ECLI:NL:GHAMS:2026:29
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer : 200.350.976/01 zaaknummer rechtbank : C/15/358888 / KG ZA 24-660 arrest van de meervoudige familiekamer van 6 januari 2026 inzake [eiser] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , appellante, advocaat: mr. J. van den Beldt te Haarlem, die zich op 20 mei 2025 als advocaat heeft onttrokken, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [plaats B] , 2. [gedaagde 2] , wonende te [plaats C] , 3. [gedaagde 3] , wonende te [plaats C] , geïntimeerden, advocaat: mr. A.K. Oostlander-Vos te Haarlem. Appellante wordt hierna [eiser] genoemd, geïntimeerden gezamenlijk [gedaagden] c.s.. 1 Het geding in hoger beroep 1.1. [eiser] is bij dagvaarding van 21 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van 24 december 2024 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, hersteld bij vonnis van 27 december 2024. Dat vonnis is onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [gedaagden] c.s. als eisers en [eiser] alsmede mr. [naam 1] als gedaagden, mr. [naam 1] in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [erflaatster] . 1.2. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties. 1.3. Nadat de advocaat van [eiser] zich heeft onttrokken, hebben [gedaagden] c.s. arrest gevraagd. Er heeft zich geen andere advocaat voor [eiser] gesteld. 2 Feiten 2.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 2.2. [in] 2023 is overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster heeft bij testament van 28 december 2016 beschikt over haar nalatenschap. Op grond van dat testament zijn haar vier dochters haar erfgenamen, te weten [eiser] , geïntimeerden onder 1 en 2, en [naam 2] , die [in] 2024 is overleden. De partner van [naam 2] , geïntimeerde sub 3, is als haar enig erfgenaam in al haar rechten en verplichtingen getreden. 2.3. In het testament van erflaatster is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “(…) HOOFDSTUK 3. EXECUTELE (…) 6. Vertegenwoordiging Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt de executeur bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen. De erfgenamen kunnen niet zonder medewerking van de executeur of machtiging van de kantonrechter over die goederen of hun aandeel beschikken, dan voordat zijn bevoegdheid tot beheer is geëindigd. (…) 9. Te gelde maken goederen De executeur is bevoegd de door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden der nalatenschap. De executeur treedt omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen. De executeur behoeft voor de tegeldemaking van een goed niet de toestemming van de erfgenamen. (…) HOOFDSTUK 4. AFWIKKELINGSBEWIND 1. Benoeming afwikkelingsbewindvoerder Ik benoem de in functie zijnde (opvolgend) executeur ook tot afwikkelingsbewindvoerder. (…) 2. Taak afwikkelingsbewindvoerder De afwikkelingsbewindvoerder heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren. Op grond van artikel 4:171 Burgerlijk Wetboek ken ik de afwikkelingsbewindvoerder naast zijn in de wet vermelde taken en bevoegdheden, de bevoegdheid toe om over de goederen van mijn nalatenschap te beschikken, zonder medewerking van de rechthebbende(n) en zonder machtiging van de kantonrechter. De erfgenamen kunnen niet zonder medewerking van de afwikkelingsbewindvoerder of machtiging van de kantonrechter over de goederen of hun aandeel daarin beschikken, voordat het bewind is geëindigd. Aan de afwikkelingsbewindvoerder komen alle bevoegdheden toe die nodig zijn om een verdeling van de nalatenschap zelfstandig tot stand te brengen, zonder medewerking, machtiging of goedkeuring van welke aard dan ook. De afwikkelingsbewindvoerder is zo onder meer bevoegd om als vertegenwoordiger van mijn erfgenamen de nalatenschap bij notariële akte te verdelen en de goederen van de nalatenschap zonder medewerking van de erfgenamen te vervreemden. (…) 10. Einde afwikkelingsbewind Het afwikkelingsbewind eindigt: a. als de nalatenschap bij notariële akte is verdeeld; b. als na mijn overlijden vijf jaren zijn verstreken. (…)” 2.4. Tot de nalatenschap van erflaatster behoort onder meer een/twintigste (1/20e) aandeel in het woonhuis met erf, schuur, bos en bosgrond, staande en gelegen aan de [A-straat] te [plaats A] (hierna: de woning). Erflaatster heeft dit aandeel in de woning verkregen door vererving op 28 februari 2007. Mr. [naam 1] is (opvolgend) executeur en afwikkelingsbevindvoerder in de nalatenschap van erflaatster en in die hoedanigheid privatief bevoegd ter zake het een/twintigste (1/20e) aandeel in de woning dat tot de nalatenschap behoort. 2.5. Ten tijde van het overlijden van erflaatster hadden haar erfgenamen ieder negentien tachtigste (19/80e) aandeel in de woning. 2.6. De aandelen van de erfgenamen in de woning waren belast met vruchtgebruik ten behoeve van erflaatster. Sinds het overlijden van erflaatster is de woning onbewoond. Geen van partijen heeft toegang tot de woning anders dan met toestemming van mr. [naam 1] . [eiser] verblijft zonder toestemming van de overige erfgenamen op het terrein rondom de woning en heeft daar op diverse plekken spullen opgeslagen. Ook op de zolder van de woning staan (inboedel)goederen van [eiser] opgeslagen. 2.7. Op de woning rust een hypotheekrecht van ING bank. 2.8. Begin juli 2023 heeft een bespreking plaatsgevonden bij notaris mr. [naam 1] over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. [eiser] was daar niet bij aanwezig. Eind september 2023 heeft er een bespreking plaatsgevonden voor alleen [eiser] . 2.9. Op 20 november 2023 heeft mr. [naam 1] een bespreking gehad met [eiser] en haar advocaat. Naar aanleiding daarvan heeft mr. [naam 1] [gedaagden] c.s. onder meer het voorstel voorgelegd om [eiser] een termijn te gunnen tot 1 maart 2024 om te onderzoeken of de investeerder/ financier waarmee zij bezig was, hen zou kunnen uitkopen. Daarbij werd tevens het voorstel gedaan om haar ook toegang te verlenen tot het huis om het schoon te houden, verwarmen en ventileren. [gedaagden] c.s. zijn hier niet mee akkoord gegaan. 2.10. Bij e-mailbericht van 18 maart 2024 is namens [gedaagden] c.s. aan (de advocaat van) [eiser] alsnog een termijn gegeven tot uiterlijk 8 april 2024 om aan [gedaagden] c.s. te laten weten of [eiser] in staat is de woning over te nemen. 2.11. Mr. [naam 1] heeft op 16 april 2024, na overleg tussen de advocaten van partijen, een voorstel gedaan om tot een oplossing te komen voor wat betreft de onverdeeldheid van de woning. Op dit voorstel dienden partijen voor 1 mei 2024 te reageren. 2.12. [gedaagden] c.s. hebben op 29 april 2024 aangegeven akkoord te gaan met dit voorstel onder aanscherping van een tweetal voorwaarden. 2.13. De advocaat van [eiser] heeft op 30 april 2024 namens [eiser] aangegeven dat zij niet akkoord is met het voorstel. Een tegenvoorstel is niet gedaan. 2.14. De advocaat van [gedaagden] c.s. heeft bij brief van 14 oktober 2024 [eiser] verzocht om vrijwillig haar medewerking te verlenen aan verkoop van de woning aan een derde. 2.15. Bij e-mailbericht van 18 oktober 2024 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagden] c.s. bericht dat [eiser] niet akkoord gaat met vrijwillige verkoop aan een derde. 2.16. De voorzieningenrechter heeft op 24 december 2024 het bestreden vonnis gewezen waarbij - onder meer en kort samengevat - is bepaald dat de woning dient te worden verkocht en geleverd aan een derde en [eiser] en mr. [naam 1] veroordeeld om daaraan hun medewerking te verlenen. Dit vonnis is op 10 januari 2025 aan [eiser] betekend. 2.17. [gedaagden] c.s. en mr. [naam 1] hebben [naar het hof begrijpt in] eind januari 2025/begin februari 2025 makelaarskantoor Borghouts opdracht gegeven tot verkoop van de woning. [gedaagden] c.s. hebben namens [eiser] de overeenkomst tot opdracht getekend. Ook hebben [gedaagden] c.s. mede namens [eiser] de koopovereenkomst met de koper gesloten en ondertekend.
In de koopovereenkomst is bepaald dat de leveringsakte zal worden verleden op 16 juni 2025 of zoveel eerder of later als door de koper en verkopers nader zal worden overeengekomen. 3 Vordering in hoger beroep 3.1. [eiser] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog: primair: I. [gedaagden] c.s. zal veroordelen om de verkoop en levering althans in ieder geval de levering van de onroerende zaak aan de [A-straat] te [plaats A] voor zover deze nog niet heeft/hebben plaatsgevonden, voor onbepaalde tijd op te schorten teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen een investeerder te vinden, dan wel indien en voor zover verkoop en levering reeds hebben plaatsgevonden, [gedaagden] c.s. zal veroordelen deze ongedaan te maken, zulks voor rekening van [gedaagden] c.s.; subsidiair: II. [gedaagden] c.s. zal veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van de verkoop en levering geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat; III. met veroordeling van [gedaagden] c.s. in de kosten van het geding in beide instanties. 3.2. [gedaagden] c.s. hebben geconcludeerd dat het hof [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, althans dat beroep af te wijzen en bij arrest - uitvoerbaar bij voorraad - het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van beide instanties waarbij [eiser] in de werkelijke kosten van [gedaagden] c.s. in hoger beroep wordt veroordeeld. 3.3. [gedaagden] c.s. hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 4 Beoordeling 4.1. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter voor zover hier relevant het volgende geoordeeld: “5.1. veroordeelt gedaagden om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis de overeenkomst van opdracht met Borghouts Makelaars Haarlem te ondertekenen en hun onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop van de onroerende zaak aan een derde en het verkooptraject (…); 5.2. bepaalt dat, indien [eiser] [gedaagden] weigert haar medewerking te verlenen aan ondertekening van de overeenkomst van opdracht als bedoeld in de veroordeling onder 5.1, dit vonnis op grond van art 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een door [eiser] [gedaagden] ondertekende volmacht aan eisers om de in die veroordeling omschreven rechtshandeling te verrichten; (…) 5.5. veroordeelt gedaagden om na betekening van het vonnis en zodra er een kandidaat-koper is die bereid is een prijs te betalen hoger of gelijk aan de verkoopadviesprijs van Borghouts Makelaars Haarlem mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst; 5.6. bepaalt dat, indien [eiser] [gedaagden] weigert haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de koopovereenkomst als bedoeld in de veroordeling onder 5.5. dit vonnis op grond van art 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een door [eiser] [gedaagden] ondertekende volmacht aan eisers om de in die veroordeling omschreven rechtshandeling te verrichten; 5.7. veroordeelt gedaagden om na betekening van het ten deze te wijzen vonnis op een nader met de koper overeen te komen datum waarop de woning aan een koper moet worden geleverd hun volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de levering van de onroerende zaak aan de toekomstige koper ten overstaan van de door de koper aan te wijzen notaris of diens plaatsvervanger; 5.8. bepaalt dat, indien [eiser] [gedaagden] weigert haar medewerking te verlenen aan de levering van de onroerende zaak aan de toekomstige koper als bedoeld in de veroordeling onder 5.7., dit vonnis op grond van art 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een door [eiser] [gedaagden] ondertekende volmacht aan eisers om de in die veroordeling omschreven rechtshandeling te verrichten; (…) 5.11. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.12. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt; 4.2. Tegen dit vonnis en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [eiser] met haar grieven op. Voordat het hof toekomt aan een beoordeling van de grieven, dient echter eerst een tweetal procedurele vragen betreffende de ontvankelijkheid van [eiser] in haar hoger beroep te worden beantwoord. Ontvankelijkheid 4.3. [gedaagden] c.s. stellen zich op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Zij voeren hiertoe aan dat [eiser] heeft verzuimd het door haar ingestelde hoger beroep binnen de daarvoor op grond van artikel 3:301 lid 2 van het Burgerlijk (BW) geldende termijn in te schrijven in de registers bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit leidt volgens [gedaagden] c.s. ertoe dat [eiser] niet-ontvankelijk is voor zover de grieven zich richten tegen oordelen die betrekking hebben op het gedeelte van de uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van (een deel van) de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen. 4.4. Anders dan [gedaagden] c.s. is het hof van oordeel dat deze grond niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] en overweegt daartoe als volgt. Artikel 3:300 lid 1 BW bepaalt dat, wanneer iemand jegens een ander is gehouden een rechtshandeling te verrichten, de rechter, tenzij de aard van de rechtshandeling zich hiertegen verzet, op vordering van de gerechtigde kan bepalen dat zijn uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is, of dat een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger de handeling zal verrichten. Artikel 3:300 lid 2 BW bepaalt dat, wanneer de verweerder gehouden is om tezamen met eiser een akte op te maken, de rechter kan bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van de akte of een deel daarvan zal treden. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:301 BW dient hoger beroep tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel te worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit vereiste geldt alleen als de indeplaatstelling van artikel 3:300 lid 2 BW is toegepast. 4.5. De voorzieningenrechter heeft - kort samengevat - bepaald dat, indien [eiser] weigert haar medewerking te verlenen aan 1) de ondertekening van de overeenkomst van opdracht tot verkoop, 2) de totstandkoming van de koopovereenkomst en 3) de levering van de onroerende zaak aan de toekomstige koper het bestreden vonnis dezelfde kracht heeft als een door [eiser] ondertekende volmacht aan [gedaagden] c.s. om de in die veroordeling omschreven rechtshandeling te verrichten. Anders dan [gedaagden] c.s. menen, heeft de voorzieningenrechter daarmee geen uitspraak gewezen waarin is bepaald dat deze in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte, zoals is bepaald in artikel 3:300 lid 2 BW. Er is immers “slechts” bepaald dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een door [eiser] ondertekende volmacht aan de overige erfgenamen, waarbij expliciet is verwezen naar artikel 3:300 lid 1 BW. Dat betekent dat in dit geval het vereiste van inschrijving in het rechtsmiddelenregister ex artikel 3:301 lid 2 BW niet geldt, en dat [eiser] niet reeds om die reden niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep. Oproepen mr. [naam 1] 4.6. [gedaagden] c.s. betogen voorts dat [eiser] (eveneens) niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat [eiser] niet ook mr. [naam 1] in hoger beroep heeft gedagvaard. Mr. [naam 1] is als executeur en afwikkelingsbewindvoerder privatief bevoegd voor zover het 1/20e deel van de woning betreft en had daarom in deze procedure moeten worden betrokken. 4.7.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 195 — Burgerlijk Wetboek Boek 3
- Artikel 433 — Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
- Artikel 301 — Burgerlijk Wetboek Boek 3
- Artikel 185 — Burgerlijk Wetboek Boek 3
- Artikel 118 — Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
- Artikel 300 — Burgerlijk Wetboek Boek 3