Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-02-24
ECLI:NL:GHAMS:2026:657
Strafrecht
Hoger beroep
544 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHAMS:2026:657 text/xml public 2026-03-13T15:48:37 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-02-24 23-003130-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:657 text/html public 2026-03-13T15:46:58 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:657 Gerechtshof Amsterdam , 24-02-2026 / 23-003130-23 Verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. afdeling strafrecht parketnummer: 23-003130-23 datum uitspraak: 24 februari 2026 Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-113885-23 en 13-187798-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, adres: [adres] . Onderzoek ter terechtzitting Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2026. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep Blijkens een e-mailbericht van de raadsman van 23 februari 2026 wenst de verdachte het hoger beroep niet te handhaven, zodat hij geacht moet worden de eerder tegen het vonnis opgegeven bezwaren in te trekken. Daarom zal hij, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M.J.A. Plaisier en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 februari 2026.