Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-02-17
ECLI:NL:GHAMS:2026:352
Civiel recht
Hoger beroep
4,049 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:352 text/xml public 2026-02-20T12:00:06 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-02-17 200.356.768 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:352 text/html public 2026-02-13T12:05:16 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:352 Gerechtshof Amsterdam , 17-02-2026 / 200.356.768 Klacht tegen notaris. Ruilverkavelingsakte. Rectificatie. Medewerking notaris aan rectificatie ruilverkavelingsakte. Beperkte rol notaris. Akte einde erfdienstbaarheid. Notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.356.768/01 NOT nummer eerste aanleg : 753699/NT 24-17 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 17 februari 2026 inzake [appellant] , wonend te [plaats 1] , gemeente Koggenland, appellant, tegen [geïntimeerde] , notaris te [plaats 2] , geïntimeerde, gemachtigde: mr. F. van der Woude, advocaat te Rotterdam. Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd. 1 De zaak in het kort In 2001 heeft de notaris een ruilverkavelingsakte gepasseerd. In deze akte stond (nog) een erfdienstbaarheid (recht van overpad) opgenomen die feitelijk niet meer kon worden uitgeoefend. Klager heeft de notaris verzocht een akte van rectificatie op te stellen. De notaris heeft aan dit verzoek niet kunnen voldoen. Klager verwijt de notaris dat hij hem niet heeft willen helpen bij het rechtzetten van de (vermeende) fout in de ruilverkavelingsakte. De kamer heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bevestigt de beslissing (deels) waarbij een tweede klachtonderdeel door het hof ongegrond wordt verklaard. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Klager heeft op 11 juli 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam (hierna: de kamer) van 12 juni 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORAMS:2025:17). 2.2. De notaris heeft op 24 september 2025 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend. 2.3. Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen. 2.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 4 december 2025. Klager, vergezeld van zijn partner, en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de partner van klager en de gemachtigde van de notaris aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s. 3 Feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn. 3.1. Bij akte van 20 juni 1985 (hierna: de akte van 1985) is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd ten laste van een perceel. De eigendom van dat perceel is bij die akte overgedragen aan de vader van klager. 3.2. Door de erfdienstbaarheid van weg was het voor het heersende erf mogelijk om via het dienende erf met (een) dam(men) over de grenssloot naar de openbare weg te komen. 3.3. In 1988 is besloten tot een ruilverkavelingsprocedure. Het plan van toedeling werd opgemaakt naar de rechtstoestand op de peildatum, 1 mei 1995. 3.4. Op 18 mei 1995 is de vader van klager overleden. Alle baten van zijn nalatenschap, waaronder de eigendom van het perceel, kwamen toe aan de moeder van klager. 3.5. Het plan van toedeling werd op 8 maart 1996 goedgekeurd door de Centrale Landinrichtingscommissie. Wet- en regelgeving bepaalden dat het daarna ter inzage gelegd moest worden. 3.6. In 1999 zijn de dammen verwijderd, waardoor het fysiek onmogelijk werd om van het ene perceel naar het andere perceel te komen. 3.7. Op 12 oktober 2001 heeft de notaris de akte van ruilverkaveling (hierna: de akte van 2001) gepasseerd. In deze akte stond nog steeds de in 1985 gevestigde erfdienstbaarheid van weg. 3.8. Naar aanleiding van de (voorgenomen) overdracht van het perceel aan de zoon van klager heeft klager uitvoerig met zowel het kadaster als de notaris gecorrespondeerd. Doel van de correspondentie was om in de ruilverkavelingsakte het recht van overpad te laten verwijderen omdat dit recht feitelijk niet meer kon worden uitgeoefend. Het kadaster heeft klager in eerste instantie, kort samengevat, bericht dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de ruilverkavelingsakte bij de notaris lag en dat het aan de notaris is om een akte van rectificatie in te dienen. De notaris heeft klager vervolgens te kennen gegeven dat hij klager niet verder kon helpen omdat een ruilverkavelingsakte door de Landinrichtingscommissie wordt gemaakt en de notaris de akte slechts ondertekent. Deze Landinrichtingscommissie bestaat inmiddels niet meer. 3.9. In augustus 2024 heeft een waarnemer van een andere notaris bij “ akte van einde erfdienstbaarheid ” vastgelegd dat door de partijen bij de akte is vastgesteld dat de erfdienstbaarheid door verjaring is tenietgegaan. 4 De klacht 4.1. Op grond van het inleidende klaagschrift van 4 juli 2024 heeft de kamer de klacht tegen de notaris als volgt weergegeven: (Onder 3.1): Bij het verlijden van de akte van 2001 heeft de notaris zijn onderzoeksplicht niet goed uitgevoerd. Zonder enig overleg, inzage of melding is de erfdienstbaarheid in de akte opgenomen. Dat was tegen de afspraak met de Landinrichtingscommissie in: de dammen zouden verwijderd worden tijdens de ruilverkaveling. En die zijn ook verwijderd. Bovendien is de omschrijving in de akte van 2001 van de erfdienstbaarheid ruimer dan de omschrijving in de akte van 1985, waardoor de reikwijdte van de erfdienstbaarheid is verruimd. (Onder 3.2): Hoewel de notaris degene is die onjuistheden en onvolkomenheden dient te rectificeren, zoals ook is vastgelegd in de akte van 2001, weigerde de notaris dat te doen, ondanks herhaaldelijk verzoek van klager. 4.2. Het hof zal onderdeel 2 van de klacht op grond van het inleidende klaagschrift en het verhandelde ter zitting in hoger beroep herformuleren. Dat klachtonderdeel luidt als volgt: De notaris heeft geweigerd om mee te werken aan het oplossen van de onvolkomenheden in een ruilverkavelingsakte, waartoe alleen hij gemachtigd is. 5 Beoordeling 5.1. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris niet-ontvankelijk verklaard. Klachtonderdeel 1: de notaris heeft in 2001 zijn onderzoeksplicht niet goed uitgevoerd. 5.2. Op grond van artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt (Wna) kan een klacht slechts worden ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de tot klacht gerechtigde persoon kennis heeft genomen van het handelen of nalaten dat tot tuchtrechtelijke maatregelen jegens de notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris aanleiding kan geven. Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De wettelijke driejaarstermijn begint te lopen na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de (kandidaat)notaris waarop de klacht betrekking heeft. Niet is vereist dat klager ook bekend is met de juridische (of tuchtrechtelijke) beoordeling van dat handelen of nalaten. 5.3. Deze klacht ziet op de ruilverkavelingsakte uit 2001. De kamer heeft geoordeeld dat klager zelf geen belanghebbende is en, voor zover hij als gemachtigde van zijn moeder klaagt, de driejaarstermijn – bij de indiening van de klacht op 4 juli 2024 – ruimschoots is verstreken. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer en verwijst daarnaar. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geeft het hof geen reden er anders over te denken. Klachtonderdeel 2: de notaris heeft geweigerd om mee te werken aan het oplossen van de onvolkomenheden in de ruilverkavelingsakte. 5.4. Klager verwijt de notaris dat hij niet heeft willen helpen bij het rechtzetten van de (vermeende) fout in de ruilverkavelingsakte.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:352 text/xml public 2026-02-20T12:00:06 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-02-17 200.356.768 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:352 text/html public 2026-02-13T12:05:16 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:352 Gerechtshof Amsterdam , 17-02-2026 / 200.356.768 Klacht tegen notaris. Ruilverkavelingsakte. Rectificatie. Medewerking notaris aan rectificatie ruilverkavelingsakte. Beperkte rol notaris. Akte einde erfdienstbaarheid. Notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.356.768/01 NOT nummer eerste aanleg : 753699/NT 24-17 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 17 februari 2026 inzake [appellant] , wonend te [plaats 1] , gemeente Koggenland, appellant, tegen [geïntimeerde] , notaris te [plaats 2] , geïntimeerde, gemachtigde: mr. F. van der Woude, advocaat te Rotterdam. Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd. 1 De zaak in het kort In 2001 heeft de notaris een ruilverkavelingsakte gepasseerd. In deze akte stond (nog) een erfdienstbaarheid (recht van overpad) opgenomen die feitelijk niet meer kon worden uitgeoefend. Klager heeft de notaris verzocht een akte van rectificatie op te stellen. De notaris heeft aan dit verzoek niet kunnen voldoen. Klager verwijt de notaris dat hij hem niet heeft willen helpen bij het rechtzetten van de (vermeende) fout in de ruilverkavelingsakte. De kamer heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bevestigt de beslissing (deels) waarbij een tweede klachtonderdeel door het hof ongegrond wordt verklaard. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Klager heeft op 11 juli 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam (hierna: de kamer) van 12 juni 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORAMS:2025:17). 2.2. De notaris heeft op 24 september 2025 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend. 2.3. Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen. 2.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 4 december 2025. Klager, vergezeld van zijn partner, en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de partner van klager en de gemachtigde van de notaris aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s. 3 Feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn. 3.1. Bij akte van 20 juni 1985 (hierna: de akte van 1985) is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd ten laste van een perceel. De eigendom van dat perceel is bij die akte overgedragen aan de vader van klager. 3.2. Door de erfdienstbaarheid van weg was het voor het heersende erf mogelijk om via het dienende erf met (een) dam(men) over de grenssloot naar de openbare weg te komen. 3.3. In 1988 is besloten tot een ruilverkavelingsprocedure. Het plan van toedeling werd opgemaakt naar de rechtstoestand op de peildatum, 1 mei 1995. 3.4. Op 18 mei 1995 is de vader van klager overleden. Alle baten van zijn nalatenschap, waaronder de eigendom van het perceel, kwamen toe aan de moeder van klager. 3.5. Het plan van toedeling werd op 8 maart 1996 goedgekeurd door de Centrale Landinrichtingscommissie. Wet- en regelgeving bepaalden dat het daarna ter inzage gelegd moest worden. 3.6. In 1999 zijn de dammen verwijderd, waardoor het fysiek onmogelijk werd om van het ene perceel naar het andere perceel te komen. 3.7. Op 12 oktober 2001 heeft de notaris de akte van ruilverkaveling (hierna: de akte van 2001) gepasseerd. In deze akte stond nog steeds de in 1985 gevestigde erfdienstbaarheid van weg. 3.8. Naar aanleiding van de (voorgenomen) overdracht van het perceel aan de zoon van klager heeft klager uitvoerig met zowel het kadaster als de notaris gecorrespondeerd. Doel van de correspondentie was om in de ruilverkavelingsakte het recht van overpad te laten verwijderen omdat dit recht feitelijk niet meer kon worden uitgeoefend. Het kadaster heeft klager in eerste instantie, kort samengevat, bericht dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de ruilverkavelingsakte bij de notaris lag en dat het aan de notaris is om een akte van rectificatie in te dienen. De notaris heeft klager vervolgens te kennen gegeven dat hij klager niet verder kon helpen omdat een ruilverkavelingsakte door de Landinrichtingscommissie wordt gemaakt en de notaris de akte slechts ondertekent. Deze Landinrichtingscommissie bestaat inmiddels niet meer. 3.9. In augustus 2024 heeft een waarnemer van een andere notaris bij “ akte van einde erfdienstbaarheid ” vastgelegd dat door de partijen bij de akte is vastgesteld dat de erfdienstbaarheid door verjaring is tenietgegaan. 4 De klacht 4.1. Op grond van het inleidende klaagschrift van 4 juli 2024 heeft de kamer de klacht tegen de notaris als volgt weergegeven: (Onder 3.1): Bij het verlijden van de akte van 2001 heeft de notaris zijn onderzoeksplicht niet goed uitgevoerd. Zonder enig overleg, inzage of melding is de erfdienstbaarheid in de akte opgenomen. Dat was tegen de afspraak met de Landinrichtingscommissie in: de dammen zouden verwijderd worden tijdens de ruilverkaveling. En die zijn ook verwijderd. Bovendien is de omschrijving in de akte van 2001 van de erfdienstbaarheid ruimer dan de omschrijving in de akte van 1985, waardoor de reikwijdte van de erfdienstbaarheid is verruimd. (Onder 3.2): Hoewel de notaris degene is die onjuistheden en onvolkomenheden dient te rectificeren, zoals ook is vastgelegd in de akte van 2001, weigerde de notaris dat te doen, ondanks herhaaldelijk verzoek van klager. 4.2. Het hof zal onderdeel 2 van de klacht op grond van het inleidende klaagschrift en het verhandelde ter zitting in hoger beroep herformuleren. Dat klachtonderdeel luidt als volgt: De notaris heeft geweigerd om mee te werken aan het oplossen van de onvolkomenheden in een ruilverkavelingsakte, waartoe alleen hij gemachtigd is. 5 Beoordeling 5.1. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris niet-ontvankelijk verklaard. Klachtonderdeel 1: de notaris heeft in 2001 zijn onderzoeksplicht niet goed uitgevoerd. 5.2. Op grond van artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt (Wna) kan een klacht slechts worden ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de tot klacht gerechtigde persoon kennis heeft genomen van het handelen of nalaten dat tot tuchtrechtelijke maatregelen jegens de notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris aanleiding kan geven. Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De wettelijke driejaarstermijn begint te lopen na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de (kandidaat)notaris waarop de klacht betrekking heeft. Niet is vereist dat klager ook bekend is met de juridische (of tuchtrechtelijke) beoordeling van dat handelen of nalaten. 5.3. Deze klacht ziet op de ruilverkavelingsakte uit 2001. De kamer heeft geoordeeld dat klager zelf geen belanghebbende is en, voor zover hij als gemachtigde van zijn moeder klaagt, de driejaarstermijn – bij de indiening van de klacht op 4 juli 2024 – ruimschoots is verstreken. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer en verwijst daarnaar. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geeft het hof geen reden er anders over te denken. Klachtonderdeel 2: de notaris heeft geweigerd om mee te werken aan het oplossen van de onvolkomenheden in de ruilverkavelingsakte. 5.4. Klager verwijt de notaris dat hij niet heeft willen helpen bij het rechtzetten van de (vermeende) fout in de ruilverkavelingsakte.