Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-02-10
ECLI:NL:GHAMS:2026:593
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000486-24 datum uitspraak: 10 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-079970-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1960, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2026. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 22 februari 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, mevr. [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (meermaals) met de vuist in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar de stellige verklaring van de verdachte, primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De verklaringen van de aangeefster en haar vriendin zijn onbetrouwbaar en de getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris tegenstrijdig verklaard over de vraag of de verdachte heeft geslagen. Daarbij zou het bovendien heel goed kunnen dat deze getuige de duw die de verdachte – volgens zijn eigen verklaring – heeft gegeven, per ongeluk heeft aangezien voor een slaande beweging. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Bij de aanhouding van de verdachte heeft de politie een diensthond ingezet, terwijl niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 15a van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie). Daarnaast is bij de aanhouding een stroomstootwapen gebruikt, terwijl het gebruik daarvan niet conform artikel 12d van de Ambtsinstructie heeft plaatsgevonden, omdat de betreffende politieambtenaar niet met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze heeft gewaarschuwd dat het stroomstootwapen zal worden gebruikt. Deze vormverzuimen dienen tot strafvermindering te leiden, aldus de raadsman. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat deze verweren moeten worden verworpen. Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van het bewijs Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierna is weergegeven. In het bijzonder de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 1] en het bij het slachtoffer geconstateerde letsel overtuigen het hof dat de verdachte het slachtoffer met de vuist in het gezicht heeft geslagen. De stelling van de raadsman dat de getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris tegenstrijdig heeft verklaard, vindt geen steun in de inhoud van de door hem afgelegde verklaring. Het hof gaat daarom voorbij aan deze stelling. De verweren die volgens de raadsman tot vrijspraak dienen te leiden, vinden voor het overige hun weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen, die het hof (in zoverre) betrouwbaar acht en die in het navolgende zijn opgenomen. Ten aanzien van de gestelde vormverzuimen De verbalisant die was belast met hondensurveillance heeft geverbaliseerd dat hij te horen kreeg dat zich een conflict had afgespeeld waarbij een van beide part Een proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 14-16) . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 22 februari 2023 tegenover een van verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 2] : Ik zat samen met mijn vriendin in de auto. Mijn vriendin kreeg ruzie met de man die naast ons parkeerde. Mijn vriendin stapte uit en raakte in conflict met de man. Ik zag dat de man zijn arm naar achter bewoog. Ik zag dat hij met zijn hand een vuist maakte en ik zag dat hij mijn vriendin op haar rechterwang sloeg. 3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 24 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 23-24) . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 februari 2023 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1] : Ik ben getuige geweest van het incident op 22 februari 2023. Ik zag dat er op de parkeerplaats een man en een vrouw tegen elkaar aan het schreeuwen waren. Ik zag dat de man de vrouw meerdere keren sloeg. 4. Een geschrift, te weten een patiëntenkaart van 23 februari 2023 van [gezondheidscentrum] (doorgenummerde pagina 72). Deze patiëntenkaart houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Naam: [slachtoffer] Episode: problemen tgv geweld Datum: 23-02-2023 Journaalregels: Kaak rechts licht gezwollen, drukpijn over onderkaak. 5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2026. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik was op 22 februari 2023 op de parkeerplaats aan het Reewijkplein te Amsterdam. Ik kreeg daar een woordenwisseling met de vrouwelijke bestuurder van de auto die naast mij stond geparkeerd. 6. Een proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 27-29). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant : Op 22 februari 2023 hoorde ik dat er melding was gemaakt van een vrouw die door een man zou zijn mishandeld. De verdachte zou zijn weggereden in een Seat met kenteken [kenteken] . Ik hoorde dat de tenaamgestelde van het voertuig op de van [adres 2] woonde. De verdachte bleek [verdachte] te zijn genaamd, geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats]. Het onder 4 vermelde geschrift is slechts tot het bewijs gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 250,00 subsidiair 2 dagen hechtenis, rekening houdende met het tijdsverloop sinds het tenlastegelegde. De raadsman heeft – afgezien van de hiervoor besproken verweren – geen strafmaatverweer gevoerd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer meerdere malen in het gezicht te slaan. Hier heeft het slachtoffer een gezwollen kaak en pijn aan overgehouden. Aanleiding voor