Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-03-05
ECLI:NL:GHAMS:2026:577
Strafrecht
Hoger beroep
1,832 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:577 text/xml public 2026-03-06T15:58:20 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-05 23-001859-25 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:577 text/html public 2026-03-06T15:55:54 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:577 Gerechtshof Amsterdam , 05-03-2026 / 23-001859-25 Jeugd; beperkt hoger beroep; vrijspraak en toepassing artikel 423, lid 4 Sv. afdeling strafrecht parketnummer: 23-001859-25 datum uitspraak: 5 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-133730-25,13-121561-25 en13-287768-23 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2026 en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Omvang hoger beroep De politierechter heeft de verdachte bij voormeld vonnis veroordeeld voor de feiten die in zaak 13-133730-25 onder 1 en 2 en in zaak 13-121561-25 aan hem ten laste zijn gelegd. De vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13-287768-23 – gekoppeld aan de zaak met parketnummer 13-133730-25 – is toegewezen. Namens de verdachte is beperkt hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld, te weten tegen de veroordeling in zaak 13-121561-25. Het hoger beroep is daarom slechts gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het in zaak 13-121561-25 ten laste gelegde. Het voorgaande betekent dat het in zaak 13-133730-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde niet in appel voorligt en het hof geen oordeel toekomt met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van die feiten en de vordering tot tenuitvoerlegging die aan zaak 13-133730-25 was verbonden. Wel zal het hof bij vernietiging van het vonnis toepassing dienen te geven aan artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde – tenlastegelegd dat: Zaak met parketnummer 13-121561-25 : hij op of omstreeks 21 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vrijspraak Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de heling van de scooter niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Toepassing van artikel 423, vierde lid, Sv De politierechter heeft ter zake van de in eerste aanleg bewezenverklaarde feiten toepassing gegeven aan artikel 77c Wetboek van Strafrecht (Sr) en aan de verdachte een jeugddetentie opgelegd voor de duur van 8 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 in zaak 13-133730-25 gevorderd dat het hof met toepassing van artikel 77c Sr dezelfde straf zal bepalen als door de politierechter opgelegd, met uitzondering van het opleggen van de bijzondere voorwaarden, nu deze bij vonnis van 20 januari 2026 al onherroepelijk zijn opgelegd in de zaak met parketnummer 13-004029-26. De raadsman heeft het hof ten aanzien van de feiten 1 en 2 in zaak 13-133730-25 verzocht om toepassing te geven aan artikel 77c Sr en de door de politierechter opgelegde straf te verlagen. Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het in zaak 13-121561-25 tenlastegelegde en de verdachte in hoger beroep hiervan zal worden vrijgesproken, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv de straf ten aanzien van de in eerste aanleg bewezenverklaarde misdrijven, te weten zaak 13-133730-25 onder 1 en 2, bepalen. Dat houdt in dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de straf geacht moet worden door de rechtbank te zijn opgelegd voor de feiten waarover het hof in het hoger beroep niet heeft geoordeeld. Het betreft de volgende feiten: feit 1 : handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; feit 2 : overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, juncto artikel 1.2.2 lid 1 van het Vuurwerkbesluit, opzettelijk begaan. Het hof zal de straf voor deze feiten -rekening houdend met artikel 77c Sr - bepalen op een jeugddetentie voor de duur van 8 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 Sr. Het hof ziet geen noodzaak meer te bepalen dat aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden worden verboden, nu deze bij vonnis van 20 januari 2026 al onherroepelijk zijn opgelegd in de zaak met parketnummer 13-004029-26. Artikel 63 Sr is hier dan ook van toepassing. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-121561-25 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak 13-133730-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde op: Jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) weken . Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 6 (zes) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. M.T.C. de Vries en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. van Wieren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 maart 2026. Mrs. M.T.C. de Vries en C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
=== […]