Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-01-26
ECLI:NL:GHAMS:2026:288
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,924 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:288 text/xml public 2026-03-31T08:13:49 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-01-26 200.325.125/01OK Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:288 text/html public 2026-03-31T08:13:34 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:288 Gerechtshof Amsterdam , 26-01-2026 / 200.325.125/01OK Ondernemingskamer; enquêteprocedure; afwijzing verzoek ex art. 2:350 lid 4 BW (aanwijzing raadsheer-commissaris) beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.325.125/02 OK beschikking van de raadsheer-commissaris van 26 januari 2026 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. HUIZENMIJ , gevestigd te Amsterdam, VERZOEKSTER , advocaten: mrs. M.P.H. Sanders en J.S. Mennema , beiden kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. HUIZENMIJ , gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER , e n t e g e n 1 [A] , wonende te [plaats] , advocaat: mr. S. Knottnerus , kantoorhoudende te Amsterdam, 2. de stichting [B] , gevestigd te [plaats] , advocaat: mr. J. Stikkelbroeck, kantoorhoudende te Amsterdam, 3. [C] , wonende te [plaats] , BELANGHEBBENDEN , e n t e g e n 4 [D] , wonende te [plaats] , 5. [E] , wonende te [plaats] , BELANGHEBBENDEN , advocaat: mr. G.C. Endedijk , kantoorhoudende te Amsterdam, e n t e g e n 6 [F] , wonende te [plaats] , advocaat: mr. Ph.A.J. Raaijmakers , kantoorhoudende te Amsterdam, 7 [G] , wonende te [plaats] , 8. de stichting STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR TER CONTINUERING HUIZENMAATSCHAPPIJ , gevestigd te Amsterdam, 9. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid LUTHERS DIAKONESSENHUIS FONDS , gevestigd te Amsterdam, BELANGHEBBENDEN . Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid: verzoekster tevens verweerster als Huizenmij; belanghebbenden sub 1 t/m 3 ieder afzonderlijk als respectievelijk [A] , de [B] en [C] ; belanghebbenden sub 4 t/m 9 ieder afzonderlijk als respectievelijk [D] , [E] , [F] , [G] , de STAK en het LDF; mr. J.H. van Woudenberg als Van Woudenberg of de OK-beheerder; mr. P.M. Gunning als Gunning of de onderzoeker. 1. Het verloop van het geding 1.1 Voor het verloop van het geding verwijst de raadsheer-commissaris naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 6 en 12 juli 2023 en de beschikkingen van 9 en 30 januari en 27 februari en 3 maart en 8 december 2025 in deze zaak. 1.2 Bij de beschikking van 6 juli 2023 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Huizenmij over de periode vanaf 1 januari 2021 en een nader aan te wijzen persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Daarnaast heeft zij bij die beschikking, bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure bepaald dat alle aandelen in Huizenmij ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader door de Ondernemingskamer aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon. 1.3 Bij beschikking van 12 juli 2023 heeft de Ondernemingskamer mr. J.H. van Woudenberg als beheerder van aandelen aangewezen zoals bedoeld in de beschikking van 6 juli 2024. 1.4 Bij beschikking van 9 januari 2025 heeft de Ondernemingskamer de reikwijdte van het bij de beschikking van 6 juli 2023 gelaste onderzoek uitgebreid in die zin dat het zal betreffen (i) het financiële beleid van Huizenmij ten aanzien van de voorbereiding van de uitkering van het superdividend, (ii) de juistheid en volledigheid van de (financiële) informatieverstrekking door Huizenmij aan de STAK en de certificaathouders, onder meer over de projectontwikkelingen, (iii) de wijze waarop door of vanwege (de bestuurder van) Huizenmij de verhoudingen binnen de STAK en de algemene vergadering zijn verstoord, (iv) de juistheid van de jaarrekeningen 2021-2022 en 2022-2023 en de besluitvorming daarover en (v) de juistheid van de besluitvorming ten aanzien van het superdividend. 1.5 Bij beschikking van 30 januari 2025 heeft de Ondernemingskamer mr. P.M. Gunning te Arnhem als onderzoeker aangewezen. 1.6 Bij beschikking van 27 februari 2025 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van de [B] de onmiddellijke voorziening te beëindigen althans een andere OK-beheerder te benoemen afgewezen. 1.7 Bij beschikking van 3 maart 2025 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek mag kosten vastgesteld op € 42.250, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. 1.8 Bij beschikking van 8 december 2025 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten nader vastgesteld op € 59.750, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. 1.9 Op 12 december 2025 hebben [A] en de [B] de raadsheer-commissaris verzocht om de onderzoeker op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW een aanwijzing te geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. 1.10 De secretaris van de Ondernemingskamer heeft partijen en de onderzoeker in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. 1.11 Op 8 januari 2026 hebben Huizenmij, [D] en [E] en [F] , ieder voor zich de raadsheer-commissaris verzocht het verzoek van [A] en de [B] af te wijzen. 1.12 Op 8 januari 2026 heeft de onderzoeker een korte toelichting gegeven op de loop van het onderzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris. 1.13 Op 20 januari 2026 hebben [A] , [C] , de [B] en [G] gereageerd op de standpunten van Huizenmij, [D] en [E] en [F] . Diezelfde dag hebben [D] en [E] daar weer op gereageerd. 2 De gronden van de beslissing 2.1 [A] en de [B] verzoeken de onderzoeker de aanwijzing te geven een onafhankelijke financieel deskundige in te schakelen om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van de (financiële) informatieverstrekking door Huizenmij, de juistheid van de jaarrekeningen 2021-2022 en 2022-2023 en de financiële onderbouwing van de besluitvorming over het superdividend. Zij voeren daartoe aan dat dit wat hen betreft de kern van het te verrichten onderzoek betreft en dat de onderzoeker heeft gezegd dat hij zelf niet over de vereiste financiële deskundigheid beschikt om de juistheid van de verstrekte financiële informatie te verifiëren. 2.2 Huizenmij, [D] , [E] en [F] menen dat het verzoek niet onder de reikwijdte van art. 2:350 lid 4 BW valt, dat ziet op aanwijzingen van procesmatige aard. Het is aan de onderzoeker om te bepalen op welke wijze hij zijn onderzoek verricht en de verzochte aanwijzing behelst in feite een onnodige uitbreiding van de onderzoeksopdracht. 2.3 De onderzoeker heeft zich weliswaar gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris, maar al in zijn e-mail van 7 december 2025 merkt hij op dat de stelling van [A] en de [B] dat een onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de informatieverstrekking – en ook een onderzoek naar de juistheid van de jaarrekeningen en de daarop gebaseerde besluitvorming over superdividend – vanzelfsprekend niet mogelijk zou zijn zonder deskundige verificatie van alle aan de jaarrekening en besluiten ten grondslag liggende informatie, hem onjuist lijkt: “In het enquête onderzoek waarvoor de Ondernemingskamer mij heeft benoemd, ligt immers een andere maatstaf besloten dan die [A] en [B] schetsen. Het onderzoek is beoordelend van aard en geen accountantscontrole of financiële audit. Het richt zich op de vraag of het bestuur op een inzichtelijke, toereikende en niet misleidende wijze informatie heeft verstrekt en of de besluitvorming in redelijkheid heeft kunnen plaatsvinden op basis van die informatie. Dat vereist een analyse van beleid, processen, transparantie en context – niet van herverificatie van alle onderliggende cijfers.” 2.4 De raadsheer-commissaris overweegt als volg.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:288 text/xml public 2026-04-01T14:45:02 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-01-26 200.325.125/02 OK Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:288 text/html public 2026-03-31T08:13:34 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:288 Gerechtshof Amsterdam , 26-01-2026 / 200.325.125/02 OK Ondernemingskamer; enquêteprocedure; afwijzing verzoek ex art. 2:350 lid 4 BW (aanwijzing raadsheer-commissaris) beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.325.125/02 OK beschikking van de raadsheer-commissaris van 26 januari 2026 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. HUIZENMIJ , gevestigd te Amsterdam, VERZOEKSTER , advocaten: mrs. M.P.H. Sanders en J.S. Mennema , beiden kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. HUIZENMIJ , gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER , e n t e g e n 1 [A] , wonende te [plaats] , advocaat: mr. S. Knottnerus , kantoorhoudende te Amsterdam, 2. de stichting [B] , gevestigd te [plaats] , advocaat: mr. J. Stikkelbroeck, kantoorhoudende te Amsterdam, 3. [C] , wonende te [plaats] , BELANGHEBBENDEN , e n t e g e n 4 [D] , wonende te [plaats] , 5. [E] , wonende te [plaats] , BELANGHEBBENDEN , advocaat: mr. G.C. Endedijk , kantoorhoudende te Amsterdam, e n t e g e n 6 [F] , wonende te [plaats] , advocaat: mr. Ph.A.J. Raaijmakers , kantoorhoudende te Amsterdam, 7 [G] , wonende te [plaats] , 8. de stichting STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR TER CONTINUERING HUIZENMAATSCHAPPIJ , gevestigd te Amsterdam, 9. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid LUTHERS DIAKONESSENHUIS FONDS , gevestigd te Amsterdam, BELANGHEBBENDEN . Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid: verzoekster tevens verweerster als Huizenmij; belanghebbenden sub 1 t/m 3 ieder afzonderlijk als respectievelijk [A] , de [B] en [C] ; belanghebbenden sub 4 t/m 9 ieder afzonderlijk als respectievelijk [D] , [E] , [F] , [G] , de STAK en het LDF; mr. J.H. van Woudenberg als Van Woudenberg of de OK-beheerder; mr. P.M. Gunning als Gunning of de onderzoeker. 1. Het verloop van het geding 1.1 Voor het verloop van het geding verwijst de raadsheer-commissaris naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 6 en 12 juli 2023 en de beschikkingen van 9 en 30 januari en 27 februari en 3 maart en 8 december 2025 in deze zaak. 1.2 Bij de beschikking van 6 juli 2023 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Huizenmij over de periode vanaf 1 januari 2021 en een nader aan te wijzen persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Daarnaast heeft zij bij die beschikking, bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure bepaald dat alle aandelen in Huizenmij ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader door de Ondernemingskamer aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon. 1.3 Bij beschikking van 12 juli 2023 heeft de Ondernemingskamer mr. J.H. van Woudenberg als beheerder van aandelen aangewezen zoals bedoeld in de beschikking van 6 juli 2024. 1.4 Bij beschikking van 9 januari 2025 heeft de Ondernemingskamer de reikwijdte van het bij de beschikking van 6 juli 2023 gelaste onderzoek uitgebreid in die zin dat het zal betreffen (i) het financiële beleid van Huizenmij ten aanzien van de voorbereiding van de uitkering van het superdividend, (ii) de juistheid en volledigheid van de (financiële) informatieverstrekking door Huizenmij aan de STAK en de certificaathouders, onder meer over de projectontwikkelingen, (iii) de wijze waarop door of vanwege (de bestuurder van) Huizenmij de verhoudingen binnen de STAK en de algemene vergadering zijn verstoord, (iv) de juistheid van de jaarrekeningen 2021-2022 en 2022-2023 en de besluitvorming daarover en (v) de juistheid van de besluitvorming ten aanzien van het superdividend. 1.5 Bij beschikking van 30 januari 2025 heeft de Ondernemingskamer mr. P.M. Gunning te Arnhem als onderzoeker aangewezen. 1.6 Bij beschikking van 27 februari 2025 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van de [B] de onmiddellijke voorziening te beëindigen althans een andere OK-beheerder te benoemen afgewezen. 1.7 Bij beschikking van 3 maart 2025 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek mag kosten vastgesteld op € 42.250, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. 1.8 Bij beschikking van 8 december 2025 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten nader vastgesteld op € 59.750, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. 1.9 Op 12 december 2025 hebben [A] en de [B] de raadsheer-commissaris verzocht om de onderzoeker op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW een aanwijzing te geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. 1.10 De secretaris van de Ondernemingskamer heeft partijen en de onderzoeker in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. 1.11 Op 8 januari 2026 hebben Huizenmij, [D] en [E] en [F] , ieder voor zich de raadsheer-commissaris verzocht het verzoek van [A] en de [B] af te wijzen. 1.12 Op 8 januari 2026 heeft de onderzoeker een korte toelichting gegeven op de loop van het onderzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris. 1.13 Op 20 januari 2026 hebben [A] , [C] , de [B] en [G] gereageerd op de standpunten van Huizenmij, [D] en [E] en [F] . Diezelfde dag hebben [D] en [E] daar weer op gereageerd. 2 De gronden van de beslissing 2.1 [A] en de [B] verzoeken de onderzoeker de aanwijzing te geven een onafhankelijke financieel deskundige in te schakelen om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van de (financiële) informatieverstrekking door Huizenmij, de juistheid van de jaarrekeningen 2021-2022 en 2022-2023 en de financiële onderbouwing van de besluitvorming over het superdividend. Zij voeren daartoe aan dat dit wat hen betreft de kern van het te verrichten onderzoek betreft en dat de onderzoeker heeft gezegd dat hij zelf niet over de vereiste financiële deskundigheid beschikt om de juistheid van de verstrekte financiële informatie te verifiëren. 2.2 Huizenmij, [D] , [E] en [F] menen dat het verzoek niet onder de reikwijdte van art. 2:350 lid 4 BW valt, dat ziet op aanwijzingen van procesmatige aard. Het is aan de onderzoeker om te bepalen op welke wijze hij zijn onderzoek verricht en de verzochte aanwijzing behelst in feite een onnodige uitbreiding van de onderzoeksopdracht. 2.3 De onderzoeker heeft zich weliswaar gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris, maar al in zijn e-mail van 7 december 2025 merkt hij op dat de stelling van [A] en de [B] dat een onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de informatieverstrekking – en ook een onderzoek naar de juistheid van de jaarrekeningen en de daarop gebaseerde besluitvorming over superdividend – vanzelfsprekend niet mogelijk zou zijn zonder deskundige verificatie van alle aan de jaarrekening en besluiten ten grondslag liggende informatie, hem onjuist lijkt: “In het enquête onderzoek waarvoor de Ondernemingskamer mij heeft benoemd, ligt immers een andere maatstaf besloten dan die [A] en [B] schetsen. Het onderzoek is beoordelend van aard en geen accountantscontrole of financiële audit. Het richt zich op de vraag of het bestuur op een inzichtelijke, toereikende en niet misleidende wijze informatie heeft verstrekt en of de besluitvorming in redelijkheid heeft kunnen plaatsvinden op basis van die informatie. Dat vereist een analyse van beleid, processen, transparantie en context – niet van herverificatie van alle onderliggende cijfers.” 2.4 De raadsheer-commissaris overweegt als volg.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:288 text/xml public 2026-03-31T08:13:49 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-01-26 200.325.125/01OK Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:288 text/html public 2026-03-31T08:13:34 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:288 Gerechtshof Amsterdam , 26-01-2026 / 200.325.125/01OK Ondernemingskamer; enquêteprocedure; afwijzing verzoek ex art. 2:350 lid 4 BW (aanwijzing raadsheer-commissaris) beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.325.125/02 OK beschikking van de raadsheer-commissaris van 26 januari 2026 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. HUIZENMIJ , gevestigd te Amsterdam, VERZOEKSTER , advocaten: mrs. M.P.H. Sanders en J.S. Mennema , beiden kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. HUIZENMIJ , gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER , e n t e g e n 1 [A] , wonende te [plaats] , advocaat: mr. S. Knottnerus , kantoorhoudende te Amsterdam, 2. de stichting [B] , gevestigd te [plaats] , advocaat: mr. J. Stikkelbroeck, kantoorhoudende te Amsterdam, 3. [C] , wonende te [plaats] , BELANGHEBBENDEN , e n t e g e n 4 [D] , wonende te [plaats] , 5. [E] , wonende te [plaats] , BELANGHEBBENDEN , advocaat: mr. G.C. Endedijk , kantoorhoudende te Amsterdam, e n t e g e n 6 [F] , wonende te [plaats] , advocaat: mr. Ph.A.J. Raaijmakers , kantoorhoudende te Amsterdam, 7 [G] , wonende te [plaats] , 8. de stichting STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR TER CONTINUERING HUIZENMAATSCHAPPIJ , gevestigd te Amsterdam, 9. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid LUTHERS DIAKONESSENHUIS FONDS , gevestigd te Amsterdam, BELANGHEBBENDEN . Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid: verzoekster tevens verweerster als Huizenmij; belanghebbenden sub 1 t/m 3 ieder afzonderlijk als respectievelijk [A] , de [B] en [C] ; belanghebbenden sub 4 t/m 9 ieder afzonderlijk als respectievelijk [D] , [E] , [F] , [G] , de STAK en het LDF; mr. J.H. van Woudenberg als Van Woudenberg of de OK-beheerder; mr. P.M. Gunning als Gunning of de onderzoeker. 1. Het verloop van het geding 1.1 Voor het verloop van het geding verwijst de raadsheer-commissaris naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 6 en 12 juli 2023 en de beschikkingen van 9 en 30 januari en 27 februari en 3 maart en 8 december 2025 in deze zaak. 1.2 Bij de beschikking van 6 juli 2023 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Huizenmij over de periode vanaf 1 januari 2021 en een nader aan te wijzen persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Daarnaast heeft zij bij die beschikking, bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure bepaald dat alle aandelen in Huizenmij ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader door de Ondernemingskamer aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon. 1.3 Bij beschikking van 12 juli 2023 heeft de Ondernemingskamer mr. J.H. van Woudenberg als beheerder van aandelen aangewezen zoals bedoeld in de beschikking van 6 juli 2024. 1.4 Bij beschikking van 9 januari 2025 heeft de Ondernemingskamer de reikwijdte van het bij de beschikking van 6 juli 2023 gelaste onderzoek uitgebreid in die zin dat het zal betreffen (i) het financiële beleid van Huizenmij ten aanzien van de voorbereiding van de uitkering van het superdividend, (ii) de juistheid en volledigheid van de (financiële) informatieverstrekking door Huizenmij aan de STAK en de certificaathouders, onder meer over de projectontwikkelingen, (iii) de wijze waarop door of vanwege (de bestuurder van) Huizenmij de verhoudingen binnen de STAK en de algemene vergadering zijn verstoord, (iv) de juistheid van de jaarrekeningen 2021-2022 en 2022-2023 en de besluitvorming daarover en (v) de juistheid van de besluitvorming ten aanzien van het superdividend. 1.5 Bij beschikking van 30 januari 2025 heeft de Ondernemingskamer mr. P.M. Gunning te Arnhem als onderzoeker aangewezen. 1.6 Bij beschikking van 27 februari 2025 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van de [B] de onmiddellijke voorziening te beëindigen althans een andere OK-beheerder te benoemen afgewezen. 1.7 Bij beschikking van 3 maart 2025 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek mag kosten vastgesteld op € 42.250, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. 1.8 Bij beschikking van 8 december 2025 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten nader vastgesteld op € 59.750, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. 1.9 Op 12 december 2025 hebben [A] en de [B] de raadsheer-commissaris verzocht om de onderzoeker op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW een aanwijzing te geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. 1.10 De secretaris van de Ondernemingskamer heeft partijen en de onderzoeker in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. 1.11 Op 8 januari 2026 hebben Huizenmij, [D] en [E] en [F] , ieder voor zich de raadsheer-commissaris verzocht het verzoek van [A] en de [B] af te wijzen. 1.12 Op 8 januari 2026 heeft de onderzoeker een korte toelichting gegeven op de loop van het onderzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris. 1.13 Op 20 januari 2026 hebben [A] , [C] , de [B] en [G] gereageerd op de standpunten van Huizenmij, [D] en [E] en [F] . Diezelfde dag hebben [D] en [E] daar weer op gereageerd. 2 De gronden van de beslissing 2.1 [A] en de [B] verzoeken de onderzoeker de aanwijzing te geven een onafhankelijke financieel deskundige in te schakelen om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van de (financiële) informatieverstrekking door Huizenmij, de juistheid van de jaarrekeningen 2021-2022 en 2022-2023 en de financiële onderbouwing van de besluitvorming over het superdividend. Zij voeren daartoe aan dat dit wat hen betreft de kern van het te verrichten onderzoek betreft en dat de onderzoeker heeft gezegd dat hij zelf niet over de vereiste financiële deskundigheid beschikt om de juistheid van de verstrekte financiële informatie te verifiëren. 2.2 Huizenmij, [D] , [E] en [F] menen dat het verzoek niet onder de reikwijdte van art. 2:350 lid 4 BW valt, dat ziet op aanwijzingen van procesmatige aard. Het is aan de onderzoeker om te bepalen op welke wijze hij zijn onderzoek verricht en de verzochte aanwijzing behelst in feite een onnodige uitbreiding van de onderzoeksopdracht. 2.3 De onderzoeker heeft zich weliswaar gerefereerd aan het oordeel van de raadsheer-commissaris, maar al in zijn e-mail van 7 december 2025 merkt hij op dat de stelling van [A] en de [B] dat een onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de informatieverstrekking – en ook een onderzoek naar de juistheid van de jaarrekeningen en de daarop gebaseerde besluitvorming over superdividend – vanzelfsprekend niet mogelijk zou zijn zonder deskundige verificatie van alle aan de jaarrekening en besluiten ten grondslag liggende informatie, hem onjuist lijkt: “In het enquête onderzoek waarvoor de Ondernemingskamer mij heeft benoemd, ligt immers een andere maatstaf besloten dan die [A] en [B] schetsen. Het onderzoek is beoordelend van aard en geen accountantscontrole of financiële audit. Het richt zich op de vraag of het bestuur op een inzichtelijke, toereikende en niet misleidende wijze informatie heeft verstrekt en of de besluitvorming in redelijkheid heeft kunnen plaatsvinden op basis van die informatie. Dat vereist een analyse van beleid, processen, transparantie en context – niet van herverificatie van alle onderliggende cijfers.” 2.4 De raadsheer-commissaris overweegt als volg.