Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-02-11
ECLI:NL:GHAMS:2026:394
Strafrecht
Raadkamer
3,863 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:394 text/xml public 2026-02-20T11:06:36 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-02-11 000498-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:394 text/html public 2026-02-20T11:05:23 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:394 Gerechtshof Amsterdam , 11-02-2026 / 000498-25 GHAMS BRR - verzoek ex 533 Sv door erfgenamen - afwijzen verzoek om forfaitaire schadevergoeding beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000498-25 (530 Sv) en 999497-25 (533 Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-002297-23 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , erfgename van [naam] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1950, domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. H. Loonstein, Noord-Hollandstraat 61, 1081 AS Amsterdam.. 1 Procesverloop Het verzoekschrift is op 16 juli 2025 ingekomen. Op 27 november 2025 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt. Op 14 december 2025 is aan de advocaat van verzoeker om een toelichting gevraagd. Voorgaand verzoek is op 8 januari 2026 herhaald. Op 9 januari 2026 heeft de advocaat van verzoeker laten weten in raadkamer het verzoek toe te lichten. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 13 januari 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoekster is niet in raadkamer verschenen. 2. Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 19.450,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 14.547,89; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00. 3 Beoordeling van het verzoek Bij arrest van dit hof van 16 april 2025 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. In raadkamer op 13 januari 2026 is namens verzoekster gewezen op het bijzondere karakter van de onderliggende strafzaak, hetgeen zou blijken uit het navolgende. De gewezen verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, tegen deze vrijspraak is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep is de gewezen verdachte overleden. Wanneer geen hoger beroep zou zijn ingesteld dan had de gewezen verdachte zelf het verzoek sub a gedaan en zou hij in het verzoek ontvankelijk zijn geweest en was de vordering toewijsbaar. De facto kan gezegd worden dat de gewezen verdachte – die al bij het instellen van het appel in de strafzaak een zeer broze gezondheid had, hetgeen het openbaar ministerie bekend was – doordat het openbaar ministerie in hoger beroep is gegaan bewust of onbewust de pas is afgesneden een verzoek ex artikel 533 Sv te doen. Mede in het licht van de onschuldpresumptie moet het verzoek worden toegewezen. Subsidiair is door de raadsman gesteld dat de door het LOVS vastgestelde forfaitaire schadevergoeding zowel immateriële als materiële schade vergoedt. In het licht hiervan is namens verzoeker verzocht om aanhouding van het onderzoek om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld de materiële schade toe te lichten. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Artikel 533, lid 6 Sv luidt -voor zover van belang-: Een verzoek om vergoeding van door de gewezen verdachte geleden schade kan ook door zijn erfgenamen worden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. Bij deze toekenning blijft een vergoeding van het door de gewezen verdachte geleden nadeel dat niet in vermogensschade bestaat achterwege. De standaardvergoeding voor schade ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis wordt geacht de immateriële schade te vergoeden. Mits deugdelijk onderbouwd kan ook bijkomende materiële schade – geleden ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis - worden vergoed. Het is aan verzoeker om deze materiële schade te beargumenteren en met (verifieerbare) stukken te staven. In het verzoekschrift is namens verzoeker niet beargumenteerd dat vermogensschade is geleden noch zijn daartoe stukken overgelegd. Op 14 december 2025 is aan de raadsman van verzoeker om voormelde reden ambtshalve door het hof om een toelichting gevraagd. Voorgaand verzoek is op 8 januari 2026 herhaald. Van deze, tot tweemaal geboden gelegenheid, is door de raadsman geen gebruik gemaakt. Ook in raadkamer heeft de raadsman eventuele materiële schade niet beargumenteerd, noch geconcretiseerd en met stukken gestaafd. Eerst nadat in raadkamer voornoemde correspondentie – en het uitblijven van een gemotiveerde en geconcretiseerde reactie – ter sprake is gebracht, heeft de raadsman (subsidiair) om aanhouding van het onderzoek verzocht om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld de stelling dat de gewezen verdachte ook materiele schade heeft geleden door de ondergane detentie te concretiseren en te onderbouwen. Het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de behandeling wordt afgewezen, omdat verzoeker reeds meer malen voorafgaand aan de behandeling de gelegenheid is geboden tot concretisering en onderbouwing van eventueel geleden materiele schade en hiervan geen gebruik is gemaakt en ook in raadkamer zelfs geen begin van nadere concretisering is gegeven aan een dergelijke vordering en een dergelijke vordering ook anderszins niet aannemelijk is geworden. Het hof acht gelet op het voorgaande geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de onder a verzochte vergoeding. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak tot een bedrag van € 14.547,89. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00. 4 Beslissing Het hof : Kent aan verzoekster een vergoeding toe van € 15.227,89 (vijftienduizend tweehonderdzevenentwintig euro en negenentachtig cent). Wijst het anders of meer verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoekster. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, H.A. van Eijk en A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, en is -bij ontstentenis van de voorzitter- ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier en is vervroegd uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 februari 2026. De oudste raadsheer beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 15.227,89 (vijftienduizend tweehonderdzevenentwintig euro en negenentachtig cent) op bankrekeningnummer [ibannr] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Loonstein Advocaten o.v.v. [nummer] [verzoeker] c.s.. Amsterdam, 11 februari 2026, mr. H.A. van Eijk, voorzitter
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:394 text/xml public 2026-02-20T11:06:36 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-02-11 000498-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:394 text/html public 2026-02-20T11:05:23 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:394 Gerechtshof Amsterdam , 11-02-2026 / 000498-25 GHAMS BRR - verzoek ex 533 Sv door erfgenamen - afwijzen verzoek om forfaitaire schadevergoeding beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000498-25 (530 Sv) en 999497-25 (533 Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-002297-23 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , erfgename van [naam] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1950, domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. H. Loonstein, Noord-Hollandstraat 61, 1081 AS Amsterdam.. 1 Procesverloop Het verzoekschrift is op 16 juli 2025 ingekomen. Op 27 november 2025 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt. Op 14 december 2025 is aan de advocaat van verzoeker om een toelichting gevraagd. Voorgaand verzoek is op 8 januari 2026 herhaald. Op 9 januari 2026 heeft de advocaat van verzoeker laten weten in raadkamer het verzoek toe te lichten. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 13 januari 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoekster is niet in raadkamer verschenen. 2. Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 19.450,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 14.547,89; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00. 3 Beoordeling van het verzoek Bij arrest van dit hof van 16 april 2025 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. In raadkamer op 13 januari 2026 is namens verzoekster gewezen op het bijzondere karakter van de onderliggende strafzaak, hetgeen zou blijken uit het navolgende. De gewezen verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, tegen deze vrijspraak is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep is de gewezen verdachte overleden. Wanneer geen hoger beroep zou zijn ingesteld dan had de gewezen verdachte zelf het verzoek sub a gedaan en zou hij in het verzoek ontvankelijk zijn geweest en was de vordering toewijsbaar. De facto kan gezegd worden dat de gewezen verdachte – die al bij het instellen van het appel in de strafzaak een zeer broze gezondheid had, hetgeen het openbaar ministerie bekend was – doordat het openbaar ministerie in hoger beroep is gegaan bewust of onbewust de pas is afgesneden een verzoek ex artikel 533 Sv te doen. Mede in het licht van de onschuldpresumptie moet het verzoek worden toegewezen. Subsidiair is door de raadsman gesteld dat de door het LOVS vastgestelde forfaitaire schadevergoeding zowel immateriële als materiële schade vergoedt. In het licht hiervan is namens verzoeker verzocht om aanhouding van het onderzoek om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld de materiële schade toe te lichten. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Artikel 533, lid 6 Sv luidt -voor zover van belang-: Een verzoek om vergoeding van door de gewezen verdachte geleden schade kan ook door zijn erfgenamen worden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. Bij deze toekenning blijft een vergoeding van het door de gewezen verdachte geleden nadeel dat niet in vermogensschade bestaat achterwege. De standaardvergoeding voor schade ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis wordt geacht de immateriële schade te vergoeden. Mits deugdelijk onderbouwd kan ook bijkomende materiële schade – geleden ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis - worden vergoed. Het is aan verzoeker om deze materiële schade te beargumenteren en met (verifieerbare) stukken te staven. In het verzoekschrift is namens verzoeker niet beargumenteerd dat vermogensschade is geleden noch zijn daartoe stukken overgelegd. Op 14 december 2025 is aan de raadsman van verzoeker om voormelde reden ambtshalve door het hof om een toelichting gevraagd. Voorgaand verzoek is op 8 januari 2026 herhaald. Van deze, tot tweemaal geboden gelegenheid, is door de raadsman geen gebruik gemaakt. Ook in raadkamer heeft de raadsman eventuele materiële schade niet beargumenteerd, noch geconcretiseerd en met stukken gestaafd. Eerst nadat in raadkamer voornoemde correspondentie – en het uitblijven van een gemotiveerde en geconcretiseerde reactie – ter sprake is gebracht, heeft de raadsman (subsidiair) om aanhouding van het onderzoek verzocht om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld de stelling dat de gewezen verdachte ook materiele schade heeft geleden door de ondergane detentie te concretiseren en te onderbouwen. Het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de behandeling wordt afgewezen, omdat verzoeker reeds meer malen voorafgaand aan de behandeling de gelegenheid is geboden tot concretisering en onderbouwing van eventueel geleden materiele schade en hiervan geen gebruik is gemaakt en ook in raadkamer zelfs geen begin van nadere concretisering is gegeven aan een dergelijke vordering en een dergelijke vordering ook anderszins niet aannemelijk is geworden. Het hof acht gelet op het voorgaande geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de onder a verzochte vergoeding. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak tot een bedrag van € 14.547,89. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00. 4 Beslissing Het hof : Kent aan verzoekster een vergoeding toe van € 15.227,89 (vijftienduizend tweehonderdzevenentwintig euro en negenentachtig cent). Wijst het anders of meer verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoekster. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, H.A. van Eijk en A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, en is -bij ontstentenis van de voorzitter- ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier en is vervroegd uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 februari 2026. De oudste raadsheer beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 15.227,89 (vijftienduizend tweehonderdzevenentwintig euro en negenentachtig cent) op bankrekeningnummer [ibannr] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Loonstein Advocaten o.v.v. [nummer] [verzoeker] c.s.. Amsterdam, 11 februari 2026, mr. H.A. van Eijk, voorzitter