Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-01-22
ECLI:NL:GHAMS:2026:254
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000553-25 datum uitspraak: 22 januari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-215135-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2025 en 8 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 10 juni 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer - 11,2 kilogram hasjiesj en/of - 594 gedraaide joints inhoudende tabak/hennep en/of tabak/hajiesj en/of - 34,84 kilogram hennep en/of - 13.083 joints inhoudende tabak/hennep en/of tabak/hajiesj en/of in elk geval een groot aantal kilo's/een grote hoeveelheid (droge) hennep(toppen)/(blokken) hasjiesj en/of een grote hoeveelheid joints, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj, (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter. Bespreking bewijsverweer Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat sprake is van verschillende onrechtmatigheden die, tezamen bezien, een schending opleveren van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Aan de verdachte zijn direct, zonder dat hem de cautie was gegeven, vragen gesteld over de bus en zijn aanwezigheid in de parkeergarage, terwijl het zou gaan om een controle op grond van de Wegenverkeerswet. Verder is de verdachte onrechtmatig gefouilleerd en zijn de auto en bus onrechtmatig doorzocht. Er was geen sprake van ‘ernstige bezwaren’ tegen de verdachte die de fouillering rechtvaardigden, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, Opiumwet. Ook kon niet redelijkerwijze worden vermoed dat in (een van) de voertuigen verdovende middelen vervoerd werden of aanwezig waren, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub a, Opiumwet. Dat bij de verdachte sprake zou zijn van recente registraties in het politiesysteem is onjuist, omdat de laatste registratie dateert van bijna 3 jaar eerder, namelijk van 23 november 2019. Daarom is sprake van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De enige passende reactie is bewijsuitsluiting van het resultaat dat door de verzuimen is verkregen, te weten hetgeen is aangetroffen bij de doorzoeking van de bus. De verdachte moet, wegens gebrek aan ander bewijs, van het tenlastegelegde worden vrijgesproken. Oordeel van het hof Het hof stelt vast dat het verweer van de raadsvrouw niet voldoet aan de in de jurisprudentie geformuleerde vereisten omdat de in artikel 359a Sv genoemde factoren onvoldoende zijn besproken. Het door de raadsvrouw genoemde belang van de verdachte dat zou zijn geschonden door de gestelde vormverzuimen en het daardoor veroorzaakte nadeel, kan naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang als bedoeld in artikel 359a Sv. Voor zover de verdediging stelt dat de aanhouding onrechtmatig is omdat het ging Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant : Ik zag in de parkeergarage op 20 meter afstand van mij een wit busje staan. Ik zag aan de achterlichten dat deze oplichtten en vervolgens uit gingen. Kennelijk had zojuist iemand dit voertuig via een afstandsbediening op slot gedaan. Ik liep naar het busje toe en zag dat het een witte Renault betrof voorzien van kenteken [kenteken 2] . Ik hoorde vervolgens links van mij een voertuig optrekken. Ik keek in die richting en zag het gezochte voertuig voorzien van kenteken [kenteken 1] mijn kant op rijden. 4. Een proces-verbaal van 17 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 46-47). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen) : Op 17 juni 2022 bevonden wij, verbalisanten, ons op de afdeling Forensische Opsporing van de politie eenheid Amsterdam. Hier deden wij onderzoek naar de in dit onderzoek, in de bestelauto voorzien van kenteken [kenteken 2] , in beslag genomen softdrugs. De goednummers 6197591 en 6197595 herkenden wij, verbalisanten, op grond van onze kennis en ervaring opgedaan bij eerdere onderzoeken naar hasj dat het bij de verschillende formaten en soorten verpakkingen om hasjiesj ging. Wij hebben al deze verschillende formaten zakken hasjiesj gewogen en wij zagen dat het in totaal 11,2 kilogram betrof. Daarnaast zijn er onder goednummer 6197584 594 joints inbeslaggenomen. Wij roken dat deze joints de, voor ons kenmerkende, hasjiesj geur hadden. De goednummers 6197589, 6197593 en 6197594 herkenden wij op grond van onze kennis en ervaring opgedaan bij eerdere onderzoeken naar hennep als zijnde hennep. Wij hebben alle verschillende formaten zakken met hennep gewogen en zagen dat dit in totaal 34,84 kilogram betrof. Daarnaast zijn onder goednummer 6197583 13.083 joints in beslag genomen. Wij roken dat deze joints de voor ons kenmerkende geur van hennep hadden. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. De raadsvrouw heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hiertoe heeft zij gewezen op het arrest van het hof Amsterdam van 5 maart 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:448) in welke zaak een coffeeshophouder schuldig werd verklaard zonder oplegging van straf, nadat in een woning een handelsvoorraad voor zijn coffeeshop was aangetroffen. In de onderhavige zaak diende de bus, waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen, als stashplaats voor coffeeshop [bedrijf] , waarvan de verdachte de manager is. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Ter onderbouwing heeft zij gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn, de gestelde vormverzuimen en de persoonlijke gevolgen die deze strafzaak voor de verdachte heeft gehad. Hij werkt niet langer als manager voor de coffeeshop en ontvangt vanwege zijn andere functie een lager salaris. Het hof heeft in hoger