Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-02-19
ECLI:NL:GHAMS:2026:386
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002919-23 datum uitspraak: 19 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-210502-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats en datum] , adres: [adres verdachte] . 1 Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12, 13, 19 januari en 19 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer, en/of Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of Gouda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, door - zich (meermalen) in de nabijheid van die [slachtoffer] te bevinden, teneinde het slachtoffer te observeren, en/of - het uitvoeren en/of betrokken te zijn bij één of meer voorverkenning(en) in Cruquius en/of Hoofddorp en/of - contact te onderhouden met één of meer medeverdachte(n) en/of - een baken te plaatsen onder de auto van die [slachtoffer] en/of - zich te hullen in gezichtsbedekkende kleding en/of - de auto van die [slachtoffer] klem te rijden en/of - die [slachtoffer] vast te grijpen en (met kracht) uit zijn auto te trekken en/of - meermalen fysiek geweld op die [slachtoffer] toe te passen en/of tegen die [slachtoffer] te schreeuwen en/of - die [slachtoffer] (met kracht) in een ander voertuig te duwen, althans te dwingen in een ander voertuig plaats te nemen en/of - het zicht van die [slachtoffer] te belemmeren door een kledingstuk om zijn hoofd vast te maken met tape en/of - de handen en/of benen van die [slachtoffer] vast te binden met tieraps en/of tape en/of - die [slachtoffer] te bedreigen met de woorden “hier is een pistool” en/of “anders schiet ik je dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of - die [slachtoffer] te verhinderen het voertuig te verlaten en/of - die [slachtoffer] (tegen diens wil) te verplaatsen van Cruquius naar Gouda; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. 3 Vernietiging vonnis Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . 4 Bewijsoverwegingen 4.1 Inleiding De verdachte staat samen met een aantal medeverdachten in hoger beroep terecht voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving (hierna: ontvoering) van [slachtoffer] die op 5 augustus 2021 in Cruquius vanuit zijn auto is meegenomen en op 11 augustus 2021 weer door zijn ontvoerders is vrijgelaten. De verdachte is door de rechtbank veroordeeld als medepleger tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft tegen dat vonnis geen hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld, omdat zij de opgelegde straf te laag vindt. De zaak tegen de verdachte werd gelijktijdig behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . De zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zijn aangehouden Bovendien maakt dit nummer op 5 augustus 2021 om 18:53 uur gebruik van een zendmast vlakbij de plek waar [medeverdachte 6] om 19:01 uur op camerabeelden is gezien. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 6] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -1928, -3871 en -5685. [medeverdachte 5] : [telefoonnummer 05] (hierna: -9568) en [telefoonnummer 06] (hierna: -0224) Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] zijn ook een Samsung Galaxy A20e met telefoonnummer -9568 en een Samsung Galaxy J3 met telefoonnummer -0224 in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoonnummers aan [medeverdachte 5] kunnen worden toegeschreven. [medeverdachte 5] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van deze telefoonnummers was. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 5] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -9568 en -0224. [medeverdachte 8] : [telefoonnummer 07] (hierna: -5238), [telefoonnummer 08] (hierna: -7003) en [telefoonnummer 09] (hierna: -7630) Uit het dossier blijkt dat er meerdere telefoons in beslag zijn genomen op en rondom de locatie waar de verdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 5 augustus 2021 aangehouden zijn, waaronder een iPhone 12 Pro met telefoonnummer -5238. Op deze telefoon zijn meerdere persoonlijke gegevens van [medeverdachte 8] aangetroffen. In de nabijheid van deze iPhone 12 is diezelfde avond in Gouda een Samsung A01 aangetroffen met telefoonnummer -7003. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoons tussen 3 augustus 2021 tot het aantreffen op 5 augustus 2021 in nagenoeg dezelfde omgeving zijn geweest. Tot slot is uit onderzoek van telecomgegevens een Nokia met telefoonnummer -7630 naar voren gekomen. Uit een vergelijking van de historische verkeersgegevens blijkt dat de iPhone -5238 en Samsung -7003 op meerdere dagen in dezelfde omgeving verbindingen maken als deze Nokia -7630. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 8] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -5238, -7003 en -7630. [medeverdachte 1] : [telefoonnummer 10] (hierna: -5555) Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] is ook een iPhone 12 Pro met telefoonnummer -5555 in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer aan [medeverdachte 1] kan worden toegeschreven. [medeverdachte 1] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van dit telefoonnummer was. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -5555. [verdachte] : [telefoonnummer 11] (hierna: -9311) en [telefoonnummer 12] (hierna: -3642) Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] zijn ook een Cubot X19 met het telefoonnummer -9311 en een iPhone X met het telefoonnummer -3642 in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoonnummers aan [verdachte] kunnen worden toegeschreven. De verdediging heeft dit ook niet betwist. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -9311 en -3642. [medeverdachte 4] : [telefoonnummer 13] (hierna: -6375) Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] is ook een iPhone 11 Pro Max met het telefoonnummer -6375 in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer aan [medeverdachte 4] kan worden toegeschreven. De verdediging heeft dit ook niet betwist. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 4] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -6375. [medeverdachte 3] : [telefoonnummer 14] (hierna: -7622) Uit het dossier blijkt dat bij de aanhouding van [medeverdachte 3] op 5 augustus 2021 in Gouda onder hem een mobiele telefoon is aangetroffen en in beslag genomen, te weten een Google Pixel met het telefoonnummer -762 Deze bevindingen zijn één miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen. Op basis hiervan kan, in het licht van de overige feiten en omstandigheden, worden vastgesteld dat het DNA afkomstig is van [slachtoffer] . Ook hierna zal het hof ten aanzien van vastgestelde DNA-profielen met een dergelijke (of vergelijkbare) bewijskracht ervan uitgaan dat het DNA telkens aan de betreffende persoon toebehoort. Betrokken auto’s Op 5 augustus 2021 is om 19:15 uur de BMW, voorzien van valse kentekenplaten op het Koekoekplein te Gouda aangetroffen. Op de achterbank van dit voertuig worden drie sigarettenpeuken aangetroffen met daarop DNA van [medeverdachte 3] . Aan de binnenzijde van de portiergreep aan de bestuurderskant en op het stuur van de BMW is DNA van [medeverdachte 6] aangetroffen. In de nacht van 6 op 7 augustus 2021 om 00:00 uur is de Renault Laguna afgesloten aangetroffen in Gouda, met daarin de mobiele telefoon van [slachtoffer] . Op het stuur en de versnellingspook van de Renault Laguna is DNA van [medeverdachte 2] aangetroffen. De Mercedes-bus is op 8 augustus 2021 om 19:40 uur, zonder [slachtoffer] , aangetroffen in een loods aan de Nijverheidsstraat in Gouda. Op het stuurwiel is een mengprofiel aangetroffen met onder meer DNA van [verdachte] . Doorzoeking woningen verdachten Op 8 augustus 2021 verricht de politie doorzoekingen in de woningen van de in Gouda aangehouden verdachten. Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 5] aan de [A-flat] in [plaats A] worden 14 mobiele telefoons aangetroffen die aan verschillende verdachten kunnen worden toegeschreven, onder wie [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] . Uit de telecomgegevens van deze telefoons blijkt dat zij in de nacht voor de ontvoering verbindingen hebben gemaakt met zendmasten in de omgeving van de [A-flat] – en dus bij de woning van [medeverdachte 5] . Gelet op het voorgaande, in samenhang met de overige – nog nader te duiden – feiten en omstandigheden, gaat het hof ervan uit dat de woning van [medeverdachte 5] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat in elk geval de verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren. Aantreffen [slachtoffer] Op woensdag 11 augustus 2021, om 00:45 uur, krijgt de politie de melding dat een man bij een woning in Delft heeft aangebeld, die zegt dat hij is ontvoerd. Als de politie ter plaatse komt treft zij [slachtoffer] aan met een ontbloot bovenlichaam en een blauw vest om zijn hoofd, vastgemaakt met grijs ducttape. Ook heeft [slachtoffer] ducttape om zijn pols, op zijn mond en om zijn nek. Hij heeft verklaard dat hij is klemgereden en dat hij door een man met een bivakmuts vanuit zijn auto naar een rode bus is gebracht, waar hij werd getrapt en klappen kreeg. Zijn mond, armen en benen werden vastgemaakt met tape, en om zijn hoofd werd een vest ook met tape vastgemaakt. In de nacht van vrijdag op zaterdag is hij vanuit de bus in de kofferbak van een kleine auto gelegd, en werd hij verplaatst naar een andere ruimte. Na een paar dagen werd er tegen hem gezegd dat hij naar huis zou gaan en is hij wederom achterin een auto gelegd, waar hij na een paar minuten rijden uitgesleept is en op straat is achtergelaten. Voorverkenningen 2, 3 en 4 augustus 2021 Op 2 augustus 2021 verplaatsen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] zich na 17:18 uur in combinatie met een Opel Corsa met kenteken [kenteken 4] op naam van [medeverdachte 7] (hierna: de Opel Corsa) richting [woonplaats slachtoffer] . Zij zijn tussen 18:40 uur en 20:20 uur in [woonplaats slachtoffer] . Tevens bevindt een baken (met het telefoonnummer -7356) zich in de nabijheid van [medeverdachte 7] en [mede [medeverdachte 8] heeft in deze periode onder meer contact met [medeverdachte 6] , die zich op dat moment met medeverdachten in de omgeving van de [adres 1] in [plaats B] bevindt. Op camerabeelden van de [straatnaam slachtoffer] [huisnummer X] is te zien dat omstreeks 22:03 uur een persoon langs perceel [huisnummer X] loopt in de richting van [adres slachtoffer] , het adres van [slachtoffer] . Deze persoon staat enkele seconden stil en keert vervolgens om, terug in de richting van de [a-weg] . Het baken verplaatst zich op dezelfde wijze. Omstreeks 22:08 uur rijdt er een voertuig komende uit dezelfde richting als het baken ( [straatnaam 1] ) in de richting van [adres slachtoffer] . Het baken verplaatst zich mee. Na 22:19 uur verplaatst het baken zich niet meer tot en met 5 augustus 2021 om 09:41 uur. Vanaf 5 augustus 2021 om 09:41 uur komen de verplaatsingen van het baken overeen met de verplaatsingen van de Laguna van [slachtoffer] . 4.3.3 Vaststellingen ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 1] Zoals hiervoor is vastgesteld is [medeverdachte 1] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachte [medeverdachte 4] aangehouden op de Lazaruskade in Gouda. De medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op het Vogelplein in Gouda. Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 1] herkend op de camerabeelden die zicht geven op de Nijverheidsstraat in Gouda als een van de drie personen die om 18:54 uur de doodlopende weg vanaf de loodsen uitloopt. [medeverdachte 1] is op dat moment in het zwart gekleed en draagt een rode tas bij zich. [medeverdachte 4] wordt eveneens op genoemde beelden herkend. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] worden ook herkend op camerabeelden die zicht geven op de Industriestraat. Op die beelden is eveneens te zien dat [medeverdachte 1] een rode tas bij zich draagt. Hiervoor is al vastgesteld dat door de politie op het Uiverplein in een vuilnisbak een rode plastic tas met daarin een zwarte trui is aangetroffen. Op de zwarte trui zat behalve DNA van [slachtoffer] ook DNA van [medeverdachte 1] . In de Mercedes-bus die is aangetroffen in een loods aan de Nijverheidsstraat in Gouda is op de deurgreep aan de binnenzijde van het rechterportier DNA van [medeverdachte 1] aangetroffen. In de woning van [medeverdachte 5] is een iPhone 12 Pro met het telefoonnummer eindigend op -5555 van [medeverdachte 1] aangetroffen. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat de woning van [medeverdachte 5] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren. Tot slot is naar aanleiding van het uitkijken van camerabeelden waarop is te zien dat [medeverdachte 1] een zwaaiende beweging maakt in de richting van de bosjes, op 16 augustus 2021 in de Industriestraat te Gouda in de bosjes een rol grijze ducttape aangetroffen. Uit soucheonderzoek van het NFI is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker is dat het tapedeel dat is aangetroffen op de linkerarm van [slachtoffer] afkomstig is van deze rol ducttape dan van een willekeurig andere rol grijze ducttape. [medeverdachte 4] Zoals hiervoor is vastgesteld is [medeverdachte 4] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] aangehouden op de Lazaruskade in Gouda. De medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op het Vogelplein in Gouda. Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 4] herkend op de camerabeelden die zicht geven op de Nijverheidsstraat in Gouda als een van de drie personen die om 18:54 uur de doodlopende weg vanaf de loodsen uitloopt. [medeverdachte 4] is op dat moment geheel in het zw Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het geringe tijdsverloop tussen de ontvoering van [slachtoffer] en het moment waarop de Mercedes-bus met [slachtoffer] richting de loodsen aan de Nijverheidsstraat in Gouda is gereden en het tijdstip waarop [medeverdachte 3] samen met drie medeverdachten in Gouda in de nabije omgeving van de Nijverheidsstraat op camerabeelden is gezien en is aangehouden, leidt het hof af dat [medeverdachte 3] aanwezig en betrokken is geweest bij de ontvoering van het slachtoffer als een van de inzittenden van de zwarte BMW. Verder stelt het hof vast dat [medeverdachte 3] betrokken is geweest bij voorverkenningen dan wel samen met anderen [slachtoffer] heeft opgewacht in Cruquius op 5 augustus 2021. [medeverdachte 5] Zoals hiervoor is vastgesteld is [medeverdachte 5] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en [verdachte] aangehouden op het Vogelplein in Gouda. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op de Lazaruskade in Gouda. Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 5] samen met [medeverdachte 3] en [verdachte] herkend op camerabeelden van 5 augustus 2021 van de adressen Vogelplein 50 en 41 in Gouda. Bij zijn aanhouding worden twee zwarte werkhandschoenen aangetroffen. Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 5] aan de [A-flat] in [plaats A] worden veertien mobiele telefoons aangetroffen, waaronder – zoals hiervoor is vastgesteld – die van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] . Uit de telecomgegevens van deze telefoons blijkt dat zij in de nacht voor de ontvoering vanaf 23:00 uur verbindingen hebben gemaakt met zendmasten in de omgeving van de woning van [medeverdachte 5] . Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat deze woning als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat in elk geval de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren. [medeverdachte 2] Zoals hiervoor is vastgesteld hebben getuigen verklaard dat drie mannen met bivakmutsen naar de auto van [slachtoffer] zijn gerend en hem met geweld uit zijn auto hebben getrokken. Twee personen hebben [slachtoffer] in de Mercedes-bus geduwd en zijn zelf ook ingestapt. De derde persoon is in de auto van [slachtoffer] gestapt. Zowel de Mercedes-bus, de BMW als de Renault zijn weggereden in de richting van de provinciale weg N201. De bestuurder is beschreven als een “negroïde man met een volle baard en snor”. De politie heeft vastgesteld dat [medeverdachte 2] voldoet aan dit signalement. Uit onderzoek van het NFI blijkt dat op het stuur en op de versnellingspook van de Renault Laguna DNA van [medeverdachte 2] is aangetroffen. In de woning van [medeverdachte 5] is een iPhone 11 met het telefoonnummer eindigend op -0801 van [medeverdachte 2] aangetroffen. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat de woning van [medeverdachte 5] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat in elk geval de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren. Hiervoor is al vastgesteld dat een getuige heeft gezien dat op 4 augustus 2021 tussen 11:50 uur en 12:15 uur een zwarte BMW geparkeerd stond op het parkeerterrein aan de [straatnaam slachtoffer] in [woonplaats slachtoffer] , nabij de woning van [slachtoffer] . In dat voertuig heeft zij drie mannen zien zitten. Op het parkeerterrein zijn diverse sigarettenpeuken aangetroffen. Op deze sigarettenpeuken is DNA van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] aangetroffen. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en De bijdrage aan het delict kan echter ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor, tijdens of na het strafbare feit. Dan moet extra aandacht worden besteed aan de vraag of de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarbij kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict kan worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote rol in de voorbereiding. Conclusie Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, is het hof van oordeel dat [verdachte] en de medeverdachten vóór en tijdens het plegen van de ontvoering van het slachtoffer intensief hebben samengewerkt. De aard van het feit vergde een gezamenlijke voorbereiding en uitvoering. Het slachtoffer is door meerdere verdachten op meerdere dagen geobserveerd, er zijn gestolen auto’s en valse kentekenplaten geregeld, alsook een locatie waar het slachtoffer moest worden ondergebracht en hij moest op klaarlichte dag uit zijn auto worden getrokken. Die auto moest bovendien worden meegenomen. Er is door meerdere verdachten gebruik gemaakt van handschoenen en bivakmutsen. Eén en ander vergde een zorgvuldige afstemming. Dit maakt dat alle betrokken verdachten vooraf op de hoogte moeten zijn geweest van het plan en de voorgenomen wijze van uitvoering. De avond voor de ontvoering zelf heeft in elk geval een aantal van de verdachten ook verbleven in de woning van één van hen. Deze woning is als uitvalsbasis gebruikt voor de gezamenlijk actie. Mede gelet op de bijdrage die de verdachte zelfaan de ontvoering heeft geleverd, is sprake van een gezamenlijke uitvoering en kan medeplegen worden bewezen. Dat is door de verdediging ook niet bestreden. 5 Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 5 augustus 2021 te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer, en Gouda, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door - de auto van [slachtoffer] klem te rijden, - [slachtoffer] vast te grijpen en uit zijn auto te trekken, - [slachtoffer] in een ander voertuig te duwen, - meermalen fysiek geweld op [slachtoffer] toe te passen en tegen [slachtoffer] te schreeuwen, - het zicht van die [slachtoffer] te belemmeren door een kledingstuk om zijn hoofd vast te maken met tape, - de handen en benen van die [slachtoffer] vast te binden met tape, - [slachtoffer] te bedreigen met de woorden “hier is een pistool” en “anders schiet ik je dood”, en - [slachtoffer] te verplaatsen van Cruquius naar Gouda. Van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd wordt de verdachte vrijgesproken. Het betreft feitelijke handelingen die, al dan niet gepleegd door één of meer mededaders, bewezen kunnen worden maar op zichzelf niet constitutief zijn voor de delictsomschrijving, te weten wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage. 6 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven. 7 Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. 8 Oplegging van straf Straf rechtbank De rechtbank heeft [verdachte] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van Uit de verklaring van zijn vriendin blijkt bijvoorbeeld dat zij doodsangsten heeft uitgestaan en het ook nu nog moeilijk heeft met het verwerken van wat [slachtoffer] en haar is overkomen. Wat de zaak nog ernstiger maakt is dat uit het politieonderzoek is gebleken dat [slachtoffer] niet het beoogde doelwit was. Hij is niet betrokken bij de handel in cocaïne, maar het slachtoffer van een afschuwelijke vergissing. Daarmee zegt het hof niet, zoals door sommige advocaten naar voren is gebracht, dat het leven van een ‘gewone burger’ meer waard is dan dat van een ‘crimineel’. Het is echter wel ernstiger als onschuldigen het slachtoffer worden van crimineel geweld. Steeds vaker worden door roekeloos gedrag onschuldigen betrokken in vetes die in het criminele milieu worden uitgevochten. De gedachte dat hierdoor iedereen slachtoffer kan worden, vergroot de angst in de samenleving en gevoelens van onveiligheid. Eén van de doelen van het opleggen van een gevangenisstraf is de preventieve werking die daarvan uitgaat. Om het anders te formuleren, een gevangenisstraf voor deze verdachte is een waarschuwing voor anderen om zich te bedenken voordat ze nietsontziend en roekeloos geweld aanwenden. Door de verdediging is aangevoerd dat [verdachte] alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat er op 5 augustus 2021 – en niet in de dagen daarna – is gebeurd. Die stelling gaat niet op. Weliswaar is ‘slechts’ aan [verdachte] ten laste gelegd en bewezen verklaard de ontvoering op 5 augustus 2021, maar de rechter kan bij het bepalen van de straf rekening houden met feiten en omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan. Een van de relevante omstandigheden is in dit geval dat de ontvoering van [slachtoffer] nog dagen heeft voortgeduurd nadat [verdachte] en zijn mededaders hem hebben afgeleverd in de loods in Gouda. Deze omstandigheid, die ook uit de bewijsmiddelen blijkt, staat in zo’n nauw verband met het bewezen verklaarde dat hieraan bij het bepalen van de strafmaat voor het bewezen verklaarde wel degelijk betekenis toekomt. [verdachte] heeft geen enkele openheid van zaken gegeven, noch in de beweegreden van zijn handelen, noch ten aanzien van wat hij precies heeft gedaan en wist. Als hij al niet wist wat het slachtoffer te wachten stond, heeft hij zich kennelijk niet bekommerd om diens verdere lot. Dat is net zo ernstig. Het directe gevolg van het handelen van [verdachte] is in elk geval geweest dat [slachtoffer] in totaal zes dagen opgesloten heeft gezeten onder zeer slechte omstandigheden. Ook dat is hem dus aan te rekenen. Er zijn geen oriëntatiepunten voor straftoemeting ten aanzien van een ontvoering. Het hof heeft, in het licht van hetgeen hierna zal worden overwogen ten aanzien van de immateriële schadevergoeding, met een schuin oog gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor een gewapende woningoverval. Dat uitgangspunt is, bij gebruik van geweld, een gevangenisstraf van zestig maanden. Hoewel een woningoverval en een ontvoering elk hun eigen bijzonderheden kennen en bovendien de feiten en omstandigheden in elke zaak verschillen, acht het hof deze misdrijven wat de straftoemeting betreft van vergelijkbare ernst. Alles tezamen maakt dat het hof in dit geval een gevangenisstraf van vijf jaar passend en geboden acht. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging bepleit, is gelet op de ernst van het feit niet aan de orde. De door de verdediging genoemde persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , die ook tot uitdrukking komen in de door Reclassering Nederland uitgebrachte voorlichtingsrapporten van 1 februari 2022, 28 augustus 2023 en 16 december 2025, zijn in het licht van de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende zwaarwegend om hiermee bij het bepalen van de straf rekening te kunnen houden. Het strafblad van [verdachte] geeft geen aanleiding daar in strafverzwarende zin rekening mee te houden. Het hof is ten slotte nagegaan of de procedure bij de rechtbank en de procedure in hoger Immateriële schade Aan de vordering tot vergoeding van de onder 5 genoemde immateriële schade heeft [slachtoffer] ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven, dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Er is een ernstige inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. De aard en ernst van de normschendig zijn dusdanig dat ook zonder diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting als hiervoor bedoeld. Bij de hoogte van het schadebedrag moet volgens [slachtoffer] – met toepassing van de criteria die zijn neergelegd in de zogeheten Rotterdamse Schaal – worden betrokken (a) de handelwijze van de daders (waarbij in dit geval sprake is van een ‘vergisontvoering’ van een willekeurige en onschuldige burger, terwijl de vergissing ook van meet af aan duidelijk was voor de daders), (b) de intensiteit van de bedreigende situatie (waarbij sprake is geweest van een zeer ernstige bedreiging van [slachtoffer] en zijn familie en naasten en waarbij [slachtoffer] in benarde posities is vastgehouden), (c) de mate en de duur van de vrijheidsbeperking (zes dagen lang, waarbij [slachtoffer] het grootste deel van de tijd geblinddoekt was), (d) de kwetsbaarheid van [slachtoffer] (hij was een willekeurige en onschuldige burger die zich op deze situatie niet heeft kunnen voorbereiden en (e) de aard en ernst van de gevolgen voor [slachtoffer] (ernstig en blijvend). De raadsvrouw van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering – in aanmerking genomen de bedragen die zijn genoemd in de Rotterdamse Schaal – kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. Voor het overige dient de vordering te worden afgewezen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot het gevraagde bedrag van € 25.000,00 kan worden toegewezen. Het hof oordeelt als volgt. Aanspraak op immateriële schadevergoeding Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt, voor zover hier van belang: ‘Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: […] b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’ Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. (Vgl. HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024.) Zoals hiervoor ook bij de motivering van de straf is toegelicht, is [slachtoffer] slachtoffer geworden van een gewelddadige ontvoering, waarbij hij gedurende ongeveer zes dagen onder zeer belastende omstandigheden van zijn vrijheid is beroofd. Daarbij is [slachtoffer] mishandeld en met de Hoofdelijke aansprakelijkheid Hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat indien en voor zover meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade (artikel 6:102 BW), hetgeen doorgaans het geval is indien de schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele toewijsbare schade: indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, zal de verdachte in zoverre van zijn betalingsverplichting zijn bevrijd. De verdachte zal ook hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden gemaakte kosten worden begroot op nihil. Om te bevorderen dat de door de [slachtoffer] geleden schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze. 9.2 Vordering benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.613,71 ingediend tegen de verdachte. De schade bestaat uit materiële schade tot een bedrag van € 3.113,71 (€ 756,01 aan medische kosten, € 857,70 aan gederfde inkomsten en € 1.500,00 aan toekomstige medische kosten) en immateriële schade ten bedrage van € 2.500,00. [benadeelde partij] heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. [benadeelde partij] heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. De advocaat van [benadeelde partij] heeft betoogd, samengevat weergegeven, dat de rechtbank bij de beoordeling of sprake is van ‘rechtstreekse schade’ als bedoeld in artikel 51f Sv – door te bezien of [benadeelde partij] is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd – ten onrechte een verouderde maatstaf heeft toegepast. De rechtbank had moeten beoordelen of sprake is van een voldoende verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Volgens de advocaat heeft de verdachte ook jegens [benadeelde partij] onrechtmatig gehandeld. In de eerste plaats door inbreuk te maken op haar recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel door jegens haar een ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm te schenden. Ter onderbouwing heeft de advocaat verwezen naar twee arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden, te weten een arrest van 22 maart 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AT2244 en een arrest van 25 februari 2020, ECLI:NL:ARL:2020:1618. Uit die jurisprudentie leidt de advocaat van [benadeelde partij] af dat de door [benadeelde partij] geleden immateriële schade in een voldoende nauw verband staat met de ontvoering en dus voor vergoeding in aanmerking komt. In de tweede plaats is volgens de advocaat sprake van zogenoemde schokschade. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat de vordering van [benadeelde partij] volledig kan worden toegewezen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat de vordering van [benadeelde partij] moet worden afgewezen nu zij – als ‘subsidiair’ slachtoffer – geen rechtstreekse schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Het hof oordeelt als volgt. Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zo’n verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van 1, 5) Uit dit wettelijke stelsel volgt dat [benadeelde partij] , die niet het directe slachtoffer is geweest van de ontvoering en in zoverre niet als primair slachtoffer kan worden aangemerkt, geen aanspraak heeft op vergoeding van de gestelde immateriële schade die zij hierdoor heeft opgelopen. Dat, zoals onweersproken is aangevoerd, de ontvoering van haar partner uitermate belastend is geweest en tot op de dag van vandaag voor haar zeer nadelige gevolgen heeft, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. De verwijzing door de advocaat van [benadeelde partij] ter terechtzitting in hoger beroep naar de twee (civielrechtelijke) arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden van respectievelijk 22 maart 2005 en 25 februari 2020 leiden niet tot een ander oordeel, alleen al omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. De zaak uit 2005 betrof een kinderontvoering waarbij de dader de moeder gedurende ruim een jaar had belet om de op haar rustende ouderlijke verantwoordelijkheden (zij had bij uitsluiting het ouderlijk gezag) uit te oefenen. De zaak uit 2020 betrof het een ontuchtzaak waarbij een man zijn zevenjarige buurmeisje gedurende een half jaar seksueel had misbruikt. Het hof oordeelde dat de man onrechtmatig had gehandeld jegens de moeder en de stiefvader van het meisje door het vertrouwen dat zij in hem hadden gesteld, door het meisje aan zijn zorg toe te vertrouwen, te schenden. Over het betoog van de advocaat van [benadeelde partij] dat sprake is van schokschade – en dat zij dus ook op die grond vergoeding van de materiële en immateriële schade kan vorderen – overweegt het hof tot slot het volgende. Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer: - De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed. - De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis. - De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen. Het hof stelt vast dat [benadeelde partij] de gebeurtenissen tijdens de bewezen verklaarde ontvoering niet zelf heeft waargenomen. Zij was zelf immers niet aanwezig bij de ontvoering. Zij is hierover door de politie geïnformeerd en achteraf heeft zij gehoord wat er allemaal met haar partner is gebeurd. Bij het weerzien was het waarneembare fysieke letsel bij [slachtoffer] van beperkte aard. Het is evident dat de ontvoering van [slachtoffer] en de onzekerheid over zijn lot voor [benadeelde partij] uitermate belastend zijn geweest, maar van een confrontatie die een hevige emotionele schok teweeg kan hebben gebracht zoals door de Hoge Raad overwogen, is geen sprake geweest. Ook in zoverre is dus geen basis voor toewijzing van d