Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-01-13
ECLI:NL:GHAMS:2026:56
afdeling strafrecht parketnummer: 23-004084-19 datum uitspraak: 13 januari 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-993130-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2025 en 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadslieden naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde voor zover het betreft hetgeen bij het vijfde gedachtestreepje (betreft de transactie met [bedrijf 1] B.V.) is opgenomen. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Tegen deze partiële beslissing tot vrijspraak staat voor de verdachte, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep in zoverre gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is, na een in eerste aanleg toegelaten wijziging, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat: 1 [bedrijf 2] B.V.,in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 8 april 2015, te Woerden en/of Linschoten en/of elders in Nederland,(telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen (voertuigen), voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, (een) verrichte ongebruikelijk transactie(s), niet (binnen 14 dagen / onverwijld) nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan het meldpunt/de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft [bedrijf 2] B.V. (telkens) opzettelijk geen melding gedaan van (onder meer):- (een) op of omstreeks 26 februari 2013 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 3] ), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 41.000,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 28 maart 2013 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 4] ), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 31.500,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 9 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 5] ), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 119.000,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 14 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 6] ), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 32.200,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 17 november 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 5] ), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 35.500,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 24 maart 2015 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [persoon 1] ), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante bet in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015, te Woerden en/of Linschoten en/of elders in Nederland,(telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen (voertuigen), voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 euro of meer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 33 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, niet danwel onvolledig, de gegevens van de cliënt op toegankelijke wijze bewaard gedurende vijf jaar na het tijdstip van het beëindigen van de zakelijke relatie of tot vijf jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactie bij (onder meer) de volgende transactie(s):- (een) op of omstreeks 20 maart 2013 met [bedrijf 7] B.V., verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 17.000,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-009A ) en/of- (een) op of omstreeks 18 februari 2014 met [bedrijf 8] , verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 18.700,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-011A) en/of- (een) op of omstreeks 22 juli 2014 met [persoon 3] , verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 15.000,- euro (Doc-012A/B) en/of- (een) op of omstreeks 2 januari 2015 met [bedrijf 9], verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(n) van (in totaal) (minstens) 15.550,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-014A/B) en/of- (een) op of omstreeks 9 januari 2015 met [persoon 2] , verrichte (ongebruikelijke) transactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 23.500,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-015A),tot het plegen van welk(e) bovenomschreven feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Opmerking vooraf In het navolgende zullen formele en materiële verweren worden besproken. In dit verband zal worden verwezen naar bepalingen, opgenomen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft). Het hof heeft daarbij telkens het oog op de wet, zoals geldend ten tijde van het tenlastegelegde. Bespreking van verweren over voorvragen Partiële nietigheid van de dagvaarding De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 en 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde partieel nietig verklaard dient te worden, voor zover dit ziet op het onderdeel “onder meer”. Het hof overweegt als volgt. T.a.v. feit 1 Gebruik van de woorden “onder meer” in een tenlastelegging leidt niet zonder meer tot nietigheid van de dagvaarding. Door de bewoordingen van de tenlastelegging in combinatie met het onderliggende dossier is hier evenwel niet duidelijk op welke transacties de woorden ‘onder meer’ betrekking hebben. Daartoe is van belang dat een deel van de transacties die in het dossier worden vermeld buiten de tenlastegelegde periode vallen. Ook behalen niet alle in het dossier opgenomen transacties de, in het kader van de handhaving gehanteerde, objectieve drempel van € 25.000,00. Daardoor is op voorhand niet telkens duidelijk welke transacties onder 'onder meer' vallen, en dus is niet duidelijk waartegen de verdachte zich moet verweren. De dagvaarding voldoet derhalve op dit onderdeel van de t feit 1 Artikel 16 Wwft verplicht een instelling tot het “onverwijld” doen van melding nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden. Het niet doen van die melding heeft de kenmerken van een omissiedelict. Het hof stelt voorts vast dat het in artikel 16 van de Wwft omschreven delict zich moeilijk laat categoriseren in termen van het hebben van een al dan niet voortdurend karakter. De meldplicht is op zichzelf een voortdurende verplichting, maar als de delictsomschrijving van artikel 16 Wwft in de kern wordt beoordeeld gaat het om het binnen een betrekkelijk korte periode – onverwijld – niet naleven van de meldingsplicht. Voor een in de tijd onbegrensde voortduring biedt de wetstekst onvoldoende aanknopingspunten. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient de tenlastelegging tot uitgangspunt te worden genomen. De tenlastelegging vermeldt bij elke ongebruikelijke transactie dat deze niet “binnen 14 dagen / onverwijld” is gemeld. Voorts legt het hof de tenlastelegging zo uit dat de genoemde data blijkens de bewoordingen de data zijn waarop de transacties hebben plaatsgevonden en dat de pleegdata van de deelfeiten geacht moeten worden te zijn geabsorbeerd in de pleegperiode. Bij de tenlastegelegde transacties is het ongebruikelijke karakter van de transacties gelegen in het feit dat een bedrag van meer dan € 25.000,00 in contanten werd betaald. Het ongebruikelijke karakter van de transactie is dus, op zijn laatst, bekend geworden op het moment dat de transactie is verricht. Op grond van de bewoordingen van de tenlastelegging komt het hof daarom tot de slotsom dat de verjaringstermijn is aangevangen de dag na het aflopen van de in de tenlastelegging genoemde veertien dagen en daarmee vijftien dagen na de desbetreffende transactie. Gelet hierop is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van de transacties die zijn verricht op 26 februari 2013 (met [bedrijf 3] ) en 28 maart 2013 (met [bedrijf 4] ). T.a.v. feit 2 – artikel 3 Wwft Artikel 3 Wwft regelt de verplichtingen van een instelling, als bedoeld in die wet, met betrekking tot het te verrichten cliëntenonderzoek. Door, onder andere, een transactie van ten minste € 15.000,00 te verrichten zonder vooraf cliëntenonderzoek te hebben gedaan maakt een instelling zich schuldig aan overtreding van artikel 3 Wwft, uitzonderingen opgenomen in artikel 4 Wwft daargelaten, welke zijn gesteld noch gebleken. Omdat het cliëntenonderzoek vooraf dient te gaan aan een transactie en de bedoelde transacties telkens in de tenlastelegging zijn vermeld, heeft dit delict, anders dan door de advocaat-generaal is betoogd, geen voortdurend karakter. De verjaringstermijn vangt ten aanzien van de onder feit 2, eerste cumulatief/alternatief, tenlastegelegde schendingen van artikel 3 Wwft aan op de dag na de betreffende transactie. Gelet hierop is de overtreding ten aanzien van de transactie van 20 maart 2013 met [bedrijf 7] B.V. verjaard. T.a.v. feit 2 – artikel 33 Wwft Artikel 33 Wwft verplicht een instelling om gegevens te bewaren gedurende vijf jaar na het uitvoeren van een transactie. Dit delict is naar zijn aard voortdurend. De verjaringstermijn begint ten aanzien van de onder 2, tweede cumulatief/alternatief, tenlastegelegde overtreding van artikel 33 Wwft te lopen vijf jaar na de desbetreffende transacties. Gelet hierop zijn de onder feit 2, tweede cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feiten niet verjaard voor zover zij zien op het niet voldoen aan de verplichting om de gegevens op toegankelijke wijze te bewaren, zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging voor deze feiten. Bespreking ontvankelijkheidsverweer vanwege schending van het vertrouwensbeginsel Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat tijdens een gesprek tussen de verdachte, diens medewerker [getuige 1] en de toezichthoudende ambtenaren [getuige 2] en [getuige 3] op 21 juni 2016, bij de verdachte het vertrouw Voor zover er toezeggingen zouden zijn gedaan in het onderzoek jegens [getuige 4], is dat naar het oordeel van het hof niet van betekenis met betrekking tot de vraag of er in het onderzoek jegens de verdachte toezeggingen zijn gedaan. Bespreking van een bewijsverkrijgingsverweer – schending cautieplicht en recht op verhoorbijstand De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de toezichthoudende ambtenaren op 21 juni 2016 niet de cautie hebben gegeven aan de verdachte voorafgaand aan de vragen die hem zijn gesteld en dat hij, voordat hij bevraagd werd over de vermeende overtredingen, had moeten worden gewezen op zijn recht om zowel voorafgaand als tijdens het verhoor rechtsbijstand te genieten. De betreffende verklaring van de verdachte moet daarom worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsman. Het hof zal – evenals de rechtbank – bij de bewijslevering geen gebruik maken van de verklaring die de verdachte heeft afgelegd in het kader van de Wwft-controle. Nu het belang bij dit verweer hierdoor komt te vervallen, laat het hof dit verweer onbesproken. Beoordeling van de tenlastelegging ten aanzien van feit 2, eerste cumulatief/alternatief Het cliëntenonderzoek (artikel 3 Wwft) Partiële vrijspraak feit t.a.v. de transactie met [bedrijf 8] Uit het controlerapport van de Belastingdienst (DOC-007) blijkt dat er ten tijde van de controle door de belastingdienst in 2015 een identiteitsbewijs van de eigenaar van [bedrijf 8] beschikbaar was. In navolging van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte daarom partieel dient te worden vrijgesproken van het niet doen van cliëntenonderzoek voorafgaand aan de transactie op 18 februari 2014 met [bedrijf 8] Standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van de transacties met [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 2] (respectievelijk het derde-, vierde- en vijfde gedachtestreepje) aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu er wel degelijk cliëntenonderzoek is verricht. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat bij het overschrijven van een auto op naam van een particulier altijd een identiteitsbewijs nodig is. Ook bij overschrijving op naam van een aankopend autobedrijf dient een koper te beschikken over de bedrijfsvoorraadpas alsmede de RDW- en de inloggegevens en een wachtwoord. Nu door [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 2] aangekochte auto’s in het RDW-register zijn overgezet op naam van de kopers, blijkt dat de verdachte wel degelijk cliëntenonderzoek heeft verricht. Ten aanzien van de transacties met [persoon 3] en [persoon 4] heeft de verdediging voorts aangevoerd dat, nu de koopprijs gedeeltelijk giraal (het hof begrijpt: via een bankoverschrijving) is voldaan, de verdachte mocht aannemen dat de gebruiker van die bankrekening behoorlijk is geïdentificeerd door de bank. Beoordeling van het hof Op grond van artikel 4 Wwft dient cliëntenonderzoek verricht te worden voorafgaand aan het verrichten van een incidentele transactie. Zowel de overschrijving in de tenaamstellingsapplicatie van de RDW als de betaling via de bank vinden plaats na het verrichten van een transactie. Daarnaast geeft een bancaire overschrijving enkel duidelijkheid over de tenaamgestelde van de tegenrekening vanwaar het geld wordt ontvangen, maar dit zegt evenwel niets over de persoon of de rechtspersoon met wie feitelijk zaken is gedaan. Voorts merkt het hof op dat het verrichten van cliëntenonderzoek een verplichting is die niet zonder meer kan worden overgelaten aan een andere instantie. Slechts indien aan de in artikel 5 Wwft gestelde voorwaarden is voldaan, kan dit onderzoek door een andere instelling worden verricht, hetgeen is gesteld noch gebleken. Gelet op het voorgaande acht het hof, wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 2] B.V. met betrekking tot [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 2] artikel 3 Wwft heeft overtreden. In het midden kan blijven welke uitleg moet worden gegeven aan de Leidraad Wwft Het hof merkt op dat de voorwaarde zo is geformuleerd dat kennelijk bepalend is of het hof zich voldoende geïnformeerd acht. Uit voorgaande overwegingen moge duidelijk zijn geworden dat het hof van oordeel is dat voldoende feitelijk substraat is verschaft om de tenlastelegging te beoordelen. Indien en voor zover de raadsman heeft beoogd de voorwaarde zo in te richten dat deze inhoudt dat de bedoelde situatie intreedt als het hof een bewezenverklaring overweegt, stelt het hof met enige welwillendheid vast dat er in zoverre aan is voldaan. Het hof ziet evenwel geen noodzaak om [getuige 5] en [getuige 1] als getuigen te horen. Aan de hand van de tenlastelegging staat de toegankelijkheid van de vastgelegde of vast te leggen gegevens ter beoordeling. De daarmee verbonden gebreken zijn tijdens het handhavingsonderzoek vastgesteld. Niet valt in te zien hoe de genoemde personen een verklaring kunnen afleggen die voor die beoordeling van belang kan zijn. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Verdachte als feitelijk leidinggever Bij deze stand van zaken staat ter beoordeling of de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de besloten vennootschap. De advocaat-generaal heeft gesteld dat hiervan sprake is geweest gelet op de hoedanigheid van de verdachte als directeur en eigenaar. Namens de verdachte is op dit punt geen verweer gevoerd. Voor zover van belang luidt het beoordelingskader als volgt. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat. In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten. Het hof leidt uit de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, die inhoudt dat hij eindverantwoordelijk was voor de bedrijfsvoering, in samenhang met de omstandigheid dat de verdachte geen maatregelen heeft getroffen ter voorkoming of beëindiging van de overtredingen, af dat de verdachte als feitelijk leidinggever hiervan kan worden aangemerkt. Zijn rol, zoals dienovereenkomstig verwoord in de tenlastelegging, is daarom wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat, indien het hof bij het onder 2 tenlastegelegde ten aanzien van enige transactie zowel overtreding van artikel 3 Wwft als artikel 33 Wwft bewezen acht, de verdachte ter zake van het laatstgenoemde feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens, naar het hof begrijpt, niet-kwalificeerbaarheid van het bewezen verklaarde (deel-)feit. Het hof volstaat met de vaststelling dat, gelet op de bewezenverklaring, van een door de advocaat-generaal en de raadsman bedoelde situatie geen sprake is. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd; Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd en opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 33, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De economische kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft als feitelijk leidinggever nagelaten vier ongebruikelijke transacties te melden. Ook heeft de verdachte als feitelijk leidinggever van [bedrijf 2] B.V. drie transacties verricht zonder vooraf cliëntenonderzoek te doen, en ten aanzien van één transactie de bewaarplicht geschonden. De verdachte heeft door zijn handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te verkrijgen op mogelijke geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om mogelijk achterliggende strafbare feiten op te sporen. Gelet daarop, en gezien de strafafdoening in soortgelijke zaken, is een taakstraf in beginsel passend. In het voordeel van de verdachte houdt het hof echter rekening met de veranderingen die binnen [bedrijf 2] B.V. zijn doorgevoerd. Zo heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat het bedrijf geen contant geld meer aanneemt. Ook houdt het hof rekening met de ouderdom van de ten laste gelegde feiten. Gelet op het hiervoor overwogene, ziet het hof aanleiding om een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Redelijke termijn Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft plaatsgevonden. De redelijke termijn is in eerste aanleg in acht genomen maar is in hoger beroep met meer dan vier jaar en twee maanden overschreden. Gele