Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-01-13
ECLI:NL:GHAMS:2026:793
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
12,054 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:793 text/xml public 2026-03-25T16:11:27 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-01-13 24/3255 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032506 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:793 text/html public 2026-03-23T16:38:03 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:793 Gerechtshof Amsterdam , 13-01-2026 / 24/3255 Omzetbelasting. Het Hof oordeelt dat belanghebbende met de levering van twee bouwkavels heeft gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting. GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/3255 13 januari 2026 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z], belanghebbende, (gemachtigde: mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen) tegen de uitspraak van 8 mei 2024 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in de zaak met kenmerk HAA 21/6251 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur. 1 Procesverloop 1.1. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende, betreffende een voldoening op aangifte van omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019, ongegrond verklaard. 1.2. Na het instellen van hoger beroep door belanghebbende hebben partijen de volgende stukken ingediend: een nadere motivering van het hoger beroep door belanghebbende, en een verweerschrift door de inspecteur. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “1. Eiser staat sinds 23 december 2003 bij verweerder geregistreerd als ondernemer voor de omzetbelasting in verband met de verhuur van onroerend goed. 2. Eiser heeft op 18 juni 2007 een landgoed met opstallen (de onroerende zaak) in eigendom verkregen. Eén van de opstallen betreft een monumentenpand. In de akte van levering van 15 juni 2007, waarin eiser als koper is aangeduid, staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “Koopakte Blijkens een op acht december tweeduizend zes door Koper en Verkoper getekende koopakte (ook aangeduid als: de ' Koopovereenkomst ') heeft Verkoper verkocht en levert op grond daarvan in volle eigendom aan Koper, die van Verkoper heeft gekocht en bij deze in volle eigendom aanvaardt het hierna te omschrijven registergoed. (…) Omschrijving registergoed [De onroerende zaak] bestaande uit een hoofd woonhuis met aangebouwde veestal, twee arbeiderswoningen, een molen, een woonhuis zogenaamd "[naam huis]", tijdelijke bungalow, diverse bedrijfsopstallen staande en gelegen te [plaatsnaam] (…).” 3. Op 25 november 2008 is in het Algemeen Dagblad een artikel verschenen met als kop “Ambitieuze plannen voor opknapbeurt historisch [de onroerende zaak] ". In dat artikel staat onder meer: “De nieuwe eigenaar wil de molen volgend jaar restaureren en maalvaardig malen. (…) Verder wil hij het [naam huis] opknappen, uitbreiden en er een kantoor in vestigen. De boerderij met stal wordt eveneens gerestaureerd en krijgt de functie van burgerwoning. De bijgebouwen gaan plat om plaats te maken voor een grote schuur. De drie huisjes maken plaats voor zes vrijstaande woningen aan het water. (…) Het bestemmingsplan moet worden veranderd om de bouw van nieuwe woningen mogelijk te maken en het [naam huis] te veranderen in een kantoor. Aan de landerijen in het poldertje verandert op korte termijn niets.” 4. Eiser heeft de molen op het landgoed via de gemeente tegen een verkoopprijs van € 1 overgedragen aan een molenstichting. In dat kader heeft eiser een intentieovereenkomst gesloten met de gemeente waarin ook is afgesproken dat de gemeente voor de onroerende zaak een beeldkwaliteitsplan zou opstellen ten behoeve van het (te wijzigen) bestemmingsplan voor de onroerende zaak. 5. In 2013 en 2014 hebben aan het monumentenpand diverse verbouwingen en restauraties plaatsgevonden. Deze werkzaamheden zijn in 2014 afgerond, waarna eiser in het pand is gaan wonen. De arbeiderswoningen op het landgoed heeft eiser eind 2013 / begin 2014 laten slopen. Op die locatie zijn vier bouwkavels gerealiseerd om te verkopen. Voor de verkoop van de kavels is een makelaar ingeschakeld. Eiser heeft archeologisch bodemonderzoek laten uitvoeren en voordat de kavels zijn verkocht, een vijver laten aanleggen tussen zijn woning en de kavels, en heeft de oude toegangsweg richting de vier kavels opnieuw laten verharden. 6. Bij brief van 14 februari 2017 is namens eiser verzocht om btw-teruggaaf over de tijdvakken 2013 en 2014 voor een bedrag van € 46.060 (2013: € 2.289 en 2014: € 43.771). Eiser en verweerder hebben in september 2017 een vaststellingsovereenkomst voor de inkomstenbelasting en de omzetbelasting voor de jaren 2013 en 2014 gesloten waarbij een btw-teruggaaf van € 37.981 (2013: € 2.289 en 2014: € 35.692) is overeengekomen. 7. In de door eiser op 27 augustus 2018 ondertekende koopovereenkomst inzake de verkoop van één van de bouwkavels (bouwkavel nummer 2) waarin eiser wordt aangeduid als verkoper, staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “ Verkochte: een bouwkavel bestemd voor de bouw van een eengezinswoning, aangeduid met kavel 2 in de aan Koper ter hand gestelde verkoopdocumentatie van het project [A] , groot circa negen (9) are en (50) ca, gelegen te [plaatsnaam] (…) , alsmede het een/vierde (1/4) onverdeeld aandeel in het naburig mandelig perceel ten behoeve van de toegangsweg en de parkeerplaats; (…) Artikel 14 Bouw- en woonrijp maken bouwkavel 14.1. Koper aanvaardt het verkochte in de feitelijke situatie zoals deze is op het moment van ondertekenen van deze Koopovereenkomst. Het Verkochte zal tot aan de perceelsgrens aangesloten worden op de openbare leidingen voor water, energie en riolering, waartoe Verkoper zal overgaan zodra ten aanzien van ten minste drie van de vier kavels een koopovereenkomst is getekend. Zodra aan de in de vorige zin bedoelde voorwaarde is voldaan, zal Verkoper trachten hiervoor zorg te dragen vóór de Overdrachtsdatum. Alle werkzaamheden om de grond van het Verkochte geschikt te maken voor de bouw van de woning, waaronder begrepen de hiervoor in dit lid genoemde werkzaamheden, zijn voor rekening van Verkoper. 14.2. De route voor het bouwverkeer is reeds aangelegd en gelegen op het mandelige terrein. Na realisatie van alle vier de eengezinswoningen zal Verkoper zorgdragen voor het aanbrengen van een verharding op deze toegangsweg, alsmede voor verlichting van de toegangsweg voor zover het bestemmingsplan en/of het beeldkwaliteitsplan dit toelaat.” Overeenkomstig artikel 14 van deze koopovereenkomst zijn in opdracht en voor rekening van eiser nutsvoorzieningen aangelegd. 8. In de akte van levering van 6 juni 2019 inzake bouwkavel 2 is onder meer opgenomen dat eiser en de kopers zekerheidshalve het standpunt innemen dat de levering van rechtswege belast is met omzetbelasting krachtens het bepaalde in artikel 11, eerste lid, aanhef en sub a onder 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), aangezien het verkochte onbebouwde grond betreft en de kopers het voornemen hebben deze te bebouwen met een eengezinswoning met toebehoren. Ter zake van de overdrachtsbelasting wordt in verband met het vorenstaande een beroep gedaan op de vrijstelling, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en sub a van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970. 9. Eiser heeft in het tweede kwartaal van 2019 de eerste twee bouwkavels geleverd. Hiervoor heeft hij zekerheidshalve in totaal een bedrag van € 247.314 aan verschuldigde omzetbelasting in zijn aangifte omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2019 aangegeven en daarbij een bedrag van € 27.927 aan voorbelasting in aftrek gebracht dat betrekking had op deze bouwkavels.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:793 text/xml public 2026-04-07T14:33:04 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-01-13 24/3255 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032506 V-N Vandaag 2026/581 FutD 2026-0550 NDFR Nieuws 2026/523 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:793 text/html public 2026-03-23T16:38:03 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:793 Gerechtshof Amsterdam , 13-01-2026 / 24/3255 Omzetbelasting. Het Hof oordeelt dat belanghebbende met de levering van twee bouwkavels heeft gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting. GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/3255 13 januari 2026 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z], belanghebbende, (gemachtigde: mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen) tegen de uitspraak van 8 mei 2024 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in de zaak met kenmerk HAA 21/6251 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur. 1 Procesverloop 1.1. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende, betreffende een voldoening op aangifte van omzetbelasting over het tweede kwartaal 2019, ongegrond verklaard. 1.2. Na het instellen van hoger beroep door belanghebbende hebben partijen de volgende stukken ingediend: een nadere motivering van het hoger beroep door belanghebbende, en een verweerschrift door de inspecteur. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “1. Eiser staat sinds 23 december 2003 bij verweerder geregistreerd als ondernemer voor de omzetbelasting in verband met de verhuur van onroerend goed. 2. Eiser heeft op 18 juni 2007 een landgoed met opstallen (de onroerende zaak) in eigendom verkregen. Eén van de opstallen betreft een monumentenpand. In de akte van levering van 15 juni 2007, waarin eiser als koper is aangeduid, staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “Koopakte Blijkens een op acht december tweeduizend zes door Koper en Verkoper getekende koopakte (ook aangeduid als: de ' Koopovereenkomst ') heeft Verkoper verkocht en levert op grond daarvan in volle eigendom aan Koper, die van Verkoper heeft gekocht en bij deze in volle eigendom aanvaardt het hierna te omschrijven registergoed. (…) Omschrijving registergoed [De onroerende zaak] bestaande uit een hoofd woonhuis met aangebouwde veestal, twee arbeiderswoningen, een molen, een woonhuis zogenaamd "[naam huis]", tijdelijke bungalow, diverse bedrijfsopstallen staande en gelegen te [plaatsnaam] (…).” 3. Op 25 november 2008 is in het Algemeen Dagblad een artikel verschenen met als kop “Ambitieuze plannen voor opknapbeurt historisch [de onroerende zaak] ". In dat artikel staat onder meer: “De nieuwe eigenaar wil de molen volgend jaar restaureren en maalvaardig malen. (…) Verder wil hij het [naam huis] opknappen, uitbreiden en er een kantoor in vestigen. De boerderij met stal wordt eveneens gerestaureerd en krijgt de functie van burgerwoning. De bijgebouwen gaan plat om plaats te maken voor een grote schuur. De drie huisjes maken plaats voor zes vrijstaande woningen aan het water. (…) Het bestemmingsplan moet worden veranderd om de bouw van nieuwe woningen mogelijk te maken en het [naam huis] te veranderen in een kantoor. Aan de landerijen in het poldertje verandert op korte termijn niets.” 4. Eiser heeft de molen op het landgoed via de gemeente tegen een verkoopprijs van € 1 overgedragen aan een molenstichting. In dat kader heeft eiser een intentieovereenkomst gesloten met de gemeente waarin ook is afgesproken dat de gemeente voor de onroerende zaak een beeldkwaliteitsplan zou opstellen ten behoeve van het (te wijzigen) bestemmingsplan voor de onroerende zaak. 5. In 2013 en 2014 hebben aan het monumentenpand diverse verbouwingen en restauraties plaatsgevonden. Deze werkzaamheden zijn in 2014 afgerond, waarna eiser in het pand is gaan wonen. De arbeiderswoningen op het landgoed heeft eiser eind 2013 / begin 2014 laten slopen. Op die locatie zijn vier bouwkavels gerealiseerd om te verkopen. Voor de verkoop van de kavels is een makelaar ingeschakeld. Eiser heeft archeologisch bodemonderzoek laten uitvoeren en voordat de kavels zijn verkocht, een vijver laten aanleggen tussen zijn woning en de kavels, en heeft de oude toegangsweg richting de vier kavels opnieuw laten verharden. 6. Bij brief van 14 februari 2017 is namens eiser verzocht om btw-teruggaaf over de tijdvakken 2013 en 2014 voor een bedrag van € 46.060 (2013: € 2.289 en 2014: € 43.771). Eiser en verweerder hebben in september 2017 een vaststellingsovereenkomst voor de inkomstenbelasting en de omzetbelasting voor de jaren 2013 en 2014 gesloten waarbij een btw-teruggaaf van € 37.981 (2013: € 2.289 en 2014: € 35.692) is overeengekomen. 7. In de door eiser op 27 augustus 2018 ondertekende koopovereenkomst inzake de verkoop van één van de bouwkavels (bouwkavel nummer 2) waarin eiser wordt aangeduid als verkoper, staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “ Verkochte: een bouwkavel bestemd voor de bouw van een eengezinswoning, aangeduid met kavel 2 in de aan Koper ter hand gestelde verkoopdocumentatie van het project [A] , groot circa negen (9) are en (50) ca, gelegen te [plaatsnaam] (…) , alsmede het een/vierde (1/4) onverdeeld aandeel in het naburig mandelig perceel ten behoeve van de toegangsweg en de parkeerplaats; (…) Artikel 14 Bouw- en woonrijp maken bouwkavel 14.1. Koper aanvaardt het verkochte in de feitelijke situatie zoals deze is op het moment van ondertekenen van deze Koopovereenkomst. Het Verkochte zal tot aan de perceelsgrens aangesloten worden op de openbare leidingen voor water, energie en riolering, waartoe Verkoper zal overgaan zodra ten aanzien van ten minste drie van de vier kavels een koopovereenkomst is getekend. Zodra aan de in de vorige zin bedoelde voorwaarde is voldaan, zal Verkoper trachten hiervoor zorg te dragen vóór de Overdrachtsdatum. Alle werkzaamheden om de grond van het Verkochte geschikt te maken voor de bouw van de woning, waaronder begrepen de hiervoor in dit lid genoemde werkzaamheden, zijn voor rekening van Verkoper. 14.2. De route voor het bouwverkeer is reeds aangelegd en gelegen op het mandelige terrein. Na realisatie van alle vier de eengezinswoningen zal Verkoper zorgdragen voor het aanbrengen van een verharding op deze toegangsweg, alsmede voor verlichting van de toegangsweg voor zover het bestemmingsplan en/of het beeldkwaliteitsplan dit toelaat.” Overeenkomstig artikel 14 van deze koopovereenkomst zijn in opdracht en voor rekening van eiser nutsvoorzieningen aangelegd. 8. In de akte van levering van 6 juni 2019 inzake bouwkavel 2 is onder meer opgenomen dat eiser en de kopers zekerheidshalve het standpunt innemen dat de levering van rechtswege belast is met omzetbelasting krachtens het bepaalde in artikel 11, eerste lid, aanhef en sub a onder 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), aangezien het verkochte onbebouwde grond betreft en de kopers het voornemen hebben deze te bebouwen met een eengezinswoning met toebehoren. Ter zake van de overdrachtsbelasting wordt in verband met het vorenstaande een beroep gedaan op de vrijstelling, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en sub a van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970. 9. Eiser heeft in het tweede kwartaal van 2019 de eerste twee bouwkavels geleverd. Hiervoor heeft hij zekerheidshalve in totaal een bedrag van € 247.314 aan verschuldigde omzetbelasting in zijn aangifte omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2019 aangegeven en daarbij een bedrag van € 27.927 aan voorbelasting in aftrek gebracht dat betrekking had op deze bouwkavels.
Volledig
Ter zake van de door hem geleverde bouwkavels heeft eiser dus per saldo een bedrag van € 219.387 (€ 247.314 - € 27.927) aan omzetbelasting voldaan.” Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt daaraan de volgende feiten toe. 2.2. Belanghebbende heeft in het ‘[nieuws]’ (2010) verklaard: “Inmiddels ben ik er al meer dan drie jaar mee bezig”. 2.3. Eind 2014 wordt door belanghebbende met de gemeente en de molenstichting een intentieovereenkomst gesloten waarin het volgende is overeengekomen: - de [molen] wordt voor € 1 via de gemeente overgedragen aan de (molen) stichting [stichting]; - de gemeente zorgt voor het toestaan van bebouwing op vier kavels op de aangewezen delen van het landgoed, alwaar voorheen de drie arbeiderswoningen hebben gestaan. 3 Geschil in hoger beroep Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of belanghebbende terecht omzetbelasting op aangifte heeft voldaan voor de levering van de twee bouwkavels. Dat is het geval als belanghebbende met de levering van de twee bouwkavels heeft gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting. 4 Overwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen: “13. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet OB is sprake van ondernemerschap indien sprake is van de zelfstandige uitoefening van een bedrijf. Op grond van het tweede lid van artikel 7 van de Wet OB wordt de uitoefening van een beroep en de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, gelijkgesteld met de uitoefening van een bedrijf. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8625, volgt dat met het begrip ondernemer niets anders wordt bedoeld dan met het begrip belastingplichtige in artikel 9 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de Btw-richtlijn). 14. Uit artikel 12 van de Btw-richtlijn volgt dat op zichzelf geen sprake is van ondernemerschap wanneer een activiteit slechts incidenteel wordt uitgeoefend. Ook volgt uit de jurisprudentie dat de loutere uitoefening van een eigendomsrecht, het beheer van privévermogen, niet tot btw-ondernemerschap leidt. Dat is anders wanneer een persoon actieve stappen zet door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in de zin van artikel 9, eerste lid, tweede alinea, van de Btw-richtlijn aanwendt (HvJ EU 15 september 2011, C-180/10 en C-181/10, Słaby en Kuć, ECLI:EU:C:2011:589). 15. Voor de beantwoording van de vraag of eiser bij de levering van de twee bouwkavels in onderhavig tijdvak heeft gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting is niet van doorslaggevend belang of eiser ten tijde van de aanschaf van de onroerende zaak in 2006/2007 reeds de intentie had om een deel van het landgoed te verkavelen en te verkopen (zie het arrest Kezic van het HvJ EU 9 juli 2015, C-331/14, ECLI:EU:C:2015:456). Het handelen als ondernemer ziet immers op de hoedanigheid waarin iemand de onroerende zaak levert. 16. Vaststaat dat eiser de arbeiderswoningen heeft laten slopen. Daarmee is grond opgeleverd die klaar is voor het bouwen van woningen. Dat, zoals eiser voor het eerst op zitting heeft gesteld, die sloop was ingegeven door overlast maakt dat niet anders. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het bericht in het Algemeen Dagblad uit 2008 (aangehaald bij overweging 3) kan worden afgeleid dat eiser toen reeds de arbeiderswoningen wilde slopen met het oog op de bouw van nieuwe woningen. Eiser heeft verder in het beroepschrift vermeld dat hij met de overdracht van de molen aan de molenstichting, de gemeente bereid heeft gevonden om de bebouwing van de kavels toe te staan. Aldus heeft eiser zich actief ingezet om de woningbouw mogelijk te maken. Ook heeft eiser de toegangsweg richting de kavels laten verharden en daarmee een route gecreëerd voor het bouwverkeer. Ten slotte blijkt uit de koopovereenkomst voor bouwkavel 2 dat eiser de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen om dat bouwkavel bouw- en woonrijp te maken, hetgeen onder meer inhoudt dat eiser zich ertoe heeft verplicht op zijn kosten: - ervoor zorg te dragen dat de bouwkavel (na verkoop van drie van de vier kavels) tot aan de perceelsgrens aangesloten zal worden op de openbare leidingen voor water, energie en riolering, hetgeen eiser ook heeft laten doen; - ( na realisatie van alle vier de woningen) zorg te dragen voor het aanbrengen van een verharding van de toegangsweg op het mandelige terrein, alsmede voor verlichting van de toegangsweg. Met al deze (aangegane verplichtingen tot het uitvoeren van) werkzaamheden heeft eiser stappen gezet die niet passen bij het enkele beheer van privévermogen, maar die moeten worden beschouwd als actieve stappen die vergelijkbaar zijn met stappen die een fabrikant, handelaar of dienstverrichter zou zetten om de beste omstandigheden te creëren met het oog op de verkoop. Gelet op de door eiser gedurende een zekere periode gezette stappen die uiteindelijk hebben geleid of zullen leiden tot de verkoop en levering van de kavels, is sprake van een duurzame activiteit. Eiser heeft dan ook bij de levering van de twee bouwkavels gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting. 17. De stelling van eiser dat hij nimmer voorbelasting met betrekking tot deze kavels heeft afgetrokken, is niet bepalend voor de vraag of eiser bij de levering van de kavels heeft gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting. De rechtbank merkt overigens op dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat, gezien de vaststellingsovereenkomst (zie onder 6), niet kan worden vastgesteld of ter zake inderdaad geen aftrek van voorbelasting heeft plaatsgevonden. 18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.” 5 Beoordeling van het geschil 5.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald dat hij geen handelaar is in onroerend goed. In het onderwerpelijke geval gaat het evenmin om het verrichten van diensten, zodat hij ook niet aangemerkt kan worden als dienstverrichter. Het acteren als fabrikant doet zich niet voor; belanghebbende heeft maar één keer in zijn leven kavels geleverd, welke kavels deel uitmaakten van zijn privébezit, alwaar hij woonde. De stappen die hij daarbij heeft gezet waren gericht op privacyoverwegingen en niet om de verkoop/levering mogelijk te maken. Als dat wel het geval zou zijn geweest, dan had belanghebbende andere besluiten genomen welke financieel aantrekkelijker (goedkoper) zouden zijn geweest, door simpelweg de arbeiderswoningen te laten staan waar ze stonden. Een en ander aldus belanghebbende nog steeds. 5.2. De inspecteur weerspreekt dit betoog en onderschrijft de uitspraak van de rechtbank. Het Hof oordeelt als volgt. 5.3. De rechtbank is in r.o. 13 en 14 van het juiste wettelijke kader uitgegaan. Het Hof zal daar ook van uitgaan. Ook indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de onderwerpelijke kavels deel uitmaakten van het privébezit van belanghebbende, leidt dit niet zonder meer tot het oordeel dat de verkoop van de kavels niet aan omzetbelasting is onderworpen. Het Hof verwijst in dit verband naar HvJ 9 juli 2015, Trgovina Prizma, C‑331/14, ECLI:EU:C:2015:456, r.o. 22, waarin is overwogen dat uit de rechtspraak van het HvJ: “ niet kan worden afgeleid dat de verkoop, door een belastingplichtige, van een stuk grond dat hij voor zijn privévermogen had bestemd, alleen om die reden al niet aan de btw onderworpen is (…)’ en naar HvJ 3 april 2025, Grzera, C-213/24, ECLI:EU:C:2025:238. 5.4. Het Hof zal het geschil beoordelen aan de hand van het kader zoals uiteen gezet in het arrest Slaby & Kuc (HvJ 15 september 2011, C‑180/10 en C‑181/10, ECLI:EU:C:2011:589). In dat arrest is, voor zover hier van belang, overwogen: “36. Volgens de rechtspraak kan de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht op zich niet als een economische activiteit worden beschouwd (…). 37.
Volledig
Ter zake van de door hem geleverde bouwkavels heeft eiser dus per saldo een bedrag van € 219.387 (€ 247.314 - € 27.927) aan omzetbelasting voldaan.” Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt daaraan de volgende feiten toe. 2.2. Belanghebbende heeft in het ‘[nieuws]’ (2010) verklaard: “Inmiddels ben ik er al meer dan drie jaar mee bezig”. 2.3. Eind 2014 wordt door belanghebbende met de gemeente en de molenstichting een intentieovereenkomst gesloten waarin het volgende is overeengekomen: - de [molen] wordt voor € 1 via de gemeente overgedragen aan de (molen) stichting [stichting]; - de gemeente zorgt voor het toestaan van bebouwing op vier kavels op de aangewezen delen van het landgoed, alwaar voorheen de drie arbeiderswoningen hebben gestaan. 3 Geschil in hoger beroep Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of belanghebbende terecht omzetbelasting op aangifte heeft voldaan voor de levering van de twee bouwkavels. Dat is het geval als belanghebbende met de levering van de twee bouwkavels heeft gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting. 4 Overwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen: “13. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet OB is sprake van ondernemerschap indien sprake is van de zelfstandige uitoefening van een bedrijf. Op grond van het tweede lid van artikel 7 van de Wet OB wordt de uitoefening van een beroep en de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, gelijkgesteld met de uitoefening van een bedrijf. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8625, volgt dat met het begrip ondernemer niets anders wordt bedoeld dan met het begrip belastingplichtige in artikel 9 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de Btw-richtlijn). 14. Uit artikel 12 van de Btw-richtlijn volgt dat op zichzelf geen sprake is van ondernemerschap wanneer een activiteit slechts incidenteel wordt uitgeoefend. Ook volgt uit de jurisprudentie dat de loutere uitoefening van een eigendomsrecht, het beheer van privévermogen, niet tot btw-ondernemerschap leidt. Dat is anders wanneer een persoon actieve stappen zet door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in de zin van artikel 9, eerste lid, tweede alinea, van de Btw-richtlijn aanwendt (HvJ EU 15 september 2011, C-180/10 en C-181/10, Słaby en Kuć, ECLI:EU:C:2011:589). 15. Voor de beantwoording van de vraag of eiser bij de levering van de twee bouwkavels in onderhavig tijdvak heeft gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting is niet van doorslaggevend belang of eiser ten tijde van de aanschaf van de onroerende zaak in 2006/2007 reeds de intentie had om een deel van het landgoed te verkavelen en te verkopen (zie het arrest Kezic van het HvJ EU 9 juli 2015, C-331/14, ECLI:EU:C:2015:456). Het handelen als ondernemer ziet immers op de hoedanigheid waarin iemand de onroerende zaak levert. 16. Vaststaat dat eiser de arbeiderswoningen heeft laten slopen. Daarmee is grond opgeleverd die klaar is voor het bouwen van woningen. Dat, zoals eiser voor het eerst op zitting heeft gesteld, die sloop was ingegeven door overlast maakt dat niet anders. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het bericht in het Algemeen Dagblad uit 2008 (aangehaald bij overweging 3) kan worden afgeleid dat eiser toen reeds de arbeiderswoningen wilde slopen met het oog op de bouw van nieuwe woningen. Eiser heeft verder in het beroepschrift vermeld dat hij met de overdracht van de molen aan de molenstichting, de gemeente bereid heeft gevonden om de bebouwing van de kavels toe te staan. Aldus heeft eiser zich actief ingezet om de woningbouw mogelijk te maken. Ook heeft eiser de toegangsweg richting de kavels laten verharden en daarmee een route gecreëerd voor het bouwverkeer. Ten slotte blijkt uit de koopovereenkomst voor bouwkavel 2 dat eiser de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen om dat bouwkavel bouw- en woonrijp te maken, hetgeen onder meer inhoudt dat eiser zich ertoe heeft verplicht op zijn kosten: - ervoor zorg te dragen dat de bouwkavel (na verkoop van drie van de vier kavels) tot aan de perceelsgrens aangesloten zal worden op de openbare leidingen voor water, energie en riolering, hetgeen eiser ook heeft laten doen; - ( na realisatie van alle vier de woningen) zorg te dragen voor het aanbrengen van een verharding van de toegangsweg op het mandelige terrein, alsmede voor verlichting van de toegangsweg. Met al deze (aangegane verplichtingen tot het uitvoeren van) werkzaamheden heeft eiser stappen gezet die niet passen bij het enkele beheer van privévermogen, maar die moeten worden beschouwd als actieve stappen die vergelijkbaar zijn met stappen die een fabrikant, handelaar of dienstverrichter zou zetten om de beste omstandigheden te creëren met het oog op de verkoop. Gelet op de door eiser gedurende een zekere periode gezette stappen die uiteindelijk hebben geleid of zullen leiden tot de verkoop en levering van de kavels, is sprake van een duurzame activiteit. Eiser heeft dan ook bij de levering van de twee bouwkavels gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting. 17. De stelling van eiser dat hij nimmer voorbelasting met betrekking tot deze kavels heeft afgetrokken, is niet bepalend voor de vraag of eiser bij de levering van de kavels heeft gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting. De rechtbank merkt overigens op dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat, gezien de vaststellingsovereenkomst (zie onder 6), niet kan worden vastgesteld of ter zake inderdaad geen aftrek van voorbelasting heeft plaatsgevonden. 18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.” 5 Beoordeling van het geschil 5.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald dat hij geen handelaar is in onroerend goed. In het onderwerpelijke geval gaat het evenmin om het verrichten van diensten, zodat hij ook niet aangemerkt kan worden als dienstverrichter. Het acteren als fabrikant doet zich niet voor; belanghebbende heeft maar één keer in zijn leven kavels geleverd, welke kavels deel uitmaakten van zijn privébezit, alwaar hij woonde. De stappen die hij daarbij heeft gezet waren gericht op privacyoverwegingen en niet om de verkoop/levering mogelijk te maken. Als dat wel het geval zou zijn geweest, dan had belanghebbende andere besluiten genomen welke financieel aantrekkelijker (goedkoper) zouden zijn geweest, door simpelweg de arbeiderswoningen te laten staan waar ze stonden. Een en ander aldus belanghebbende nog steeds. 5.2. De inspecteur weerspreekt dit betoog en onderschrijft de uitspraak van de rechtbank. Het Hof oordeelt als volgt. 5.3. De rechtbank is in r.o. 13 en 14 van het juiste wettelijke kader uitgegaan. Het Hof zal daar ook van uitgaan. Ook indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de onderwerpelijke kavels deel uitmaakten van het privébezit van belanghebbende, leidt dit niet zonder meer tot het oordeel dat de verkoop van de kavels niet aan omzetbelasting is onderworpen. Het Hof verwijst in dit verband naar HvJ 9 juli 2015, Trgovina Prizma, C‑331/14, ECLI:EU:C:2015:456, r.o. 22, waarin is overwogen dat uit de rechtspraak van het HvJ: “ niet kan worden afgeleid dat de verkoop, door een belastingplichtige, van een stuk grond dat hij voor zijn privévermogen had bestemd, alleen om die reden al niet aan de btw onderworpen is (…)’ en naar HvJ 3 april 2025, Grzera, C-213/24, ECLI:EU:C:2025:238. 5.4. Het Hof zal het geschil beoordelen aan de hand van het kader zoals uiteen gezet in het arrest Slaby & Kuc (HvJ 15 september 2011, C‑180/10 en C‑181/10, ECLI:EU:C:2011:589). In dat arrest is, voor zover hier van belang, overwogen: “36. Volgens de rechtspraak kan de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht op zich niet als een economische activiteit worden beschouwd (…). 37.
Volledig
Het aantal en de omvang van de in casu verrichte verkopen zijn op zich niet voor doorslaggevend belang. (…). 38. Het feit dat de betrokkene vóór verkoop het terrein heeft verkaveld om een hogere prijs in het totaal te verkrijgen, de tijdspanne(…), of het bedrag van de ermee verkregen inkomsten zijn evenmin op zich van doorslaggevend belang.(…). 39. Dat ligt evenwel anders wanneer de betrokkene voor de verkoop van onroerend goed actief stappen onderneemt door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke een (…) handelaar (…) aanwendt. 40. Dergelijke actieve stappen kunnen onder meer bestaan in de uitvoering van werken om deze terreinen bouwrijp te maken en het gebruik van beproefde verkooptechnieken. 41. Aangezien dergelijke initiatieven normaal gezien niet passen bij het beheer van een privévermogen, kan de levering van een bouwterrein in een dergelijk geval niet worden beschouwd als de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht.” 5.5. Het Hof is, met de rechtbank (zie r.o. 16), van oordeel dat belanghebbende ‘actieve stappen’ heeft gezet zoals bedoeld in r.o. 39 en 40 van het arrest Slaby & Kuc, onder meer door: het vanaf 2007/2008 overleg voeren met de gemeente met als doel de bouw van nieuwe woningen op het terrein mogelijk te maken (zie r.o. 3 van de uitspraak van de rechtbank en r.o. 2.3); het (in dat kader) laten verrichten van bouwhistorisch/archeologisch bodemonderzoek (zie r.o. 5 van de uitspraak van de rechtbank); het slopen van de oude arbeiderswoningen eind 2013/begin 2014 (zie r.o. 5 van de uitspraak van de rechtbank); het sluiten van de intentieovereenkomst eind 2014 (zie r.o. 2.4); het aanvragen van een wijziging van het bestemmingsplan om de drie arbeiderswoningen te kunnen vervangen door vier bouwkavels; het verharden en verlichten van de oude toegangsweg, nodig voor het (bouw)verkeer van en naar de kavels; de aanleg van een vijver rondom het terrein waarop de kavels zijn gerealiseerd; de aanvaarding en uitvoering door belanghebbende (verkoper) van de verplichting jegens de koper om de kavels bouw- en woonrijp te maken door deze aan te sluiten op de openbare leidingen voor water, energie en riolering (zie r.o. 7 van de uitspraak van de rechtbank); het maken van reclame voor de percelen bij potentiële kopers wat heeft geleid tot de verkoop van twee percelen in het onderhavige tijdvak. 5.6. Aldus heeft belanghebbende zich actief ingezet om de woningbouw mogelijk te maken en het terrein bouwrijp te maken. De rechtbank heeft in r.o. 15 van haar uitspraak terecht overwogen dat de intentie van belanghebbende ten tijde van de aankoop van het landgoed niet van belang is voor de beantwoording van de vraag die partijen verdeeld houdt, mede gelet op de tekst van artikel 9 van de Btw-richtlijn (“ongeacht het oogmerk (…) van die activiteit”). Daarenboven acht het Hof de blote stellingen van belanghebbende dat de hiervoor beschreven stappen niet (mede) zijn gezet met het oog op de verkoop van de kavels, maar enkel uit privacyoverwegingen, welke stellingen door de inspecteur zijn betwist, niet geloofwaardig. 5.7. De door belanghebbende gezette stappen beschreven onder r.o. 5.5 gaan verder dan het verkavelen van een stuk grond ten einde de opbrengst te optimaliseren (zie r.o. 38 van het arrest Slaby & Kuc). In het voorliggende geval is daarom geen sprake van de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht. Daaraan doet, gelet op hetgeen is overwogen in het arrest Slaby en Kuc, niet af dat belanghebbende maar één keer in zijn leven kavels heeft geleverd; ook de incidentele levering van kavels kan, indien die verkopen gepaard gaan met ‘actieve stappen’, niet worden beschouwd als de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht. Belanghebbende, die uit andere hoofde al ondernemer is, heeft daarom bij de levering van de bouwkavels gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting. Daarbij heeft de rechtbank in r.o. 17 van haar uitspraak terecht overwogen dat irrelevant is of belanghebbende al dan niet de voordruk rustend op die werken, wat daar verder ook van zij, in aftrek heeft gebracht. 5.8. Bij die stand is niet in geschil dat belanghebbende een juist bedrag aan omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. Het daartegen gerichte bezwaar van belanghebbende is terecht afgewezen. Slotsom 5.9. Het hoger beroep is ongegrond. 6 Kosten Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. 7 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl . Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl . Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Volledig
Het aantal en de omvang van de in casu verrichte verkopen zijn op zich niet voor doorslaggevend belang. (…). 38. Het feit dat de betrokkene vóór verkoop het terrein heeft verkaveld om een hogere prijs in het totaal te verkrijgen, de tijdspanne(…), of het bedrag van de ermee verkregen inkomsten zijn evenmin op zich van doorslaggevend belang.(…). 39. Dat ligt evenwel anders wanneer de betrokkene voor de verkoop van onroerend goed actief stappen onderneemt door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke een (…) handelaar (…) aanwendt. 40. Dergelijke actieve stappen kunnen onder meer bestaan in de uitvoering van werken om deze terreinen bouwrijp te maken en het gebruik van beproefde verkooptechnieken. 41. Aangezien dergelijke initiatieven normaal gezien niet passen bij het beheer van een privévermogen, kan de levering van een bouwterrein in een dergelijk geval niet worden beschouwd als de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht.” 5.5. Het Hof is, met de rechtbank (zie r.o. 16), van oordeel dat belanghebbende ‘actieve stappen’ heeft gezet zoals bedoeld in r.o. 39 en 40 van het arrest Slaby & Kuc, onder meer door: het vanaf 2007/2008 overleg voeren met de gemeente met als doel de bouw van nieuwe woningen op het terrein mogelijk te maken (zie r.o. 3 van de uitspraak van de rechtbank en r.o. 2.3); het (in dat kader) laten verrichten van bouwhistorisch/archeologisch bodemonderzoek (zie r.o. 5 van de uitspraak van de rechtbank); het slopen van de oude arbeiderswoningen eind 2013/begin 2014 (zie r.o. 5 van de uitspraak van de rechtbank); het sluiten van de intentieovereenkomst eind 2014 (zie r.o. 2.4); het aanvragen van een wijziging van het bestemmingsplan om de drie arbeiderswoningen te kunnen vervangen door vier bouwkavels; het verharden en verlichten van de oude toegangsweg, nodig voor het (bouw)verkeer van en naar de kavels; de aanleg van een vijver rondom het terrein waarop de kavels zijn gerealiseerd; de aanvaarding en uitvoering door belanghebbende (verkoper) van de verplichting jegens de koper om de kavels bouw- en woonrijp te maken door deze aan te sluiten op de openbare leidingen voor water, energie en riolering (zie r.o. 7 van de uitspraak van de rechtbank); het maken van reclame voor de percelen bij potentiële kopers wat heeft geleid tot de verkoop van twee percelen in het onderhavige tijdvak. 5.6. Aldus heeft belanghebbende zich actief ingezet om de woningbouw mogelijk te maken en het terrein bouwrijp te maken. De rechtbank heeft in r.o. 15 van haar uitspraak terecht overwogen dat de intentie van belanghebbende ten tijde van de aankoop van het landgoed niet van belang is voor de beantwoording van de vraag die partijen verdeeld houdt, mede gelet op de tekst van artikel 9 van de Btw-richtlijn (“ongeacht het oogmerk (…) van die activiteit”). Daarenboven acht het Hof de blote stellingen van belanghebbende dat de hiervoor beschreven stappen niet (mede) zijn gezet met het oog op de verkoop van de kavels, maar enkel uit privacyoverwegingen, welke stellingen door de inspecteur zijn betwist, niet geloofwaardig. 5.7. De door belanghebbende gezette stappen beschreven onder r.o. 5.5 gaan verder dan het verkavelen van een stuk grond ten einde de opbrengst te optimaliseren (zie r.o. 38 van het arrest Slaby & Kuc). In het voorliggende geval is daarom geen sprake van de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht. Daaraan doet, gelet op hetgeen is overwogen in het arrest Slaby en Kuc, niet af dat belanghebbende maar één keer in zijn leven kavels heeft geleverd; ook de incidentele levering van kavels kan, indien die verkopen gepaard gaan met ‘actieve stappen’, niet worden beschouwd als de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht. Belanghebbende, die uit andere hoofde al ondernemer is, heeft daarom bij de levering van de bouwkavels gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting. Daarbij heeft de rechtbank in r.o. 17 van haar uitspraak terecht overwogen dat irrelevant is of belanghebbende al dan niet de voordruk rustend op die werken, wat daar verder ook van zij, in aftrek heeft gebracht. 5.8. Bij die stand is niet in geschil dat belanghebbende een juist bedrag aan omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. Het daartegen gerichte bezwaar van belanghebbende is terecht afgewezen. Slotsom 5.9. Het hoger beroep is ongegrond. 6 Kosten Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. 7 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl . Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl . Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: