Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-02-19
ECLI:NL:GHAMS:2026:380
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002915-23 datum uitspraak: 19 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-014385-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats en datum] , adres: [woonadres verdachte] . 1 Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12, 13, 15 januari en 19 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Cruquius , gemeente Haarlemmermeer , en/of Hoofddorp , gemeente Haarlemmermeer , en/of Gouda , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, door - zich (meermalen) in de nabijheid van die [slachtoffer] te bevinden, teneinde het slachtoffer te observeren, en/of - het uitvoeren en/of betrokken te zijn bij één of meer voorverkenning(en) in Cruquius en/of Hoofddorp en/of - contact te onderhouden met één of meer medeverdachte(n) en/of - een baken te plaatsen onder de auto van die [slachtoffer] en/of - zich te hullen in gezichtsbedekkende kleding en/of - de auto van die [slachtoffer] klem te rijden en/of - die [slachtoffer] vast te grijpen en (met kracht) uit zijn auto te trekken en/of - meermalen fysiek geweld op die [slachtoffer] toe te passen en/of tegen die [slachtoffer] te schreeuwen en/of - die [slachtoffer] (met kracht) in een ander voertuig te duwen, althans te dwingen in een ander voertuig plaats te nemen en/of - het zicht van die [slachtoffer] te belemmeren door een kledingstuk om zijn hoofd vast te maken met tape en/of - de handen en/of benen van die [slachtoffer] vast te binden met tieraps en/of tape en/of - die [slachtoffer] te bedreigen met de woorden “hier is een pistool” en/of “anders schiet ik je dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of - die [slachtoffer] te verhinderen het voertuig te verlaten en/of - die [slachtoffer] (tegen diens wil) te verplaatsen van Cruquius naar Gouda . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. 3 Vernietiging vonnis Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . 4 Bewijsoverwegingen 4.1 Inleiding De verdachte staat samen met een aantal medeverdachten in hoger beroep terecht voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving (hierna: ontvoering) van [slachtoffer] die op 5 augustus 2021 in Cruquius vanuit zijn auto is meegenomen en op 11 augustus 2021 weer door zijn ontvoerders is vrijgelaten. De verdachte is door de rechtbank veroordeeld als medepleger tot een gevangenisstraf van 36 maanden. De verdachte heeft tegen dat vonnis geen hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld, omdat zij de opgelegde straf te laag vindt. De zaak tegen de verdachte werd gelijktijdig behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . De zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zijn aangehouden. Het openbaar ministerie is in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 9] eerde [medeverdachte 7] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van dit telefoonnummer was. [medeverdachte 6] : [telefoonnummer 2] (hierna: -1928), [telefoonnummer 3] (hierna: -3871) en [telefoonnummer 4] (hierna: -5685) Uit het dossier blijkt dat bij de aanhouding van [medeverdachte 6] op 5 augustus 2021 in Gouda onder hem twee mobiele telefoons zijn aangetroffen en in beslag genomen, te weten een iPhone X met telefoonnummer -1928 en een Samsung Galaxy A11 met telefoonnummer -3871. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoonnummers aan [medeverdachte 6] kunnen worden toegeschreven. Daarnaast is bij het onderzoek naar de telefoonnummers die gebruikt kunnen zijn bij de ontvoering het telefoonnummer -5685 naar voren gekomen. Dit nummer was op 1, 3, 4 en 5 augustus 2021 in gebruik. Uit het dossier blijkt dat dit nummer veel vergelijkbare verplaatsingen maakt met de nummers -1928 en -3871. Bovendien maakt dit nummer op 5 augustus 2021 om 18:53 uur gebruik van een zendmast vlakbij de plek waar [medeverdachte 6] om 19:01 uur op camerabeelden is gezien. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 6] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -1928, -3871 en -5685. [medeverdachte 5] : [telefoonnummer 5] (hierna: -9568) en [telefoonnummer 6] (hierna: -0224) Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] zijn ook een Samsung Galaxy A20e met telefoonnummer -9568 en een Samsung Galaxy J3 met telefoonnummer -0224 in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoonnummers aan [medeverdachte 5] kunnen worden toegeschreven. [medeverdachte 5] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van deze telefoonnummers was. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 5] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -9568 en -0224. [medeverdachte 8] : [telefoonnummer 7] (hierna: -5238), [telefoonnummer 8] (hierna: -7003) en [telefoonnummer 9] (hierna: -7630) Uit het dossier blijkt dat er meerdere telefoons in beslag zijn genomen op en rondom de locatie waar de verdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 5 augustus 2021 aangehouden zijn, waaronder een iPhone 12 Pro met telefoonnummer -5238. Op deze telefoon zijn meerdere persoonlijke gegevens van [medeverdachte 8] aangetroffen. In de nabijheid van deze iPhone 12 is diezelfde avond in Gouda een Samsung A01 aangetroffen met telefoonnummer -7003. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoons tussen 3 augustus 2021 tot het aantreffen op 5 augustus 2021 in nagenoeg dezelfde omgeving zijn geweest. Tot slot is uit onderzoek van telecomgegevens een Nokia met telefoonnummer -7630 naar voren gekomen. Uit een vergelijking van de historische verkeersgegevens blijkt dat de iPhone -5238 en Samsung -7003 op meerdere dagen in dezelfde omgeving verbindingen maken als deze Nokia -7630. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 8] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -5238, -7003 en -7630. [medeverdachte 1] : [telefoonnummer 10] (hierna: -5555) Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] is ook een iPhone 12 Pro met telefoonnummer -5555 in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer aan [medeverdachte 1] kan worden toegeschreven. [medeverdachte 1] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van dit telefoonnummer was. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -5555. [medeverdachte 2] : [telefoonnummer 11] (hierna: -9311) en [telefoonnummer 12] (hierna: -3642) Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] zijn ook een Cubot X19 met het telefoonnummer -9311 en een iPhone X met het telefoonnummer -3642 in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoonnummers aan [medeverdachte 2] kunnen worden toegeschreven. [med Aanhouding verdachten in Gouda Naar aanleiding van voornoemde meldingen worden op 5 augustus 2021 rond 19:25 uur in Gouda zes verdachten aangehouden, te weten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] op de Lazaruskade en [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] op het Vogelplein . Bij de aanhoudingen van deze verdachten zijn onder hen handschoenen, mobiele telefoons en onderdelen daarvan aangetroffen en in beslag genomen. Verder zijn in de omgeving van de locaties van de aanhoudingen verschillende goederen op straat gevonden en in beslag genomen. De locaties waar de verdachten en de goederen zijn aangetroffen zijn in elkaars nabijheid. De aangetroffen goederen zijn drie mobiele telefoons, handschoenen, een bivakmuts, batterijen van telefoons, een trainingsbroek, en in een prullenbak nabij het Uiverplein een rode plastic tas met daarin een zwarte trui. Op deze zwarte trui is op de rechtermouw een DNA-spoor aangetroffen dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer en minimaal twee andere personen. Deze bevindingen zijn één miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen. Op basis hiervan kan, in het licht van de overige feiten en omstandigheden, worden vastgesteld dat het DNA afkomstig is van [slachtoffer] . Ook hierna zal het hof ten aanzien van vastgestelde DNA-profielen met een dergelijke (of vergelijkbare) bewijskracht ervan uitgaan dat het DNA telkens aan de betreffende persoon toebehoort. Betrokken auto’s Op 5 augustus 2021 is om 19:15 uur de BMW , voorzien van valse kentekenplaten op het Koekoekplein te Gouda aangetroffen. Op de achterbank van dit voertuig worden drie sigarettenpeuken aangetroffen met daarop DNA van [medeverdachte 3] . Aan de binnenzijde van de portiergreep aan de bestuurderskant en op het stuur van de BMW is DNA van [medeverdachte 6] aangetroffen. In de nacht van 6 op 7 augustus 2021 om 00:00 uur is de Renault Laguna afgesloten aangetroffen in Gouda , met daarin de mobiele telefoon van [slachtoffer] . Op het stuur en de versnellingspook van de Renault Laguna is DNA van [verdachte] aangetroffen. De Mercedes-bus is op 8 augustus 2021 om 19:40 uur, zonder [slachtoffer] , aangetroffen in een loods aan de Nijverheidsstraat in Gouda . Op het stuurwiel is een mengprofiel aangetroffen met onder meer DNA van [medeverdachte 2] . Doorzoeking woningen verdachten Op 8 augustus 2021 verricht de politie doorzoekingen in de woningen van de in Gouda aangehouden verdachten. Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 5] aan de [A-flat] in [plaats B] worden 14 mobiele telefoons aangetroffen die aan verschillende verdachten kunnen worden toegeschreven, onder wie [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] . Uit de telecomgegevens van deze telefoons blijkt dat zij in de nacht voor de ontvoering verbindingen hebben gemaakt met zendmasten in de omgeving van de [A-flat] – en dus bij de woning van [medeverdachte 5] . Gelet op het voorgaande, in samenhang met de overige – nog nader te duiden – feiten en omstandigheden, gaat het hof ervan uit dat de woning van [medeverdachte 5] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat in elk geval de verdachten [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren. Aantreffen [slachtoffer] Op woensdag 11 augustus 2021, om 00:45 uur, krijgt de politie de melding dat een man bij een woning in Delft heeft aangebeld, die zegt dat hij is ontvoerd. Als de politie ter plaatse komt treft zij [slachtoffer] aan met een ontbloot bovenlichaam en een blauw vest om zijn hoofd, vastgemaakt met grijs ducttape. Ook heeft [slachtoffer] ducttape om zijn pols, op zijn mond en om zijn nek. Hij heeft verklaard dat hij is klemg [verdachte] en [medeverdachte 9] bevinden zich dan nog steeds in de woon-en werkomgeving van [slachtoffer] en ook [medeverdachte 3] is daar dan aanwezig. Tussen 14:45 uur en 17:25 uur verplaatsen [medeverdachte 8] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 7] zich weer richting [woonplaats slachtoffer] . Ook in de middag zijn van [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] nog steeds in de woonomgeving van [slachtoffer] . Tevens is er veel contact met [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] maakt zelf vanaf 17:45 uur ook de reisbeweging richting [woonplaats slachtoffer] . ’s Avonds tussen 20:00 uur en 23:00 uur ontmoeten [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] elkaar weer in de omgeving van de [adres 1] in [plaats A] . Het baken, [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] zijn tussen 21:02 uur en 22:14 uur in de omgeving van de Bennebroekerweg in Zwaanshoek. [medeverdachte 8] heeft in deze periode onder meer contact met [medeverdachte 6] , die zich op dat moment met medeverdachten in de omgeving van de [adres 1] in [plaats A] bevindt. Op camerabeelden van de [straatnaam slachtoffer] [huisnummer X] is te zien dat omstreeks 22:03 uur een persoon langs perceel [huisnummer X] loopt in de richting van [adres slachtoffer] , het adres van [slachtoffer] . Deze persoon staat enkele seconden stil en keert vervolgens om, terug in de richting van de [A-weg] . Het baken verplaatst zich op dezelfde wijze. Omstreeks 22:08 uur rijdt er een voertuig komende uit dezelfde richting als het baken ( [straatnaam 1] ) in de richting van [adres slachtoffer] . Het baken verplaatst zich mee. Na 22:19 uur verplaatst het baken zich niet meer tot en met 5 augustus 2021 om 09: 41 uur. Vanaf 5 augustus 2021 om 09: 41 uur komen de verplaatsingen van het baken overeen met de verplaatsingen van de Laguna van [slachtoffer] . 4.3.3 Vaststellingen ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 1] Zoals hiervoor is vastgesteld is [medeverdachte 1] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachte [medeverdachte 4] aangehouden op de Lazaruskade in Gouda . De medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op het Vogelplein in Gouda . Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 1] herkend op de camerabeelden die zicht geven op de Nijverheidsstraat in Gouda als een van de drie personen die om 18:54 uur de doodlopende weg vanaf de loodsen uitloopt. [medeverdachte 1] is op dat moment in het zwart gekleed en draagt een rode tas bij zich. [medeverdachte 4] wordt eveneens op genoemde beelden herkend. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] worden ook herkend op camerabeelden die zicht geven op de Industriestraat . Op die beelden is eveneens te zien dat [medeverdachte 1] een rode tas bij zich draagt. Hiervoor is al vastgesteld dat door de politie op het Uiverplein in een vuilnisbak een rode plastic tas met daarin een zwarte trui is aangetroffen. Op de zwarte trui zat behalve DNA van [slachtoffer] ook DNA van [medeverdachte 1] . In de Mercedes-bus die is aangetroffen in een loods aan de Nijverheidsstraat in Gouda is op de deurgreep aan de binnenzijde van het rechterportier DNA van [medeverdachte 1] aangetroffen. In de woning van [medeverdachte 5] is een iPhone 12 Pro met het telefoonnummer eindigend op -5555 van [medeverdachte 1] aangetroffen. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat de woning van [medeverdachte 5] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren. Tot slot is naar aanleiding van het uitkijken van camerabeelden waarop is te zien dat [medeverdachte 1] een zwaaiende beweging maakt in de richting van de bosjes, op 16 Bij zijn aanhouding is tevens een zwarte werkhandschoen in zijn rechter broekzak aangetroffen. Op camerabeelden van 5 augustus 2021 van het parkeerterrein en de ingang van het bedrijf waar [slachtoffer] werkzaam is aan de [straatnaam bedrijf slachtoffer] te Cruquius , is te zien dat de Mercedes-bus op 5 augustus 2021 meerdere keren voorbij is gereden op de [straatnaam bedrijf slachtoffer] en enige tijd geparkeerd heeft gestaan op het daarvoor gelegen parkeerterrein. Ook een witte Kia Picanto met kenteken [kenteken 8] , gehuurd door [medeverdachte 2] , en de zwarte BMW zijn meerdere keren voorbij gereden op de [straatnaam bedrijf slachtoffer] . Op de beelden van 10:09 uur wordt de bestuurder van de rode Mercedes-bus herkend als [medeverdachte 2] . In de Mercedes-bus is op het stuurwiel een DNA-mengprofiel met DNA van [medeverdachte 2] aangetroffen. In de woning van [medeverdachte 5] is een Cubot X19 met het telefoonnummer eindigend op -9311 van [medeverdachte 2] aangetroffen. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat de woning van [medeverdachte 5] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het geringe tijdsverloop tussen de ontvoering van [slachtoffer] en het moment waarop de Mercedes-bus met [slachtoffer] richting de loodsen aan de Nijverheidsstraat in Gouda is gereden en het tijdstip waarop [medeverdachte 2] samen met drie medeverdachten in Gouda in de nabije omgeving van de Nijverheidsstraat op camerabeelden is gezien en is aangehouden, leidt het hof af dat [medeverdachte 2] aanwezig en betrokken is geweest bij de ontvoering van [slachtoffer] . Verder stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] betrokken is geweest bij voorverkenningen dan wel samen met anderen [slachtoffer] heeft opgewacht in Cruquius op 5 augustus 2021. [medeverdachte 3] Zoals hiervoor is vastgesteld is [medeverdachte 3] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] aangehouden op het Vogelplein in Gouda . De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op de Lazaruskade in Gouda . Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 3] samen met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] herkend op camerabeelden van 5 augustus 2021 van onder meer het adres Vogelplein 44 in Gouda . Uit de beelden van 19:13 uur blijkt dat de voorste man, die later wordt herkend als [medeverdachte 3] , in zijn rechterhand een mobiele telefoon vasthoudt en daar mee bezig is. Bij zijn aanhouding wordt bij [medeverdachte 3] een Google Pixel-telefoon met het telefoonnummer eindigend op -7622 aangetroffen. Het telefoonnummer -7622 heeft op 5 augustus 2021 tussen 13:15 uur en 15:05 uur registraties gemaakt in de werkomgeving van het slachtoffer in Cruquius . Verder is uit zendmastgegevens gebleken dat de telefoon van [medeverdachte 3] vanaf het moment van het klemrijden van het slachtoffer in Cruquius eenzelfde reisbeweging heeft gemaakt als de zwarte BMW , richting Gouda . Op de achterbank van de zwarte BMW zijn sigarettenpeuken aangetroffen met daarop DNA van [medeverdachte 3] . Op de Google Pixel-telefoon zijn belastende berichten aangetroffen over de ontvoering van het slachtoffer. Op 5 augustus 2021 om 18:09 uur wordt via Signal het adres Koekoekplein 6 verzonden. Op dit adres is later de zwarte BMW teruggevonden. Verder zijn rond het tijdstip van de ontvoering via Signal berichten verstuurd en ontvangen die zonder twijfel hierop betrekking hebben. [medeverdachte 3] vraagt, als [slachtoffer] in het busje zit, aan kennelijk iemand in het busje: ‘Oke naam hoe oud’. Daarop wordt geantwoord: ‘ [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] Op het parkeerterrein zijn diverse sigarettenpeuken aangetroffen. Op deze sigarettenpeuken is DNA van [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 9] aangetroffen. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [verdachte] aanwezig en betrokken is geweest bij de ontvoering van [slachtoffer] . De aanwezigheid van [verdachte] samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] op 4 augustus 2021 in de directe nabijheid van de woning van [slachtoffer] is, mede in het licht van wat ten aanzien van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] is vastgesteld, redengevend voor de vaststelling dat deze verdachten [slachtoffer] hebben geobserveerd. De belastende betekenis van dit bewijs is door [verdachte] niet ontzenuwd. Hij heeft zich op vragen hierover immers steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Verder kan uit het aantreffen van genoemd DNA-spoor op het stuur van de Renault , mede in het licht van de overige feiten en omstandigheden, worden afgeleid dat [verdachte] de bestuurder is geweest van de auto van [slachtoffer] , nadat deze uit zijn auto was getrokken en in de Mercedes-bus was geduwd. De enkele suggestie van de raadsvrouw dat het DNA van [verdachte] in de auto van [slachtoffer] daar ook na de ontvoering terecht kan zijn gekomen, acht het hof niet aannemelijk. [verdachte] zelf heeft (ook) voor het aantreffen van dit DNA-spoor geen enkele verklaring gegeven, laat staan een verklaring die afbreuk kan doen aan de belastende betekenis van dit bewijs. 4.3.4 Medeplegen Juridisch kader Voor het bewijs van medeplegen is nodig dat bij het begaan van het misdrijf sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict door de verdachte van voldoende gewicht is. Dat zal doorgaans het geval zijn als sprake is van een gezamenlijke uitvoering. De bijdrage aan het delict kan echter ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor, tijdens of na het strafbare feit. Dan moet extra aandacht worden besteed aan de vraag of de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarbij kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict kan worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote rol in de voorbereiding. Conclusie Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, is het hof van oordeel dat [verdachte] en de medeverdachten vóór en tijdens het plegen van de ontvoering van [slachtoffer] intensief hebben samengewerkt. De aard van het feit vergde een gezamenlijke voorbereiding en uitvoering. [slachtoffer] is door meerdere verdachten op meerdere dagen geobserveerd, er zijn gestolen auto’s en valse kentekenplaten geregeld, alsook een locatie waar hij moest worden ondergebracht en hij moest op klaarlichte dag uit zijn auto worden getrokken. Die auto moest bovendien worden meegenomen. Er is door meerdere verdachten gebruik gemaakt van handschoenen en bivakmutsen. Eén en ander vergde een zorgvuldige afstemming. Dit maakt dat alle betrokken verdachten vooraf op de hoogte moeten zijn geweest van het plan en de voorgenomen wijze van uitvoering. De avond voor de ontvoering zelf heeft in elk geval een aantal van de verdachten ook verbleven in de woning van één van hen. Deze woning is als uitvalsbasis gebruikt voor de gezamenlijke actie. [verdachte] was betrokken bij een voorverkenning in de woonomgeving van [slachtoffer] op 4 augustus 2021, heeft die nacht met een aantal medeverdachten verbleven in de woning die als uitvalsbasis werd gebruikt en was bij de ontvoering op 5 augustus 2021 aanwezig. Hij was één van de personen die [slac [slachtoffer] was na zijn werk in de auto op weg naar huis. Vrijwel direct na zijn vertrek werd hij klem gereden, door mannen met bivakmutsen vastgepakt en in een busje geduwd. Dit gebeurde op klaarlichte dag, rond 18:00 uur. Dat is niet alleen ongekend brutaal, maar heeft ook tot gevolg gehad dat verschillende omstanders getuige zijn geweest van deze schokkende gebeurtenis. In dat busje werd [slachtoffer] getrapt en geslagen. Er werd tegen hem geschreeuwd dat hij cocaïne had gestolen en dat ze dat terug wilden. Zijn armen en benen werden met ducttape vastgemaakt. Zijn mond werd met ducttape afgeplakt. Hij kreeg een vest over zijn hoofd dat ook werd vastgetapet. In het busje voelde [slachtoffer] iets tegen zijn hoofd en er werd gezegd: ‘Hier is een pistool, waar is het geld, anders schiet ik je dood’. Meerdere keren is hij met de dood bedreigd. Met het busje is [slachtoffer] in eerste instantie naar een loods in Gouda gebracht. Al die tijd lag hij op de vloer van het busje. [slachtoffer] heeft de eerste nacht in deze loods doorgebracht. Daarna is hij, in de kofferbak van een kleine auto, naar Delft vervoerd. Uiteindelijk is [slachtoffer] daar op 11 augustus omstreeks 00:00 uur vrijgelaten. Alle dagen dat [slachtoffer] van zijn vrijheid was beroofd heeft hij vastgetapet gezeten, kon hij niet of nauwelijks zien, bijna niet eten en heel moeilijk drinken vanwege de tape om zijn mond. In het dossier zitten foto’s van hem, kort nadat hij was vrijgelaten. Deze foto’s geven schokkend weer hoe [slachtoffer] alle dagen heeft moeten doorbrengen. In het ziekenhuis is geconstateerd dat [slachtoffer] was uitgedroogd en vijf kilo afgevallen. Het betreft dus een zeer ernstig feit. Het is bewonderenswaardig hoe kalm [slachtoffer] tijdens de ontvoering is gebleven. Uit de verklaring die namens hem ter terechtzitting in hoger beroep is afgelegd blijkt echter hoeveel angst hij heeft gehad en dat hij er rekening mee hield dat hij het er niet levend vanaf zou brengen. Ook blijkt uit de verklaring dat de ontvoering tot op de dag van vandaag haar sporen in zijn leven nalaat. Bovendien zijn door de ontvoering van [slachtoffer] ook zijn naasten getroffen. Uit de verklaring van zijn vriendin blijkt bijvoorbeeld dat zij doodsangsten heeft uitgestaan en het ook nu nog moeilijk heeft met het verwerken van wat [slachtoffer] en haar is overkomen. Wat de zaak nog ernstiger maakt is dat uit het politieonderzoek is gebleken dat [slachtoffer] niet het beoogde doelwit was. Hij is niet betrokken bij de handel in cocaïne, maar het slachtoffer van een afschuwelijke vergissing. Daarmee zegt het hof niet, zoals door sommige advocaten naar voren is gebracht, dat het leven van een ‘gewone burger’ meer waard is dan dat van een ‘crimineel’. Het is echter wel ernstiger als onschuldigen het slachtoffer worden van crimineel geweld. Steeds vaker worden door roekeloos gedrag onschuldigen betrokken in vetes die in het criminele milieu worden uitgevochten. De gedachte dat hierdoor iedereen slachtoffer kan worden, vergroot de angst in de samenleving en gevoelens van onveiligheid. Eén van de doelen van het opleggen van een gevangenisstraf is de preventieve werking die daarvan uitgaat. Om het anders te formuleren, een gevangenisstraf voor deze verdachte is een waarschuwing voor anderen om zich te bedenken voordat ze nietsontziend en roekeloos geweld aanwenden. Door de verdediging is aangevoerd dat [verdachte] alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat er op 5 augustus 2021 – en niet in de dagen daarna – is gebeurd. Die stelling gaat niet op. Weliswaar is ‘slechts’ aan [verdachte] ten laste gelegd en bewezen verklaard de ontvoering op 5 augustus 2021, maar de rechter kan bij het bepalen van de straf rekening houden met feiten en omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan. Een van de relevante omstandigheden is in dit geval dat de ontvoering van [slachtoffer] nog dagen heeft voortgeduurd nadat [verdachte] en zijn mededaders hem hebben afgeleverd in de loods in Go Deze bedraagt € 31.342,53 en bestaat uit de volgende posten: medische kosten, bestaande uit het eigen risico van € 385,00 en de kosten van de psycholoog van € 202,16; kosten van de vervanging van sloten ten bedrage van € 674,37; schade aan de auto, bestaande uit reparatiekosten van € 3.446,00 en taxatiekosten van € 135,00; toekomstige kosten, bestaande uit toekomstige medische kosten van € 1.000,00 en toekomstige reis- en parkeerkosten van € 500,00; immateriële schade van € 25.000,00. [slachtoffer] heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vordering wat de eerste drie posten betreft geheel toegewezen, wat betreft de vijfde post toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en heeft [slachtoffer] in de vordering niet-ontvankelijk verklaard wat de vierde post betreft. [slachtoffer] heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd, zij het dat de verdediging heeft verzocht om hem in de vordering ter zake van post 4. niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof oordeelt als volgt. Materiële schade De verdediging heeft de vordering niet bestreden ten aanzien van de posten 1. (medische kosten), 2. (kosten vervanging sloten) en 3. (schade aan de auto). Het hof komt de vordering op deze punten niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit betekent dat de vordering tot een bedrag van € 4.842,53, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen. Het hof bepaalt de aanvangstermijn van de wettelijke rente met betrekking tot: de onder 1. genoemde schadepost wat de kosten van het eigen risico betreft op 27 oktober 2021 (datum afschrijving van de bankrekening van [slachtoffer] ) en wat de kosten van de psycholoog betreft op 22 november 2022 (datum factuur), de onder 2. genoemde schadepost op 1 september 2021 (datum factuur), en de onder 3. genoemde schadepost wat de reparatiekosten betreft op 5 augustus 2021 (datum ontstaan schade) en wat de taxatiekosten betreft op 9 september 2021 (respectievelijk datum pinbetaling). [slachtoffer] zal in de vordering wat de onder 4. genoemde schadepost betreft niet-ontvankelijk worden verklaard. Die kosten zijn immers (nog) niet gemaakt. Immateriële schade Aan de vordering tot vergoeding van de onder 5 genoemde immateriële schade heeft [slachtoffer] ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven, dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Er is een ernstige inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. De aard en ernst van de normschendig zijn dusdanig dat ook zonder diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting als hiervoor bedoeld. Bij de hoogte van het schadebedrag moet volgens [slachtoffer] – met toepassing van de criteria die zijn neergelegd in de zogeheten Rotterdamse Schaal – worden betrokken (a) de handelwijze van de daders (waarbij in dit geval sprake is van een ‘vergisontvoering’ van een willekeurige en onschuldige burger, terwijl de vergissing ook van meet af aan duidelijk was voor de daders), (b) de intensiteit van de bedreigende situatie (waarbij sprake is geweest van een zeer ernstige bedreiging van [slachtoffer] en zijn familie en naasten en waarbij [slachtoffer] in benarde posities is vastgehouden), (c) de mate en de duur van de vrijheidsbeperking (zes dagen lang, waarbij [slachtoffer] het grootste deel van de tijd geblinddoekt was), (d) de kwetsbaarheid van [slachtoffer] (hij was een willekeurige en onschuldige burger die zich op deze situatie niet heeft kunnen voorbereiden en (e) de aard en ernst van de gevolgen voor [slachtoffer] (ernstig en blijvend). De raadsvrouw van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering – in aanmerking genomen de bedragen die zijn genoemd in de Rotterdamse Schaal – kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. Voor het overige dient de vordering te worden afgewezen. [slachtoffe Ook heeft het hof acht geslagen op de criteria en de bedragen die in de Rotterdamse Schaal worden genoemd ten aanzien van vrijheidsberoving (paragraaf 19.2). Hierbij verdient evenwel opmerking dat bij de bepaling van deze bedragen (te weten een bandbreedte van € 3.000,00 tot € 8.000,00) aansluiting is gezocht bij de bedragen die gelden voor ‘bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing’ (paragraaf 19.1) – situaties die, zeker qua duur van de bedreiging, slechts beperkt vergelijkbaar zijn met de in de onderhavige zaak bewezen verklaarde ontvoering. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade, in lijn met de in paragraaf 19.1 genoemde criteria, rekening gehouden met de handelwijze van de verdachte en zijn mededaders, de intensiteit van de bedreigende situatie, de mate en duur van de vrijheidsberoving, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de aard en ernst van de gevolgen voor hem, zoals toegelicht in de vorige alinea en in het kader van de strafmotivering. In met name de duur van de ontvoering van zes dagen en de hiervoor beschreven zeer belastende wijze waarop deze heeft plaatsgehad, ziet het hof aanleiding de immateriële schade naar billijkheid vast te stellen op een bedrag van € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2021. Gezien het voorgaande, en gegeven het genoegzaam gevoerde partijdebat en geen noodzaak tot nader onderzoek, zal het méér gevorderde worden afgewezen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019: 793, r.o. 2.8.7 en 2.8.3). Het betoog van de verdediging dat bij het begroten van de immateriële schade geen acht mag worden geslagen op de duur van de ontvoering, nu aan de verdachte enkel de betrokkenheid op 5 augustus 2021 ten laste is gelegd, volgt het hof gelet op het voorgaande dus niet. De verdachte heeft samen met zijn mededaders [slachtoffer] op 5 augustus 2021 opzettelijk ontvoerd. Daarbij was voor hem op dat moment zonder meer voorzienbaar dat deze ontvoering ook ná 5 augustus 2021 zou kunnen voortduren, met alle mogelijke belastende gevolgen voor [slachtoffer] . Deze gevolgen kunnen dus bij het begroten van de immateriële schade in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend. Hoofdelijke aansprakelijkheid Hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat indien en voor zover meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade (artikel 6:102 BW), hetgeen doorgaans het geval is indien de schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele toewijsbare schade: indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, zal de verdachte in zoverre van zijn betalingsverplichting zijn bevrijd. De verdachte zal ook hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden gemaakte kosten worden begroot op nihil. Om te bevorderen dat de door de [slachtoffer] geleden schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze. 9.2 Vordering benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.613, 71 ingediend tegen de verdachte. De schade bestaat uit materiële schade tot een bedrag van € 3.113, 71 (€ 756,01 aan medische kosten, € 857,70 aan gederfde inkomsten en € 1.500,00 aan toekomstige medische kosten) en immateriële schade ten bedrage van € 2.500,00. [benadeelde partij] heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. [benadeelde partij] heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. De advocaat van [benadeelde partij] heeft betoogd, samengevat wee De door [benadeelde partij] gevorderde medische kosten en de gederfde inkomsten vallen niet onder de hier bedoelde vormen van schade en zijn op basis van deze artikelen dus niet toewijsbaar. Ten aanzien van de toekomstige medische kosten geldt dat deze (nog) niet zijn gemaakt en om die reden niet toewijsbaar zijn. Daarnaast bieden de artikelen 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, en 6:108, derde lid, BW sinds 1 januari 2019 aan een in beginsel in de wet limitatief omschreven kring van naasten en nabestaanden een aanspraak op een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag aan smartengeld, de zogenoemde ‘affectieschade’. In aanvulling op de in deze artikelen genoemde gevallen bestaat ruimte voor een vergoeding van immateriële schade indien de dader het oogmerk had dergelijke schade aan de derde toe te brengen, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, BW. Van deze situatie is echter niet gebleken. Uit het dossier volgt immers niet dat de verdachte en zijn medeverdachten bij hun handelen het oogmerk hebben gehad om specifiek aan [benadeelde partij] immateriële schade toe te brengen. Tot slot bestaat ruimte voor een vergoeding van schade indien iemand een ander door een misdrijf doodt of verwondt, en hij daarmee ook onrechtmatig handelt tegenover degene bij wie de confrontatie met dat misdrijf (of de gevolgen daarvan) een hevige emotionele schok teweeg brengt. Dit laatste wordt schokschade of shockschade genoemd en komt hierna aan de orde. Buiten deze gevallen bestaat voor een derde geen aanspraak op schadevergoeding die het gevolg is van de verwonding, het overlijden of anderszins kwetsing van een ander. De wetgever heeft bewust voor deze begrenzing gekozen (MvT Inv., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5, 6), p. 1278 e.v.). Ook bij de invoering van de aanspraak op vergoeding van affectieschade in 2019 heeft de wetgever bewust aan deze begrenzing vastgehouden (vgl. Kamerstukken II , 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 1, 2, 5, 13-16 en Kamerstukken I , 2015/16, 34 257, C, p. 1, 5) Uit dit wettelijke stelsel volgt dat [benadeelde partij] , die niet het directe slachtoffer is geweest van de ontvoering en in zoverre niet als primair slachtoffer kan worden aangemerkt, geen aanspraak heeft op vergoeding van de gestelde immateriële schade die zij hierdoor heeft opgelopen. Dat, zoals onweersproken is aangevoerd, de ontvoering van haar partner uitermate belastend is geweest en tot op de dag van vandaag voor haar zeer nadelige gevolgen heeft, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. De verwijzing door de advocaat van [benadeelde partij] ter terechtzitting in hoger beroep naar de twee (civielrechtelijke) arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden van respectievelijk 22 maart 2005 en 25 februari 2020 leiden niet tot een ander oordeel, alleen al omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. De zaak uit 2005 betrof een kinderontvoering waarbij de dader de moeder gedurende ruim een jaar had belet om de op haar rustende ouderlijke verantwoordelijkheden (zij had bij uitsluiting het ouderlijk gezag) uit te oefenen. De zaak uit 2020 betrof het een ontuchtzaak waarbij een man zijn zevenjarige buurmeisje gedurende een half jaar seksueel had misbruikt. Het hof oordeelde dat de man onrechtmatig had gehandeld jegens de moeder en de stiefvader van het meisje door het vertrouwen dat zij in hem hadden gesteld, door het meisje aan zijn zorg toe te vertrouwen, te schenden. Over het betoog van de advocaat van [benadeelde partij] dat sprake is van schokschade – en dat zij dus ook op die grond vergoeding van de materiële en immateriële schade kan vorderen – overweegt het hof tot slot het volgende. Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Gezichtspunten die een rol