Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-01-13
ECLI:NL:GHAMS:2026:55
afdeling strafrecht parketnummer: 23-004085-19 datum uitspraak: 13 januari 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-845236-17 tegen: [bedrijf 1] B.V. , gevestigd te [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2025 en 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de vertegenwoordiger van de verdachte en diens raadslieden naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde voor zover het betreft hetgeen bij het vijfde gedachtestreepje (betreft de transactie met [bedrijf 2] B.V.) is opgenomen. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Tegen deze partiële beslissing tot vrijspraak staat voor de verdachte, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep in zoverre gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is, na een in eerste aanleg toegelaten wijziging, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat: 1 zij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 8 april 2015, te Woerden en/of Linschoten en/of elders in Nederland,(telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen (voertuigen), voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer,meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, (een) verrichte ongebruikelijk transactie(s), niet (binnen 14 dagen / onverwijld) nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan het meldpunt/de Financiële inlichtingen eenheid,immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen melding gedaan van (onder meer):- (een) op of omstreeks 26 februari 2013 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 3]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 41.000,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 28 maart 2013 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 4]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 31.500,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 9 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 5]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 119.000,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 14 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 6]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 32.200,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 17 november 2014 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [bedrijf 5]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 35.500,00 euro, althans (minstens) 25.000,- euro (Doc-002 en Doc-003), en/of- (een) op of omstreeks 24 maart 2015 verrichte ongebruikelijke transactie(s) (met [persoon 1]), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 32.250,00 eur ansactie, te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 23.500,- euro, althans (minstens) 15.000,- euro (Doc-015A). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Opmerking vooraf In het navolgende zullen formele en materiële verweren worden besproken. In dit verband zal worden verwezen naar bepalingen, opgenomen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft). Het hof heeft daarbij telkens het oog op de wet, zoals geldend ten tijde van het tenlastegelegde. Bespreking van verweren over voorvragen Partiële nietigheid van de dagvaarding De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 en 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde partieel nietig verklaard dient te worden, voor zover dit ziet op het onderdeel “onder meer”. Het hof overweegt als volgt. T.a.v. feit 1 Gebruik van de woorden “onder meer” in een tenlastelegging leidt niet zonder meer tot nietigheid van de dagvaarding. Door de bewoordingen van de tenlastelegging in combinatie met het onderliggende dossier is hier evenwel niet duidelijk op welke transacties de woorden ‘onder meer’ betrekking hebben. Daartoe is van belang dat een deel van de transacties die in het dossier worden vermeld buiten de tenlastegelegde periode vallen. Ook behalen niet alle in het dossier opgenomen transacties de, in het kader van de handhaving gehanteerde, objectieve drempel van € 25.000,00. Daardoor is op voorhand niet telkens duidelijk welke transacties onder 'onder meer' vallen, en dus is niet duidelijk waartegen de verdachte zich moet verweren. De dagvaarding voldoet derhalve op dit onderdeel van de tenlastelegging niet aan de eisen die artikel 261 Sv daaraan stelt. Het hof zal de dagvaarding dan ook ten aanzien van het onderdeel “onder meer” nietig verklaren. T.a.v. feit 2, eerste en tweede cumulatief Indien de woorden “onder meer” in een tenlastelegging worden opgenomen, mag van de steller van de tenlastelegging verwacht worden dat deze aanduidt wat de verdachte daaronder zou moeten verstaan. Een toelichting van zowel de officier van justitie als de advocaat-generaal is uitgebleven, terwijl het dossier betrekking heeft op een groot aantal transacties waarvan niet onmiddellijk duidelijk is op welke de tenlastelegging betrekking heeft. Daarom komt het hof tot de conclusie dat ook ten aanzien van feit 2 de dagvaarding partieel nietig is voor zover dit ziet op het onderdeel “onder meer”. Voorwaardelijk verzoek De raadsman heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan om, in het geval dat het hof niet beslist om de dagvaarding ten aanzien van het tenlastegelegde “onder meer” nietig te verklaren, alle bij de genoemde transacties betrokken personen als getuigen te horen. Nu de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet is vervuld, komt het hof niet aan beoordeling van het verzoek toe. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging – verjaring Standpunten van partijen De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting (uiteindelijk) op het standpunt gesteld dat er bij de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten sprake is van voortdurende omissiedelicten, waarbij het delict pas voltooid is als de pleger niet langer in gebreke is. De verjaringstermijn is daarom op zijn vroegst aangevangen op 29 juni 2016, de datum waarop de ongebruikelijke transacties alsnog zijn gemeld. Gelet hierop is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de gehele tenlastelegging, aldus de advocaat-generaal. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van impliciet cumulatief tenlastegelegde commissiedelicten waarbij geen sprake is van het voortduren van een verboden feit 2 – artikel 3 Wwft Artikel 3 Wwft regelt de verplichtingen van een instelling, als bedoeld in die wet, met betrekking tot het te verrichten cliëntenonderzoek. Door, onder andere, een transactie van ten minste € 15.000,00 te verrichten zonder vooraf cliëntenonderzoek te hebben gedaan maakt een instelling zich schuldig aan overtreding van artikel 3 Wwft, uitzonderingen opgenomen in artikel 4 Wwft daargelaten, welke zijn gesteld noch gebleken. Omdat het cliëntenonderzoek vooraf dient te gaan aan een transactie en de bedoelde transacties telkens in de tenlastelegging zijn vermeld, heeft dit delict, anders dan door de advocaat-generaal is betoogd, geen voortdurend karakter. De verjaringstermijn vangt ten aanzien van de onder feit 2, eerste cumulatief/alternatief, tenlastegelegde schendingen van artikel 3 Wwft aan op de dag na de betreffende transactie. Gelet hierop is de overtreding ten aanzien van de transactie van 20 maart 2013 met [bedrijf 7] B.V. verjaard. T.a.v. feit 2 – artikel 33 Wwft Artikel 33 Wwft verplicht een instelling om gegevens te bewaren gedurende vijf jaar na het uitvoeren van een transactie. Dit delict is naar zijn aard voortdurend. De verjaringstermijn begint ten aanzien van de onder 2, tweede cumulatief/alternatief, tenlastegelegde overtreding van artikel 33 Wwft te lopen vijf jaar na de desbetreffende transacties. Gelet hierop zijn de onder feit 2, tweede cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feiten niet verjaard voor zover zij zien op het niet voldoen aan de verplichting om de gegevens op toegankelijke wijze te bewaren, zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging voor deze feiten. Bespreking ontvankelijkheidsverweer vanwege schending van het vertrouwensbeginsel Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat tijdens een gesprek tussen [vertegenwoordiger verdachte] (die destijds vertegenwoordiger was van de verdachte, hierna: de directeur), diens medewerker [getuige 1] en de toezichthoudende ambtenaren [getuige 2] en [getuige 3] op 21 juni 2016, bij de verdachte het vertrouwen is gewekt dat als de achterwege gebleven meldingen ongebruikelijke transacties alsnog gedaan zouden worden, zij niet strafrechtelijk vervolgd zou worden. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer dient te worden verworpen. Het hof overweegt als volgt. Het verweer dient te worden beoordeeld op basis van de feitelijke gang van zaken tijdens het gesprek op 21 juni 2016, zoals deze kan worden gereconstrueerd op grond van de verklaringen van de vier bij het gesprek betrokken deelnemers. Dit betekent dat hetgeen in het controlerapport van 11 oktober 2016 of overigens in het dossier staat vermeld onbesproken kan blijven, nu het verweer ziet op toezeggingen die zouden zijn gedaan tijdens het gesprek op 21 juni 2016. Voor zover het verweer mede op deze processtukken is gebaseerd, wordt dit niet in de beoordeling betrokken. Teneinde de feitelijke toedracht van het gesprek te onderzoeken, zijn in hoger beroep zowel de ambtenaren [getuige 3] en [getuige 2], als de directeur van de verdachte en [getuige 1], gehoord. De directeur van de verdachte heeft bij het verhoor, afgenomen door opsporingsambtenaren van de FIOD op 11 oktober 2017, verklaard “Die man suggereerde dat het daarbij bleef, tenminste, zo heb ik het begrepen”. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat de controleur, nadat hij de bevestiging stuurde dat de meldingen alsnog waren gedaan, zei: “dat het wat hem betreft goed was, maar dat hij de zaak door zou geven aan het openbaar ministerie”. Anders dan de directeur van de verdachte heeft getuige [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de verbalisanten expliciet hebben toegezegd dat de verdachte niet strafrechtelijk vervolgd zou worden. Het hof stelt tegen deze achtergrond vast dat de directeur en [getuige 1] wisselend en (onderling) tegenstrijdig hebben verklaard. De toezichthoudende ambtenaren [getuige 3] en In navolging van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte daarom partieel dient te worden vrijgesproken van het niet doen van cliëntenonderzoek voorafgaand aan de transactie op 18 februari 2014 met [bedrijf 8] Standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van de transacties met [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] (respectievelijk het derde-, vierde- en vijfde gedachtestreepje) aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu er wel degelijk cliëntenonderzoek is verricht. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat bij het overschrijven van een auto op naam van een particulier altijd een identiteitsbewijs nodig is. Ook bij overschrijving op naam van een aankopend autobedrijf dient een koper te beschikken over de bedrijfsvoorraadpas alsmede de RDW- en de inloggegevens en een wachtwoord. Nu door [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] aangekochte auto’s in het RDW-register zijn overgezet op naam van de kopers, blijkt dat de verdachte wel degelijk cliëntenonderzoek heeft verricht. Ten aanzien van de transacties met [persoon 2] en [persoon 3] heeft de verdediging voorts aangevoerd dat, nu de koopprijs gedeeltelijk giraal (het hof begrijpt: via een bankoverschrijving) is voldaan, de verdachte mocht aannemen dat de gebruiker van die bankrekening behoorlijk is geïdentificeerd door de bank. Beoordeling van het hof Op grond van artikel 4 Wwft dient cliëntenonderzoek verricht te worden voorafgaand aan het verrichten van een incidentele transactie. Zowel de overschrijving in de tenaamstellingsapplicatie van de RDW als de betaling via de bank vinden plaats na het verrichten van een transactie. Daarnaast geeft een bancaire overschrijving enkel duidelijkheid over de tenaamgestelde van de tegenrekening vanwaar het geld wordt ontvangen, maar dit zegt evenwel niets over de persoon of de rechtspersoon met wie feitelijk zaken is gedaan. Voorts merkt het hof op dat het verrichten van cliëntenonderzoek een verplichting is die niet zonder meer kan worden overgelaten aan een andere instantie. Slechts indien aan de in artikel 5 Wwft gestelde voorwaarden is voldaan, kan dit onderzoek door een andere instelling worden verricht, hetgeen is gesteld noch gebleken. Gelet op het voorgaande acht het hof, mede op grond van de elders in dit arrest te bezigen overweging over het de daderschap van het rechtspersoon, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met betrekking tot [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] artikel 3 Wwft heeft overtreden. In het midden kan blijven welke uitleg moet worden gegeven aan de Leidraad Wwft 2013 en de toen vigerende Uitvoeringsregeling Wwft waar het gaat om de wijze waarop het cliëntenonderzoek kan plaatsvinden. Beoordeling van de tenlastelegging ten aanzien van feit 2, tweede cumulatief/alternatief De bewaarplicht (artikel 33 Wwft) De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 2, tweede cumulatief/alternatief, tenlastegelegde transacties, voor zover dit ziet op schending van de bewaarplicht. Hij heeft voorts betoogd dat beantwoording van de vraag of de verdachte de hoedanigheid had als bedoeld in artikel 33, eerste lid, Wwft, aan de orde komt bij de tweede hoofdvraag van artikel 350 Sv. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde schending van de bewaarplicht. Juridisch kader Artikel 33 eerste lid van de Wwft luidde in de ten laste gelegde periode, voor zover, als resultaat van de vastgestelde partiële verjaring, in hoger beroep nog aan de orde en voor zover relevant, als volgt: Een instelling die op grond van deze wet een persoon heeft geïdentificeerd en zijn identiteit heeft geverifieerd, of bij wie een cliënt is geïntroduceerd conform de procedure van artikel 5, legt op opvraagbare wijze de documenten en gegevens vast (…). Beoordeling door het hof Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij in strijd met de verplichting geformuleerd in arti Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon, de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Het hof stelt vast dat de in het voorgaande bewezen geachte verboden gedragingen aan deze criteria voldoen, waarmee het daderschap van de verdachte is bewezen. Het opzet van de verdachte op de verboden gedragingen leidt het hof af uit de bestendigheid van de vastgestelde gedragingen hetgeen wijst op een vaker voorkomende gang van zaken binnen het bedrijf. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1 zij in de periode van 14 januari 2014 tot en met 8 april 2015, in Nederland, als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van voertuigen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer, meermalen, opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, verrichte ongebruikelijke transacties, niet binnen 14 dagen / onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van deze transacties bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft zij opzettelijk geen melding gedaan van: - een op of omstreeks 9 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie met [bedrijf 5], te weten een contante betaling van 119.000,00 euro, en - een op of omstreeks 14 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie met [bedrijf 6], te weten een contante betaling van 32.200,00 euro, en - een op of omstreeks 17 november 2014 verrichte ongebruikelijke transactie met [bedrijf 5], te weten een geheel of gedeeltelijk contante betaling van 35.500,00 euro, en - een op of omstreeks 24 maart 2015 verrichte ongebruikelijke transactie met [persoon 1], te weten een contante betaling van 32.250,00 euro; 2 zij de periode van 14 januari 2014 tot en met 31 december 2015 in Nederland, als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van voertuigen, voor zover betaling van deze goederen plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer, meermalen, opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen danwel onvolledig, cliëntenonderzoek heeft verricht, immers heeft zij opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd en/of geen uittreksel van de kamer van koophandel aangevraagd en/of gecontroleerd en/of niet vastgesteld wat de relatie was tussen een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en de handelsonderneming(en) en/of rechtsperso(o)n(en) namens wie zij optraden en/of geen identiteit vastgesteld/gecontroleerd van de uiteindelijk belanghebbende van die/een handelsonderneming(en)/rechtsperso(o)n(en), bij de volgende transacties: - een op of omstreeks 22 juli 2014 met [persoon 2], verrichte transactie, te weten een betaling van 15.000,- euro, en - een op of omstreeks 2 januari