Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-02-05
ECLI:NL:GHAMS:2026:524
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
2,040 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHAMS:2026:524 text/xml public 2026-03-13T10:02:25 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-02-05 24/1968 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/448 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:524 text/html public 2026-03-02T14:33:57 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:524 Gerechtshof Amsterdam , 05-02-2026 / 24/1968 Afgeven WOZ-beschikking. GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/1968 5 februari 2026 uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , woonachtig te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: mr. A. Bakker tegen de uitspraak van 22 maart 2024 in de zaak met kenmerk AMS 23/1965 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam , de heffingsambtenaar. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft op 11 november 2022 verzocht om een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het jaar 2015. 1.2. Bij besluit van 6 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar het verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. 1.3. Bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. 1.4. De rechtbank heeft het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.5. Het hoger beroep is namens belanghebbende ingesteld op 3 mei 2024 en de gronden van het hoger beroep zijn ingediend op 18 juni 2024. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend. 1.6. De heffingsambtenaar heeft het Hof op 27 januari 2026 telefonisch toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling te beslissen. Het Hof heeft belanghebbende bij bericht van 9 december 2025 laten weten dat geen zitting zou plaatsvinden, tenzij hij daarom binnen vier weken zou verzoeken. Belanghebbende heeft een dergelijk verzoek niet tijdig gedaan. Het Hof heeft partijen vervolgens bij bericht van 30 januari 2026 meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en dat op een termijn van zes weken uitspraak zal worden gedaan. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft een brief van de gemeente Amsterdam ontvangen betreffende de woning in verband met de overstap naar eeuwigdurende erfpacht. Hierin is belanghebbende meegedeeld dat zij tot zes maanden na dagtekening van de brief (26 april 2021) een WOZ-beschikking 2015 of 2016 kan aanvragen. 2.2. De heffingsambtenaar heeft de aanvraag van belanghebbende om een WOZ-beschikking 2015 afgewezen, omdat die pas op 11 november 2022 en dus ver na de afloop van de termijn van zes maanden is gedaan. 3 Geschil in hoger beroep Evenals in eerste aanleg is in geschil of de heffingsambtenaar terecht geen WOZ-beschikking heeft gegeven. 4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen en beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’): “5. De rechtbank overweegt dat eiser niet betwist dat hij de brief van 26 april 2021 heeft ontvangen (van ruim anderhalf jaar vóór de brief van 24 januari 2023). In die brief werd een heldere termijn van zes maanden gesteld. 6. Eisers gemachtigde voert aan dat de heffingsambtenaar op grond van de arresten van de Hoge Raad van 17 april 2020 een beschikking moet afgeven als daar binnen een redelijke termijn na het aanbod voor de overstapregeling om gevraagd wordt. Eiser vindt dat hij dat gedaan heeft. De Hoge Raad noemt geen harde termijn van zes maanden. 7. De rechtbank overweegt dat uit de arresten van de Hoge Raad van 17 april 2020 inderdaad niet volgt wat concreet moet worden verstaan onder “binnen redelijke termijn na ontvangst van het aanbod van de gemeente”. Dat laat echter onverlet dat er in de brief van 26 april [2021] wel een heldere concrete termijn van zes maanden werd gesteld. 8. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wet WOZ een termijn van één jaar geldt. Voor zover daarmee is bedoeld te stellen dat die termijn van zes maanden onjuist is, baat dat eiser niet. Niet is gebleken dat dit juridische argument destijds gedragsbepalend voor eiser is geweest. Los daarvan constateert de rechtbank dat de aanvragen ook uitgaande van een termijn van een jaar (veel) te laat zijn gedaan. 9. Er was eiser dus los van de brief van 24 [januari] 2023 een heldere procedure geschetst door de heffingsambtenaar. De rechtbank zal de relevantie van die brief daarom verder in het midden laten. 10. Ook in beroep is niet gebleken van redenen die de overschrijding van de termijn verschoonbaar maken. Dat eiser de woning van zijn moeder geërfd heeft en hem niet direct duidelijk werd wat de financiële consequenties zijn van het niet (tijdig) aanvragen van de WOZ-beschikkingen, is onvoldoende verklaring voor het niet ondernemen van enige actie richting de heffingsambtenaar gedurende de lange periode hier in geding. Eiser heeft zich ook niet gewend tot de heffingsambtenaar met een verzoek om verlenging van de door de heffingsambtenaar gestelde termijn. 11. Eisers gemachtigde voert tot slot aan dat in de brief van 26 april 2021 niet staat wat de consequentie is wanneer de termijn van zes maanden wordt overschreden. 12. De rechtbank volgt eisers gemachtigde ook daarin niet. Uit de brief van 26 april 2021 blijkt feitelijk duidelijk wat de consequentie is van het te laat indienen van een aanvraag. De brief geeft eiser de gelegenheid om alsnog een WOZ-beschikking aan te vragen en bij ontvangst daarvan daartegen bezwaar te maken. Als eiser geen gebruik maakt van die mogelijkheid, gebruikt de heffingsambtenaar de destijds vastgestelde WOZ-waarde voor 2015 of 2016 voor de overstapregeling. Dan blijft de situatie dus zoals die is. Dat daarbij niet een juridische term als niet-ontvankelijk is gebruikt, doet daaraan niets af. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.” 5 Beoordeling van het geschil 5.1. Het Hof acht hetgeen de rechtbank heeft overwogen juist en maakt die overwegingen in zoverre tot de zijne. Het Hof voegt daar nog het volgende aan toe. 5.2. Belanghebbende heeft in geen enkele fase van het geding een concrete verklaring gegeven voor de omstandigheid dat hij de aanvraag pas een jaar na afloop van de zesmaandentermijn heeft gedaan. De rechtbank heeft belanghebbende in overweging 10 op de gevolgen van het niet geven van een verklaring voor deze late indiening gewezen. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende geen verklaring gegeven. 5.3. Aangezien tegen de afwijzende beslissing om een beschikking te nemen de rechtsmiddelen van bezwaar, beroep en hoger beroep openstaan is daadwerkelijke rechtsbescherming voldoende verzekerd. Het beroep van belanghebbende op artikel 19 VEU miskent overigens dat in dezen geen sprake is van een onder het Unierecht vallend gebied. 5.4. Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel. 6 Kosten Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. 7. Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mr. F.J.P.M. Haas, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 5 februari 2026 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.