt 300 we'll [betrokkene 11] Oke ga het vragen maar ik kan niks garanderen Staat hij garant voor deze ook net als die andere verhaal [accountnaam 38] Ja zowiezo bro ......hoe gaat hy niet garrant staan als hy het niet kan uithalen ..,..of eruit of scoutoe andere is betalen toch [betrokkene 11] Wat had je me garantie gegeven bij de vorige bro? Die msc va hem? Noot verbalisant: Msc staat vermoedelijk voor Mediterranean Shipping Company (MSC), een internationale rederij die gespecialiseerd is in containertransport. [accountnaam 38] Ja daar had hy ook garantie gegeven .....hy betaald invest moest het niet eruit kunne halen [betrokkene 11] Ja dat bedoelde ik nu dus ook En deze mensen zijn ze ook nieuw voor hem? Of heeft hij al met ze gewerkt? [accountnaam 38] lk ga hem vragen ....maar die mensen werken we'll al eerder [betrokkene 11] Maar ik vraag je dat omdat we op zijn woord vertrouwen toch En als hij nooit met hun gewerkt heeft dan bluft hij gewoon maar dat maakt niet uit want hij staat garant Dat is belangerijk om te weten want [bijnaam 1] gaat daar geen grappen over maken als je zegt hij staat garant dan staat hij garant geen nee maar of zulke dingen [accountnaam 38] Ja bro begryp je zeker en ze hebben doekoe …..ik hem vragen of hy eerder met ze heeft gewerkt dn ? [betrokkene 11] Maar dat je doekoe hebt wil niet zeggen dat je betaaald en we moeten hem ook op ze woord vertrouwen met alles begrijp je [accountnaam 38] Ja daarom moeten we eerst kyken of we eruit komen met aantal en dan met betaling ....,......dan komen wy met ons voorwaarden aan tafel toch ....dan pas opzetten ! Maar ze praten zo zeker van hun zaak bro ! [betrokkene 11] Maar overknat en [bijnaam 1] moeten toch de keuze maken met de garantie die ze krijgen of ze die 300 willen doen? Of wil je eerst 300 akkoord dan pas voorwaarden dat kan toch niet bro Hun lopen 20 procent mee dus ze mogen vertellen wat hun garanties zijn want hun vertrellen toch ook hun voorwaarden meteen... ! ! [accountnaam 38] Ik bro….zeg maar als het kan die 300 dan praten we verder wat we gaan doen dan…die zyn zeker van hun zaak en die zegt zelfde voorwaarden zoals msc [betrokkene 11] Oke bro Uit de inhoud van deze berichten volgt dat [betrokkene 11] heeft laten vragen of het mogelijk is om 200 stuks te zetten. Het antwoord luidt dat 200 niet mogelijk is, maar 300 wel. [betrokkene 11] gaat het vragen en vraagt zijn contactpersoon of men garant staat. In de berichten wordt ook gesproken over ‘uithalen’ en over een vorige, die ‘msc’. Deze termen zijn aanwijzingen dat het gaat om een transport van verdovende middelen. [betrokkene 11] zegt dat [bijnaam 1] geen grappen maakt over garant staan; ‘als hij zegt dat hij garant staat, dan staat hij garant’. [bijnaam 1] (en ‘overkant’) moet de keuze maken of ze die 300 willen doen met de garantie die ze krijgen. Het hof ziet geen andere uitleg dan dat het gaat om de vraag of het mogelijk is om mee te doen aan een transport van verdovende middelen voor een deel van 300 kilo. [betrokkene 11] vraagt door over de identiteit van de transporteurs en de garantie die wordt gegeven en deelt mee dat hij het [bijnaam 1] zal vragen. Het is de verdachte dus die de beslissingen neemt. Gesprek [betrokkene 7] Op 20 maart 2016 vindt een PGP-gesprek plaats tussen de verdachte en [betrokkene 7] . Dit gesprek houdt het volgende in. Voor de leesbaarheid zijn de PGP-adressen vervangen door de namen [verdachte] en [betrokkene 7] : [verdachte] Pfffff .. En hoe broer , die man speelt zeker spelletjes , en wilt lekker op de achter grond blijven .. Fuk hem !!!! En ja [bijnaam 1] , dat las ik , maar met wie werken ze dan , .. Toch niet met mensen van [naam 19] en [naam 20] ??? [betrokkene 7] Zo lees ik het broer want hij zegt nu weet ik zeker dat die 400 door hiun is genakt waar wij ook op zaten broer !! [verdachte] Lekker dan .... Hoe zit dat dan, ik ga [bijnaam 30] even goed mailen .. En dan moet die btalen, want is genakt !! Lekker dan!! [betrokkene 7] Klopt toch heleen maal niks van [naam 19] bemoeid niet maar zegt openlijk tegen [bijnaam 30] dat ie met [naam 20] met gesprek met die broertje van [naam 19] Voor het bewijs is van belang dat in dit gesprek wordt gesproken over 400 die ‘door hun is genakt waar wij ook op zaten broer !!’. Dat gesprek zou zo kunnen worden uitgelegd dat er 400 kilo verdovende middelen is gestolen van een transport waar de gespreksdeelnemers ook op zaten. Met de verdediging leest het hof dit gesprek zo dat de verdachte en [betrokkene 7] uitwisselen hoe ze een bepaald bericht lezen dat van een ander afkomstig is. De verdachte en [betrokkene 7] vragen zich naar aanleiding van dat bericht af met wie bepaalde mensen samenwerken en of die mensen misschien met ‘ [naam 19] ’ en ‘ [naam 20] ’ werken.
Volledig
Die uitleg komt in hoofdlijnen overeen met wat [getuige 1] daarover heeft verklaard. De gesprekspartner van [getuige 1] - de verdachte dus - had [getuige 1] in contact gebracht met een leverancier van cocaïne. De verdachte stond daarom over en weer garant, als een waarborg van vertrouwen, voor zowel de leverancier van de cocaïne als voor [getuige 1] . De verklaring van [getuige 1] en de uitleg van de verdachte zijn op deze punten in strijd met de inhoud van de hiervoor weergegeven berichten. Het hof volgt die verklaring van [getuige 1] en de uitleg van de verdachte op deze punten dan ook niet. Uit die berichten blijkt dat [verdachte] zelf met anderen actief betrokken is bij de aflevering van cocaïne. Het is de verdachte die contact heeft met de personen waar de cocaïne wordt opgehaald en het is de verdachte die op de hoogte wordt gehouden van de tussenstand en de boekhouding. [getuige 1] stuurt het geld naar de verdachte. Als er een misverstand ontstaat over de kwaliteit van de cocaïne die in Nederland ligt en op 13 april 2016 wordt bekeken door een vriend van [getuige 1] , zorgt de verdachte ervoor dat hij niet door zijn Colombiaanse vrienden er op wordt aangekeken. Zonder uitzondering spreekt de verdachte in termen van ‘wij’. Als de uitleg van de verdachte waar zou zijn, moet dat op de een of andere manier te lezen zijn geweest in de berichten. Dan was er ook gesproken in termen van ‘zij’, zoals in de gesprekken te zien is over de ‘Colombiaanse vrienden’ van de verdachte. Het hof houdt voor mogelijk dat de organisatie van de verdachte een tussenschakel was tussen leveranciers en afnemers. Dat neemt alleen niet weg dat de organisatie van de verdachte nauw betrokken was bij de invoer van cocaïne en dat de organisatie van de verdachte dat oogmerk had. Uit de inhoud van het bewijs volgt ook dat het niet gaat om een eenmalige deal tussen [getuige 1] en de verdachte. Op 13 april 2016 verwijst [getuige 1] naar een eerdere keer (‘like last time’). Er wordt gesproken over een langere samenwerking. [getuige 1] zal binnenkort twee vrachtwagens per week sturen, elke week wordt geld gestuurd en wordt de cocaïne in ontvangst genomen. Als een totaal van 750 kilo is bereikt, dan wordt de boekhouding gesloten en wordt er opnieuw begonnen (‘when we reach 750 we close the bookhoudong and we start again’). Gesprek [betrokkene 11] Dat verdachte met anderen actief is in de cocaïnehandel volgt ook uit gesprekken tussen [betrokkene 11] en een andere persoon. [betrokkene 11] werd door anderen opgeslagen als ‘ [bijnaam 28] ’, ‘ [bijnaam 29] ’ en ‘ [bijnaam 30] ’. Onder de bijnaam ‘ [bijnaam 28] ’ is op een ander toestel het pgp-adres [accountnaam 37] @publicpgp.com opgeslagen. Dit wijst er op dat [betrokkene 11] gebruik maakt van het account [accountnaam 37] @publicpgp.com. Op 16 april 2016 vindt het volgende gesprek plaats tussen [accountnaam 37] @publicpgp.com en [accountnaam 38] @ennetcom.biz. Het hof zal voor het adres [accountnaam 37] @publicpgp.com hieronder de naam [betrokkene 11] gebruiken voor de leesbaarheid van het arrest. [accountnaam 38] Rustig aan bro .......die mo heeft nog altyd niets laten weten of het mogelyk is 200 stuks te zetten ...... ! ! Pfff En lh zegt geef mail of nummer .....ik heb hem gestuurd van kan niet via tel bespreken ! [accountnaam 38] Haha toevallig reageerd die mo net .....hy zegt die mensen willen niet 200 .,......hy zegt 300 we'll [betrokkene 11] Oke ga het vragen maar ik kan niks garanderen Staat hij garant voor deze ook net als die andere verhaal [accountnaam 38] Ja zowiezo bro ......hoe gaat hy niet garrant staan als hy het niet kan uithalen ..,..of eruit of scoutoe andere is betalen toch [betrokkene 11] Wat had je me garantie gegeven bij de vorige bro? Die msc va hem? Noot verbalisant: Msc staat vermoedelijk voor Mediterranean Shipping Company (MSC), een internationale rederij die gespecialiseerd is in containertransport. [accountnaam 38] Ja daar had hy ook garantie gegeven .....hy betaald invest moest het niet eruit kunne halen [betrokkene 11] Ja dat bedoelde ik nu dus ook En deze mensen zijn ze ook nieuw voor hem? Of heeft hij al met ze gewerkt? [accountnaam 38] lk ga hem vragen ....maar die mensen werken we'll al eerder [betrokkene 11] Maar ik vraag je dat omdat we op zijn woord vertrouwen toch En als hij nooit met hun gewerkt heeft dan bluft hij gewoon maar dat maakt niet uit want hij staat garant Dat is belangerijk om te weten want [bijnaam 1] gaat daar geen grappen over maken als je zegt hij staat garant dan staat hij garant geen nee maar of zulke dingen [accountnaam 38] Ja bro begryp je zeker en ze hebben doekoe …..ik hem vragen of hy eerder met ze heeft gewerkt dn ? [betrokkene 11] Maar dat je doekoe hebt wil niet zeggen dat je betaaald en we moeten hem ook op ze woord vertrouwen met alles begrijp je [accountnaam 38] Ja daarom moeten we eerst kyken of we eruit komen met aantal en dan met betaling ....,......dan komen wy met ons voorwaarden aan tafel toch ....dan pas opzetten ! Maar ze praten zo zeker van hun zaak bro ! [betrokkene 11] Maar overknat en [bijnaam 1] moeten toch de keuze maken met de garantie die ze krijgen of ze die 300 willen doen? Of wil je eerst 300 akkoord dan pas voorwaarden dat kan toch niet bro Hun lopen 20 procent mee dus ze mogen vertellen wat hun garanties zijn want hun vertrellen toch ook hun voorwaarden meteen... ! ! [accountnaam 38] Ik bro….zeg maar als het kan die 300 dan praten we verder wat we gaan doen dan…die zyn zeker van hun zaak en die zegt zelfde voorwaarden zoals msc [betrokkene 11] Oke bro Uit de inhoud van deze berichten volgt dat [betrokkene 11] heeft laten vragen of het mogelijk is om 200 stuks te zetten. Het antwoord luidt dat 200 niet mogelijk is, maar 300 wel. [betrokkene 11] gaat het vragen en vraagt zijn contactpersoon of men garant staat. In de berichten wordt ook gesproken over ‘uithalen’ en over een vorige, die ‘msc’. Deze termen zijn aanwijzingen dat het gaat om een transport van verdovende middelen. [betrokkene 11] zegt dat [bijnaam 1] geen grappen maakt over garant staan; ‘als hij zegt dat hij garant staat, dan staat hij garant’. [bijnaam 1] (en ‘overkant’) moet de keuze maken of ze die 300 willen doen met de garantie die ze krijgen. Het hof ziet geen andere uitleg dan dat het gaat om de vraag of het mogelijk is om mee te doen aan een transport van verdovende middelen voor een deel van 300 kilo. [betrokkene 11] vraagt door over de identiteit van de transporteurs en de garantie die wordt gegeven en deelt mee dat hij het [bijnaam 1] zal vragen. Het is de verdachte dus die de beslissingen neemt. Gesprek [betrokkene 7] Op 20 maart 2016 vindt een PGP-gesprek plaats tussen de verdachte en [betrokkene 7] . Dit gesprek houdt het volgende in. Voor de leesbaarheid zijn de PGP-adressen vervangen door de namen [verdachte] en [betrokkene 7] : [verdachte] Pfffff .. En hoe broer , die man speelt zeker spelletjes , en wilt lekker op de achter grond blijven .. Fuk hem !!!! En ja [bijnaam 1] , dat las ik , maar met wie werken ze dan , .. Toch niet met mensen van [naam 19] en [naam 20] ??? [betrokkene 7] Zo lees ik het broer want hij zegt nu weet ik zeker dat die 400 door hiun is genakt waar wij ook op zaten broer !! [verdachte] Lekker dan .... Hoe zit dat dan, ik ga [bijnaam 30] even goed mailen .. En dan moet die btalen, want is genakt !! Lekker dan!! [betrokkene 7] Klopt toch heleen maal niks van [naam 19] bemoeid niet maar zegt openlijk tegen [bijnaam 30] dat ie met [naam 20] met gesprek met die broertje van [naam 19] Voor het bewijs is van belang dat in dit gesprek wordt gesproken over 400 die ‘door hun is genakt waar wij ook op zaten broer !!’. Dat gesprek zou zo kunnen worden uitgelegd dat er 400 kilo verdovende middelen is gestolen van een transport waar de gespreksdeelnemers ook op zaten. Met de verdediging leest het hof dit gesprek zo dat de verdachte en [betrokkene 7] uitwisselen hoe ze een bepaald bericht lezen dat van een ander afkomstig is. De verdachte en [betrokkene 7] vragen zich naar aanleiding van dat bericht af met wie bepaalde mensen samenwerken en of die mensen misschien met ‘ [naam 19] ’ en ‘ [naam 20] ’ werken.
Volledig
[betrokkene 7] leest dat bericht van die ander ook zo want hij (het hof begrijpt: degene waarvan het bericht afkomstig is) zegt dat hij nu zeker weet dat die 400 is genakt waar wij ook op zaten broer. [verdachte] reageert daarop dat hij [bijnaam 30] (het hof begrijpt: [betrokkene 11] ) gaat mailen. In het bericht dat daarop volgt spreekt [betrokkene 7] er over dat ‘ [naam 19] ’ openlijk tegen ‘ [bijnaam 30] ’ zegt dat hij met ‘ [naam 20] ’ (het hof begrijpt: met [naam 20] is). Uit het vervolg van het gesprek wordt duidelijk dat de verdachte en [betrokkene 7] twijfelen over met wie die mensen samenwerken. Deze twijfel gaat niet over de 400 kilo die is gestolen op het transport waar ‘wij’ ook op zaten. De verdediging heeft terecht aandacht gevraagd voor de vraag wie wordt bedoeld met ‘wij’. Het gaat immers om een bericht van een ander, als een ander over ‘wij’ spreekt, hoeft dat niet over [verdachte] en [betrokkene 7] te gaan. Het hof leidt uit de reactie van [verdachte] af dat het gaat om een transport waar zijn organisatie bij betrokken was. Hij gaat [betrokkene 11] (‘ [bijnaam 30] ’) namelijk even goed mailen en dan moet die betalen, want er is genakt. Wie er moet betalen, is voor de beoordeling van het bewijs niet relevant. Het gesprek gaat niet alleen over de vraag met wie die mensen samenwerken, het gesprek gaat er ook over dat er met deze nieuwe informatie een aanwijzing is gekomen wie er verantwoordelijk is voor de gestolen 400 kilo, in dat geval moet er betaald gaan worden. [verdachte] gaat daarover contact opnemen met [betrokkene 11] . Uit dit bewijs volgt dus dat er een drugstransport heeft plaatsgevonden waar de verdachte ook aan deelnam. Samenwerkingsverband Uit het bewijs dat hiervoor is beschreven volgt dat de verdachte anderen betrok bij de levering van cocaïne. Als het gaat om de aflevering van de cocaïne door de verdachte aan [getuige 1] en de keuring van de cocaïne op 13 april 2016 spreken [getuige 1] en de verdachte steeds in meervoud en over meerdere personen. Zo vraagt [getuige 1] op 11 april 2016 of het voor de mensen van de verdachte (‘your people’) mogelijk is dat de cocaïne later wordt opgehaald. Ook met betrekking tot de cocaïne die in Holland ligt en wordt bekeken door een vriend van [getuige 1] spreekt de verdachte over ‘we’: ‘ Can we give you some phones we have in holand’ en ‘Please help us whit that (..)’. Op 13 april 2016 schakelt de verdachte een andere persoon in die de cocaïne aan de vriend van [getuige 1] laat zien. Ook [betrokkene 11] is betrokken bij de invoer zoals blijkt uit het gesprek dat hij op 15 april 2016 heeft met [accountnaam 38] @ennetcom.biz. [betrokkene 11] gaat aan [bijnaam 1] (het hof begrijpt: de verdachte) vragen of hij voor 300 kilo aan dit transport wil meedoen. 3.4. Gewoontewitwassen (feit 2) en oogmerk witwassen (feit 1) Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden bewezen heeft verklaard dat de verdachte als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dat gewoontewitwassen als oogmerk heeft en dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen. Het hof neemt hieronder een groot deel van de overwegingen van de rechtbank over. Daarnaast geeft het hof aanvullend een aantal nadere overwegingen. Het hof zal net als de rechtbank eerst feit 2 bespreken (medeplegen van gewoontewitwassen) en daarna feit 1 (als leider deelnemen aan een criminele organisatie met als oogmerk gewoontewitwassen). Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld – kort gezegd - dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen ten aanzien van tien auto’s, een woning in Marbella, diverse geldbedragen van in totaal € 11.641.333,65 en vier horloges. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit – samengevat – dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De verdachte stelt daartoe dat de diverse goederen een legale herkomst hebben, en dat de aangetroffen geldbedragen en boekhouding niets te maken hebben met criminele activiteiten, maar met zijn werkzaamheden als “underground banker”. Oordeel van het hof De beschuldiging van witwassen bestaat uit verschillende onderdelen, namelijk bedragen genoemd in kasboeken, aangetroffen contante geldbedragen, voertuigen, een woning en horloges. Het hof zal deze onderdelen hieronder bespreken, maar zal voorafgaand hieraan beoordelen wat het (legale) inkomen van de verdachte was. Gewoontewitwassen (feit 2) Legaal inkomen Uit door de ICOV (het hof begrijpt: de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen) verstrekte gegevens over de verdachte blijkt dat hij vanaf 1 januari 2011 geen geregistreerd inkomen heeft gehad en dat het totaal vermogen uit bankspaargelden, effecten en verzekeringen bedroeg: € 4.785,00 in 2011, € 41.794,00 in 2012, € 45.313,00 in 2013 en € 49.474,00 in 2014. De verdachte was verder in het bezit van twee creditcards. Daarmee zijn in de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 maart 2016 geen transacties gedaan. In Colombia beschikte de verdachte over een spaarrekening, een woningkrediet en twee consumentenkredieten, waarvan geen saldogegevens bekend zijn. [betrokkene 13] heeft verklaard dat zij de zakenpartner van de verdachte was in het bedrijf [bedrijf 1] . Zij verklaarde dat het bedrijf begon als grenswisselkantoor, maar dat het kantoor niet van de grond kwam omdat er geen vergunning was. De economische activiteit van het bedrijf is toen veranderd, waarna het bedrijf zag op dienstverlening in onroerend goed en administratievoering bij de koop en verkoop van onroerend goed. Volgens [betrokkene 13] kreeg de verdachte vanuit dat bedrijf ongeveer € 3.500,00 aan inkomsten. Zij verklaarde dat zij in Dubai een dochteronderneming hebben opgericht. Verdachte zou daarmee ongeveer 16.000,00 USD hebben verdiend. Verder is naar voren gekomen dat de verdachte in 2007 onroerend goed met (omgerekend naar euro’s) € 14.088,23 winst heeft verkocht. Het hof stelt vast dat er vanaf 2011 geen legale inkomsten van de verdachte in Nederland bekend zijn en de verdachte geen voldoende concrete en onderbouwde verklaring heeft afgelegd over de inkomsten die hij in Colombia en/of Dubai heeft gegenereerd. Ook heeft de verdachte geen stukken overgelegd op basis waarvan zijn inkomsten en vermogen in Colombia en Dubai kunnen worden vastgesteld. Het hof gaat er daarom van uit dat buiten bovenvermelde gegevens, de verdachte niet beschikte over ander legaal inkomen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in de betreffende periode voor 52% aandeelhouder was van een geldwisselkantoor in Colombia, en daarmee ongeveer 4.000 dollar loon per maand verdiende, dat hij daarnaast inkomsten had uit de verhuur van onroerend goed, dat hij een bankkrediet had van 150.000 en een banklening van 150.000 voor onroerend goed, en dat hij vier creditcards had met een limiet van 4.000. De verdachte heeft dit ter zitting niet met nadere stukken onderbouwd. Herkomst van goederen en geld Het hof zal hieronder onderzoeken wat de herkomst is van de bedragen genoemd in de kasboeken, de aangetroffen contante geldbedragen, voertuigen, een woning en de horloges. Kasboeken en notities: € 10.132.703,00 Op 5 juli 2016 werd de woning van [betrokkene 12] aan de [adres 2] in Amsterdam doorzocht. Er is een notitieboek in beslag genomen. Op die dag werd ook de woning van [betrokkene 4] aan de [adres 3] in Amstelveen doorzocht. Ook daar werd een notitieboek gevonden en in beslag genomen. De inhoud van de notitieboeken is nagenoeg identiek. Uit deze notitieboeken kan worden afgeleid dat dit kasboeken zijn, waarin inkomsten en uitgaven in een bepaalde periode zijn weergegeven. In de woning van [betrokkene 4] vond de politie ook nog drie losse notities. Deze drie notities zijn onderdeel van een kasboek uit 2015 en hebben betrekking op een periode van achttien weken. De notities zaten verstopt in een boek in de slaapkamer van [betrokkene 4] .
Volledig
[betrokkene 7] leest dat bericht van die ander ook zo want hij (het hof begrijpt: degene waarvan het bericht afkomstig is) zegt dat hij nu zeker weet dat die 400 is genakt waar wij ook op zaten broer. [verdachte] reageert daarop dat hij [bijnaam 30] (het hof begrijpt: [betrokkene 11] ) gaat mailen. In het bericht dat daarop volgt spreekt [betrokkene 7] er over dat ‘ [naam 19] ’ openlijk tegen ‘ [bijnaam 30] ’ zegt dat hij met ‘ [naam 20] ’ (het hof begrijpt: met [naam 20] is). Uit het vervolg van het gesprek wordt duidelijk dat de verdachte en [betrokkene 7] twijfelen over met wie die mensen samenwerken. Deze twijfel gaat niet over de 400 kilo die is gestolen op het transport waar ‘wij’ ook op zaten. De verdediging heeft terecht aandacht gevraagd voor de vraag wie wordt bedoeld met ‘wij’. Het gaat immers om een bericht van een ander, als een ander over ‘wij’ spreekt, hoeft dat niet over [verdachte] en [betrokkene 7] te gaan. Het hof leidt uit de reactie van [verdachte] af dat het gaat om een transport waar zijn organisatie bij betrokken was. Hij gaat [betrokkene 11] (‘ [bijnaam 30] ’) namelijk even goed mailen en dan moet die betalen, want er is genakt. Wie er moet betalen, is voor de beoordeling van het bewijs niet relevant. Het gesprek gaat niet alleen over de vraag met wie die mensen samenwerken, het gesprek gaat er ook over dat er met deze nieuwe informatie een aanwijzing is gekomen wie er verantwoordelijk is voor de gestolen 400 kilo, in dat geval moet er betaald gaan worden. [verdachte] gaat daarover contact opnemen met [betrokkene 11] . Uit dit bewijs volgt dus dat er een drugstransport heeft plaatsgevonden waar de verdachte ook aan deelnam. Samenwerkingsverband Uit het bewijs dat hiervoor is beschreven volgt dat de verdachte anderen betrok bij de levering van cocaïne. Als het gaat om de aflevering van de cocaïne door de verdachte aan [getuige 1] en de keuring van de cocaïne op 13 april 2016 spreken [getuige 1] en de verdachte steeds in meervoud en over meerdere personen. Zo vraagt [getuige 1] op 11 april 2016 of het voor de mensen van de verdachte (‘your people’) mogelijk is dat de cocaïne later wordt opgehaald. Ook met betrekking tot de cocaïne die in Holland ligt en wordt bekeken door een vriend van [getuige 1] spreekt de verdachte over ‘we’: ‘ Can we give you some phones we have in holand’ en ‘Please help us whit that (..)’. Op 13 april 2016 schakelt de verdachte een andere persoon in die de cocaïne aan de vriend van [getuige 1] laat zien. Ook [betrokkene 11] is betrokken bij de invoer zoals blijkt uit het gesprek dat hij op 15 april 2016 heeft met [accountnaam 38] @ennetcom.biz. [betrokkene 11] gaat aan [bijnaam 1] (het hof begrijpt: de verdachte) vragen of hij voor 300 kilo aan dit transport wil meedoen. 3.4. Gewoontewitwassen (feit 2) en oogmerk witwassen (feit 1) Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden bewezen heeft verklaard dat de verdachte als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dat gewoontewitwassen als oogmerk heeft en dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen. Het hof neemt hieronder een groot deel van de overwegingen van de rechtbank over. Daarnaast geeft het hof aanvullend een aantal nadere overwegingen. Het hof zal net als de rechtbank eerst feit 2 bespreken (medeplegen van gewoontewitwassen) en daarna feit 1 (als leider deelnemen aan een criminele organisatie met als oogmerk gewoontewitwassen). Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld – kort gezegd - dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen ten aanzien van tien auto’s, een woning in Marbella, diverse geldbedragen van in totaal € 11.641.333,65 en vier horloges. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit – samengevat – dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De verdachte stelt daartoe dat de diverse goederen een legale herkomst hebben, en dat de aangetroffen geldbedragen en boekhouding niets te maken hebben met criminele activiteiten, maar met zijn werkzaamheden als “underground banker”. Oordeel van het hof De beschuldiging van witwassen bestaat uit verschillende onderdelen, namelijk bedragen genoemd in kasboeken, aangetroffen contante geldbedragen, voertuigen, een woning en horloges. Het hof zal deze onderdelen hieronder bespreken, maar zal voorafgaand hieraan beoordelen wat het (legale) inkomen van de verdachte was. Gewoontewitwassen (feit 2) Legaal inkomen Uit door de ICOV (het hof begrijpt: de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen) verstrekte gegevens over de verdachte blijkt dat hij vanaf 1 januari 2011 geen geregistreerd inkomen heeft gehad en dat het totaal vermogen uit bankspaargelden, effecten en verzekeringen bedroeg: € 4.785,00 in 2011, € 41.794,00 in 2012, € 45.313,00 in 2013 en € 49.474,00 in 2014. De verdachte was verder in het bezit van twee creditcards. Daarmee zijn in de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 maart 2016 geen transacties gedaan. In Colombia beschikte de verdachte over een spaarrekening, een woningkrediet en twee consumentenkredieten, waarvan geen saldogegevens bekend zijn. [betrokkene 13] heeft verklaard dat zij de zakenpartner van de verdachte was in het bedrijf [bedrijf 1] . Zij verklaarde dat het bedrijf begon als grenswisselkantoor, maar dat het kantoor niet van de grond kwam omdat er geen vergunning was. De economische activiteit van het bedrijf is toen veranderd, waarna het bedrijf zag op dienstverlening in onroerend goed en administratievoering bij de koop en verkoop van onroerend goed. Volgens [betrokkene 13] kreeg de verdachte vanuit dat bedrijf ongeveer € 3.500,00 aan inkomsten. Zij verklaarde dat zij in Dubai een dochteronderneming hebben opgericht. Verdachte zou daarmee ongeveer 16.000,00 USD hebben verdiend. Verder is naar voren gekomen dat de verdachte in 2007 onroerend goed met (omgerekend naar euro’s) € 14.088,23 winst heeft verkocht. Het hof stelt vast dat er vanaf 2011 geen legale inkomsten van de verdachte in Nederland bekend zijn en de verdachte geen voldoende concrete en onderbouwde verklaring heeft afgelegd over de inkomsten die hij in Colombia en/of Dubai heeft gegenereerd. Ook heeft de verdachte geen stukken overgelegd op basis waarvan zijn inkomsten en vermogen in Colombia en Dubai kunnen worden vastgesteld. Het hof gaat er daarom van uit dat buiten bovenvermelde gegevens, de verdachte niet beschikte over ander legaal inkomen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in de betreffende periode voor 52% aandeelhouder was van een geldwisselkantoor in Colombia, en daarmee ongeveer 4.000 dollar loon per maand verdiende, dat hij daarnaast inkomsten had uit de verhuur van onroerend goed, dat hij een bankkrediet had van 150.000 en een banklening van 150.000 voor onroerend goed, en dat hij vier creditcards had met een limiet van 4.000. De verdachte heeft dit ter zitting niet met nadere stukken onderbouwd. Herkomst van goederen en geld Het hof zal hieronder onderzoeken wat de herkomst is van de bedragen genoemd in de kasboeken, de aangetroffen contante geldbedragen, voertuigen, een woning en de horloges. Kasboeken en notities: € 10.132.703,00 Op 5 juli 2016 werd de woning van [betrokkene 12] aan de [adres 2] in Amsterdam doorzocht. Er is een notitieboek in beslag genomen. Op die dag werd ook de woning van [betrokkene 4] aan de [adres 3] in Amstelveen doorzocht. Ook daar werd een notitieboek gevonden en in beslag genomen. De inhoud van de notitieboeken is nagenoeg identiek. Uit deze notitieboeken kan worden afgeleid dat dit kasboeken zijn, waarin inkomsten en uitgaven in een bepaalde periode zijn weergegeven. In de woning van [betrokkene 4] vond de politie ook nog drie losse notities. Deze drie notities zijn onderdeel van een kasboek uit 2015 en hebben betrekking op een periode van achttien weken. De notities zaten verstopt in een boek in de slaapkamer van [betrokkene 4] .
Volledig
Verder trof de politie in de woning van [betrokkene 12] een telefoon van het merk BlackBerry (goednummer 5216793) aan. In deze telefoon zijn notities opgeslagen die overeenkomen met de bij [betrokkene 12] en [betrokkene 4] aangetroffen kasboeken. Ook bevatten de notities gegevens die betrekking hebben op de periode van 27 januari 2016 tot en met 23 februari 2016 en op de periode van 1 juli 2016 tot en met 4 juli 2016. De verdachte heeft op de terechtzitting van het hof op 26 februari 2026 verklaard dat [betrokkene 4] , [betrokkene 12] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] voor hem werkten. Hij gaf opdrachten aan [betrokkene 4] en – bij afwezigheid van [betrokkene 4] – aan [betrokkene 3] . Ter terechtzitting van de rechtbank van 9 maart 2021 heeft de verdachte bevestigd dat in de kasboeken de inkomsten en uitgaven door [betrokkene 4] werden bijgehouden en dat hij opdrachten van geldoverdrachten altijd aan [betrokkene 4] gaf. [betrokkene 4] gaf weer opdrachten aan [betrokkene 12] . De politie heeft de bedragen die in de kasboeken en de losse notities zijn vermeld bij elkaar opgeteld. Daaruit blijkt dat in een periode van 40 weken een bedrag van € 10.132.703,00 contant is uitgegeven. In een schema ziet dat er als volgt uit : Het hof concludeert dat op basis van de bevindingen kan worden vastgesteld dat de notitieboeken en notities zagen op contante in- en uitgaven die kunnen worden gerelateerd aan activiteiten van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank en bij het hof verklaard dat in de kasboeken weliswaar inkomsten en uitgaven staan die [betrokkene 4] in opdracht van hem heeft ontvangen dan wel gedaan, maar dat de kasboeken niet met zekerheid alleen zijn boekhouding betreffen. De verdachte stelt dat [betrokkene 4] ook persoonlijke uitgaven kan hebben genoteerd. Hij heeft verder verklaard dat de werkwijze was dat hij ook voor zichzelf een kasboek bijhield en dat hij regelmatig samen met [betrokkene 4] afsprak om de kasboeken te vergelijken. Op die manier moest [betrokkene 4] verantwoording afleggen voor de door hem genoteerde inkomsten en uitgaven en werd bepaald wat persoonlijke uitgaven van [betrokkene 4] waren en wat bedrijfsuitgaven waren. Het hof gaat niet mee in deze stelling van de verdachte. De verdachte heeft dat kasboek – waaruit deze verschillen zouden kunnen blijken en daarmee aldus ondersteuning van zijn verklaring zou kunnen bieden – niet overhandigd, ook niet nadat hij daartoe nadrukkelijk door het hof was uitgenodigd. Hij heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij ook in hoger beroep zijn eigen kasboek niet wil overleggen. De verdachte heeft ook verder geen stukken overhandigd die zijn verklaring zouden kunnen ondersteunen. Daar komt bij dat het hof – op basis van het dossier – niet is gebleken dat in de kasboeken persoonlijke inkomsten en uitgaven zijn genoteerd die klaarblijkelijk zijn te herleiden naar [betrokkene 4] , [betrokkene 12] of andere personen die voor de verdachte werkten. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de kasboeken uitsluitend op de activiteiten van de verdachte zagen en dus niet ook op privéuitgaven ten behoeve van anderen. De conclusie is dan ook dat door de organisatie van de verdachte in de betreffende periode € 10.132.703,00 contant is uitgegeven. Het hof overweegt over de inhoud van de kasboeken het volgende. [adres 1] te Amsterdam In de kasboeken komen maandelijkse betalingen terug met de omschrijving: appartement en elektra (de Nederlandse vertaling van het Spaanse ‘Depa-Luz’) en de vermelding van de betreffende maand. Zo staat in het kasboek vermeld (uit het Spaans vertaald): ‘-2.100 – appartement-elektra februari – 01-03’ (bijlage 10 op pagina A 1409). Uit de gegevens van de ING bankrekening van [betrokkene 12] blijkt dat op 2 maart 2016 in totaal € 2.100,00 contant op de bankrekening van [betrokkene 12] is gestort, waarna € 1.754,00 is overgeboekt naar [bedrijf 2] met als omschrijving ‘C579300’ (bijlage 4 op pagina A 1401). Uit de gegevens van de ING bankrekening van [betrokkene 12] blijkt voorts dat in de periode van 5 juni 2015 tot en met 3 maart 2016 in totaal € 19.213,16 is betaald voor de woning aan de [adres 1] in Amsterdam (bijlage 4 op pagina A 1401). In het kasboek staat ook vermeld (uit het Spaans vertaald): ‘-2.100 – appartement-elektra maart – 04-04’ (bijlage 10 op pagina A 1410). Uit gegevens van een ABN AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] op naam van [betrokkene 12] blijkt dat op 5 april 2016 € 2.000,00 contant op deze bankrekening is gestort, waarna € 1.755,00 naar [bedrijf 2] met als omschrijving ‘C579300’ (bijlage 3 op pagina A 1400) en € 218,00 naar NUON (klantnummer [klantnummer 2] ) is overgeboekt (bijlage 8 op pagina A 1405). In de periode van 5 juni 2015 tot en met 3 juni 2016 is in totaal € 5.265,00 voor de woning aan de [adres 1] in Amsterdam betaald (bijlage 3 op pagina A 1400). Het dossier bevat een brief van [bedrijf 2] BV van 25 april 2016, gericht aan [verdachte] en betreft het perceel [adres 1] te Amsterdam. Als kenmerk staat vermeld: C579300. Het dossier bevat tevens een acceptgiro van 27 april 2016, gericht aan [verdachte] voor de [adres 1] in Amsterdam. Het daarop vermelde klantnummer is: [klantnummer 1] . De verdachte stond van 22 mei 2006 tot en met 30 november 2007 ingeschreven op het adres [adres 1] in Amsterdam. Na deze datum heeft niemand zich meer op dit adres ingeschreven. Het energiecontract voor deze woning staat vanaf 1 augustus 2005 op naam van de verdachte (klantnummer [klantnummer 1] ). Vanaf 4 augustus 2014 tot en met 24 november 2015 zijn de rekeningen betaald met het ING bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] . Dit bankrekeningnummer staat op naam van [betrokkene 12] . Op 14 februari 2012 werd de verdachte in een ander onderzoek aangehouden. Voorafgaand aan de aanhouding werd gezien dat [betrokkene 14] zeer vermoedelijk een sleutel van de verdachte kreeg, waarna [betrokkene 14] het perceel [adres 1] in Amsterdam betrad. [betrokkene 14] heeft tijdens zijn politieverhoor verklaard dat de woning waar hij naar binnenliep van ‘ [naam 21] ’ is. De verdachte stond op 9 november 2011 weliswaar voor één dag ingeschreven op het adres [adres 4] in Amsterdam, maar de bewoners van dit adres hebben verklaard dat de verdachte een zoon van een kennis is, dat hij niet woonachtig is op dat adres en hier nooit heeft gewoond. De verdachte was op het adres ingeschreven vanwege een inschrijfadres voor zijn rijbewijs. Op 5 juli 2016 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het perceel [adres 1] in Amsterdam. In de hal en in de slaapkamers hingen foto’s van de verdachte en zijn vriendin. Er lagen ook diverse persoonlijke goederen in het huis, zoals telefoons, harddisks en een notebook. Op één van de harddisks stonden foto’s van de verdachte. Op een iPhone die in de slaapkamer is aangetroffen is een iCloud account aangetroffen met emailadres [e-mailadres 1] @hotmail.com. Op een notebook zijn honderden foto’s en filmpjes aangetroffen, waaronder veel vakantiefoto’s van de verdachte. Op het notebook staan de Windows Live Messenger Contactpersonen van de e-mailadressen [e-mailadres 2] @hotmail.com en [e-mailadres 3] @hotmail.com. De verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat de woning aan de [adres 1] van hem was, maar dat hij er weinig gebruik van maakte. Als hij er niet was, konden anderen gebruik maken van de woning. Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat er – ten behoeve van kosten voor een appartement – contante geldbedragen op één van de bankrekeningen van [betrokkene 12] werden gestort, waarna betalingen voor de woning aan de [adres 1] in Amsterdam werden verricht. Ook kan op grond van de aangetroffen foto’s, notebook en harddiscs worden vastgesteld dat deze woning feitelijk aan de verdachte toebehoorde. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat de woning van hem was, maar dat [betrokkene 4] de woning van hem mocht gebruiken vanaf het moment dat hij geëmigreerd was. Wel wilde hij van de woning gebruik kunnen maken als hij in Nederland was en dan zou hij ook voor die periode huur betalen (documentcode 11557416, pagina U 0131).
Volledig
Verder trof de politie in de woning van [betrokkene 12] een telefoon van het merk BlackBerry (goednummer 5216793) aan. In deze telefoon zijn notities opgeslagen die overeenkomen met de bij [betrokkene 12] en [betrokkene 4] aangetroffen kasboeken. Ook bevatten de notities gegevens die betrekking hebben op de periode van 27 januari 2016 tot en met 23 februari 2016 en op de periode van 1 juli 2016 tot en met 4 juli 2016. De verdachte heeft op de terechtzitting van het hof op 26 februari 2026 verklaard dat [betrokkene 4] , [betrokkene 12] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] voor hem werkten. Hij gaf opdrachten aan [betrokkene 4] en – bij afwezigheid van [betrokkene 4] – aan [betrokkene 3] . Ter terechtzitting van de rechtbank van 9 maart 2021 heeft de verdachte bevestigd dat in de kasboeken de inkomsten en uitgaven door [betrokkene 4] werden bijgehouden en dat hij opdrachten van geldoverdrachten altijd aan [betrokkene 4] gaf. [betrokkene 4] gaf weer opdrachten aan [betrokkene 12] . De politie heeft de bedragen die in de kasboeken en de losse notities zijn vermeld bij elkaar opgeteld. Daaruit blijkt dat in een periode van 40 weken een bedrag van € 10.132.703,00 contant is uitgegeven. In een schema ziet dat er als volgt uit : Het hof concludeert dat op basis van de bevindingen kan worden vastgesteld dat de notitieboeken en notities zagen op contante in- en uitgaven die kunnen worden gerelateerd aan activiteiten van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank en bij het hof verklaard dat in de kasboeken weliswaar inkomsten en uitgaven staan die [betrokkene 4] in opdracht van hem heeft ontvangen dan wel gedaan, maar dat de kasboeken niet met zekerheid alleen zijn boekhouding betreffen. De verdachte stelt dat [betrokkene 4] ook persoonlijke uitgaven kan hebben genoteerd. Hij heeft verder verklaard dat de werkwijze was dat hij ook voor zichzelf een kasboek bijhield en dat hij regelmatig samen met [betrokkene 4] afsprak om de kasboeken te vergelijken. Op die manier moest [betrokkene 4] verantwoording afleggen voor de door hem genoteerde inkomsten en uitgaven en werd bepaald wat persoonlijke uitgaven van [betrokkene 4] waren en wat bedrijfsuitgaven waren. Het hof gaat niet mee in deze stelling van de verdachte. De verdachte heeft dat kasboek – waaruit deze verschillen zouden kunnen blijken en daarmee aldus ondersteuning van zijn verklaring zou kunnen bieden – niet overhandigd, ook niet nadat hij daartoe nadrukkelijk door het hof was uitgenodigd. Hij heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij ook in hoger beroep zijn eigen kasboek niet wil overleggen. De verdachte heeft ook verder geen stukken overhandigd die zijn verklaring zouden kunnen ondersteunen. Daar komt bij dat het hof – op basis van het dossier – niet is gebleken dat in de kasboeken persoonlijke inkomsten en uitgaven zijn genoteerd die klaarblijkelijk zijn te herleiden naar [betrokkene 4] , [betrokkene 12] of andere personen die voor de verdachte werkten. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de kasboeken uitsluitend op de activiteiten van de verdachte zagen en dus niet ook op privéuitgaven ten behoeve van anderen. De conclusie is dan ook dat door de organisatie van de verdachte in de betreffende periode € 10.132.703,00 contant is uitgegeven. Het hof overweegt over de inhoud van de kasboeken het volgende. [adres 1] te Amsterdam In de kasboeken komen maandelijkse betalingen terug met de omschrijving: appartement en elektra (de Nederlandse vertaling van het Spaanse ‘Depa-Luz’) en de vermelding van de betreffende maand. Zo staat in het kasboek vermeld (uit het Spaans vertaald): ‘-2.100 – appartement-elektra februari – 01-03’ (bijlage 10 op pagina A 1409). Uit de gegevens van de ING bankrekening van [betrokkene 12] blijkt dat op 2 maart 2016 in totaal € 2.100,00 contant op de bankrekening van [betrokkene 12] is gestort, waarna € 1.754,00 is overgeboekt naar [bedrijf 2] met als omschrijving ‘C579300’ (bijlage 4 op pagina A 1401). Uit de gegevens van de ING bankrekening van [betrokkene 12] blijkt voorts dat in de periode van 5 juni 2015 tot en met 3 maart 2016 in totaal € 19.213,16 is betaald voor de woning aan de [adres 1] in Amsterdam (bijlage 4 op pagina A 1401). In het kasboek staat ook vermeld (uit het Spaans vertaald): ‘-2.100 – appartement-elektra maart – 04-04’ (bijlage 10 op pagina A 1410). Uit gegevens van een ABN AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] op naam van [betrokkene 12] blijkt dat op 5 april 2016 € 2.000,00 contant op deze bankrekening is gestort, waarna € 1.755,00 naar [bedrijf 2] met als omschrijving ‘C579300’ (bijlage 3 op pagina A 1400) en € 218,00 naar NUON (klantnummer [klantnummer 2] ) is overgeboekt (bijlage 8 op pagina A 1405). In de periode van 5 juni 2015 tot en met 3 juni 2016 is in totaal € 5.265,00 voor de woning aan de [adres 1] in Amsterdam betaald (bijlage 3 op pagina A 1400). Het dossier bevat een brief van [bedrijf 2] BV van 25 april 2016, gericht aan [verdachte] en betreft het perceel [adres 1] te Amsterdam. Als kenmerk staat vermeld: C579300. Het dossier bevat tevens een acceptgiro van 27 april 2016, gericht aan [verdachte] voor de [adres 1] in Amsterdam. Het daarop vermelde klantnummer is: [klantnummer 1] . De verdachte stond van 22 mei 2006 tot en met 30 november 2007 ingeschreven op het adres [adres 1] in Amsterdam. Na deze datum heeft niemand zich meer op dit adres ingeschreven. Het energiecontract voor deze woning staat vanaf 1 augustus 2005 op naam van de verdachte (klantnummer [klantnummer 1] ). Vanaf 4 augustus 2014 tot en met 24 november 2015 zijn de rekeningen betaald met het ING bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] . Dit bankrekeningnummer staat op naam van [betrokkene 12] . Op 14 februari 2012 werd de verdachte in een ander onderzoek aangehouden. Voorafgaand aan de aanhouding werd gezien dat [betrokkene 14] zeer vermoedelijk een sleutel van de verdachte kreeg, waarna [betrokkene 14] het perceel [adres 1] in Amsterdam betrad. [betrokkene 14] heeft tijdens zijn politieverhoor verklaard dat de woning waar hij naar binnenliep van ‘ [naam 21] ’ is. De verdachte stond op 9 november 2011 weliswaar voor één dag ingeschreven op het adres [adres 4] in Amsterdam, maar de bewoners van dit adres hebben verklaard dat de verdachte een zoon van een kennis is, dat hij niet woonachtig is op dat adres en hier nooit heeft gewoond. De verdachte was op het adres ingeschreven vanwege een inschrijfadres voor zijn rijbewijs. Op 5 juli 2016 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het perceel [adres 1] in Amsterdam. In de hal en in de slaapkamers hingen foto’s van de verdachte en zijn vriendin. Er lagen ook diverse persoonlijke goederen in het huis, zoals telefoons, harddisks en een notebook. Op één van de harddisks stonden foto’s van de verdachte. Op een iPhone die in de slaapkamer is aangetroffen is een iCloud account aangetroffen met emailadres [e-mailadres 1] @hotmail.com. Op een notebook zijn honderden foto’s en filmpjes aangetroffen, waaronder veel vakantiefoto’s van de verdachte. Op het notebook staan de Windows Live Messenger Contactpersonen van de e-mailadressen [e-mailadres 2] @hotmail.com en [e-mailadres 3] @hotmail.com. De verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat de woning aan de [adres 1] van hem was, maar dat hij er weinig gebruik van maakte. Als hij er niet was, konden anderen gebruik maken van de woning. Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat er – ten behoeve van kosten voor een appartement – contante geldbedragen op één van de bankrekeningen van [betrokkene 12] werden gestort, waarna betalingen voor de woning aan de [adres 1] in Amsterdam werden verricht. Ook kan op grond van de aangetroffen foto’s, notebook en harddiscs worden vastgesteld dat deze woning feitelijk aan de verdachte toebehoorde. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat de woning van hem was, maar dat [betrokkene 4] de woning van hem mocht gebruiken vanaf het moment dat hij geëmigreerd was. Wel wilde hij van de woning gebruik kunnen maken als hij in Nederland was en dan zou hij ook voor die periode huur betalen (documentcode 11557416, pagina U 0131).
Volledig
De verdachte heeft deze verklaring ten overstaan van het hof bevestigd. Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig. In de woning zijn veel persoonlijke spullen aangetroffen die aan de verdachte kunnen worden gekoppeld. Hij heeft bovendien tijdens de uitleveringszitting in Chili een andere verklaring afgelegd, namelijk dat hij het appartement had overgedragen aan zijn zus en zwager (documentcode 10987817, pagina A 6511) en tijdens zijn aanhouding in een ander onderzoek in 2012 weer een andere verklaring afgelegd, namelijk dat hij bij zijn moeder en zus verbleef als hij in Nederland was. Tijdens die aanhouding had de verdachte bovendien documenten bij zich waaruit bleek dat de [adres 1] in Amsterdam nog steeds zijn woning betrof. Gelet op de wisselende verklaringen – in samenhang met het energiecontract bij Nuon dat op naam van de verdachte is gesteld, de persoonlijke spullen die in de woning zijn aangetroffen en de bevindingen in het kader van zijn aanhouding in 2012 – stelt het hof vast dat de woning aan de [adres 1] in Amsterdam feitelijk nog steeds aan de verdachte toebehoorde. De verklaring van de verdachte – inhoudende dat de woning door [betrokkene 4] werd gebruikt, dat hij aan hem had gevraagd om de spullen van hem weg te halen die niet door anderen gezien of meegenomen mochten worden en hij daarom niet weet waarom er nog persoonlijke spullen van hem in de woning lagen – schuift het hof dan ook als ongeloofwaardig terzijde. All Safe opslagbox In het kasboek van [betrokkene 12] staat verder genoteerd dat op 30 juni 2016 € 2.500,00 uit de kas is opgenomen met de omschrijving ‘appartement, elektra, box’ (de Nederlandse vertaling van het Spaanse ‘depa lux box’ (bijlage 1 op pagina A 1372). Op 5 juli 2016 vond een doorzoeking plaats in de opslagruimte met nummer [nummer 1] van het bedrijf Mini opslag All Safe. In deze opslagruimte zijn meerdere goederen gevonden die kunnen worden gelieerd aan de verdachte, zoals een op zijn naam gesteld (verlopen) Nederlands paspoort, een paspoort op naam van zijn vriendin [betrokkene 15] en twee foto’s van de verdachte en een vrouw. In de opslagruimte is ook een scooter Piaggio voorzien van het kenteken [kenteken 3] aangetroffen. Deze scooter is volgens de Rijksdienst voor het Wegverkeer op naam gesteld van de verdachte. Het huurcontract van de opslagruimte [nummer 1] stond vanaf 4 mei 2010 op naam van [betrokkene 16] . De facturen van 14 april 2016 en 15 mei 2016 zijn betaald vanaf het ABN-AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [betrokkene 12] . De facturen van 14 juni 2016 en 29 juni 2016 zijn per pin betaald op de vestiging van All Safe. De overige facturen zijn contant op de vestiging van All Safe betaald. Vanaf 6 juli 2016 zijn de facturen niet meer betaald. Op afbeeldingen van twee bankafschriften van de ABN-AMRO bankrekening [rekeningnummer 2] van [betrokkene 12] zijn de betalingen aan All Safe te zien, te weten twee keer € 355,71 op 31 mei 2016 en € 355,71 op 29 juni 2016. Het hof stelt vast dat uit het kasboek ook blijkt dat er met de kasgelden is betaald voor de huur van de opslagbox bij All Safe en dat deze opslagbox – gelet op de persoonlijke spullen die daar van de verdachte zijn aangetroffen – in gebruik was bij de verdachte. De verklaring van de verdachte dat de opslagbox kennelijk door [betrokkene 4] is gebruikt voor de opslag van zijn spullen uit de [adres 1] die [betrokkene 4] op zijn verzoek uit de woning zou hebben gehaald, schuift het hof – onder verwijzing naar wat al hierboven is overwogen ten aanzien van die verklaring alsmede het gegeven dat de opslagbox op naam van een derde staat – als ongeloofwaardig terzijde. Versluierd taalgebruik Volgens de politie wordt in de kasboeken op een versluierde manier genoteerd, namelijk door gebruik te maken van gefingeerde namen en onduidelijke omschrijvingen, zoals bijvoorbeeld “ontvangen vriend” en “50 duizend Largo”. Tussenconclusie Het hof leidt uit dit bewijs af dat het de bedoeling was dat de verdachte niet (administratief) naar de [adres 1] en de opslagbox herleid zou kunnen worden. Tenaamstelling of betalingen door een ander zonder dat daarvoor een aannemelijke verklaring wordt gegeven, wijzen erop dat daarmee eigendom wordt verhuld. Het hof concludeert voorts dat in de kasboeken de inkomsten en uitgaven versluierd zijn aangegeven, waardoor de herkomst en de bestemmingen van de geldbedragen – op basis van alleen de notities in de kasboeken – voor derden niet herleidbaar zijn naar specifieke personen. Zo is er geen sprake van een duidelijke en uitgebreide administratie waarin de volledige namen van de ontvangers worden genoteerd. Versluierd taalgebruik is een indicator voor witwassen omdat het dient ter verhulling. Het hof heeft in de dossierstukken geen aanwijzingen gevonden dat dit geld een legale herkomst had. De hiervoor beschreven feiten en omstandigheden wijzen er op dat de geldbedragen met een totaal van € 10.132.703,00 die de verdachte en de personen die voor hem werkten voorhanden hebben gehad, van misdrijf afkomstig waren. Contante geldbedragen van € 1.462.440,00 (aangetroffen in de woning van [betrokkene 4] ) en € 46.190,65 (aangetroffen bij de aanhouding van de verdachte) Tijdens de doorzoeking van de woning van [betrokkene 4] aan de [adres 3] in Amstelveen op 5 juli 2016 is in een doos met opschrift ‘Louis Vuitton’ € 1.186.500,00 aangetroffen, bestaande uit € 500,00 biljetten. Daarnaast werd in een kartonnen doos in de kantoorruimte € 2.75.940,00 aangetroffen, bestaande uit onder meer drie € 500,00 biljetten. Het totaalbedrag is € 1.462.440,00. Op 1 maart 2016 vraagt [betrokkene 4] in een telefoongesprek met [betrokkene 17] of ze wil kijken ‘hoeveel T-shirts er liggen’ en vraagt [betrokkene 17] aan [betrokkene 4] ‘of hij het maandelijks meeneemt’. [betrokkene 4] kondigt aan ‘dat hij zo [bijnaam 31] langs stuurt om dat te brengen’. Die avond wordt [betrokkene 17] om 21:15 uur gebeld door een man die zegt dat hij over een kwartier bij haar is. Het telefoonnummer blijkt in gebruik te zijn bij [betrokkene 12] . Door een observatieteam is gezien dat om 21:51 uur [betrokkene 12] de woning van [betrokkene 4] verlaat. Een dag later praten [betrokkene 17] en [betrokkene 4] over T-shirts en vraagt [betrokkene 4] : “Maar gisteren, [bijnaam 31] heeft je wat gebracht maar hoeveel ligt er nog van daarvoor?”. [betrokkene 17] heeft bij de politie verklaard dat het gesprek over geld ging. Uit het in de woning van [betrokkene 4] aangetroffen kasboek en de losse notities blijkt dat op sommige momenten zeer veel geld in de kas aanwezig was. Zo is in de periode van 2 maart 2015 tot en met 7 juni 2015 een bedrag van minimaal € 3.195.000,00 in de kas voorhanden geweest en op 18 juli 2016 € 2.398.500,00. Op het moment dat de verdachte op 20 oktober 2017 in Chili werd aangehouden, was hij in het bezit van 6.668.236 Chileense peso (omgerekend naar euro: € 8.955,70) en 5.910 Unites Arab Emirates Dirham (omgerekend naar euro: € 1.308,85). Ook had de verdachte € 35.926,10 in zijn bezit, bestaande uit onder meer coupures van € 100,00, € 200,00 en € 500,00. Tussenconclusie Uit het kasboek dat [betrokkene 4] in het kader van zijn werkzaamheden voor de verdachte bijhield – waarvan het hof al heeft vastgesteld dat het volledig de boekhouding van de organisatie van de verdachte betreft – blijkt dat er op sommige momenten zeer veel contant geld in de kas aanwezig was. Gelet daarop alsmede op het telefoongesprek tussen [betrokkene 17] en [betrokkene 4] en de observatie van de voor de verdachte werkzame [betrokkene 12] op 1 maart 2016, is het hof van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [betrokkene 4] het in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 1.462.440,00 in het kader van zijn werkzaamheden voor de verdachte voorhanden had. Het geldbedrag bestond mede uit zeer grote coupures. De dossierstukken bieden geen aanwijzingen dat dit geld een legale herkomst had.
Volledig
De verdachte heeft deze verklaring ten overstaan van het hof bevestigd. Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig. In de woning zijn veel persoonlijke spullen aangetroffen die aan de verdachte kunnen worden gekoppeld. Hij heeft bovendien tijdens de uitleveringszitting in Chili een andere verklaring afgelegd, namelijk dat hij het appartement had overgedragen aan zijn zus en zwager (documentcode 10987817, pagina A 6511) en tijdens zijn aanhouding in een ander onderzoek in 2012 weer een andere verklaring afgelegd, namelijk dat hij bij zijn moeder en zus verbleef als hij in Nederland was. Tijdens die aanhouding had de verdachte bovendien documenten bij zich waaruit bleek dat de [adres 1] in Amsterdam nog steeds zijn woning betrof. Gelet op de wisselende verklaringen – in samenhang met het energiecontract bij Nuon dat op naam van de verdachte is gesteld, de persoonlijke spullen die in de woning zijn aangetroffen en de bevindingen in het kader van zijn aanhouding in 2012 – stelt het hof vast dat de woning aan de [adres 1] in Amsterdam feitelijk nog steeds aan de verdachte toebehoorde. De verklaring van de verdachte – inhoudende dat de woning door [betrokkene 4] werd gebruikt, dat hij aan hem had gevraagd om de spullen van hem weg te halen die niet door anderen gezien of meegenomen mochten worden en hij daarom niet weet waarom er nog persoonlijke spullen van hem in de woning lagen – schuift het hof dan ook als ongeloofwaardig terzijde. All Safe opslagbox In het kasboek van [betrokkene 12] staat verder genoteerd dat op 30 juni 2016 € 2.500,00 uit de kas is opgenomen met de omschrijving ‘appartement, elektra, box’ (de Nederlandse vertaling van het Spaanse ‘depa lux box’ (bijlage 1 op pagina A 1372). Op 5 juli 2016 vond een doorzoeking plaats in de opslagruimte met nummer [nummer 1] van het bedrijf Mini opslag All Safe. In deze opslagruimte zijn meerdere goederen gevonden die kunnen worden gelieerd aan de verdachte, zoals een op zijn naam gesteld (verlopen) Nederlands paspoort, een paspoort op naam van zijn vriendin [betrokkene 15] en twee foto’s van de verdachte en een vrouw. In de opslagruimte is ook een scooter Piaggio voorzien van het kenteken [kenteken 3] aangetroffen. Deze scooter is volgens de Rijksdienst voor het Wegverkeer op naam gesteld van de verdachte. Het huurcontract van de opslagruimte [nummer 1] stond vanaf 4 mei 2010 op naam van [betrokkene 16] . De facturen van 14 april 2016 en 15 mei 2016 zijn betaald vanaf het ABN-AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [betrokkene 12] . De facturen van 14 juni 2016 en 29 juni 2016 zijn per pin betaald op de vestiging van All Safe. De overige facturen zijn contant op de vestiging van All Safe betaald. Vanaf 6 juli 2016 zijn de facturen niet meer betaald. Op afbeeldingen van twee bankafschriften van de ABN-AMRO bankrekening [rekeningnummer 2] van [betrokkene 12] zijn de betalingen aan All Safe te zien, te weten twee keer € 355,71 op 31 mei 2016 en € 355,71 op 29 juni 2016. Het hof stelt vast dat uit het kasboek ook blijkt dat er met de kasgelden is betaald voor de huur van de opslagbox bij All Safe en dat deze opslagbox – gelet op de persoonlijke spullen die daar van de verdachte zijn aangetroffen – in gebruik was bij de verdachte. De verklaring van de verdachte dat de opslagbox kennelijk door [betrokkene 4] is gebruikt voor de opslag van zijn spullen uit de [adres 1] die [betrokkene 4] op zijn verzoek uit de woning zou hebben gehaald, schuift het hof – onder verwijzing naar wat al hierboven is overwogen ten aanzien van die verklaring alsmede het gegeven dat de opslagbox op naam van een derde staat – als ongeloofwaardig terzijde. Versluierd taalgebruik Volgens de politie wordt in de kasboeken op een versluierde manier genoteerd, namelijk door gebruik te maken van gefingeerde namen en onduidelijke omschrijvingen, zoals bijvoorbeeld “ontvangen vriend” en “50 duizend Largo”. Tussenconclusie Het hof leidt uit dit bewijs af dat het de bedoeling was dat de verdachte niet (administratief) naar de [adres 1] en de opslagbox herleid zou kunnen worden. Tenaamstelling of betalingen door een ander zonder dat daarvoor een aannemelijke verklaring wordt gegeven, wijzen erop dat daarmee eigendom wordt verhuld. Het hof concludeert voorts dat in de kasboeken de inkomsten en uitgaven versluierd zijn aangegeven, waardoor de herkomst en de bestemmingen van de geldbedragen – op basis van alleen de notities in de kasboeken – voor derden niet herleidbaar zijn naar specifieke personen. Zo is er geen sprake van een duidelijke en uitgebreide administratie waarin de volledige namen van de ontvangers worden genoteerd. Versluierd taalgebruik is een indicator voor witwassen omdat het dient ter verhulling. Het hof heeft in de dossierstukken geen aanwijzingen gevonden dat dit geld een legale herkomst had. De hiervoor beschreven feiten en omstandigheden wijzen er op dat de geldbedragen met een totaal van € 10.132.703,00 die de verdachte en de personen die voor hem werkten voorhanden hebben gehad, van misdrijf afkomstig waren. Contante geldbedragen van € 1.462.440,00 (aangetroffen in de woning van [betrokkene 4] ) en € 46.190,65 (aangetroffen bij de aanhouding van de verdachte) Tijdens de doorzoeking van de woning van [betrokkene 4] aan de [adres 3] in Amstelveen op 5 juli 2016 is in een doos met opschrift ‘Louis Vuitton’ € 1.186.500,00 aangetroffen, bestaande uit € 500,00 biljetten. Daarnaast werd in een kartonnen doos in de kantoorruimte € 2.75.940,00 aangetroffen, bestaande uit onder meer drie € 500,00 biljetten. Het totaalbedrag is € 1.462.440,00. Op 1 maart 2016 vraagt [betrokkene 4] in een telefoongesprek met [betrokkene 17] of ze wil kijken ‘hoeveel T-shirts er liggen’ en vraagt [betrokkene 17] aan [betrokkene 4] ‘of hij het maandelijks meeneemt’. [betrokkene 4] kondigt aan ‘dat hij zo [bijnaam 31] langs stuurt om dat te brengen’. Die avond wordt [betrokkene 17] om 21:15 uur gebeld door een man die zegt dat hij over een kwartier bij haar is. Het telefoonnummer blijkt in gebruik te zijn bij [betrokkene 12] . Door een observatieteam is gezien dat om 21:51 uur [betrokkene 12] de woning van [betrokkene 4] verlaat. Een dag later praten [betrokkene 17] en [betrokkene 4] over T-shirts en vraagt [betrokkene 4] : “Maar gisteren, [bijnaam 31] heeft je wat gebracht maar hoeveel ligt er nog van daarvoor?”. [betrokkene 17] heeft bij de politie verklaard dat het gesprek over geld ging. Uit het in de woning van [betrokkene 4] aangetroffen kasboek en de losse notities blijkt dat op sommige momenten zeer veel geld in de kas aanwezig was. Zo is in de periode van 2 maart 2015 tot en met 7 juni 2015 een bedrag van minimaal € 3.195.000,00 in de kas voorhanden geweest en op 18 juli 2016 € 2.398.500,00. Op het moment dat de verdachte op 20 oktober 2017 in Chili werd aangehouden, was hij in het bezit van 6.668.236 Chileense peso (omgerekend naar euro: € 8.955,70) en 5.910 Unites Arab Emirates Dirham (omgerekend naar euro: € 1.308,85). Ook had de verdachte € 35.926,10 in zijn bezit, bestaande uit onder meer coupures van € 100,00, € 200,00 en € 500,00. Tussenconclusie Uit het kasboek dat [betrokkene 4] in het kader van zijn werkzaamheden voor de verdachte bijhield – waarvan het hof al heeft vastgesteld dat het volledig de boekhouding van de organisatie van de verdachte betreft – blijkt dat er op sommige momenten zeer veel contant geld in de kas aanwezig was. Gelet daarop alsmede op het telefoongesprek tussen [betrokkene 17] en [betrokkene 4] en de observatie van de voor de verdachte werkzame [betrokkene 12] op 1 maart 2016, is het hof van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [betrokkene 4] het in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 1.462.440,00 in het kader van zijn werkzaamheden voor de verdachte voorhanden had. Het geldbedrag bestond mede uit zeer grote coupures. De dossierstukken bieden geen aanwijzingen dat dit geld een legale herkomst had.