Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-02-11
ECLI:NL:GHAMS:2026:393
Strafrecht
Raadkamer
2,964 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:393 text/xml public 2026-02-20T11:09:11 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-02-11 000232-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:393 text/html public 2026-02-20T11:07:47 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:393 Gerechtshof Amsterdam , 11-02-2026 / 000232-25 GHAMS BRR - verzoek schadevergoeding ex 530 en 533 Sv - gronden van billijkheid na seponeren ivm mediation - gronden van billijkehid kosten raadsman verzoekschriftprocedure bij afwijzing onderliggende verzoek beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000232-25 (530 Sv) en 000655-25 (533 Sv) parketnummer in eerste aanleg: 15-022127-22 Beschikking op het ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 12 oktober 2022 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. R.J.A. Verhoeven, Kennemerstraatweg 117, 1814 GE Alkmaar. 1 Procesverloop Op 12 oktober 2022 is het beroep ingesteld door verzoeker (hierna appellant). Op 26 augustus 2025 zijn de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord en is het onderzoek gesloten. Bij tussenbeschikking van 23 september 2025 is het onderzoek heropend en de behandeling geschorst voor onbepaalde tijd. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 13 januari 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen. 2 Inhoud van het verzoek Het oorspronkelijk ingediende verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 260,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00. In hoger beroep is het verzoek aangevuld ter zake van: kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00. 3 Beoordeling Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. De rechtbank heeft het verzoek onder a afgewezen. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen omdat uit een proces-verbaal van camerabeelden alsmede twee getuigenverhoren voldoende blijkt dat appellant de inverzekeringstelling aan zijn eigen houding te wijten heeft. Volgens die stukken uit het dossier zou appellant iemand geslagen hebben. Het hof overweegt dat de strafzaak volgens het Openbaar Ministerie is geseponeerd na een geslaagde mediation. Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst tussen appellant en de jongen die zou zijn geslagen. Hieruit blijkt dat appellant tijdens het mediation - nadat ieder het eigen verhaal had verteld over wat er is gebeurd - heeft aangegeven dat zijn manier van handelen onjuist was en dat hij het op een andere manier had moeten oplossen. Hij heeft daarvoor zijn excuses aangeboden. Onder die omstandigheden acht het hof het niet billijk dat de staat de schade vanwege ondergane verzekering van appellant moet vergoeden. Dat geen strafrechtelijke aansprakelijkheid is vastgesteld, maakt dit niet anders. Het hof zal het verzoek in zoverre afwijzen. Volgens bestendige rechtspraak van dit hof met betrekking tot een verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in een verzoekschriftprocedure overweegt het hof dat een (deels) afwijzende beslissing op het onderliggende verzoek, niet vanzelfsprekend met zich brengt dat ook het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten behoeve van de verzoekschriftprocedure (deels) moet worden afgewezen. Ook bij vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure gaat het om een billijkheidsoordeel. Geen gronden van billijkheid bestaan indien het verzoeker, bijgestaan door een rechtsgeleerd advocaat, rechtstreeks uit de wet en/of de bestendige gepubliceerde jurisprudentie volstrekt duidelijk had moeten zijn dat het onderliggende verzoek zou worden afgewezen. In het onderhavige geval was hiervan geen sprake. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure: in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00; in hoger beroep ten bedrage van € 340,00. 4 Beslissing Het hof: Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht. Kent aan appellant een vergoeding toe van € 1.020,00 (duizendtwintig euro). Wijst het meer of anders verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, H.A. van Eijk en A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is – bij ontstentenis van de voorzitter - ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier en is vervroegd uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 februari 2026. De oudste raadsheer beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.020,00 (duizendtwintig euro) op bankrekeningnummer [ibannr] t.n.v. Ruut Verhoeven, advocaat o.v.v. [nummer] [verzoeker] /schadevergoeding. Amsterdam, 11 februari 2026, mr. H.A. van Eijk, oudste raadsheer
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:393 text/xml public 2026-02-20T11:09:11 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-02-11 000232-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:393 text/html public 2026-02-20T11:07:47 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:393 Gerechtshof Amsterdam , 11-02-2026 / 000232-25 GHAMS BRR - verzoek schadevergoeding ex 530 en 533 Sv - gronden van billijkheid na seponeren ivm mediation - gronden van billijkehid kosten raadsman verzoekschriftprocedure bij afwijzing onderliggende verzoek beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000232-25 (530 Sv) en 000655-25 (533 Sv) parketnummer in eerste aanleg: 15-022127-22 Beschikking op het ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 12 oktober 2022 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. R.J.A. Verhoeven, Kennemerstraatweg 117, 1814 GE Alkmaar. 1 Procesverloop Op 12 oktober 2022 is het beroep ingesteld door verzoeker (hierna appellant). Op 26 augustus 2025 zijn de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord en is het onderzoek gesloten. Bij tussenbeschikking van 23 september 2025 is het onderzoek heropend en de behandeling geschorst voor onbepaalde tijd. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 13 januari 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen. 2 Inhoud van het verzoek Het oorspronkelijk ingediende verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 260,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00. In hoger beroep is het verzoek aangevuld ter zake van: kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00. 3 Beoordeling Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. De rechtbank heeft het verzoek onder a afgewezen. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen omdat uit een proces-verbaal van camerabeelden alsmede twee getuigenverhoren voldoende blijkt dat appellant de inverzekeringstelling aan zijn eigen houding te wijten heeft. Volgens die stukken uit het dossier zou appellant iemand geslagen hebben. Het hof overweegt dat de strafzaak volgens het Openbaar Ministerie is geseponeerd na een geslaagde mediation. Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst tussen appellant en de jongen die zou zijn geslagen. Hieruit blijkt dat appellant tijdens het mediation - nadat ieder het eigen verhaal had verteld over wat er is gebeurd - heeft aangegeven dat zijn manier van handelen onjuist was en dat hij het op een andere manier had moeten oplossen. Hij heeft daarvoor zijn excuses aangeboden. Onder die omstandigheden acht het hof het niet billijk dat de staat de schade vanwege ondergane verzekering van appellant moet vergoeden. Dat geen strafrechtelijke aansprakelijkheid is vastgesteld, maakt dit niet anders. Het hof zal het verzoek in zoverre afwijzen. Volgens bestendige rechtspraak van dit hof met betrekking tot een verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in een verzoekschriftprocedure overweegt het hof dat een (deels) afwijzende beslissing op het onderliggende verzoek, niet vanzelfsprekend met zich brengt dat ook het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten behoeve van de verzoekschriftprocedure (deels) moet worden afgewezen. Ook bij vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure gaat het om een billijkheidsoordeel. Geen gronden van billijkheid bestaan indien het verzoeker, bijgestaan door een rechtsgeleerd advocaat, rechtstreeks uit de wet en/of de bestendige gepubliceerde jurisprudentie volstrekt duidelijk had moeten zijn dat het onderliggende verzoek zou worden afgewezen. In het onderhavige geval was hiervan geen sprake. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure: in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00; in hoger beroep ten bedrage van € 340,00. 4 Beslissing Het hof: Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht. Kent aan appellant een vergoeding toe van € 1.020,00 (duizendtwintig euro). Wijst het meer of anders verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, H.A. van Eijk en A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is – bij ontstentenis van de voorzitter - ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier en is vervroegd uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 februari 2026. De oudste raadsheer beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.020,00 (duizendtwintig euro) op bankrekeningnummer [ibannr] t.n.v. Ruut Verhoeven, advocaat o.v.v. [nummer] [verzoeker] /schadevergoeding. Amsterdam, 11 februari 2026, mr. H.A. van Eijk, oudste raadsheer