Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-02-19
ECLI:NL:GHAMS:2026:381
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002914-23 datum uitspraak: 19 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 15-210489-21 en 10-091758-20 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats en datum] , adres: [woonadres verdachte] , thans uit anderen hoofde gedetineerd in DC Rotterdam . 1 Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12, 13, 19 januari en 19 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat: Primair hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Cruquius , gemeente Haarlemmermeer , en/of Hoofddorp , gemeente Haarlemmermeer , en/of Gouda , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, door - zich (meermalen) in de nabijheid van die [slachtoffer] te bevinden, teneinde het slachtoffer te observeren, en/of - het uitvoeren en/of betrokken te zijn bij één of meer voorverkenning(en) in Cruquius en/of Hoofddorp en/of - contact te onderhouden met één of meer medeverdachte(n) en/of - een baken te plaatsen onder de auto van die [slachtoffer] en/of - zich te hullen in gezichtsbedekkende kleding en/of - de auto van die [slachtoffer] klem te rijden en/of - die [slachtoffer] vast te grijpen en (met kracht) uit zijn auto te trekken en/of - meermalen fysiek geweld op die [slachtoffer] toe te passen en/of tegen die [slachtoffer] te schreeuwen en/of - die [slachtoffer] (met kracht) in een ander voertuig te duwen, althans te dwingen in een ander voertuig plaats te nemen en/of - het zicht van die [slachtoffer] te belemmeren door een kledingstuk om zijn hoofd vast te maken met tape en/of - de handen en/of benen van die [slachtoffer] vast te binden met tieraps en/of tape en/of - die [slachtoffer] te bedreigen met de woorden “hier is een pistool” en/of “anders schiet ik je dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of - die [slachtoffer] te verhinderen het voertuig te verlaten en/of - die [slachtoffer] (tegen diens wil) te verplaatsen van Cruquius naar Gouda ; Subsidiair [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 5] op of omstreeks 5 augustus 2021 te Cruquius , gemeente Haarlemmermeer , en/of Hoofddorp , gemeente Haarlemmermeer , en/of Gouda , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, door - zich te hullen in gezichtsbedekkende kleding en/of - de auto van die [slachtoffer] klem te rijden en/of - die [slachtoffer] vast te grijpen en (met kracht) uit zijn auto te trekken en/of - meermalen fysiek geweld op die [slachtoffer] toe te passen en/of tegen die [slachtoffer] te schreeuwen en/of - die [slachtoffer] (met kracht) in een ander voertuig te duwen, althans te dwingen in een ander voertuig plaats te nemen en/of - het zicht van die [slachtoffer] te belemmeren door een kledingstuk om zijn hoofd vast te maken met tape en/of - de handen en/of benen van die [slachtoffer] vast te binden met tieraps en/of tape en/of - die [slachtoffer] te bedreigen met de woorden “hier is een pistool” en/of “an Ten slotte zijn de vastgestelde contactmomenten met één of meer medeverdachten van onvoldoende gewicht om te kunnen oordelen dat sprake is van medeplegen. Dat betekent volgens de verdediging dat geen sprake is van een voldoende intensieve samenwerking met de medeverdachten. Niet gebleken is of [verdachte] een taak had en, zo ja welke, bij de voorbereiding, uitvoering en afhandeling van de ontvoering. Het door [verdachte] ter beschikking stellen van zijn woning als uitvalsbasis levert niet een voldoende significante rol op, ook niet als wetenschap van het misdrijf wordt aangenomen. 4.3 Oordeel hof 4.3.1 Toeschrijving telefoonnummers Een deel van de bewijsmiddelen bestaat uit berichtenverkeer en de analyse van historische verkeersgegevens van in het onderzoek bekend geworden telefoonnummers. Hieronder zijn de telefoonnummers vermeld, voor zover in hoger beroep relevant, die aan de verdachten kunnen worden toegeschreven. Het hof gaat ervan uit dat in het geval een telefoon een zendmast heeft aangestraald, de gebruiker van die telefoon ter plaatse was, tenzij het dossier of een verklaring van de verdachte aanwijzingen bevat voor het tegendeel. [medeverdachte 5] : [telefoonnummer 0] (hierna: -0801) Uit het dossier blijkt dat bij de doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [verdachte] aan de [A-flat] te [plaats B] 14 telefoons in beslag zijn genomen, waaronder een iPhone 11 met telefoonnummer -0801. Uit onderzoek is gebleken dat bovengenoemd telefoonnummer geregistreerd staat op naam van ( [voornaam medeverdachte 5] ) [medeverdachte 5] . De naam van de telefoon is ‘iPhone van [voornaam medeverdachte 5] ’. Daarnaast maakte dit telefoonnummer tussen 9 juni 2021 en 3 augustus 2021 dagelijks gebruik van een zendmastlocatie vlakbij de woning van [medeverdachte 5] . Tot slot heeft de -0801 veelvuldig contact met een telefoonnummer eindigend op -5131, dat op naam staat van [naam vrouw medeverdachte 5] , de vrouw van [medeverdachte 5] . Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 5] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -0801. [medeverdachte 5] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van dit telefoonnummer was. [medeverdachte 7] : [telefoonnummer 1] (hierna: -6228) Uit het dossier blijkt dat er meerdere telefoons in beslag zijn genomen op en rondom de locatie waar de verdachten [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 5 augustus 2021 zijn aangehouden, waaronder een iPhone 12 Pro met telefoonnummer -6228. Uit onderzoek is gebleken dat bovengenoemd telefoonnummer geregistreerd staat op naam van [medeverdachte 7] . Daarnaast heeft [medeverdachte 7] in een eerder verhoor, ter zake overtreding van de Opiumwet, verklaard dat hij de gebruiker is van dit telefoonnummer. Tot slot heeft dit telefoonnummer veelal registraties bij zendmasten in [plaats A] , in de woonomgeving van [medeverdachte 7] . Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 7] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -6228. [medeverdachte 7] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van dit telefoonnummer was. [medeverdachte 6] : [telefoonnummer 2] (hierna: -1928), [telefoonnummer 3] (hierna: -3871) en [telefoonnummer 4] (hierna: -5685) Uit het dossier blijkt dat bij de aanhouding van [medeverdachte 6] op 5 augustus 2021 in Gouda onder hem twee mobiele telefoons zijn aangetroffen en in beslag genomen, te weten een iPhone X met telefoonnummer -1928 en een Samsung Galaxy A11 met telefoonnummer -3871. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoonnummers aan [medeverdachte 6] kunnen worden toegeschreven. Daarnaast is bij het onderzoek naar de telefoonnummers die gebruikt kunnen zijn bij de ontvoering het telefoonnummer -5685 naar voren gekomen. Dit nummer was op 1, 3, 4 en 5 augustus 2021 in gebruik. Uit het dossier blijkt dat dit nummer veel vergelijkbare verplaatsingen maakt met de nummers -1928 en - 3871. Bovendien maakt dit nu Op grond van de hierna nog te bespreken feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van deze telefoon in de periode van 2 tot en met 5 augustus 2021. [medeverdachte 9] : [telefoonnummer 15] (hierna: -6988) Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [verdachte] is ook een iPhone 11 Pro met het telefoonnummer -6988 in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer aan [medeverdachte 9] kan worden toegeschreven. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 9] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -6988. 4.3.2 Algemene vaststellingen Ontvoering [slachtoffer] Op 5 augustus 2021 om 17:53 uur verlaat [slachtoffer] het pand in Cruquius waar zijn bedrijf is gevestigd. Hij stapt in zijn Renault Laguna met kenteken [kenteken 1] en rijdt in de richting van zijn woning in [woonplaats slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] . Om 17:56 uur wordt [slachtoffer] klemgereden door een zwarte BMW met kenteken [kenteken 2] en een rode Mercedes Vito (een bus) met kenteken [kenteken 3] . [slachtoffer] moet hard remmen voor de BMW en de Mercedes-bus rijdt van achter tegen de auto van [slachtoffer] aan. Op dat moment stappen meerdere mannen met bivakmutsen uit de Mercedes-bus en de BMW. [slachtoffer] wordt hardhandig uit zijn auto getrokken. Twee mannen duwen hem via de schuifdeur aan de zijkant de Mercedes-bus in en stappen zelf ook in. Een derde man stapt in de auto van [slachtoffer] . De drie voertuigen rijden vervolgens weg in de richting van de provinciale weg N201. Verplaatsing [slachtoffer] van Cruquius naar Gouda Door ANPR-camera’s wordt vastgelegd dat de BMW over de N11 en de N459 richting Gouda rijdt. Vanaf 18:36 uur zijn de BMW en de Mercedes-bus in Gouda zichtbaar op camerabeelden. Uit camerabeelden van de Nijverheidsstraat in Gouda blijkt verder dat de Mercedes-bus om 18:51 uur een afgesloten binnenplaats met loodsen aan de Nijverheidsstraat oprijdt, waarna dit voertuig niet meer wordt waargenomen. Deze binnenplaats is alleen te bereiken via een doodlopende doorgang tussen twee woningen aan de Nijverheidsstraat in en geeft toegang tot meerdere loodsen. De telefoon van [slachtoffer] maakt om 18:38 uur contact met het netwerk op een zendmast in Gouda en straalt om 19: 50 uur voor het laatst – nog steeds in Gouda – aan. Gebeurtenissen in Gouda Op 5 augustus 2021 rond 19:00 uur komen bij de meldkamer van de politie verschillende meldingen binnen over verdachte gedragingen in Gouda . Deze meldingen gaan onder andere over het verwisselen van kentekenplaten van een zwarte BMW door een groep van zes of zeven personen op of in de omgeving van het Koekoekplein . Deze groep is vervolgens in een groep van twee en een groep van vier personen opgesplitst en weggelopen. Ook komen meldingen bij de politie binnen over het weggooien van spullen door personen op en in de omgeving van het Vogelplein en over twee mannen die zich omkleden achter een camper op of in de omgeving van het Uiverplein . Aanhouding verdachten in Gouda Naar aanleiding van voornoemde meldingen worden op 5 augustus 2021 rond 19:25 uur in Gouda zes verdachten aangehouden, te weten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] op de Lazaruskade en [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] op het Vogelplein . Bij de aanhoudingen van deze verdachten zijn onder hen handschoenen, mobiele telefoons en onderdelen daarvan aangetroffen en in beslag genomen. Verder zijn in de omgeving van de locaties van de aanhoudingen verschillende goederen op straat gevonden en in beslag genomen. De locaties waar de verdachten en de goederen zijn aangetroffen zijn in elkaars nabijheid. De aangetroffen goederen zijn drie mobiele telefoons, handschoenen, een bivakmuts, batterijen van telefoons, een trainingsbroek, en in een prullenbak nabij het Uiverplein een rode plastic tas met daarin een zwarte trui. Op deze zwarte trui is op de rechtermouw een DNA-spoor aangetroffen dat afkomstig Omstreeks 19:36 uur stuurt [medeverdachte 8] via WhatsApp onder meer het volgende bericht naar het telefoonnummer -5393: ‘Oude man Hollander [voornaam slachtoffer] naam zijn zoon lang met lang haar [naam zoon] heet hij woont in [woonplaats slachtoffer] rijdt [automerk] ’. In de periode dat [medeverdachte 8] in [woonplaats slachtoffer] is, zoekt hij met zijn telefoon onder meer op ‘ [voornaam slachtoffer] [woonplaats slachtoffer] ’. Op 3 augustus 2021 maken het baken en de Opel Corsa een gelijktijdige verplaatsing in de richting van de woning van [slachtoffer] . Ze zijn daar gelijktijdig omstreeks 09:00 uur. De Opel Corsa is tussen 09:00 uur en 09:02 uur te zien op camerabeelden van de [straatnaam slachtoffer] [huisnummer X] in [woonplaats slachtoffer] , vlakbij de woning van [slachtoffer] dus. Op 4 augustus 2021 tussen 04:00 uur en 09:00 zijn [medeverdachte 9] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 5] allemaal in de omgeving van de [adres 1] in [plaats A] . Het hof gaat ervan uit dat zij elkaar daar ontmoet hebben. Rond 07:30 uur zijn [betrokkene 1] en [medeverdachte 8] nabij de woning van [slachtoffer] . Op camerabeelden van de [straatnaam slachtoffer] [huisnummer X] in [woonplaats slachtoffer] is te zien dat om 07:16 uur en 07:18 uur een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 6] over de [straatnaam slachtoffer] rijdt. Deze Volkswagen Polo staat op naam van de vader van [betrokkene 1] . Op de camerabeelden is te zien dat er voorin de auto twee personen zitten. In de loop van de ochtend verplaatsen de Opel Astra ( [kenteken 7] ) en de BMW gelijktijdig met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] vanaf [plaats A] in de richting van [woonplaats slachtoffer] . Op camerabeelden van de [straatnaam slachtoffer] [huisnummer X] in [woonplaats slachtoffer] is te zien dat de BMW om 10:58 uur over de [straatnaam slachtoffer] rijdt. In de periode hierop bevinden [medeverdachte 8] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 5] zich allen in de omgeving van de woning van [slachtoffer] . De BMW rijdt langs de woning van [slachtoffer] . In deze periode is er regelmatig contact tussen deze telefoons onderling en PD-telefoonnummers. Tussen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] worden er in deze periode berichten uitgewisseld die gaan over (het voertuig van) [slachtoffer] . Ook is er contact met [medeverdachte 6] . Door een getuige is gezien dat op 4 augustus 2021 tussen 11: 50 uur en 12:15 uur een zwarte BMW geparkeerd stond op het parkeerterrein aan de [straatnaam slachtoffer] in [woonplaats slachtoffer] . In dat voertuig heeft zij drie mannen zien zitten. Op het parkeerterrein zijn diverse sigarettenpeuken aangetroffen. Op deze sigarettenpeuken is DNA van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] aangetroffen. Na de ochtend verplaatsen [medeverdachte 8] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 7] zich terug in de richting van [plaats A] . [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] bevinden zich dan nog steeds in de woon-en werkomgeving van [slachtoffer] en ook [medeverdachte 3] is daar dan aanwezig. Tussen 14:45 uur en 17:25 uur verplaatsen [medeverdachte 8] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 7] zich weer richting [woonplaats slachtoffer] . Ook in de middag zijn van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] nog steeds in de woonomgeving van [slachtoffer] . Tevens is er veel contact met [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] maakt zelf vanaf 17:45 uur ook de reisbeweging richting [woonplaats slachtoffer] . ’s Avonds tussen 20:00 uur en 23:00 uur ontmoeten [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] elkaar weer in de omgeving van de [adres 1] in [plaats A] . Het baken, [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] zijn tussen 21:02 uur en 22:14 uur in de omgeving van de Bennebroekerweg in Zwaanshoek. [medeverdachte 8] heeft in deze periode onder meer contact met Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 4] herkend op de camerabeelden die zicht geven op de Nijverheidsstraat in Gouda als een van de drie personen die om 18:54 uur de doodlopende weg vanaf de loodsen uitloopt. [medeverdachte 4] is op dat moment geheel in het zwart gekleed. [medeverdachte 1] wordt, zoals hierboven beschreven, eveneens op de genoemde beelden herkend. Getuigen hebben verklaard dat zij op 5 augustus 2021 omstreeks 19:00 uur twee mannen hebben zien lopen op het Uiverplein in Gouda . De mannen liepen in de richting van een camper. Eén van de mannen trok een lange zwarte broek uit en liet deze achter bij de camper. De politie heeft aan de achterzijde van de camper een zwarte trainingsbroek aangetroffen. Op de trainingsbroek zat DNA van [medeverdachte 4] . In de omgeving van het Koekoekplein in Gouda waar de zwarte BMW is aangetroffen, is een paar handschoenen gevonden. In de linkerhandschoen bevond zich een bivakmuts. Aan de binnenzijde van de bivakmuts is een DNA-mengprofiel met DNA van [medeverdachte 4] aangetroffen. Hiervoor is al vastgesteld dat een getuige heeft gezien dat op 4 augustus 2021 tussen 11: 50 uur en 12:15 uur een zwarte BMW geparkeerd stond op het parkeerterrein aan de [straatnaam slachtoffer] in [woonplaats slachtoffer] , nabij de woning van [slachtoffer] . In dat voertuig heeft zij drie mannen zien zitten. Op het parkeerterrein zijn diverse sigarettenpeuken aangetroffen. Op deze sigarettenpeuken is DNA van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] aangetroffen. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het geringe tijdsverloop tussen de ontvoering van [slachtoffer] en het moment waarop de Mercedes-bus richting de loodsen aan de Nijverheidsstraat in Gouda is gereden en [medeverdachte 4] daar op min of meer hetzelfde tijdstip in de directe omgeving was, leidt het hof af dat [medeverdachte 4] een van de mannen is geweest die aanwezig was in de Mercedes-bus ten tijde van de ontvoering van [slachtoffer] . Verder stelt het hof vast dat [medeverdachte 4] voorafgaand aan de ontvoering ook betrokken is geweest bij een observatie van [slachtoffer] . [medeverdachte 2] Zoals hiervoor is vastgesteld is [medeverdachte 2] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachten [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 3] aangehouden op het Vogelplein in Gouda . De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op de Lazaruskade in Gouda . Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] herkend op camerabeelden van 5 augustus 2021 van onder meer het adres Vogelplein 44 in Gouda . Op de beelden van 19:10 uur is te zien dat [medeverdachte 2] een zwart voorwerp uit zijn linker broekzak pakt en dit laat vallen. Op dezelfde plek worden later twee zwarte handschoenen aangetroffen. Bij zijn aanhouding is tevens een zwarte werkhandschoen in zijn rechter broekzak aangetroffen. Op camerabeelden van 5 augustus 2021 van het parkeerterrein en de ingang van het bedrijf waar [slachtoffer] werkzaam is aan de [straatnaam bedrijf] te Cruquius , is te zien dat de Mercedes-bus op 5 augustus 2021 meerdere keren voorbij is gereden op de [straatnaam bedrijf] en enige tijd geparkeerd heeft gestaan op het daarvoor gelegen parkeerterrein. Ook een witte Kia Picanto met kenteken [kenteken 8] , gehuurd door [medeverdachte 2] , en de zwarte BMW zijn meerdere keren voorbij gereden op de [straatnaam bedrijf] . Op de beelden van 10:09 uur wordt de bestuurder van de rode Mercedes-bus herkend als [medeverdachte 2] . In de Mercedes-bus is op het stuurwiel een DNA-mengprofiel met DNA van [medeverdachte 2] aangetroffen. In de woning van [verdachte] is een Cubot X19 met het telefoonnummer eindigend op -9311 van [medeverdachte 2] aangetroffen. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat de woning van [verdachte] als uitvalsbasis voor d [medeverdachte 5] Zoals hiervoor is vastgesteld hebben getuigen verklaard dat drie mannen met bivakmutsen naar de auto van [slachtoffer] zijn gerend en hem met geweld uit zijn auto hebben getrokken. Twee personen hebben [slachtoffer] in de Mercedes-bus geduwd en zijn zelf ook ingestapt. De derde persoon is in de auto van [slachtoffer] gestapt. Zowel de Mercedes-bus, de BMW als de Renault zijn weggereden in de richting van de provinciale weg N201. De bestuurder is beschreven als een “negroïde man met een volle baard en snor”. De politie heeft vastgesteld dat [medeverdachte 5] voldoet aan dit signalement. Uit onderzoek van het NFI blijkt dat op het stuur en op de versnellingspook van de Renault Laguna DNA van [medeverdachte 5] is aangetroffen. In de woning van [verdachte] is een iPhone 11 met het telefoonnummer eindigend op -0801 van [medeverdachte 5] aangetroffen. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat de woning van [verdachte] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat in elk geval de verdachten [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren. Hiervoor is al vastgesteld dat een getuige heeft gezien dat op 4 augustus 2021 tussen 11: 50 uur en 12:15 uur een zwarte BMW geparkeerd stond op het parkeerterrein aan de [straatnaam slachtoffer] in [woonplaats slachtoffer] , nabij de woning van [slachtoffer] . In dat voertuig heeft zij drie mannen zien zitten. Op het parkeerterrein zijn diverse sigarettenpeuken aangetroffen. Op deze sigarettenpeuken is DNA van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] aangetroffen. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [medeverdachte 5] aanwezig en betrokken is geweest bij de ontvoering van [slachtoffer] . De aanwezigheid van [medeverdachte 5] samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] op 4 augustus 2021 in de directe nabijheid van de woning van [slachtoffer] is, mede in het licht van wat ten aanzien van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] is vastgesteld, redengevend voor de vaststelling dat deze verdachten [slachtoffer] hebben geobserveerd. Verder kan uit het aantreffen van genoemd DNA-spoor op het stuur van de Renault, mede in het licht van de overige feiten en omstandigheden, worden afgeleid dat [medeverdachte 5] de bestuurder is geweest van de auto van [slachtoffer] , nadat deze uit zijn auto was getrokken en in de Mercedes-bus was geduwd. [verdachte] Zoals hiervoor is vastgesteld is [verdachte] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aangehouden op het Vogelplein in Gouda . De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op de Lazaruskade in Gouda . Na zijn aanhouding wordt [verdachte] samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] herkend op camerabeelden van 5 augustus 2021 van de adressen Vogelplein 50 en 41 in Gouda . Bij zijn aanhouding worden twee zwarte werkhandschoenen aangetroffen. Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] aan de [A-flat] in [plaats B] worden 14 mobiele telefoons aangetroffen, waaronder – zoals hiervoor is vastgesteld – die van [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] . Uit de telecomgegevens van deze telefoons blijkt dat zij in de nacht voor de ontvoering vanaf 23:00 uur verbindingen hebben gemaakt met zendmasten in de omgeving van de woning van [verdachte] . Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat deze woning als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat in elk geval de verdachten [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren. 4.3.4 Medeplegen Tot slot is van belang dat het slachtoffer heeft verklaard dat hij van zijn ‘bewaker’ een telefoon tegen zijn oor gedrukt kreeg en dat tegen hem werd gezegd: ‘Je bent verplaatst omdat de mensen die je hebben meegenomen zijn aangehouden.’. Gelet op wat is vastgesteld kan deze opmerking op niets anders betrekking hebben dan op de verdachten die op 5 augustus 2021 in Gouda zijn aangehouden, onder wie [verdachte] . Deze feiten en omstandigheden zijn, in samenhang beschouwd, naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat [verdachte] als medepleger betrokken is geweest bij de ontvoering van het slachtoffer. Tevens had hij een belangrijke rol in de voorbereiding. [verdachte] heeft geen aannemelijke verklaring afgelegd die aan de belastende betekenis van dit bewijs afbreuk doet. Het hof is dan ook van oordeel dat [verdachte] zo nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn mededaders dat medeplegen kan worden bewezen. 5 Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Primair hij op 5 augustus 2021 te Cruquius , gemeente Haarlemmermeer , en Gouda , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door - de auto van [slachtoffer] klem te rijden, - [slachtoffer] vast te grijpen en uit zijn auto te trekken, - [slachtoffer] in een ander voertuig te duwen, - meermalen fysiek geweld op [slachtoffer] toe te passen en tegen [slachtoffer] te schreeuwen, - het zicht van die [slachtoffer] te belemmeren door een kledingstuk om zijn hoofd vast te maken met tape, - de handen en benen van die [slachtoffer] vast te binden met tape, - [slachtoffer] te bedreigen met de woorden “hier is een pistool” en “anders schiet ik je dood”, en - [slachtoffer] te verplaatsen van Cruquius naar Gouda . Van hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd wordt de verdachte vrijgesproken. Het betreft feitelijke handelingen die, al dan niet gepleegd door één of meer mededaders, bewezen kunnen worden maar op zichzelf niet constitutief zijn voor de delictsomschrijving, te weten wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage. 6 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven. 7 Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit. 8 Oplegging van straf Straf rechtbank De rechtbank heeft [verdachte] ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. Eis advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 62 maanden, met aftrek van voorarrest. Zij heeft een gevangenisstraf van 66 maanden als uitgangspunt genomen, maar volgens haar moet daarop wegens overschrijding van de redelijke termijn vier maanden in mindering worden gebracht. Standpunt verdediging De verdediging heeft verzocht er in strafmatigende zin rekening mee te houden dat [verdachte] slechts een klein aandeel in de ontvoering heeft gehad. Ook heeft zij verzocht rekening te houden met de positieve ontwikkelingen in het leven van [verdachte] . Hij maakt in detentie een gunstige ontwikkeling door – hij heeft een certificaat als assistent-sportinstructeur behaald, werkt als reiniger op de sportafdeling en is betrokken bij een project om jongeren van het criminele pad weg te leiden Weliswaar is ‘slechts’ aan [verdachte] ten laste gelegd en bewezen verklaard de ontvoering op 5 augustus 2021, maar de rechter kan bij het bepalen van de straf rekening houden met feiten en omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan. Een van de relevante omstandigheden is in dit geval dat de ontvoering van [slachtoffer] nog dagen heeft voortgeduurd nadat [verdachte] en zijn mededaders hem hebben afgeleverd in de loods in Gouda . Deze omstandigheid, die ook uit de bewijsmiddelen blijkt, staat in zo’n nauw verband met het bewezen verklaarde dat hieraan bij het bepalen van de strafmaat voor het bewezen verklaarde wel degelijk betekenis toekomt. [verdachte] heeft geen enkele openheid van zaken gegeven, noch in de beweegreden van zijn handelen, noch ten aanzien van wat hij precies heeft gedaan en wist. Als hij al niet wist wat het slachtoffer te wachten stond, heeft hij zich kennelijk niet bekommerd om diens verdere lot. Dat is net zo ernstig. Het directe gevolg van het handelen van [verdachte] is in elk geval geweest dat [slachtoffer] in totaal zes dagen opgesloten heeft gezeten onder zeer slechte omstandigheden. Ook dat is hem dus aan te rekenen. Er zijn geen oriëntatiepunten voor straftoemeting ten aanzien van een ontvoering. Het hof heeft, in het licht van hetgeen hierna zal worden overwogen ten aanzien van de immateriële schadevergoeding, met een schuin oog gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor een gewapende woningoverval. Dat uitgangspunt is, bij gebruik van geweld, een gevangenisstraf van zestig maanden. Hoewel een woningoverval en een ontvoering elk hun eigen bijzonderheden kennen en bovendien de feiten en omstandigheden in elke zaak verschillen, acht het hof deze misdrijven wat de straftoemeting betreft van vergelijkbare ernst. Alles tezamen maakt dat het hof in dit geval een gevangenisstraf van vijf jaar passend en geboden acht. Het hof heeft acht geslagen op de voorlichtingsrapporten van Reclassering Nederland van 21 juni 2022, 4 september 2023 en 6 oktober 2025. In het meest recente rapport adviseert de reclassering onder meer om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Er zijn geen persoonlijke omstandigheden bekend geworden waarmee in het voordeel van [verdachte] rekening kan worden gehouden bij de strafoplegging. Het is prijzenswaardig dat [verdachte] zich in detentie goed lijkt te ontwikkelen en van plan is om na zijn detentie een leven buiten de criminaliteit te gaan leiden. Het bewezen verklaarde feit is echter te ernstig om hiermee in strafmatigende zin rekening te kunnen houden. Het strafblad van [verdachte] geeft geen aanleiding daar in strafverzwarende zin rekening mee te houden. Het hof houdt bij het bepalen van de strafduur rekening met artikel 63 Sr. Het hof is ten slotte nagegaan of de procedure bij de rechtbank en de procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 6 augustus 2021 omdat [verdachte] op die datum in verzekering is gesteld. De voorlopige hechtenis van [verdachte] is met ingang van 2 juni 2022 geschorst en met ingang van 20 oktober 2023 opgeheven. Dat betekent dat de tijd die [verdachte] gedurende de procedure in eerste aanleg in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht minder dan 16 maanden bedraagt. Het hof zal daarom als uitgangspunt nemen dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg moest zijn afgerond binnen twee jaar nadat de verdachte in verzekering was gesteld. Op 20 oktober 2023 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim twee maanden is overschreden. Het hoger beroep is ingesteld op 2 november 2023 en op 19 februari 2026 is arrest gewezen. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn van iets meer dan drie maanden. Er is dus zowel in de procedure bij de rechtbank als in die bij het hof sprake geweest van een overschrijding van de redelijke termijn, zij het in beide gev Er is een ernstige inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. De aard en ernst van de normschendig zijn dusdanig dat ook zonder diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting als hiervoor bedoeld. Bij de hoogte van het schadebedrag moet volgens [slachtoffer] – met toepassing van de criteria die zijn neergelegd in de zogeheten Rotterdamse Schaal – worden betrokken (a) de handelwijze van de daders (waarbij in dit geval sprake is van een ‘vergisontvoering’ van een willekeurige en onschuldige burger, terwijl de vergissing ook van meet af aan duidelijk was voor de daders), (b) de intensiteit van de bedreigende situatie (waarbij sprake is geweest van een zeer ernstige bedreiging van [slachtoffer] en zijn familie en naasten en waarbij [slachtoffer] in benarde posities is vastgehouden), (c) de mate en de duur van de vrijheidsbeperking (zes dagen lang, waarbij [slachtoffer] het grootste deel van de tijd geblinddoekt was), (d) de kwetsbaarheid van [slachtoffer] (hij was een willekeurige en onschuldige burger die zich op deze situatie niet heeft kunnen voorbereiden en (e) de aard en ernst van de gevolgen voor [slachtoffer] (ernstig en blijvend). De raadsvrouw van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering – in aanmerking genomen de bedragen die zijn genoemd in de Rotterdamse Schaal – kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. Voor het overige dient de vordering te worden afgewezen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot het gevraagde bedrag van € 25.000,00 kan worden toegewezen. Het hof oordeelt als volgt. Aanspraak op immateriële schadevergoeding Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt, voor zover hier van belang: ‘Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: […] b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’ Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. (Vgl. HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024.) Zoals hiervoor ook bij de motivering van de straf is toegelicht, is [slachtoffer] slachtoffer geworden van een gewelddadige ontvoering, waarbij hij gedurende ongeveer zes dagen onder zeer belastende omstandigheden van zijn vrijheid is beroofd. Daarbij is [slachtoffer] mishandeld en met de dood bedreigd. Uit de door de advocaat opgestelde schriftelijke toelichting op de vordering en de mondelinge toelichting ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat [slachtoffer] tijdens de ontvoering veel angst heeft gehad Uit het voorgaande volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele toewijsbare schade: indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, zal de verdachte in zoverre van zijn betalingsverplichting zijn bevrijd. De verdachte zal ook hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden gemaakte kosten worden begroot op nihil. Om te bevorderen dat de door de [slachtoffer] geleden schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze. 10.2 Vordering benadeelde partij [naam benadeelde partij] De benadeelde partij [naam benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.613,71 ingediend tegen de verdachte. De schade bestaat uit materiële schade tot een bedrag van € 3.113,71 (€ 756,01 aan medische kosten, € 857,70 aan gederfde inkomsten en € 1.500,00 aan toekomstige medische kosten) en immateriële schade ten bedrage van € 2.500,00. [naam benadeelde partij] heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft [naam benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. [naam benadeelde partij] heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. De advocaat van [naam benadeelde partij] heeft betoogd, samengevat weergegeven, dat de rechtbank bij de beoordeling of sprake is van ‘rechtstreekse schade’ als bedoeld in artikel 51f Sv – door te bezien of [naam benadeelde partij] is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd – ten onrechte een verouderde maatstaf heeft toegepast. De rechtbank had moeten beoordelen of sprake is van een voldoende verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Volgens de advocaat heeft de verdachte ook jegens [naam benadeelde partij] onrechtmatig gehandeld. In de eerste plaats door inbreuk te maken op haar recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel door jegens haar een ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm te schenden. Ter onderbouwing heeft de advocaat verwezen naar twee arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden, te weten een arrest van 22 maart 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AT2244 en een arrest van 25 februari 2020, ECLI:NL:ARL:2020:1618. Uit die jurisprudentie leidt de advocaat van [naam benadeelde partij] af dat de door [naam benadeelde partij] geleden immateriële schade in een voldoende nauw verband staat met de ontvoering en dus voor vergoeding in aanmerking komt. In de tweede plaats is volgens de advocaat sprake van zogenoemde schokschade. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat de vordering van [naam benadeelde partij] volledig kan worden toegewezen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat de vordering van [naam benadeelde partij] moet worden afgewezen nu zij – als ‘subsidiair’ slachtoffer – geen rechtstreekse schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Het hof oordeelt als volgt. Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zo’n verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Bovendien geldt dat voor vergoeding aan de benadeelde partij overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking komt de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van d Dat, zoals onweersproken is aangevoerd, de ontvoering van haar partner uitermate belastend is geweest en tot op de dag van vandaag voor haar zeer nadelige gevolgen heeft, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. De verwijzing door de advocaat van [naam benadeelde partij] ter terechtzitting in hoger beroep naar de twee (civielrechtelijke) arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden van respectievelijk 22 maart 2005 en 25 februari 2020 leiden niet tot een ander oordeel, alleen al omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. De zaak uit 2005 betrof een kinderontvoering waarbij de dader de moeder gedurende ruim een jaar had belet om de op haar rustende ouderlijke verantwoordelijkheden (zij had bij uitsluiting het ouderlijk gezag) uit te oefenen. De zaak uit 2020 betrof het een ontuchtzaak waarbij een man zijn zevenjarige buurmeisje gedurende een half jaar seksueel had misbruikt. Het hof oordeelde dat de man onrechtmatig had gehandeld jegens de moeder en de stiefvader van het meisje door het vertrouwen dat zij in hem hadden gesteld, door het meisje aan zijn zorg toe te vertrouwen, te schenden. Over het betoog van de advocaat van [naam benadeelde partij] dat sprake is van schokschade – en dat zij dus ook op die grond vergoeding van de materiële en immateriële schade kan vorderen – overweegt het hof tot slot het volgende. Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer: - De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed. - De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis. - De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen. Het hof stelt vast dat [naam benadeelde partij] de gebeurtenissen tijdens de bewezen verklaarde ontvoering niet zelf heeft waargenomen. Zij was zelf immers niet aanwezig bij de ontvoering. Zij is hierover door de politie geïnformeerd en achteraf heeft zij gehoord wat er allemaal met haar partner is gebeurd. Bij het weerzien was het waarneembare fysieke letsel bij [slachtoffer] van beperkte aard. Het is evident dat de ontvoering van [slachtoffer] en de onzekerheid over zijn lot voor [naam benadeelde partij] uitermate belastend zijn geweest, maar van een confrontatie die een hevige emotionele schok teweeg kan hebben gebracht zoals door de Hoge Raad overwogen, is geen sprake geweest. Ook in zoverre is dus geen basis voor toewijzing van de schadevordering van [naam benadeelde partij] . Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f Sv. Dit betekent dat [naam benadeelde partij] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Nu geen sprake