Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-02-03
ECLI:NL:GHAMS:2026:272
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel) zaaknummer : 200.338.271/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 10197785/ CV EXPL 22-14931 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 februari 2026 in de zaak van [appellant] , wonend in [plaats A] , appellante, advocaat: mr. J.J. van der Goen te Hilversum, tegen [geïntimeerde] , wonend in [plaats B] , gemeente [gemeente] , geïntimeerde, in hoger beroep niet verschenen. Appellante wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna [geïntimeerde] genoemd. 1 De zaak in het kort Het geschil gaat over schriftelijke uitlatingen die [geïntimeerde] over [appellant] heeft gedaan, en over door [appellant] aan [geïntimeerde] verstrekte persoonsgegevens, die [geïntimeerde] zonder haar toestemming zou hebben verspreid. [appellant] stelt dat de handelwijze van [geïntimeerde] onrechtmatig is en vordert (onder) meer vernietiging of verwijdering van die persoonsgegevens, een verbod op verdere uitlatingen en een schriftelijke rectificatie, op verbeurte van een dwangsom. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen. Daartegen richt zich het hoger beroep. Mede naar aanleiding van een nieuwe publicatie van [geïntimeerde] na het bestreden vonnis heeft [appellant] in hoger beroep haar vorderingen gewijzigd en vermeerderd. Het hof komt tot de conclusie dat de (gewijzigde) vorderingen van [appellant] gedeeltelijk toewijsbaar zijn. Dit leidt tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, een uitgebreider verbod op toekomstige uitlatingen en een uitgebreider bevel tot rectificatie. 2 Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 23 november 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 24 augustus 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie. [geïntimeerde] is in hoger beroep niet in de procedure verschenen, waarop tegen [geïntimeerde] verstek is verleend. [appellant] heeft daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties 1 t/m 17; - akte van 28 oktober 2025 met productie 18. Productie 18 betreft een exploot van 3 oktober 2025, waarmee de memorie van grieven en de daarin opgenomen wijziging van eis aan [geïntimeerde] is betekend. Om die reden zal het hof recht doen op basis van de gewijzigde eis in hoger beroep. 3 Feiten Het hof gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten. 3.1. [appellant] is voorzitter van de Stichting Jeugdhulp Voldoende Beschermd. Daarnaast staat zij op persoonlijke titel ouders bij die te maken hebben met jeugdzorg. 3.2. [geïntimeerde] is oprichter en bestuurder van [X] , een aanbieder van juridisch onderwijs en juridische publicaties. Op de website van [X] ( [website] ) zijn verschillende blogs geplaatst over ontwikkelingen in de jeugdzorg. 3.3. [appellant] heeft [geïntimeerde] in mei 2021 benaderd voor overleg over mogelijk juridisch advies met betrekking tot het aankaarten van misstanden in de jeugdzorg. In dat kader heeft [appellant] aan [geïntimeerde] diverse documenten en bestanden verstrekt, waaronder een audiobestand van een opgenomen telefoongesprek (hierna: het Audiobestand) tussen de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en een medewerker van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ). 3.4. Filmproductiebedrijf Docsfair B.V. (hierna: Docsfair) heeft op 9 september 2022 de documentaire “Taken: Kinderen van de Staat” op haar online platform Indepen geplaatst. In die documentaire zijn delen van het Audiobestand gebruikt. Deze documentaire is inmiddels offline gehaald. 3.5. [appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van haar advocaat van 20 september 2022 gesommeerd om uit het Audiobestand afkomstige fragmenten in de documentaire te doen verwijderen en alle openbare verwijzingen naar het Audiobestand op You Wel wist zij dat het gebeurde, wat zij op 17 maart op zitting heeft toegegeven, en zij deed daarmee op een oneigenlijke manier haar voordeel (…) [appellant] is niet zelf een bedreiger, maar zij heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het mislukken en offline gaan van de documentaire Taken: Kinderen van de Staat. Ik hoop dat de ouders en kinderen die haar hulp inroepen, zich eerst achter hun oor zullen krabben. Zij raken daardoor alleen maar van de regen in de drup.” 3.10. Het Artikel is inmiddels niet meer openbaar toegankelijk of raadpleegbaar via de website van [X] . 4 Procedure bij de kantonrechter en gewijzigde eis in hoger beroep 4.1. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter [geïntimeerde] , voor zover in hoger beroep van belang, veroordeeld om zich te onthouden van uitlatingen dat [appellant] bedreigingen zou hebben geuit aan zijn adres en/of derden daartoe zou hebben aangezet, op verbeurte van een dwangsom. Daarnaast heeft de kantonrechter [geïntimeerde] bevolen om gedurende twee maanden na betekening van het vonnis een rectificatie te publiceren op zijn (persoonlijke) Facebook-account en zijn (persoonlijke) LinkedIn-account, eveneens op verbeurte van een dwangsom. De overige vorderingen van [appellant] zijn afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd. 4.2. In hoger beroep heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd en haar eis gewijzigd. Zij vordert samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, I. vernietiging van het bestreden vonnis, met uitzondering van het oordeel dat [geïntimeerde] de in eerste aanleg toegewezen rectificatie dient te publiceren op zijn Facebook- en LinkedIn-account; II. een bevel aan [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen arrest alle kopieën en transcripties van (delen van) het Audiobestand waarover [geïntimeerde] beschikt te verwijderen of te vernietigen, op verbeurte van een dwangsom; III. een bevel aan [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen arrest alle openbare publicaties van en verwijzingen naar (delen van) het Audiobestand, waaronder op internet en sociale media, te verwijderen, op verbeurte van een dwangsom; IV. een bevel aan [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen arrest aan [appellant] een overzicht te sturen van alle persoonsgegevens die [geïntimeerde] van [appellant] bezit en een bevestiging van verwijdering of vernietiging van die persoonsgegevens, op verbeurte van een dwangsom; V. een bevel aan [geïntimeerde] om een aantal in de memorie van grieven nader aangeduide publicaties, althans een aantal in de memorie van grieven geciteerde uitlatingen uit deze publicaties, te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom; VI. een verbod aan [geïntimeerde] om zich met onmiddellijke ingang via het internet of enig ander openbaar medium over [appellant] uit te laten, voor zover die uitlating één of meer in de memorie van grieven genoemde elementen bevat; VII. een bevel aan [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen arrest een rectificatie te plaatsen, zowel op de persoonlijke Facebook-, X- en LinkedIn-accounts van [geïntimeerde] als op de website van [X] , op zodanige wijze dat de rectificatie geenszins ontkracht zou worden, op verbeurte van een dwangsom; VIII. betaling van een immateriële schadevergoeding aan [appellant] van € 1.000,00; IX. veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. 5 Beoordeling Verstektoets in hoger beroep 5.1. [geïntimeerde] is in hoger beroep niet in de procedure verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend. Dit betekent dat de door [appellant] ingestelde vorderingen moeten worden toegewezen, tenzij de rechter deze vorderingen onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 lid 3 jo. 353 Rv). In hoger beroep moet deze verstektoets worden gehanteerd in het licht van de bestreden uitspraak. Dit houdt in dat de appelrechter in de eerste plaats door beoordeling van de daartoe aangevoerde grieven moet Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] voldoende heeft aangetoond dat hij geen persoonlijke documenten van [appellant] meer in zijn bezit heeft en dat hij deze definitief heeft verwijderd. 5.8. [appellant] stelt dat aannemelijk is dat er nog documenten met haar persoonsgegevens aanwezig zijn in de systemen van [geïntimeerde] . De door [geïntimeerde] bij de kantonrechter overgelegde screenshots zouden niet aantonen dat de documenten ook daadwerkelijk uit de desbetreffende map op zijn computer zijn verwijderd. Omdat de documenten zich volgens [appellant] mogelijk nog in de (digitale) ‘prullenbak’ bevinden, zouden deze voor [geïntimeerde] eenvoudig terug te halen zijn. [appellant] zou onvoldoende zekerheid hebben dat haar persoonsgegevens daadwerkelijk zijn verwijderd. Volgens [appellant] is [geïntimeerde] aan te merken als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4 onder 7 AVG en moet haar verzoek worden gezien als een verzoek om gegevenswissing in de zin van artikel 17 AVG. 5.9. Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat er geen verwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde] en [appellant] en dat [geïntimeerde] niet valt aan te merken als verwerkingsverantwoordelijke. Los daarvan geldt het volgende. Aan de vordering van [appellant] ligt de veronderstelling ten grondslag dat [geïntimeerde] nog in het bezit zou zijn of op eenvoudige wijze toegang zou hebben tot haar persoonsgegevens en dat van hem daarom gevergd zou kunnen worden dat hij deze (alsnog) verwijdert of doet verwijderen. Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten voor deze veronderstelling. Uit de genoemde screenshots volgt in de eerste plaats dat [geïntimeerde] op 19 maart 2023 de map ‘Documenten’, onderdeel van de groep ‘ [appellant] ’ in de SharePoint omgeving van [geïntimeerde] , heeft geleegd en dat deze geen bestanden meer bevat. Daarnaast is aannemelijk dat [geïntimeerde] ook de Microsoft 365-groep ‘ [appellant] ’ heeft verwijderd, nu het desbetreffende screenshot expliciet vermeldt: “U gaat de groep [appellant] verwijderen. Hiermee verwijdert u alle bronnen van [appellant] , inclusief de site bestanden, gesprekken, agenda, enzovoort. Maak een back-up van alle bestanden of andere inhoud voordat u verdergaat (…)” 5.10. In het licht van het voorgaande is onvoldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] nog in het bezit is of toegang heeft tot documenten of bestanden met persoonsgegevens van [appellant] . [appellant] heeft hierover, gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende gesteld. Dat de door [appellant] aan [geïntimeerde] verstrekte informatie nog op de servers van Microsoft te vinden zou zijn berust niet alleen op speculatie, maar is ook niet relevant voor een beoordeling van de vordering. Daarmee staat immers nog niet vast dat [geïntimeerde] (nog) toegang heeft tot deze documenten. Ook daarover heeft [appellant] onvoldoende gesteld. 5.11. Slotsom is dat de vordering met betrekking tot de persoonsgegevens niet toewijsbaar is. Ook grief 2 slaagt daarom niet. Uitlatingen over [appellant] , verbod en rectificatie (grief 3) 5.12. [appellant] heeft daarnaast een drietal samenhangende vorderingen ingesteld (V-VII) die zien op berichten en publicaties van [geïntimeerde] , waarin uitlatingen worden gedaan over de persoon van [appellant] en haar werkzaamheden. Zij vordert niet alleen een gebod tot verwijdering van een aantal specifieke publicaties (althans specifieke uitlatingen in die publicaties), maar ook een verbod aan [geïntimeerde] om zich in de toekomst in bepaalde zin over [appellant] uit te laten. Tot slot vordert [appellant] een bevel tot het plaatsen van een nieuwe (meer uitgebreide) rectificatie. De daarmee samenhangende grief 3 richt zich tegen de beperkte reikwijdte van het door de kantonrechter opgelegde verbod en de bevolen rectificatie. 5.13. Het hof stelt voorop dat het recht van [geïntimeerde] op vrijheid van meningsuiting op grond van artikel 10 EVRM slechts kan Door bewust en herhaaldelijk dergelijke, niet onderbouwde, beweringen over [appellant] te doen, heeft [geïntimeerde] met deze beweringen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] en onrechtmatig tegenover haar gehandeld. Van beweringen met een onschuldig karakter is geen sprake. In zoverre slaagt grief 3 en vindt het hof dat er redenen zijn voor een aanvullend verbod en een aanvullende rectificatie. 5.18. Ook de uitlatingen onder d. en e. hangen met elkaar samen en lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. De bewering dat [appellant] naar buiten treedt als jeugdzorgactivist, is naar het oordeel van het hof als zodanig niet onrechtmatig want feitelijk juist. Vaststaat immers dat [appellant] voorzitter is van de Stichting Jeugdhulp Voldoende Beschermd en op persoonlijke titel ouders bijstaat die te maken hebben met jeugdzorg. In het hiervoor in rechtsoverweging 3.9 weergegeven citaat uit het Artikel heeft [geïntimeerde] echter niet alleen in ondubbelzinnige bewoordingen beweerd dat [appellant] zich naar buiten toe zou profileren als ondersteuner en helper bij misstanden in de jeugdzorg, maar ook dat zij achter de schermen sabotage zou plegen en daarmee slachtoffers van en andere betrokkenen bij de bedoelde misstanden zou duperen. Niet alleen vindt deze bewering geen steun in het feitenmateriaal, maar ook is deze – gelet op de rol die [appellant] vervult – onnodig grievend tegenover de persoon en de reputatie van [appellant] . Aldus maakt [geïntimeerde] hiermee een ontoelaatbare inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer en handelt hij onrechtmatig. Ook in zoverre is er reden voor een aanvullend verbod en een aanvullende rectificatie. 5.19. De uitlating onder f. is eveneens onrechtmatig. Het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] , door zonder enig bewijs en ongefundeerd [appellant] te beschuldigen van bedreigingen aan zijn adres of het aanzetten tot dergelijke bedreigingen op diverse sociale media kanalen, onrechtmatig tegenover [appellant] heeft gehandeld, is in hoger beroep niet bestreden. [geïntimeerde] dient zich in de toekomst te onthouden van dergelijke uitlatingen en moet deze rectificeren. 5.20. De uitlatingen onder g., h. en i. zijn naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig. Dat en op welke wijze [geïntimeerde] heeft beweerd dat [appellant] oneigenlijk zou profiteren van de bedreigingen aan zijn adres of daarvoor persoonlijk verantwoordelijk zou zijn is van de zijde van [appellant] onvoldoende toegelicht. Hetzelfde geldt voor de (gestelde) bewering van [geïntimeerde] dat [appellant] en/of haar advocaat de waarheidsvinding in de juridische procedure tegenover [geïntimeerde] zouden belemmeren. Op deze punten is er dan ook geen reden voor een verbod en/of rectificatie. 5.21. Alles overziende zal het hof het gevorderde verbod en de gevorderde rectificatie (VI en VIII) toewijzen zoals hierna in het dictum vermeld. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen de rectificatie gedurende twee maanden te plaatsen op zijn persoonlijke Facebook-, X- (voorheen Twitter) en LinkedIn-accounts en ook op de homepage van de website van [X] , zonder enige toevoeging of commentaar in welke vorm dan ook, zodat daarmee tegemoet gekomen wordt aan de vrees van [appellant] dat de rectificatie op enigerlei wijze ontkracht zou worden. Grief 3 slaagt in zoverre. 5.22. Het onder V gevorderde bevel tot verwijdering van (gedeelten) van de in de rechtsoverwegingen 3.6, 3.7 en 3.9 genoemde publicaties zal worden afgewezen, omdat vaststaat dat deze publicaties niet meer openbaar toegankelijk of raadpleegbaar zijn. Het belang van [appellant] bij toewijzing van deze vordering ontbreekt. Immateriële schadevergoeding (grief 4) 5.23. De vordering onder VIII strekt ertoe dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 aan [appellant] wegens aantasting van haar eer en goede naam. Grief 4 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat met de toegewezen rectificatie de