Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-08-11
ECLI:NL:GHAMS:2026:2330
Appel executiekortgeding- anderbeslag- beslag op UHT-uitkering NB voor de planning: we hebben meteen een zittingsdatum opgenomen, 15 oktober. GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht team I (handel) zaaknummer : 200.352.448/01 KG zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/762802/ KG ZA 25-36 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 augustus 2026 in de zaak van 1 [appellant 1] , wonend in [plaats] , 2. [appellant 2] , wonend in [plaats] , 3. [appellant 3] , wonend in [plaats] , appellanten, incidenteel geïntimeerden, advocaat: mr. B.J. den Hartog te Amsterdam, tegen STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend in Den Haag, geïntimeerde, incidenteel appellante, advocaat: mr. M.F.H. Hirsch Ballin te Den Haag. Partijen worden hierna [appellanten] (ieder apart: [appellant 1] , [appellant 2] respectievelijk [appellant 3] ) en de Staat genoemd. 1 De zaak in het kort De Staat heeft executoriale beslagen doen leggen ten laste van een man, onder meer op een auto die op naam staat van zijn zuster en anderbeslag op de bankrekening van zijn moeder. Die beslagen zijn gelegd omdat de man een strafrechtelijke schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, die inhoudt dat hij € 115.000 (incl. rente en verhogingen inmiddels bijna € 200.000) aan de Staat moet betalen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen om de beslagen op te heffen afgewezen. Het hof vindt een zitting noodzakelijk; er is in dit hoger beroep nog geen zitting geweest. 2 Het geding in hoger beroep [appellanten] zijn bij dagvaarding van 6 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 12 februari 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank [plaats] , onder bovenvermeld zaaknummer gewezen in kort geding tussen [appellanten] als eisers en de Staat als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis). Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven en wijziging van eis; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties 1 t/m 3; - memorie van antwoord in incidenteel appel. Ten slotte is arrest gevraagd. 3 Feiten 3.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.2. [appellant 3] woont in een huis met zijn echtgenote en hun twee jonge kinderen en met zijn moeder ( [appellant 1] , hierna ook: de moeder). In een ander huis in dezelfde straat woont zijn zus ( [appellant 2] , hierna ook: de zuster) met haar kinderen. [appellant 3] is eerder met een ander gehuwd geweest en heeft uit dat huwelijk één kind. 3.3. Van 2009 tot en met 2020 heeft de fiscus ten laste van [appellant 3] loonbeslag gelegd onder zijn (toenmalige) werkgever. 3.4. Sinds 2014 werkt [appellant 3] bij de Sociale Dienst van de Gemeente [plaats] , sinds juni 2018 als cliëntmanager met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 3.5. [appellant 3] is bij arrest van 9 oktober 2015 door dit hof veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uur voor valsheid in geschrift meermalen gepleegd, oplichting en poging daartoe, meermalen gepleegd, en witwassen, in de periode 2002-2009. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. van € 115.000,00 toegewezen en daarbij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als bedoeld in art. 36f Wetboek van Strafrecht ter hoogte van dat bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis. Daartoe heeft dit hof overwogen, voor zover relevant: “De verdachte heeft langdurig en met misbruik van zijn positie bij de bank door middel van valsheid in geschrift en oplichting kredieten verkregen met een totaalbedrag van tenminste € 115.000,00. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat gesteld moet kunnen worden in schriftelijke en ondertekende bescheiden. Voorts acht het hof het zeer kwalijk dat de verdachte bij zijn handelingen zijn toenmalige echtgenote heeft betrokken door haar n.a.w.-gegevens te vermelden zonder dat zij daar weet van heeft gehad. De verdachte heeft zijn ex-echtgenote daardoor met aanzienlijke schulden belast. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. De verdachte heeft een niet onaanzienlijk geldbedrag voorhanden gehad en omgezet, terwijl hij wist dat dit geld van misdrijf afkomstig was. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor bovendien aan het zicht van justitie onttrokken waardoor witwassen ook het plegen van misdrijven aantrekkelijk kan maken.” 3.6. Op 25 oktober 2016 is deze veroordeling onherroepelijk geworden. 3.7. Tussen 2016 en 2017 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) vergeefs getracht de schadevergoedingsmaatregel, waarvan de executie verjaart op 25 oktober 2032, te innen. Op 7 december 2017 is een arrestatiebevel in verband met de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen uitgegaan. Vanaf 16 februari 2020 heeft [appellant 3] in vervangende hechtenis gezeten totdat op 3 maart 2020 een betalingsregeling is getroffen van € 1.187,27 per maand. 3.8. [appellant 3] is deze betalingsregeling niet nagekomen. Daarna is er tussen partijen gecorrespondeerd over een lager termijnbedrag, waarbij [appellant 3] € 125,00 per maand heeft voorgesteld en het CJIB om financiële gegevens heeft verzocht. Uiteindelijk heeft het CJIB bij brief van 8 februari 2021 bericht dat geen betalingsregeling werd toegestaan omdat [appellant 3] geen volledige inzage had gegeven in zijn financiële situatie, en dat de incasso zou worden voortgezet. 3.9. Het CJIB heeft bij brief van 4 maart 2021 aan [appellant 3] geschreven dat de inning van zaken die op 1 januari 2021 openstonden zal worden gepauzeerd (de zogenaamde publieke pauzering die na uitkering van een forfaitair bedrag van € 30.000 inging voor een periode van een jaar), omdat eiser zich had gemeld als gedupeerde van de Kinderopvangtoeslag-affaire. 3.10. Bij brief van 17 november 2022 heeft het CJIB aan [appellant 3] geschreven: “Eerder hebben wij u laten weten dat we het innen van uw boete hebben gepauzeerd. Dit hebben we gedaan omdat u zich hebt gemeld bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) als gedupeerde van de kinderopvangtoeslag. (…) De inning van de boete en/of maatregel die door de rechter is opgelegd en strafbeschikking wordt niet meer gepauzeerd. Het gaat om de volgende boete en/of maatregel: CJIB-nummer 2052 5426 0021 8136 Openstaand bedrag € 174.467,37 Lukt het niet om de boete in één keer te betalen? Wilt u een betalingsregeling aanvragen? Dit kan digitaal via cjib.nl/betalenindelen. Lukt u dit niet dan komen wij graag met u in contact om te kijken naar een passende oplossing. (…)” 3.11. Op 9 december 2022 heeft de UHT € 105.980,00 uitgekeerd aan [appellant 3] . Op diezelfde dag heeft hij € 50.000,- overgemaakt naar de bankrekening van de moeder en de dag daarna nog eens. Op 3 januari 2023 heeft [appellant 3] een bedrag van € 21.945 overgemaakt aan een autobedrijf ter betaling van een [merk auto 1] met kenteken [nummer 1] die toen op naam van de zuster werd gesteld. 3.12. Bij brief van 20 januari 2023 hebben de Minister-President en de Staatssecretaris van Toeslagen en Douane aan [appellant 3] namens het kabinet excuses aangeboden “Vanwege de fouten die wij hebben gemaakt met de kinderopvangtoeslag”. In de brief staat verder onder meer: “U hebt geld gekregen voor de schade die u hebt geleden. Ook lossen we problemen met schulden op.” 3.13. Bij brief van 3 februari 2023 is nader aan [appellant 3] toegelicht: “(…) Inmiddels heeft de UHT aan ons bevestigd dat zij u erkennen als gedupeerde. (…) Boetes en maatregelen die door de rechter zijn opgelegd en strafbeschikkingen wordt niet kwijtgescholden. Stonden er op 31 december 2020 nog verhogingen en/of incassokosten voor deze zaken open? Dan hoeft u die niet te betalen. Deze bedragen worden wel kwijtgescholden. Wij pauzeren de inning van uw boete tot 27 december 2023. Dit betekent dat u tot deze datum niet hoeft te betalen. Het gaat om de volgende boete: CJIB-nummer Openstaand bedrag 2052 5426 0021 8136 € 145.032,83 Wilt u toch alvast betalen? Of een deelbetaling doen? Dat kan natuurlijk. (…)” 3.14. Bij brief van 29 december 2023 heeft het CJIB aan [appellant 3] bericht dat de inning van de schadevergoedingsmaatregel wordt hervat omdat de pauzeperiode UHT is afgelopen en dat hij voor 29 januari 2024 het openstaande bedrag van (inmiddels) € 145.032,83 moet betalen. Daarbij staat dat hij contact kan opnemen of een betaalafspraak kan maken of in één keer kan betalen. 3.15. Vervolgens is weer tussen partijen gecorrespondeerd, waarbij [appellant 3] een betalingsregeling van € 250,00 per maand heeft voorgesteld en het CJIB om financiële gegevens heeft verzocht. Uiteindelijk heeft het CJIB bij brief van 17 juli 2024 bericht niet akkoord te gaan met het betalingsvoorstel en de inning voort te zetten, omdat [appellant 3] geen volledige informatie heeft gegeven. 3.16. Nadat twee aanmaningen waren verzonden en de laatste betaaltermijn op 30 september 2024 zonder betaling was verstreken, is op 7 november 2024 op grond van artikel 6:4:5 Wetboek van Strafvordering (Sv) een dwangbevel tegen [appellant 3] uitgevaardigd tot verhaal van € 174.063,40 (uit hoofde van de schadevergoedingsmaatregel plus rente en wettelijke verhogingen minus het reeds betaalde bedrag van € 4.778,00). In het dwangbevel staat dat er verzet tegen kan worden ingesteld binnen twee weken na betekening. 3.17. Op verzoek van de Staat heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank [plaats] op 19 november 2024 de wettelijke beveltermijn ex artikel 439 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op nihil gesteld. 3.18. De Staat heeft het dwangbevel en de nihilstelling bij exploot van 12 december 2024 aan [appellant 3] doen betekenen en vervolgens uit hoofde van het dwangbevel de volgende executoriale beslagen doen leggen: l. op 12 december 2024 op de personenauto van het merk [merk auto 1] , type [merk auto 1] met kenteken [nummer 1] , dat op naam staat van de zuster; 2. op 12 december 2024 op de personenauto van het merk [merk auto 2] met kenteken [nummer 2] , dat op naam staat van [appellant 3] ; 3. op 12 december 2024 anderbeslag ten laste van de moeder onder de Rabobank; 4. op 12 december 2024 ten laste van [appellant 3] onder de Rabobank; 5. op 12 december 2024 ten laste van [appellant 3] onder de ING Bank; 6. op 13 december 2024 ten laste van [appellant 3] onder de Belastingdienst; 7. op 16 december 2024 ten laste van [appellant 3] onder de Gemeente [plaats] . 4 Procedure bij de voorzieningenrechter 4.1. Samengevat hebben [appellanten] bij de voorzieningenrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad alle op 12, 13 en 16 december 2024 gelegde beslagen op te heffen. 4.2. De rechtbank heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten, met nakosten en rente. 5 Vordering in hoger beroep In het principale appel 5.1. [appellanten] vorderen vernietiging van het bestreden vonnis en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog toewijzing van de volgende (deels gewijzigde) eisen: 1. primair: opheffing van alle op grond van het dwangbevel van 7 november 2024 gelegde executoriale beslagen (zie rov. 3.18); 2. subsidiair: schorsing van de executie van dit dwangbevel althans een verbod aan de Staat om uit hoofde van dit dwangbevel (nieuwe) executiemaatregelen te treffen, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de rechtmatigheid van de invordering; een en ander met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. 5.2. De Staat concludeert ten aanzien van de moeder en de zuster tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten] en subsidiair ook ten aanzien van [appellant 3] en tot bekrachtiging van het vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente. In het incidentele appel 5.3. De Staat concludeert ten aanzien van [appellant 3] tot vernietiging van het vonnis en tot alsnog niet-ontvankelijkverklaring van [appellant 3] in (al) zijn vorderingen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente. 5.4. [appellanten] concludeert wat betreft de ontvankelijkheid van [appellant 3] tot bekrachtiging van het vonnis. In het principale en incidentele appel 5.5. De Staat biedt bewijs aan van diens stellingen. 6 Beoordeling In het incidenteel appel 6.1 Omdat het incidenteel appel ziet op de ontvankelijkheid van [appellant 3] in zijn appel (en zijn oorspronkelijke vordering) zal het hof daarop eerst beslissen. De stellingname van de Staat komt erop neer dat de rechtsgang bij de burgerlijke rechter niet open stond voor [appellant 3] , omdat hij via de strafvorderlijke weg (art.6:4:5 lid 3 Sv) had moeten opkomen tegen de beslagleggingen. De Staat beroept zich hiertoe op het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2046. 6.2 Vast staat dat voor de zuster en de moeder geen ander rechtsmiddel openstond dan een executie kort geding. Het standpunt van de Staat, dat slechts de weg van strafvorderlijk verzet openstond, ziet alleen op [appellant 3] . Dat standpunt is in zijn algemeenheid onjuist. In het door de Staat genoemde arrest (dat overigens ziet op art.575 (oud) Sv) heeft de Hoge Raad slechts bepaald, dat het verzet tegen het dwangbevel een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is, die aan de ontvankelijkheid van een vordering bij de burgerlijke rechter tot het opleggen van een verbod tot het leggen van beslag in de weg staat. Dit (be)treft dus alleen de thans in hoger beroep subsidiair ingestelde vordering. In dit geding vordert [appellant 3] echter primair opheffing van reeds gelegde beslagen. Daarop heeft de regel van dit arrest geen betrekking. Als eenmaal executoriaal beslag is gelegd, kan niet worden aanvaard dat verzet op basis van artikel 6:4:5 lid 3 Sv de enige openstaande weg is om te komen tot opheffing van dat beslag. Lid 2 van dat artikel bepaalt immers in algemene zin dat het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter en in een dergelijk geval staat de hier gekozen weg van art 438 Rv, het executiegeschil, open. Ook indien een verzet tegen het dwangbevel ongegrond is bevonden, kan een later op grond van het dwangbevel gelegd beslag onrechtmatig zijn. Daartegen moet de betrokkene kunnen opkomen. Dit betekent dat deze grief in zijn algemeenheid faalt. Niet-ontvankelijkheid van [appellant 3] zou pas aan de orde kunnen zijn als zijn primaire vorderingen worden afgewezen. Het hof houdt zijn oordeel dienaangaande aan tot het eindarrest. In het principaal appel 6.3 [appellanten] hebben vijf grieven tegen het vonnis geformuleerd. De grieven 1en 2 falen; grief 5 faalt ook voorzover deze ziet op de nietigheid van de beslagexploten. Om te kunnen beslissen op grief 4 acht het hof een zitting noodzakelijk, waarop ook aspecten van grief 3 en 5 aan de orde kunnen komen. Dit wordt als volgt toegelicht. 6.4 De eerste grief komt erop neer dat de beslagen onrechtmatig zijn omdat in december 2024, toen de beslagen werden gelegd, van spoedeisendheid geen sprake was. [appellanten] miskennen echter dat spoedeisendheid niet is vereist. Zodra een dwangbevel is opgelegd mag dat tenuitvoergelegd worden zoals een vonnis van de burgerlijke rechter, en dat betekent dat in dit geval art. 439 Rv geldt. Onmiddellijke beslaglegging is toegestaan als verkorting van de algemene wettelijke termijn van twee dagen tot nihil door de voorzieningenrechter is toegestaan, zoals in dit geval is gebeurd. Tegen die beslissing van de voorzieningenrechter staat geen rechtsmiddel open. De Staat heeft toegelicht waarom dat verzoek tot verkorting is gedaan, maar aan toetsing daarvan wordt dus niet toegekomen. Art. 6:1:1 en 6:1:2 Sv zijn in dit kader niet van belang. 6.5 Grief 2 en 3 komen erop neer dat op de uitkeringen die aan [appellant 3] waren toegekend door de UHT omdat hij is aangemerkt als slachtoffer van de Toeslagenaffaire, geen beslag mocht worden gelegd. Grief 2 benadert dit vanuit de uitkering zelf en grief 3 vanuit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het verbod van willekeur en het vertrouwensbeginsel. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 6.5.1 Het uitgangspunt naar Nederlands recht is dat opeisbare schulden kunnen worden verhaald op het gehele vermogen van de schuldenaar (art. 3:276 BW). Slechts in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken. Dat kan in het bijzonder aan de orde zijn als sprake is van een hoogstpersoonlijk recht. De UHT-uitkering is bedoeld om de schade te vergoeden die is veroorzaakt door fouten van de Staat in het kader van de kinderopvangtoeslagen; die schade kan zowel materieel als immaterieel zijn. Een uitkering tot vergoeding van materiële schade komt niet in aanmerking voor een uitzondering op voormelde algemene regel, nu die niet hoogstpersoonlijk is. Voor zover de UHT-uitkering dat karakter heeft is zij dus zonder meer vatbaar voor beslag. Ook voor zover de UHT-uitkering een smartengelduitkering is geldt een zodanige uitzondering niet (Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8474). De enkele omstandigheid dat de immateriële schade hier het gevolg is van grootschalig onrechtmatig handelen van de Staat is niet voldoende om haar hoogstpersoonlijk te doen zijn, waar een vergoeding van immateriële schade die iemand heeft geleden door een andere jegens hem gepleegde onrechtmatige daad (verkeersfout) dat ook niet is. Dat betekent dat beslag op de UHT-uitkering van [appellant 3] naar voorshands oordeel niet reeds onrechtmatig is omdat de aard van de UHT-uitkering zich daartegen verzet. 6.5.2 Dat zou anders kunnen zijn op grond van de indruk die de Staat heeft gewekt, en het vertrouwen dat daarmee bij [appellant 3] naar zijn zeggen is ontstaan, dat geen beslag op UHT-uitkeringen gelegd zou worden. Voor zover het gaat om de zogenaamde pauze staat vast dat die is gerespecteerd. De beslagen waar het hier om gaat zijn pas in december 2024 gelegd en de pauze was al op 27 december 2023 afgelopen. Dat de schuld -voortvloeiend uit een schadevergoedingsmaatregel samenhangend met een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling- niet zou worden kwijtgescholden was [appellant 3] al in 2022 medegedeeld. Uit de hiervoor genoemde feiten volgt ook dat het CJIB steeds bezig is geweest met afspraken over regelingen, en dus niet de indruk heeft gewekt dat de schuld niet zou worden geïnd. Bij [appellant 3] kan dus in december 2024 geen gerechtvaardigd vertrouwen hebben bestaan dat geen beslag gelegd zou worden op de UHT-uitkering(en). Van willekeur is evenmin sprake. Dat schulden die samenhingen met soortgelijke strafrechtelijke veroordelingen aan anderen wel zijn kwijtgescholden of daarvoor geen inningstraject is ingezet heeft [appellant 3] niet gesteld, laat staan onderbouwd. 6.6 [appellanten] stellen kennelijk ook dat bij de moeder en de zuster verwachtingen zijn gewekt omtrent de UHT-uitkering aan [appellant 3] , in die zin dat zij ervan uitgingen dat die niet vatbaar zou zijn voor beslag. Daarop kan bij gelegenheid van de hierna te gelasten zitting (zie 6.9) nader worden teruggekomen. 6.7 Grief 5 heeft betrekking op formele fouten in de beslagexploten van 12 december 2024. De daarin vermelde titel (een vonnis van de kantonrechter) is onjuist. Deze fout is eerst op 23 januari 2025 hersteld, na de dagvaarding in eerste aanleg. Deze fout maakt de beslagen nietig althans onrechtmatig, in elk geval voor de periode voor het herstel, zo menen [appellanten] Voor zover deze grief ziet op nietigheid faalt zij, omdat dit gebrek in de wet niet met nietigheid bedreigd is. Op de vraag of dit gebrek, en de daardoor bij de moeder en de zuster en de banken gewekte onjuiste indruk, bij kan dragen aan de gestelde onrechtmatigheid van het/de anderbeslag(en) zal het hof na de zitting terugkomen. 6.8 Grief 4 ziet op het anderbeslag op de bankrekeningen van de moeder en het beslag op de [merk auto 1] , die op naam staat van de zuster en houdt in, dat deze onrechtmatig zijn omdat, zeer kort samengevat, niet is voldaan aan de eisen van art. 94a lid 4 en 5 Sv. en de belangen van de moeder en de zuster onvoldoende zijn meegewogen. Ten aanzien van het beslag op de [merk auto 1] geldt, dat dit niet als anderbeslag is gelegd, maar volgens de Staat subsidiair wel zo moet worden beschouwd nu het aan alle vereisten daarvoor voldoet; primair stelt de Staat dat de [merk auto 1] eigendom is van [appellant 3] . 6.9.1 Het hof acht het partijdebat zowel op het punt van de eigendom van de [merk auto 1] als op het punt of aan de vereisten van anderbeslag is voldaan onvoldoende uitgekristalliseerd en zal daarom ambtshalve een zitting gelasten. Daarbij kan aan de orde komen of de stelling van de Staat juist is dat [appellant 3] meerdere UHT-uitkeringen heeft gekregen, of de moeder en de zuster daarvan op de hoogte waren en of/in hoeverre de moeder en de zuster op de hoogte waren van de nog openstaande schadevergoedingsmaatregel. 6.9.2 Verder is van belang of de zuster wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat haar broer de [merk auto 1] op haar naam heeft gezet om het verhaal hierop te frustreren en/of deze bij haar te stallen terwijl hij deze zelf zou gaan gebruiken. In dat verband kan relevant zijn of de stelling van de Staat juist is dat zijzelf toen geen rijbewijs had, of zij de auto zelf heeft gebruikt (zo mogelijk aan te tonen aan de hand van administratie of bewijsstukken) en in dat verband of zijzelf ook, net als [appellant 3] , Wet Mulder-sancties (boetes wegens verkeersovertredingen) wegens het gebruik van de [merk auto 1] heeft betaald. Het hof merkt op dat in deze kort gedingprocedure van bewijslevering geen sprake kan zijn, maar het is, nu vast staat dat de auto is betaald door [appellant 3] , wel aan de zuster om aannemelijk te maken dat deze haar eigendom is. 6.9.3 Wat betreft de moeder is van belang of zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat het geld dat [appellant 3] had overgemaakt op haar bankrekening niet was bedoeld voor haarzelf, maar alleen maar bij haar werd gestald. In dat kader kan ook van belang zijn of, in hoeverre en waarom sprake was van een (terug)betalingsverplichting van haar zoon aan haar. 6.9.4 Van M. Bouhlahrout wordt een toelichting verwacht op de passage in de memorie van grieven dat hij ervoor gekozen heeft het geld op de rekening van zijn moeder te stallen omdat hij zelf destijds nog onder bewind dreigde te komen of schuldeisers vreesde, met name in hoeverre zijn moeder hiervan wist. 6.9.5 Verder kan ter zitting aan de orde komen of de belangenafweging die in een executiegeschil als dit gemaakt moet worden moet leiden tot (gedeeltelijke) opheffing van de (ander)beslagen. In dat verband is ook de huidige situatie van belang, waaronder de kennelijk inmiddels in mei 2025 gelegde nieuwe beslagen op grond van hetzelfde dwangbevel. 6.9.6 Tenslotte kunnen partijen zich desgewenst uitlaten over de eventuele betekenis voor deze zaak van het recent gewezen arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2026:784. 6.10 Elke verdere beslissing wordt aangehouden.