Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-03-25
ECLI:NL:GHAMS:2026:828
Strafrecht
Raadkamer
3,129 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:828 text/xml public 2026-03-30T16:33:53 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-25 000508-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:828 text/html public 2026-03-30T16:32:14 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:828 Gerechtshof Amsterdam , 25-03-2026 / 000508-25 GHAMS BRR - begrip ‘raadsman’ in artikel 530 lid 2 Sv - paralegal beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000508-25 (530 Sv) rekestnummer artikel-12-procedure: K24/230124 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.A.M. Janssen, Alexanderstraat 21, 2514 JM Den Haag. 1 Procesverloop Het verzoekschrift is op 5 augustus 2025 ingekomen. De advocaat-generaal heeft zijn standpunt vooraf aan de raadkamer aan het hof en de advocaat toegezonden. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de verzoekschriftprocedure en de beklagzaak met voormeld rekestnummer en heeft op 11 februari 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen. 2. Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de artikel-12-procedure ten bedrage van € 9.129,45; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van deze verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00. 3 Beoordeling van het verzoek Bij beschikking van dit hof van 22 mei 2025 in de beklagprocedure ex artikel 12 Sv, in welke procedure verzoeker beklaagde was, is het beklag afgewezen en is de zaak geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. Verzocht is om een vergoeding van de kosten rechtsbijstand verleend door een advocaat alsmede een zogenoemde paralegal. In zijn arrest van 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:344, heeft de Hoge Raad overwogen dat: “3.4 Als een zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan op grond van artikel 530 lid 2 Sv aan de gewezen verdachte uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman. 3.5.1 Aan het begrip ‘raadsman’ in artikel 530 lid 2 Sv komt geen andere betekenis toe dan dat begrip heeft in artikel 37 Sv. Onder de in artikel 530 lid 2 Sv bedoelde kosten van een raadsman kunnen daarom alleen worden begrepen de kosten die zijn gemaakt door een advocaat die is ingeschreven op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten, of die overeenkomstig artikel 37 lid 2 Sv als raadsman is toegelaten. Deze regeling hangt ermee samen dat in strafzaken de verlening van rechtsbijstand plaatsvindt door een advocaat (vgl. artikel 28 Sv), waarbij die rechtsbijstandverlening is omgeven met waarborgen die er in het bijzonder in bestaan dat een advocaat is gebonden aan de wet- en regelgeving die op het optreden als advocaat van toepassing zijn en is onderworpen aan het tuchtrecht. 3.5.2 Hieruit volgt dat onder de kosten van een raadsman als bedoeld in artikel 530 lid 2 Sv ook niet kunnen worden begrepen de kosten van degene die op grond van artikel 398, aanhef en onder 2°, Sv de verdachte vertegenwoordigt op de terechtzitting in de strafzaak bij de kantonrechter. De in die bepaling genoemde vertegenwoordiging door een gemachtigde kan immers niet worden gelijkgesteld met het verlenen van rechtsbijstand door een raadsman (vgl. HR 14 november 1932, ECLI:NL:HR:1932:258).” De advocaat van verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat ook de kosten rechtsbijstand verleend door de paralegal voor vergoeding in aanmerking komen. Voornoemd arrest van de Hoge Raad is hier volgens verzoeker niet zonder meer toepasbaar. De rechtsbijstandverlener was in voornoemd arrest een zelfstandig optredend juridisch adviseur terwijl de paralegal in deze zaak werkte onder verantwoordelijkheid van een advocaat. De werkzaamheden van de paralegal vallen daarom onder het bereik van het tuchtrecht. Indien het hof tot een ander oordeel zou komen is subsidiair door de advocaat van verzoeker verzocht hierover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad ziet het hof geen grondslag voor een vergoeding van kosten rechtsbijstand verleend door een paralegal. In hetgeen is aangevoerd ziet het hof evenmin aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. Het hof zal verzoeker in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van: kosten rechtsbijstand ten behoeve van de beklagprocedure ex artikel 12 Sv tot een bedrag van € 7.193,45; kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00. 4 Beslissing Het hof : Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek voor zover om vergoeding van kosten van rechtsbijstand wordt verzocht die is verleend door een paralegal. Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 7.873,45 (zevenduizend achthonderddrieënzeventig euro en vijfenveertig cent). Wijst het anders of meer verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.L. Bruinsma, H.A. van Eijk en P.J. van Eekeren, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 25 maart 2026. De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 7.873,45 (zevenduizend achthonderddrieënzeventig euro en vijfenveertig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. [verzoeker] o.v.v. art. 530-verzoek. Amsterdam, 25 maart 2026, mr. J.L. Bruinsma, voorzitter.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:828 text/xml public 2026-05-14T10:02:59 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-25 000508-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl NJFS 2026/116 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:828 text/html public 2026-03-30T16:32:14 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:828 Gerechtshof Amsterdam , 25-03-2026 / 000508-25 GHAMS BRR - begrip ‘raadsman’ in artikel 530 lid 2 Sv - paralegal beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000508-25 (530 Sv) rekestnummer artikel-12-procedure: K24/230124 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.A.M. Janssen, Alexanderstraat 21, 2514 JM Den Haag. 1 Procesverloop Het verzoekschrift is op 5 augustus 2025 ingekomen. De advocaat-generaal heeft zijn standpunt vooraf aan de raadkamer aan het hof en de advocaat toegezonden. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de verzoekschriftprocedure en de beklagzaak met voormeld rekestnummer en heeft op 11 februari 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen. 2. Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de artikel-12-procedure ten bedrage van € 9.129,45; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van deze verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00. 3 Beoordeling van het verzoek Bij beschikking van dit hof van 22 mei 2025 in de beklagprocedure ex artikel 12 Sv, in welke procedure verzoeker beklaagde was, is het beklag afgewezen en is de zaak geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. Verzocht is om een vergoeding van de kosten rechtsbijstand verleend door een advocaat alsmede een zogenoemde paralegal. In zijn arrest van 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:344, heeft de Hoge Raad overwogen dat: “3.4 Als een zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan op grond van artikel 530 lid 2 Sv aan de gewezen verdachte uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman. 3.5.1 Aan het begrip ‘raadsman’ in artikel 530 lid 2 Sv komt geen andere betekenis toe dan dat begrip heeft in artikel 37 Sv. Onder de in artikel 530 lid 2 Sv bedoelde kosten van een raadsman kunnen daarom alleen worden begrepen de kosten die zijn gemaakt door een advocaat die is ingeschreven op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten, of die overeenkomstig artikel 37 lid 2 Sv als raadsman is toegelaten. Deze regeling hangt ermee samen dat in strafzaken de verlening van rechtsbijstand plaatsvindt door een advocaat (vgl. artikel 28 Sv), waarbij die rechtsbijstandverlening is omgeven met waarborgen die er in het bijzonder in bestaan dat een advocaat is gebonden aan de wet- en regelgeving die op het optreden als advocaat van toepassing zijn en is onderworpen aan het tuchtrecht. 3.5.2 Hieruit volgt dat onder de kosten van een raadsman als bedoeld in artikel 530 lid 2 Sv ook niet kunnen worden begrepen de kosten van degene die op grond van artikel 398, aanhef en onder 2°, Sv de verdachte vertegenwoordigt op de terechtzitting in de strafzaak bij de kantonrechter. De in die bepaling genoemde vertegenwoordiging door een gemachtigde kan immers niet worden gelijkgesteld met het verlenen van rechtsbijstand door een raadsman (vgl. HR 14 november 1932, ECLI:NL:HR:1932:258).” De advocaat van verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat ook de kosten rechtsbijstand verleend door de paralegal voor vergoeding in aanmerking komen. Voornoemd arrest van de Hoge Raad is hier volgens verzoeker niet zonder meer toepasbaar. De rechtsbijstandverlener was in voornoemd arrest een zelfstandig optredend juridisch adviseur terwijl de paralegal in deze zaak werkte onder verantwoordelijkheid van een advocaat. De werkzaamheden van de paralegal vallen daarom onder het bereik van het tuchtrecht. Indien het hof tot een ander oordeel zou komen is subsidiair door de advocaat van verzoeker verzocht hierover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad ziet het hof geen grondslag voor een vergoeding van kosten rechtsbijstand verleend door een paralegal. In hetgeen is aangevoerd ziet het hof evenmin aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. Het hof zal verzoeker in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van: kosten rechtsbijstand ten behoeve van de beklagprocedure ex artikel 12 Sv tot een bedrag van € 7.193,45; kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00. 4 Beslissing Het hof : Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek voor zover om vergoeding van kosten van rechtsbijstand wordt verzocht die is verleend door een paralegal. Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 7.873,45 (zevenduizend achthonderddrieënzeventig euro en vijfenveertig cent). Wijst het anders of meer verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.L. Bruinsma, H.A. van Eijk en P.J. van Eekeren, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 25 maart 2026. De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 7.873,45 (zevenduizend achthonderddrieënzeventig euro en vijfenveertig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. [verzoeker] o.v.v. art. 530-verzoek. Amsterdam, 25 maart 2026, mr. J.L. Bruinsma, voorzitter.