Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-02-11
ECLI:NL:GHAMS:2026:398
Strafrecht
Raadkamer
3,064 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:398 text/xml public 2026-03-06T09:54:07 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-02-11 000705-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:398 text/html public 2026-03-06T09:50:47 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:398 Gerechtshof Amsterdam , 11-02-2026 / 000705-25 GHAMS BRR - verzoek om vergoeding schade ex art. 533 Sv - Geen grondslag voor vergoeding van de schade omdat de schade geen rechtstreeks gevolg is van de inverzekeringstelling. Het is niet aan de raadkamer in een raadkamerprocedure om vast te stellen of schade moet worden toegekend op grond van een onrechtmatige daad. beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000705-25 (530 Sv) en 000706-25 (533 Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-002380-23 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en 533van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. W. Drummen, Herengracht 124, 1015 BT Amsterdam . 1 Procesverloop Het verzoekschrift is op 8 oktober 2025 ingekomen. Op 23 december 2025 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 13 januari 2026 de advocaat-generaal en verzoeker en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. 2. Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: immateriële schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 260,00; materiële schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.789.273,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 68.951,85; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00. 3 Beoordeling van het verzoek Bij arrest van dit hof van 21 augustus 2025 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Onder b is verzocht om vergoeding van schade op grond van artikel 533 Sv. Verzoeker stelt schade te hebben geleden als gevolg van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. De werkgever van verzoeker zou de arbeidsovereenkomst 30 november 2020 hebben beëindigd vanwege de strafrechtelijke verdenking en vervolging van verzoeker. Daarbij is een beroep gedaan op de uitspraak van de Hoge Raad van 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, omdat verzoeker van oordeel is dat de Staat jegens hem een onrechtmatige daad heeft begaan. Het hof overweegt dat een gewezen verdachte op grond van artikel 533 Sv in een betrekkelijk eenvoudige raadkamerprocedure zijn schade vergoed kan krijgen vanwege rechtmatige maar achteraf onterecht gebleken inverzekeringstelling, klinische observatie, voorlopige hechtenis, alsmede vrijheidsbeneming in het buitenland, ondergaan in verband met een door Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering. Verzoeker heeft weliswaar in verzekering gezeten, maar de gestelde schade is daarvan geen rechtstreeks gevolg, omdat deze schade voortvloeit uit het ontslag dat na de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, heeft plaatsgevonden. In een raadkamerprocedure als de onderhavige bestaat daarom geen grondslag voor toewijzing van het verzoek onder b. Voorts is het niet aan de raadkamer om vast te stellen dat wellicht sprake is van een jegens verzoeker begane (civielrechtelijke) onrechtmatige daad en de hierdoor veroorzaakte schade. Voormeld beroep op de uitspraak van de Hoge Raad maakt dit niet anders. Het hof zal het verzoek onder b daarom afwijzen. Onder c is verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak in eerste aanleg en hoger beroep. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding het verzoek gematigd toe te wijzen, nu naar het oordeel van het hof niet is gebleken dat bovenmatig is gedeclareerd. Gronden van billijkheid zijn aanwezig tot toekenning van een vergoeding ter zake van: - immateriële schade als gevolg van de ondergane verzekering tot een bedrag van € 260,00; - kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak tot een bedrag van € 68.951,85; - kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00. 4 Beslissing Het hof : Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 69.891,85 (negenenzestigduizend achthonderdeenennegentig euro en vijfentachtig cent). Wijst het anders of meer verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, H.A. van Eijk en A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is -bij ontstentenis van de voorzitter- ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier en is vervroegd uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 februari 2026. De oudste raadsheer beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 69.891,85 (negenenzestigduizend achthonderdeenennegentig euro en vijfentachtig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting Derdengelden Drummen Advocaten o.v.v. [verzoeker] . Amsterdam, 11 februari 2026, mr. H.A. van Eijk, oudste raadsheer
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:398 text/xml public 2026-03-06T09:54:07 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-02-11 000705-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:398 text/html public 2026-03-06T09:50:47 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:398 Gerechtshof Amsterdam , 11-02-2026 / 000705-25 GHAMS BRR - verzoek om vergoeding schade ex art. 533 Sv - Geen grondslag voor vergoeding van de schade omdat de schade geen rechtstreeks gevolg is van de inverzekeringstelling. Het is niet aan de raadkamer in een raadkamerprocedure om vast te stellen of schade moet worden toegekend op grond van een onrechtmatige daad. beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000705-25 (530 Sv) en 000706-25 (533 Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-002380-23 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en 533van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. W. Drummen, Herengracht 124, 1015 BT Amsterdam . 1 Procesverloop Het verzoekschrift is op 8 oktober 2025 ingekomen. Op 23 december 2025 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 13 januari 2026 de advocaat-generaal en verzoeker en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. 2. Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: immateriële schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 260,00; materiële schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.789.273,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 68.951,85; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00. 3 Beoordeling van het verzoek Bij arrest van dit hof van 21 augustus 2025 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Onder b is verzocht om vergoeding van schade op grond van artikel 533 Sv. Verzoeker stelt schade te hebben geleden als gevolg van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. De werkgever van verzoeker zou de arbeidsovereenkomst 30 november 2020 hebben beëindigd vanwege de strafrechtelijke verdenking en vervolging van verzoeker. Daarbij is een beroep gedaan op de uitspraak van de Hoge Raad van 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, omdat verzoeker van oordeel is dat de Staat jegens hem een onrechtmatige daad heeft begaan. Het hof overweegt dat een gewezen verdachte op grond van artikel 533 Sv in een betrekkelijk eenvoudige raadkamerprocedure zijn schade vergoed kan krijgen vanwege rechtmatige maar achteraf onterecht gebleken inverzekeringstelling, klinische observatie, voorlopige hechtenis, alsmede vrijheidsbeneming in het buitenland, ondergaan in verband met een door Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering. Verzoeker heeft weliswaar in verzekering gezeten, maar de gestelde schade is daarvan geen rechtstreeks gevolg, omdat deze schade voortvloeit uit het ontslag dat na de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, heeft plaatsgevonden. In een raadkamerprocedure als de onderhavige bestaat daarom geen grondslag voor toewijzing van het verzoek onder b. Voorts is het niet aan de raadkamer om vast te stellen dat wellicht sprake is van een jegens verzoeker begane (civielrechtelijke) onrechtmatige daad en de hierdoor veroorzaakte schade. Voormeld beroep op de uitspraak van de Hoge Raad maakt dit niet anders. Het hof zal het verzoek onder b daarom afwijzen. Onder c is verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak in eerste aanleg en hoger beroep. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding het verzoek gematigd toe te wijzen, nu naar het oordeel van het hof niet is gebleken dat bovenmatig is gedeclareerd. Gronden van billijkheid zijn aanwezig tot toekenning van een vergoeding ter zake van: - immateriële schade als gevolg van de ondergane verzekering tot een bedrag van € 260,00; - kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak tot een bedrag van € 68.951,85; - kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00. 4 Beslissing Het hof : Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 69.891,85 (negenenzestigduizend achthonderdeenennegentig euro en vijfentachtig cent). Wijst het anders of meer verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, H.A. van Eijk en A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is -bij ontstentenis van de voorzitter- ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier en is vervroegd uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 februari 2026. De oudste raadsheer beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 69.891,85 (negenenzestigduizend achthonderdeenennegentig euro en vijfentachtig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting Derdengelden Drummen Advocaten o.v.v. [verzoeker] . Amsterdam, 11 februari 2026, mr. H.A. van Eijk, oudste raadsheer