Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-03-12
ECLI:NL:GHAMS:2026:684
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001365-25 datum uitspraak: 12 maart 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 20 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-280121-23 tegen [bedrijf 1] N.V., gevestigd te [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2025 en 12 maart 2026. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 18 april 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, als vervoerder (vanaf de luchthaven Accra Kotoka International met vluchtnummer [nummer] ) door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd [persoon] , geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] (Ghana), aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van haar kon worden gevorderd om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder b, van de Schengengrenscode of artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, door niet of onvoldoende te controleren of die vreemdeling in het bezit was van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit was van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbrak. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering. Het standpunt van de advocaat-generaal Zorgplicht De advocaat-generaal heeft gesteld dat een vervoerder tekortschiet in zijn zorgplicht als is komen vast te staan dat hij een vreemdeling zonder geldig reisdocument het Schengengebied heeft binnengebracht. Als uitgangspunt voor de beoordeling of daarvan in deze zaak sprake is, gelden de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2000:AA6456 en ECLI:NL:HR:2017:40) en de Vreemdelingencirculaire 2000 (A). Het is in juridisch opzicht niet relevant of op de verdachte een inspanningsverplichting of resultaatsverplichting rustte, nu het om de reikwijdte van het begrip zorgplicht gaat. De controle of een vreemdeling visumplichtig is en, zo ja, deze ook over het vereiste visum beschikt, is relatief eenvoudig en essentieel van aard. De verdachte heeft de visumplichtige vreemdeling in het Schengengebied gebracht, terwijl deze niet over het vereiste, geldige visum beschikte. Er is daarom niet aan de zorgplicht voldaan. Bijzondere omstandigheden Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die tot een vrijspraak zou moeten leiden. Voor visacontroles door grondafhandelaren maakt de verdachte gebruik van haar eigen website [website] . De verdachte is dan ook verantwoordelijk voor het up-to-date houden m.b.t. de actualiteit van de regelgeving. Nederland geeft haar regelgeving en de wijzigingen daarin maandelijks door aan Travel Information Manuel (TIM) , niet aan [website] . De verdachte maakt dus gebruik van een niet actueel en niet betrouwbaar systeem. Daarnaast is het opmerkelijk dat een afhandelaar in Ghana niet op de hoogte is van de visumregels voor een drager van een nationaal paspoort van Ghana. Toerekening aan de verdachte De gedragingen van de afhandelaren kunnen aan de verdachte worden toegerekend, omdat de afhandelaren onder haar personeel vallen als zij op een vliegveld in het buitenland passagiers vo Voor het beantwoorden van de vraag of de verdachte heeft voldaan aan de zorgplicht in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, wordt het arrest van de Hoge Raad uit 2017 (ECLI:NL:HR:2017:40) als uitgangspunt genomen. Uit deze rechtspraak volgt dat de in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, opgenomen zorgplicht aan de vervoerder een inspanningsverplichting oplegt. Voor een veroordeling ter zake van het niet naleven van deze zorgplicht is nalatigheid van de vervoerder vereist. Behoudens bijzondere omstandigheden, is een vervoerder nalatig geweest als sprake is van het niet onderkennen van eenvoudig te constateren hiaten in reisdocumenten. Het controleren op de aanwezigheid van enig visum is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad van een zo essentiële aard dat in een eenvoudig geval reeds daarom sprake is van het niet voldoen aan de zorgplicht. In deze zaak is sprake van het ontbreken van enig visum. Naar het oordeel van het hof is dit gebrek eenvoudig te constateren en had de verdachte dit gebrek moeten opmerken. Dat betekent dat de verdachte niet heeft voldaan aan de wettelijke zorgplicht die op haar rust. Dat niet in het dossier is geconcretiseerd wat namens de verdachte ‘niet of onvoldoende’ is gecontroleerd, maakt deze conclusie niet anders. Vaststaat immers dat de verdachte een gebrek in een reisdocument niet heeft vastgesteld, en op grond daarvan kan worden aangenomen dat geen dan wel onvoldoende controle van betreffend reisdocument heeft plaatsgevonden. Bijzondere omstandigheden De omstandigheden die de verdediging naar voren heeft gebracht, kunnen niet worden getypeerd als bijzondere omstandigheden en leiden daarom niet tot een ander oordeel. Ook anderszins is overigens niet van bijzondere omstandigheden gebleken. Conclusie Het hof komt, op grond van het hiervoor overwogene, tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Toerekening aan de verdachte De hiervoor door het hof bewezenverklaarde overtreding van de Vreemdelingenwet is ten laste gelegd aan de verdachte, [bedrijf 1] N.V. De verdachte is een rechtspersoon, ook in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt: Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. (…) (…) De verdachte is dus een strafrechtelijk vervolgbare rechtspersoon. Om vast te stellen dat een rechtspersoon een strafbare dader is dienen twee vragen te worden beantwoord: I. is de verdachte geadresseerde van de norm? II. kan de verboden gedraging (gepleegd door een ander) redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend? Het hof beantwoordt beide vragen bevestigend op grond van de navolgende overwegingen. Ad I. In het dossier bevindt zich een uittreksel uit het handelsregister ten name van de verdachte van 27 november 2025. Daarin staat als (primaire) bedrijfsactiviteit van de verdachte vermeld: ‘ SBI-code: 51100 – Personenvervoer door de lucht ’. De verdediging heeft niet gesteld dat de (primaire) bedrijfsactiviteit van de verdachte een andere was ten tijde van het tenlastegelegde en het hof heeft dat evenmin anderszins uit het dossier kunnen afleiden. De tenlastelegging behelst dat de verdachte niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, dat luidt: De vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, neemt de nodige maatregelen en houdt het toezicht dat redelijkerwijs van hem kan worden gevorderd om te voorkomen dat door de vreemdeling niet wordt voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder a of b, van de Schengengrenscode of aan artikel 3, eerste lid, onder a, van deze wet. Het hof stelt vast dat de verdachte geadresseerde is van deze norm, die volgens de tenlastelegging is geschonden. Ad II. Bij het (onvoldoende) nemen van de nodige maatregelen verliet de verdachte zich op de diensten van de do