Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-03-12
ECLI:NL:GHAMS:2026:693
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001331-25 datum uitspraak: 12 maart 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 20 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-087882-24 tegen [bedrijf 1] N.V., gevestigd te [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2025 en 12 maart 2026. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 14 november 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, als vervoerder (vanaf de luchthaven Riyadh King Khaled International met vluchtnummer [nummer] ) door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd [persoon] , geboren op [geboortedag] 1999 te Saoedi-Arabië, aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van haar kon worden gevorderd om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder b, van de Schengengrenscode of artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, door niet of onvoldoende te controleren of die vreemdeling in het bezit was van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit was van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbrak. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering. Het standpunt van de advocaat-generaal Zorgplicht De advocaat-generaal heeft gesteld dat een vervoerder tekortschiet in zijn zorgplicht als is komen vast te staan dat hij een vreemdeling zonder geldig reisdocument het Schengengebied heeft binnengebracht. Als uitgangspunt voor de beoordeling of daarvan in deze zaak sprake is, gelden de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2000:AA6456 en ECLI:NL:HR:2017:40) en de Vreemdelingencirculaire 2000 (A). Het is in juridisch opzicht niet relevant of op de verdachte een inspanningsverplichting of resultaatsverplichting rustte, nu het om de reikwijdte van het begrip zorgplicht gaat. De controle of een vreemdeling visumplichtig is en, zo ja, deze ook over het vereiste visum beschikt, is relatief eenvoudig en essentieel van aard. De verdachte heeft de visumplichtige vreemdeling in het Schengengebied gebracht, terwijl deze niet over het vereiste, geldige visum beschikte. Er is daarom niet aan de zorgplicht voldaan. Van de afhandelaren mag worden verwacht dat zij ervan op de hoogte zijn dat een passagier met een single entry visum slechts eenmaal het Schengengebied mag inreizen en dat zij weten op welke wijze de geldigheid van een visum moet worden gecontroleerd. Rechtsboven op het visum is duidelijk waar te nemen dat het visum bestemd is voor een single entry . In- en uitreisstempels in het paspoort tonen aan dat de vreemdeling eerder het Schengengebied is in- en uit gereisd met het betreffende visum. De controle op de geldigheid van het visum is relatief eenvoudig en essentieel van aard. Bijzondere omstandigheden Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een vrijspraak zouden moeten leiden. Toerekening aan de verdachte De gedragingen van de afhandelaren kunnen aan de verdachte worden toegerekend, omdat de afhandelaren onder haar personeel vallen als zij op een vliegveld in het buitenland passagier De vervoerder moet ten minste controleren of de geldigheidsduur van het aangeboden document voor grensoverschrijding en de daarin aangebrachte visa niet zijn verlopen. Voor het beantwoorden van de vraag of de verdachte heeft voldaan aan de zorgplicht in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, wordt het arrest van de Hoge Raad uit 2017 (ECLI:NL:HR:2017:40) als uitgangspunt genomen. Uit deze rechtspraak volgt dat de in artikel 4, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000, opgenomen zorgplicht aan de vervoerder een inspanningsverplichting oplegt. Voor een veroordeling ter zake van het niet naleven van deze zorgplicht is nalatigheid van de vervoerder vereist. Behoudens bijzondere omstandigheden, is een vervoerder nalatig geweest als sprake is van het niet onderkennen van eenvoudig te constateren hiaten in reisdocumenten. Uit het dossier volgt dat de vreemdeling naar Nederland is gereisd, terwijl het Schengenvisum pas geldig was vanaf 15 november 2023. Gezien de datum van het verzoek tot inreis, te weten 14 november 2023, stelt het hof vast dat er in het paspoort van deze vreemdeling geen geldig Schengenvisum aanwezig was. Naar het oordeel van het hof is in deze zaak sprake van een eenvoudig te constateren gebrek in het tenlastegelegde reisdocument en had de verdachte dit gebrek moeten opmerken. Dat betekent dat de verdachte niet heeft voldaan aan de wettelijke zorgplicht die op haar rust. Dat niet in het dossier is geconcretiseerd wat namens de verdachte ‘niet of onvoldoende’ is gecontroleerd, maakt deze conclusie niet anders. Vaststaat immers dat de verdachte een gebrek in een reisdocument niet heeft vastgesteld, en op grond daarvan kan worden aangenomen dat geen dan wel onvoldoende controle van betreffend reisdocument heeft plaatsgevonden. Bijzondere omstandigheden De omstandigheden die de verdediging naar voren heeft gebracht, kunnen niet worden getypeerd als bijzondere omstandigheden en leiden daarom niet tot een ander oordeel. Het hof acht de controle van het aanvangsmoment van de geldigheid van het Schengenvisum eenvoudig van aard. Ook anderszins is overigens niet van bijzondere omstandigheden gebleken. Wellicht ten overvloede merkt het hof nog op dat het feit dat de Koninklijke Marechaussee de passagier, ondanks de ongeldigheid van het visum, heeft laten doorreizen, geen enkele invloed heeft op de beantwoording van de vraag of de verdachte artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft overtreden. Ook nu het visum nog een enkele dag ongeldig was, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde verwijt. Conclusie Het hof komt, op grond van het hiervoor overwogene, tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Toerekening aan de verdachte De hiervoor door het hof bewezenverklaarde overtreding van de Vreemdelingenwet is ten laste gelegd aan de verdachte, [bedrijf 1] N.V. De verdachte is een rechtspersoon, ook in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt: Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. (…) (…) De verdachte is dus een strafrechtelijk vervolgbare rechtspersoon. Om vast te stellen dat een rechtspersoon een strafbare dader is dienen twee vragen te worden beantwoord: I. is de verdachte geadresseerde van de norm? II. kan de verboden gedraging (gepleegd door een ander) redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend? Het hof beantwoordt beide vragen bevestigend op grond van de navolgende overwegingen. Ad I. In het dossier bevindt zich een uittreksel uit het handelsregister ten name van de verdachte van 27 november 2025. Daarin staat als (primaire) bedrijfsactiviteit van de verdachte vermeld: ‘ SBI-code: 51100 – Personenvervoer door de lucht ’. De verdediging heeft niet gesteld dat de (primaire) bedrijfsactiviteit van de verdachte een andere was ten tijde van het tenlastegelegde en het hof heeft dat evenmin andersz