Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-08-20
ECLI:NL:GHAMS:2026:2322
art. 10a Vpb; In 2017 heeft een investeringsonderneming een internationale retailketen overgenomen. Vanwege deze overname is belanghebbende opgericht en heeft in de groep een herstructurering plaatsgevonden. Onderdeel van de herstructurering is de interne acquisitie door belanghebbende van de Nederlandse werkmaatschappij van de retailketen. Voor deze acquisitie wordt een lening aangetrokken bij een verbonden lichaam (de aandeelhouderslening). Het Hof beoordeelt de vraag of aftrek van de rente van de aandeelhouderslening beperkt wordt door artikel 10a van de Wet Vpb. Met name de tegenbewijsregeling van het derde lid is daarvoor van belang. Het Hof overweegt dat voor de beoordeling daarvan de concrete overwegingen van belanghebbende (en haar concern) van belang zijn, waarbij de bewijslast op belanghebbende rust. Belanghebbende slaagt niet in het bewijs dat de overwegingen voor de interne acquisitie zakelijk waren. Voor beoordeling van de zakelijkheid van de schuld is van belang of de aandeelhouderslening materieel verschuldigd is aan derden (een bankensyndicaat dat een banklening heeft verstrekt). Het Hof acht relevant of die banklening bedoeld en/of aangewend is voor de aandeelhouderslening. Dat is volgens het Hof niet het geval. Ook voldoende paralellen tussen de banklening en de aandeelhouderslening ontbreken. Mogelijk is wel sprake van een compenserende heffing bij de crediteur van de aandeelhouderslening, maar dit baat belanghebbende niet want de inspecteur slaagt in het bewijs dat de interne acquisitie en de aandeelhouderslening fiscaal gedreven zijn. De tegenbewijsregeling slaagt niet en de rente op de aandeelhouderslening is niet aftrekbaar. De kosten van de banklening kunnen niet ten laste van de winst van belanghebbende worden gebracht. Belanghebbende heeft de vereiste aangifte niet gedaan door de daarin gestelde ‘10a-vraag’ ten onrechte niet met “ja” te beantwoorden. Het Hof past hierom de sanctie van (omkering en) verzwaring van de bewijslast toe. GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 25/2006 20 augustus 2026 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur, tegen de uitspraak van 28 augustus 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/4895 van de rechtbank Noord-Holland (de rechtbank) in het geding tussen [X Y] Finance (Netherlands) B.V. , gevestigd te Amsterdam, belanghebbende, (gemachtigde: mr. C. Coppus) en de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het boekjaar lopende van 1 oktober 2017 tot en met 30 september 2018 (het boekjaar) een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbare winst van € 13.457.369 (de aanslag). Daarbij is aan belanghebbende bij beschikking van dezelfde datum € 347.538 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het tegen de aanslag en de rentebeschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Op de daartegen ingestelde beroepen heeft de rechtbank als volgt beslist: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de aanslag tot een bedrag berekend naar een belastbare winst van € 6.596.827; - vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 4.929; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.” 1.4. De inspecteur heeft (pro forma) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Na het instellen van dit hoger beroep, hebben partijen de volgende stukken ingediend: een motivering van het hoger beroep door de inspecteur; een verweerschrift door belanghebbende; een tiendagenstuk door de inspecteur; een reactie op het tiendagenstuk door belanghebbende; een pleitnota door de inspecteur, en een pleitnota door belanghebbende. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten Het Hof ziet aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen. 2.1. In de loop van 2017, voorafgaand aan de oprichting van belanghebbende, heeft de internationale investeringsonderneming [X] biedingen uitgebracht op alle aandelen in [Y] International Limited ( [Y] Int Ltd), houdster van de [Y] groep. Het geaccepteerde bod is op 13 juni 2017 uitgebracht. De koopovereenkomst (‘Share Purchase Agreement’) heeft als dagtekening 24 juni 2017. De koopprijs van de aandelen in [Y] Int Ltd is volgens de koopovereenkomst £ 1.502.309.227. 2.2. De [Y] groep wordt na de koop ondergebracht in de business unit Retail van [X] ( [X] ). [X] wordt gedreven vanuit een tussenhoudster, [X] Investment Holdings S.A. te Luxemburg ( [X] ). Zij richt met het oog op de koop van de [Y] groep [X Y] Holdings Sarl op, waaronder de overige vennootschappen van de acquisitiestructuur worden gepositioneerd. 2.3. In het Structure Paper van 24 augustus 2017 heeft M&A Taxation Services van [adviesbureau] UK een acquisitiestructuur voorgesteld (het Tax Structure paper). Voorzien wordt dat de transactie voor ongeveer £ 817 miljoen wordt gefinancierd met een banklening (blz. 11 van het Tax Structure paper; zie nader 2.5). Het resterende gedeelte van de benodigde gelden (inclusief transactiekosten en £ 239 miljoen aan herfinanciering) bedraagt ongeveer £ 964 miljoen (blz. 11 van het Tax Structure paper). Dit bedrag is afkomstig van de [X] en wordt als eigen vermogen gestort op de aandelen in [X Y] Holdings Sarl, die het op haar beurt als eigen vermogen stort op aandelen in [X Y] Holdings (Gibraltar) Limited ( [X Y] Gibraltar). Een gedeelte van £ 814 miljoen stort zij als eigen vermogen op aandelen in [X Y] Holdings Limited, die het op haar beurt stort op aandelen in [X Y] Midco Limited ( [X Y] Midco). Het resterende gedeelte van £ 150 miljoen wordt door [X Y] Gibraltar gestort op aandelen in [X Y] Finance (Jersey) Limited ( [X Y] Jersey). [X Y] Jersey leent dit bedrag van £ 150 miljoen aan [X Y] Midco. De gelden die bij [X Y] Midco bijeen zijn gekomen (kort gezegd: de £ 964 miljoen kapitaalstorting van [X] , waarvan £ 150 miljoen via [X Y] Jersey en als lening aan [X Y] Midco is verstrekt) worden uiteindelijk als eigen vermogen gestort op aandelen in het kapitaal van [X Y] Midco [Z] Limited, die hetzelfde bedrag op haar beurt stort op aandelen in het kapitaal van [X Y] Finance Limited ( [X Y] F Ltd). Het Tax Structure paper geeft dit schematisch als volgt weer (blz. 19): [X Y] Holdings Limited, [X Y] Midco, [X Y] Midco [Z] Limited en [X Y] F Ltd. zijn met oog op de acquisitie van de [Y] groep naar het recht van Jersey opgerichte vennootschappen. Zij zijn alle vier gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en aldaar belastingplichtig. [X Y] Jersey is opgericht naar het recht van Jersey en is voor belastingdoeleinden inwoner van Jersey (blz. 10 en 14 Tax Structure paper). 2.4. Belanghebbende is op 15 augustus 2017 naar Nederlands recht opgericht. Op dat moment is [X Y] F Ltd enig aandeelhouder van belanghebbende. Structurering overname 2.5. In de periode tussen oprichting van belanghebbende en aanvang van het boekjaar heeft [X Y] F Ltd vanwege de overname van de [Y] groep overeenkomsten van geldlening gesloten met een aantal kredietverstrekkers. Onderdeel van deze overeenkomsten is een leningsfaciliteit ten bedrage van £ 450.000.000 genaamd Facility B1 en een leningsfaciliteit ten bedrage van € 415.484.382,77 genaamd Facility B2. De daarop betrekking hebbende overeenkomst (‘Senior Facilities Agreement’ of SFA) is door de banken gesloten met als (oorspronkelijke) partijen aan de kant van [X] : [X Y] Holdings Limited, [X Y] Midco, [X Y] F Ltd en belanghebbende en heeft als dagtekening 24 augustus 2017. Over Facility B1 en B2 is in deze overeenkomst, voor zover van belang, het volgende vastgelegd: “1. DEFINITIONS AND INTERPRETATION (…) “Margin” means in relation to: (a) any Facility B1 Loan 5.25 per cent. per annum; (b) any Facility B2 Loan 4.25 per cent. per annum; (…) “Termination Date” means: (a) in respect of Facility B, the seventh anniversary of the Closing Date; (…) “Total Facility B1 Commitments” means the aggregate of the Facility B1 Commitments, being £450,000,000 at the date of this Agreement. “Total Facility B2 Commitments” means the aggregate of the Facility B2 Commitments, being €415,484,382.77 at the date of this Agreement. (…) 3 PURPOSE 3.1 Purpose (A) The Facility B Borrower shall apply all amounts borrowed by it under Facility B directly or indirectly in or towards: (1) satisfaction of the consideration payable for the Acquisition; (2) financing the payment of Acquisition Costs; and/or (3) directly or indirectly refinancing Existing Debt and paying any related breakage costs, redemption premium, make-whole costs and other fees, costs and expenses payable in connection with such refinancing and/or the Acquisition. (…) 10 REPAYMENT 10.1 Repayment of Facility B Loans (A) Each Facility B Borrower shall repay the aggregate Facility B Loans made to it in full on the Termination Date in respect of Facility B; and (…) 14 INTEREST 14.1 Calculation of interest The rate of interest on each Loan for each Interest Period is the percentage rate per annum which is the aggregate of the applicable: (A) Margin; and (B) LIBOR for Utilisations in Sterling, EURIBOR for Utilisations in EUR; and LIBOR for Utilisations in all other currencies. 14.2 Payment of interest The Borrower to which a Loan has been made shall pay accrued interest on that Loan on the last day of each Interest Period (and, if the Interest Period is longer than 6 Months, on the dates falling at 6 Monthly intervals after the first day of the Interest Period).” In het kader van (onder meer) deze lening zijn door de kredietverstrekkers diverse kosten (‘fees’) in rekening gebracht bij [X Y] F Ltd. De lening wordt netto verstrekt, hetgeen betekent dat de genoemde kosten hierop eerst in mindering zijn gebracht. 2.6. Op 31 augustus 2017 vindt de voltooiing (‘Completion’) van de transactie plaats. De aandelen worden geleverd, de koopprijs wordt betaald en daartoe worden leningen getrokken onder de kredietfaciliteiten Facility B1 en B2 van de SFA. Daartoe worden onder andere de volgende transacties ten uitvoer gelegd: - onder de Facility B1 wordt een bedrag van £ 426,1 miljoen betaald aan [verkoopster] Co. (verkoopster van de aandelen in [Y] Int Ltd) ten titel van betaling van (een gedeelte van) de koopprijs voor de aandelen in [Y] Int Ltd, - onder de Facility B2 wordt een bedrag van € 407,1 miljoen betaald aan de groepsmaatschappij van [X] Investment Sarl ( [X] Sarl). - dit bedrag van € 407,1 miljoen wordt geconverteerd in £ 376,3 miljoen, welk bedrag door [X] Sarl wordt betaald aan [verkoopster] Co. ten titel van betaling van (een gedeelte van) de koopprijs voor de aandelen in [Y] Int Ltd, - het resterende bedrag van de koopprijs (ongeveer £ 700 miljoen) wordt betaald met de van [X] afkomstige fondsen (zie 2.3), en - de aandelen in [Y] Int Ltd worden door [verkoopster] Co. aan [X Y] Ltd. geleverd. 2.7. [X Y] F Ltd stort een bedrag van € 93.289.880 op de aandelen van belanghebbende als kapitaal. Daarnaast leent [X Y] F Ltd een bedrag van € 140.000.000 aan belanghebbende (de aandeelhouderslening). In totaal bedraagt het door belanghebbende van [X Y] F Ltd verkregen (eigen en vreemd) vermogen op dat moment € 233.289.880. 2.8. Op 31 augustus 2017 is de bij de aandeelhouderslening behorende overeenkomst van geldlening gesloten. De inhoud van de overeenkomst is onder meer als volgt: “ THIS AGREEMENT is dated 31 August 2017 BETWEEN : (1) [X Y] FINANCE LIMITED a company incorporated in Jersey with registered number [# 1] and having its registered office at [adres 1] Jersey JE4 8PX (the Lender ); and (2) [X Y] FINANCE (NETHERLANDS) B.V. a company incorporated in the Netherlands with registered number [# 2] and having its registered office at [adres 2] Amsterdam (the Borrower ). IT IS AGREED as follows: 1. INTERPRETATION In this agreement: “Closing Date” has the meaning given to that term in the Senior Facilities Agreement. “Facility B2 Loan” has the meaning given to that term in the Senior Facilities Agreement. “Facility B2 Borrower” has the meaning given to that term in the Senior Facilities Agreement. “Facility B2 Commitments” has the meaning given to that term in the Senior Facilities Agreement. “Facility B2 Repayment” means any amount of the Facility B2 Loan repaid or prepaid by the Facility B2 Borrower from time to time. “Facility B2 Repayment Date” means the date of any Facility B2 Repayment. “Fee Payment” means any payment made by the Facility B2 Borrower pursuant to clause 17 (Fees) of the Senior Facilities Agreement. “Fee Payment Date” means the date of any Fee Payment. “Fee Payment Percentage” means the percentage of the Facility B2 Commitments that the Loan represents at the date a Fee Payment is made. “Intercreditor Agreement” means the intercreditor agreement dated on or about the date of this agreement between, amongst others, [X Y] Finance Limited as Company, and Citigroup Global Markets Limited, HSBC Bank plc, UBS Limited, Barclays Bank PLC and Societe Generale , London Branch as Senior Arrangers. “Interest Period” means the interest period selected in the Selection Notice in respect of the Facility B2 Loan, delivered pursuant to Clause 15 (Interest Periods) of the Senior Facilities Agreement, and dated on or about the date of this agreement. “EURIBOR” has the meaning given to that term in the Senior Facilities Agreement. “Margin” means the Reference Margin plus 0.050 per cent. per annum. “Parties” means the parties to this Agreement. “Reference Margin” means the margin applicable to the Facility B2 Loan, being 4.25 per cent. per annum at the date of this agreement, as it may be increased or decreased from time to time in accordance with the terms of the Senior Facilities Agreement. “Repayment Percentage” means the percentage of the Facility B2 Commitments that a Facility B2 Repayment represents at the date of such Facility B2 Repayment. “Senior Facilities Agreement” means the senior facilities agreement dated on or about the date of this agreement between, amongst others, [X Y] Finance Limited as Company, Original Borrower and Original Guarantor, [X Y] Limited as Original Guarantor, Citigroup Global Markets Limited, HSBC Bank plc, UBS Limited, Barclays Bank PLC and Societe Generale , London Branch as Mandated Lead Arrangers and Citibank N.A., London Branch , HSBC Bank plc, UBS AG, London Branch , Barclays Bank PLC and Societe Generale , London Branch as Underwriters. “Termination Date” means the seventh anniversary of the Closing Date, or such other date as the Borrower and Lender may agree. 2 INTERCREDITOR AGREEMENT This agreement is entered into subject to the terms of the Intercreditor Agreement. 3 THE LOAN 3.1 The Lender agrees to make available to the Borrower a loan of €140,000,000 (the Loan ). 3.2 The Loan may be drawn down by the Borrower in a sterling amount equivalent to the euro amount referred to in clause 3.1 above, as determined at a rate and at a time agreed between the Parties. 4 REPAYMENT 4.1 The Borrower will repay the Loan: (a) in an amount equal to the amount of the Loan outstanding on each relevant Facility B2 Repayment Date multiplied by the relevant Repayment Percentage; and (b) in an amount equal to the amount of any Fee Payment on each relevant Fee Payment Date multiplied by the relevant Fee Payment Percentage. 4.2 The Loan and any interest accrued under clause 5 may be repaid by the Borrower in sterling or euro. Payments in sterling will be in an amount equivalent to the relevant euro repayment amount as determined at a rate and at a time agreed between the Parties. 5 INTEREST 5.1 The rate of interest on the Loan for each Interest Period is the percentage rate per annum which is the aggregate of: (a) Margin; and (b) EURIBOR. 5.2 The Borrower shall pay accrued interest on the Loan on the last day of each Interest Period (and, if the Interest Period is longer than 6 Months, on the dates falling at 6 Monthly intervals after the first day of the Interest Period). 6 ASSIGNMENT 6.1 This agreement enures to the benefit of the Lender and the Borrower or any of their successors or assignees. The Borrower must not assign or transfer all or any of its rights under this agreement without the consent of the Lender. 7 COUNTERPARTS This agreement may be executed in any number of counterparts and this has the same effect as if the signatures on the counterparts were on a single copy of this agreement. 8 AMENDMENTS This agreement may be amended by written agreement between the Parties. 9 GOVERNING LAW This agreement and any non-contractual obligations arising out of or in connection with it shall be governed by English law. The English courts have exclusive jurisdiction to settle any dispute arising out of or in connection with this agreement (including a dispute relating to any non-contractual obligations arising out of or in connection with this agreement) and the Lender and the Borrower submit to the exclusive jurisdiction of the English courts. The Lender and the Borrower waive any objection to the English courts on grounds that they are an inconvenient or inappropriate forum to settle any such dispute.” 2.9. Eveneens op 31 augustus 2017 leent belanghebbende het bedrag dat op haar aandelen is gestort en het bedrag van de aandeelhouderslening, in totaal € 233.289.880 (€ 233 miljoen), aan [X Y] Limited ( [X Y] Ltd). [X Y] Ltd is opgericht naar het recht van Jersey en is op dat moment, net als belanghebbende, een dochter van [X Y] F Ltd. 2.10. [Y] (Benelux) Limited ( [Y] BLX Ltd) is een dochtervennootschap van [Y] Int Ltd. [Y] BLX Ltd is onder meer aandeelhoudster van de Nederlandse werkmaatschappij [Y] B.V. ( [Y] BV). 2.11. Alle aandelen in het kapitaal van belanghebbende worden na de Completion intern verhangen. Dit verhangen vindt achtereenvolgend als volgt plaats: - [X Y] F Ltd stort de aandelen in belanghebbende in [X Y] Ltd in ruil voor een nieuw aandeel in het kapitaal van deze laatste, - [X Y] Ltd stort vervolgens de aandelen in belanghebbende in [Y] Int Ltd in ruil voor een nieuw aandeel in het kapitaal van deze laatste, - [Y] Int Ltd stort vervolgens de aandelen in belanghebbende in [Y] BLX Ltd in ruil voor een nieuw aandeel in het kapitaal van deze laatste. Hierna is [Y] BLX Ltd vanaf 2 oktober 2017 enig aandeelhouder van belanghebbende. 2.12. Op 2 oktober 2017 verkoopt en levert [Y] BLX Ltd de aandelen in de werkmaatschappij [Y] BV aan belanghebbende. Belanghebbende voldoet de koopprijs van € 233 miljoen door overdracht aan [Y] BLX Ltd van haar vordering op [X Y] Ltd (zie 2.9). Vanaf die dag vormen belanghebbende en [Y] BV een fiscale eenheid voor de Vpb. [Y] BLX Ltd scheldt de vordering op [X Y] Ltd vervolgens kwijt. 2.13. In een namens belanghebbende aan de inspecteur verstrekt stuk staat ten aanzien van de zakelijkheid van de verhanging beschreven in 2.12 hiervoor het volgende vermeld: “Based on information provided by the management of the [X] group, it is our understanding that [X Y] Finance (Netherlands) BV has been interposed as shareholder of [Y] BV for commercial purposes. It is common practice to have the interest and financing costs at the level of which the acquisition took place, and that the respective countries bear their own interest costs. In particular, the structure of the debt package with the banks included [X Y] Finance (Netherlands) BV as a relevant counterparty to the banking syndicate. It was always intended under the acquisition structure for debt to be pushed down to the relevant subsidiaries, including [Y] International and [Y] Retail. The acquisition structure, through the ownership of [Y] BV, allowed for the company to satisfy its obligation under the €140m loan as it would be able to receive dividends or loans from its immediate subsidiary, with both entities being within a tax consolidated group.” 2.14. Met betrekking tot de acquisitie van de [Y] groep is (onder andere) [X Y] Ltd een overeenkomst van opdracht aangegaan met [adviesbureau] UK . Deze overeenkomst is vastgelegd in enkele ‘engagement letters’. In “Schedule 1 – Provision of tax structuring services” bij een engagement letter gedateerd op 9 augustus 2017 staat onder andere het volgende vermeld: “ Tax structure memorandum We will produce a detailed tax structure memorandum which will set out the steps required to implement the desired structure. This will include: - To the extent achievable to push acquisition debt in to the Netherlands so as to offset a portion of the taxable profits in Netherlands with interest expenses. (…) - As a result of the above debt push downs and the resultant interest income in the UK we will need to introduce some of the [X] funding into Topco as shareholder debt rather than preference shares in order to optimise the tax efficiency of the business in the UK. We will advise on the appropriate level of shareholder debt in order to achieve that optimisation. (…)” 2.15. Als onderdeel voor haar werkzaamheden voor [X Y] Ltd heeft M&A Taxation Services van [adviesbureau] UK de verschillende stappen van de herstructurering die rondom de Completion plaatsvinden (waaronder de transacties beschreven in 2.5 tot en met 2.12) uiteengezet in het Tax Structure paper. Hierin staat onder andere het volgende vermeld: 2.15.1. Op pagina 8, ‘Executive summary (3 of 3)’: “ UK tax deduction of debt interest • New interest restriction rules have been announced in the UK which broadly aim to limit a group’s net interest deduction (for tax purposes) to either: (i) 30 % of total UK group EBITDA, or (ii) a higher percentage where the external gearing of the group is higher. Due to the election, the enactment of these rules has been deferred. However, it is expected that they will come into force by Autumn 2017. In the transaction model we have restricted the tax deduction for interest expenses in the UK to 30% of projected UK EBITDA. Please refer to the “Interest deductibility” section for further details. Dutch tax deduction of debt interest • It is proposed that a proportion of the bank debt in the structure is “pushed down” by way of on-lending into the Netherlands. The advantage of this structure is two fold. Firstly, the corporation tax rate in the Netherlands is higher than that of the UK (and therefore the interest deductions are more valuable). Secondly, the pushdown permits shareholder debt to be lent into the UK. • In order for interest on the intercompany loan between [X Y] Finance (Netherlands) BV and [X Y] Finance Limited to be deductible for Dutch tax purposes there should be a clear link between the intercompany loan and the external debt. This link should be substantiated by mirroring key terms, of which the most important are repayment date, repayment schedule and interest rate (with an allowance for an arm’s length mark-up). Ireland • Given Ireland’s current low EBITDA it is not currently proposed to push any debt into Ireland. However, the banking documents should retain the flexibility to do so in the future.” 2.15.2. Op pagina 23, ‘Step 4 – Draw down of external debt (1 of 3)’: “ Step • [X Y] Finance Limited draws down GBP 825m (gross of financing costs) of new senior debt from third party lenders. • Using part of the third party bank debt, [X Y] Finance Limited lends EUR 140m to [X Y] Finance (Netherlands) BV. The loan should be linked to the Senior Secured Term Facility with parallel terms and conditions, plus an additional margin of 0.05%. • Using part of the equity funding received under Step 3, [X Y] Finance Limited subscribes for ordinary equity of the EUR equivalent of GBP 86m in [X Y] Finance (Netherlands) BV, such that [X Y] Finance (Netherlands) BV has a debt:equity ratio of 60:40. • [X Y] Finance Limited subscribes for ordinary equity of GBP 1,297m in [X Y] Limited. • [X Y] Finance (Netherlands) BV lends the EUR equivalent of GBP 214m to [X Y] Limited.” 2.15.3. Op pagina 25, ‘Step 4 – Draw down of external debt (3 of 3)’ staat onder andere vermeld: “• The Netherlands also operates an “Excessive” acquisition debt limitation where debt is used to fund an acquisition. The restriction applies to limit the quantum of a loan, on which tax relief is available, to 60% of the purchase value of the Dutch acquisition, declining by 5% per annum down to a minimum of 25%.” 2.15.4. Op pagina 33, ‘Step 7 – [X Y] Finance (Netherlands) BV, [X Y] Ltd, [X Y] Finance Ltd and [Y] (Benelux) Ltd enter into a series of steps to transfer [X Y] Finance (Netherlands) BV to [Y] (Benelux) Ltd (1 of 3)’, staan de in 2.11 en 2.12 weergegeven stappen beschreven: “ Step • [X Y] Finance Limited contributes the shares it holds in [X Y] Finance (Netherlands) BV to [X Y] Limited in exchange for a new share. • [X Y] Limited contributes the shares it holds in [X Y] Finance (Netherlands) BV to [Y] International Limited in exchange for a new share. • [Y] International Limited contributes the shares it holds in [X Y] Finance (Netherlands) BV to [Y] (Benelux) Limited in exchange for a new share. • [Y] (Benelux) Limited sells [Y] BV to [X Y] Finance (Netherlands) BV in exchange for assigning the EUR 232m receivable held by [X Y] Finance (Netherlands) BV from [X Y] Limited) to [Y] (Benelux) Limited for market value to reflect accrued interest and any foreign exchange fluctuations. • [X Y] Finance (Netherlands) BV and [Y] BV form a fiscal unity for corporate income tax purposes (under the common parent of [Y] (Benelux) Limited). • [Y] (Benelux) Limited releases [X Y] Limited from its obligations under the loan now owed to it by [X Y] Limited.” 2.15.5. Op pagina 40, ‘Debt servicing (2 of 3)’ staat onder andere vermeld: “ Interest of intercompany loans • Interest on the shareholder debt between [X Y] Finance (Netherlands) BV and [X Y] Finance Limited will be used to repay part of the bank debt interest payable by [X Y] Finance Limited (as the terms of the shareholder debt will be matched to the bank debt). • As discussed, [X Y] Finance (Netherlands) BV will be funded by way of dividends from [Y] BV and payments for tax losses used by [Y] BV under a fiscal unity. Payments within a fiscal unity are disregarded for Dutch tax purposes.” 2.15.6. Op pagina 85, ‘Jersey tax considerations (1 of 2)’ staat ten slotte onder andere vermeld: “The structure utilises a Jersey financing company that is incorporated and managed and controlled from Jersey, making the company tax resident in Jersey. [X Y] Finance (Jersey) Limited is the counterparty to the [X] hedge arrangements and lends shareholder debt into the acquisition structure. As this company is not caught under the 20% rate and does not fall within any of the financial services conditions, it should be taxed at the 0% rate.” 2.16. Tot de stukken van het geding behoort een afschrift van de notulen van de bestuursvergadering van belanghebbende van 2 oktober 2017. In dit document is onder andere het volgende opgenomen: “ CONSIDERATIONS 2.5 The Chairperson then moves to item (a) of the agenda and establishes and confirms that (“Considerations’): (a) In connection with the financing of the acquisition of [Y] International Limited by [X Y] .RB Limited and the post-acquisition restructuring within the group of companies, as more particularly described in step 7 in the paper prepared by [adviesbureau] LLP entitled “Project [naam] – Structure paper” dated 24 August 2017, attached hereto as the Annex, the Company will become a party to, or, as the case may be, the Company already has become a party to: (1) a deed of novation (in respect of an intercompany loan agreement dated 31 August 2017) governed by English law, between the Company as outgoing lender, [X Y] Limited as borrower and [Y] (Benelux) Limited as incoming lender; (2) a deed of contribution and share transfer of shares in [X Y] HR Finance (Netherlands) B.V. governed by Dutch law, between [X Y] RB Finance Limited as [X Y] , LIP. [Y] Limited as LIR 118, [Y] International Limited as [Y] , [Y] (Benelux) Limited as [Y] and the Company as company; (3) a deed of sale, purchase and transfer of shares in [Y] B.V. governed by Dutch law, between [Y] (Benelux) Limited as [Y] , the Company [X Y] and [Y] B.V. as the company; (…) (…) (the documents referred to under 1 up to and including 5 above, the “Documents”). (…) (d) The entering into, signing, execution, delivery and performance of the Documents and the transactions contemplated thereby to be (i) in the Company’s best corporate interest ( vennootschappelijk belang ) and the best corporate interest of the corporate group and conducive to the realization of and useful in connection with the Company’s corporate objects ( doel ), (ii) not prejudicial to the interests of the Company’s (present and future) creditors, (iii) for bona fide commercial reasons and (iv) at arm’s length terms. (e) The Company derives a direct or indirect corporate benefit from the Documents. (…) RESOLUTIONS 2.6 The Chairperson subsequently moves to item (b) of the agenda (…) The Chairperson proposes to the meeting to resolve to approve and, to the extent necessary, ratify and confirm (“ Proposed Resolutions ”): (a) the terms of, and the. transactions contemplated by, the Documents and the entering into the Documents by the Company, (…). (…) The Board carefully considers the Proposed Resolutions, all relevant Documents and the transactions contemplated thereby, taking into account all relevant facts and circumstances in connection therewith. Following such consideration, the Chairperson moves to approve the Proposed Resolutions and to approve to enter into, sign, execute, deliver and perform the relevant documents and to ratify any documents already entered into, signed, executed, delivered, or performed at the date hereof. The Chairperson concludes that the Proposed Resolutions are adopted by the Board Members unanimously.” 2.17. In de jaarrekening 2017/2018 van belanghebbende is onder meer vermeld dat belanghebbende rentekosten heeft gemaakt in het kader van een lening aan haar aandeelhouder ten bedrage van € 6.147.879. Daarnaast wordt in de winst- en verliesrekening een afschrijvingslast in aanmerking genomen van € 757.631 verband houdend met kosten die zijn gealloceerd aan de ‘Senior Notes issue’. De in [Y] BV verworven aandelen worden in de jaarrekening van belanghebbende per balansdatum 30 september 2018 gewaardeerd op € 192.006.579. Aanslagregeling en bezwaarfase 2.18. Belanghebbende heeft in haar aangifte Vpb 2017/2018 (de aangifte) een belastbaar bedrag berekend van € 6.468.948. In de aangifte zijn diverse kosten in aftrek gebracht. De aandeelhouderslening is opgenomen als kortlopende schuld aan [X Y] F Ltd. Belanghebbende heeft in de aangifte niet aangekruist dat zij een beroep doet op de tegenbewijsregeling van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). 2.19. Na een aantal vragenbrieven van de inspecteur en diverse correspondentie tussen partijen heeft de inspecteur per e-mails van 21 juni 2022 en 12 juli 2022 aangekondigd dat hij bij de aanslag afwijkt van de ingediende aangifte. Bij brief van 26 juli 2022 heeft de inspecteur de aanslag gemotiveerd. 2.20. De aanslag is opgelegd met dagtekening 30 juli 2022. De inspecteur heeft bij de aanslag de in de aangifte geclaimde aftrek van de rente op de aandeelhouderslening niet toegestaan. De rentecorrectie bedraagt € 6.147.879. Bij de aanslag heeft de inspecteur verder de geclaimde afschrijvingslast ad € 757.637 en de aftrek van overige rentekosten ad € 82.911 geweigerd. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 13.457.369. Gelijktijdig is belastingrente berekend ten bedrage van € 347.538. 2.21. Ook in de bezwaarfase heeft diverse correspondentie tussen partijen plaatsgevonden. De inspecteur heeft een notitie geschreven met daarin onder meer een weergave van de feiten en een weergave van de standpunten van partijen. Op 25 november 2022 heeft de inspecteur de conceptversie van de notitie gedeeld met belanghebbende. Op 8 december 2022 is er een hoorgesprek geweest. De definitieve versie van de notitie is gedagtekend 15 april 2023. 3 Geschil in hoger beroep In hoger beroep is, evenals bij de rechtbank, in geschil of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of: de aftrek van rente op de aandeelhouderslening terecht is geweigerd; de afschrijvingslast ad € 757.631 op de kosten die in het kader van de aandeelhouderslening aan belanghebbende zijn doorbelast, terecht is geweigerd; de aftrek van overige rentekosten ad € 82.911 terecht is geweigerd; de vereiste aangifte is gedaan en, indien dit niet het geval is, of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. 4 Overwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen en beslist: “ Geschil 20. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of: - de aftrek van rente op de aandeelhouderslening terecht is geweigerd. Ter zitting is komen vast te staan dat een bedrag van € 127.879 terecht is geweigerd en dat een bedrag van € 16.493 aan rente alsnog in aftrek kan worden gebracht. Gelet hierop beperkt het geschil omtrent de aftrekbaarheid van de rente op de aandeelhouderslening zich tot een bedrag van € 6.003.507: - de afschrijvingslast ad € 757.631 op de kosten die in het kader van de aandeelhouderslening aan eiseres zijn doorbelast, terecht is geweigerd. Ter zitting heeft verweerder nader het standpunt ingenomen dat aannemelijk is dat een deel van deze kosten verband houdt met de aandeelhouderslening en zodoende terecht is doorbelast. Indien de kosten voor aftrek in aanmerking komen, dan beperkt het geschil zich tot de doorbelasting van de ‘RCF fee’ en de ‘legal fees'; - de aftrek van overige rentekosten ad € 82.911 terecht is geweigerd; - de vereiste aangifte is gedaan en de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. 21. Nu is komen vast te staan dat een bedrag van € 16.493 aan rente alsnog in aftrek kan worden gebracht, is het beroep gegrond. (…) Artikel 10a van de Wet Vpb 26. Verweerder heeft gesteld dat de door eiseres op de aandeelhouderslening verschuldigde rente en de afschrijvingslast op de doorbelaste kosten in aftrek zijn beperkt op grond van artikel 10a van de Wet Vpb. Deze bepaling luidt – voor zover hier van belang – als volgt (tekst 2017): “1. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek renten — kosten en valutaresultaten daaronder begrepen — ter zake van schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verschuldigd aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon, voor zover die schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verband houden met een van de volgende rechtshandelingen: (…) c. de verwerving of uitbreiding van een belang door de belastingplichtige, door een met hem verbonden lichaam dat aan deze belasting is onderworpen of door een met hem verbonden natuurlijk persoon die in Nederland woont, in een lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een met hem verbonden lichaam is. (…) 3. Het eerste lid vindt geen toepassing: a. indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; of b. indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat over de rente bij degene aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct of indirect is verschuldigd, per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is en dat er geen sprake is van verrekening van verliezen of van andersoortige aanspraken uit jaren voorafgaande aan het jaar waarin de schuld is aangegaan waardoor over de rente per saldo geen heffing naar bedoelde redelijke maatstaven is verschuldigd, behoudens ingeval de inspecteur aannemelijk maakt dat de schuld is aangegaan met het oog op het verrekenen van verliezen of andersoortige aanspraken welke in het jaar zelf zijn ontstaan dan wel op korte termijn zullen ontstaan of dat aan de schuld of aan de daarmee verband houdende rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Voor de toepassing van dit onderdeel is een naar de winst geheven belasting naar Nederlandse maatstaven redelijk indien deze resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij artikel 12b buiten toepassing blijft. 4. Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 10, 12bb, 13, 13a, 13b, 13ba, 13d, 13e, 13j, 13k, 13l, 14, 14a, 15ad, 15g, 15i, 15j, 17a, 20, 28, 28b, 33, 33b en 34d wordt als een met de belastingplichtige verbonden lichaam aangemerkt: a. een lichaam waarin de belastingplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft; b. een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige; c. een lichaam waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige, waarbij een belang dat wordt gehouden door de partner of een minderjarig kind van een natuurlijk persoon aan die persoon wordt toegerekend, waarbij onder een kind mede wordt verstaan een kind van een partner alsmede een pleegkind; d. een lichaam dat met de belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid als bedoeld in de artikelen 15 en 15a. (…)” 27. Met ingang van 1 januari 2018 luidt artikel 10a, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb als volgt: “a. indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de schuld en, ongeacht of die schuld in feite is verschuldigd aan een ander dan een met de belastingplichtige verbonden lichaam of met hem verbonden natuurlijk persoon, aan de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; of (…)” 28. Voor toepassing van artikel 10a van de Wet Vpb op de aandeelhouderslening, dient allereerst te zijn voldaan aan de vereisten van het eerste lid van dit artikel. In de eerste plaats dient sprake te zijn van een schuld die (rechtens dan wel in feite direct of indirect) verschuldigd is aan een met eiseres verbonden lichaam (of natuurlijk persoon). Niet in geschil is dat eiseres de aandeelhouderslening heeft aangetrokken van een verbonden lichaam ( [X Y] F Ltd). Aan dit vereiste is voldaan. Ten tweede is vereist dat de schuld (rechtens dan wel in feite, direct of indirect) verband houdt met een van de in artikel 10a, eerste lid, van de Wet Vpb opgenomen rechtshandelingen. Vast staat dat eiseres een belang heeft verworven, bestaande uit 100% van de aandelen in [Y] BV, hetgeen voldoet aan de beschrijving van artikel 10a, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet Vpb. 29. Partijen verschillen van mening over de vraag of de aandeelhouderslening (rechtens dan wel in feite, direct of indirect) verband houdt met de genoemde verwerving van de aandelen in [Y] BV. Eiseres betoogt dat de aandeelhouderslening geen verband houdt met deze rechtshandeling. Volgens eiseres is de aandeelhouderslening aangewend om door te lenen aan [X Y] Ltd. Een dergelijk doorlenen valt niet onder de in het eerste lid van artikel 10a van de Wet Vpb genoemde rechtshandelingen. Dat nadien door eiseres de vordering op [X Y] Ltd is gebruikt als betaling voor de verkrijging van de aandelen in [Y] BV (activumvervanging), maakt dit volgens haar niet anders. Er ontstaat hiermee niet alsnog een besmette rechtshandeling, aldus eiseres. Een eenmaal ontstaan verband tussen schuld en rechtshandeling, blijft volgens eiseres bestaan. Volgens eiseres is ook de Staatssecretaris van Financiën van mening dat een verband tussen een schuld en een rechtshandeling niet wordt verbroken bij activumvervanging. Zij wijst in dit verband op beleidsmatige uitlatingen van de Staatssecretaris van Financiën in het goedkeurende Besluit van 25 maart 2013, nr. BLKB2013/110M, Stcrt. 2013, 8768, onderdeel 2.5. 30. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat geen sprake zou zijn van een besmette rechtshandeling als bedoeld in het eerste lid van artikel 10a van de Wet Vpb. Blijkens de wettekst is een indirect verband tussen schuld en rechtshandeling voor de toepassing van artikel 10a van de Wet Vpb voldoende. Er hoeft dus geen rechtstreeks verband te zijn tussen de lening en de rechtshandeling. Van een andersluidende bedoeling van de wetgever is geen sprake. Uit de stukken van het geding volgt dat het aantrekken van de aandeelhouderslening onderdeel uitmaakt van een reorganisatie na acquisitie van de [Y] groep . Een vervolgstap in deze reorganisatie is de verwerving van de aandelen [Y] BV. Dat de aandeelhouderslening eerst is doorgeleend aan [X Y] Ltd, doet aan het voorgaande niet af. De hieruit ontstane vordering is immers gebruikt voor de betaling van de aandelen in [Y] BV. Daar komt bij dat er slechts een korte tijd, te weten één maand, zit tussen het aangaan van de aandeelhouderslening en de verwerving van de aandelen in [Y] BV. Er bestaat hiermee een indirect verband tussen de aandeelhouderslening en de verwerving van de aandelen. Gelet hierop is op de aandeelhouderslening – behoudens toepassing van de tegenbewijsregeling (zie hierna) – artikel 10a, eerste lid, van de Wet Vpb van toepassing. Eiseres kan zich in dit verband niet beroepen op genoemd besluit van de Staatssecretaris van Financiën nu de goedkeuring ziet op een andere situatie, namelijk verkoop van het belang in het verbonden lichaam. Nu de primaire beroepsgrond van eiseres faalt komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van verweerders stelling dat sprake is van fraus legis. Tegenbewijsregeling: de dubbele zakelijkheidstoets 31. De rechtbank gaat hierna in op de vraag of artikel 10a, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet Vpb aan toepassing van het eerste lid van dat artikel in de weg staat. Dat is het geval als eiseres, kort gezegd, aannemelijk maakt dat aan de schuld en de besmette rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen: de zogenoemde dubbele zakelijkheidstoets. Verweerder heeft onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis terecht aangevoerd dat bij de wijziging per 1 januari 2018 niet is voorzien in overgangsrecht, zodat de wijziging onmiddellijke werking had. Nu het boekjaar van eiseres eindigt in 2018 zal de rechtbank het beroep beoordelen op basis van de per 1 januari 2018 geldende wettekst. De dubbele zakelijkheidstoets geldt daarom voor het gehele onderhavige boekjaar. Ook in geval van zogenoemde parallelliteit waarbij de schuld in feite is verschuldigd aan een derde zal de zakelijkheid van de besmette rechtshandeling (de verwerving van de aandelen in [Y] BV) dus moeten worden onderzocht. 32. De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:330, aangaande de tegenbewijsregeling het volgende overwogen: “3.3.2 Met betrekking tot het onderzoek naar de beweegredenen voor de desbetreffende rechtshandeling en de schuld heeft te gelden dat slechts de overwegingen die aan die rechtshandeling en die schuld ten grondslag liggen, relevant zijn. Bij dat onderzoek is van belang dat in het systeem van de Wet ligt besloten dat de belastingplichtige in beginsel keuzevrijheid heeft bij de wijze van financiering van een vennootschap waarin hij deelneemt. Voor zover artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet (tekst vanaf 2007), in samenhang gelezen met lid 3, aanhef en letter a, van dat artikel, een inbreuk vormt op deze keuzevrijheid door het niet in aftrek toelaten van verschuldigde rente, moet deze regeling, mede gelet op de totstandkomingsgeschiedenis en de daarin gebruikte voorbeelden, beperkt worden uitgelegd. (…) 3.3.4. Naast die keuzevrijheid heeft een belastingplichtige, en in het onderhavige geval een concern, de vrijheid zijn economische belangen en (financiële) middelen onder te brengen in een in Nederland gevestigde vennootschap, ook al wordt die keuze bepaald door omstandigheden die zijn gelegen in de sfeer van de belastingheffing. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 10a van de Wet blijkt niet dat met de invoering van die bepaling is beoogd deze tweede vrijheid te beperken.[voetnoot: Vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, rechtsoverweging 2.6.3, vierde alinea.] Die vrijheid geldt voor de inrichting van een concern, dat wil zeggen dat geen bepaling van de Wet of een daaraan ten grondslag liggend beginsel normen behelst met betrekking tot de vraag op welke plaats binnen het concern werkzaamheden worden ondergebracht en op welke plaats houdster- en tussenhoudsteractiviteiten of financieringsactiviteiten worden uitgevoerd. [voetnoot: Vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1102, rechtsoverweging 3.3.2.” 33. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden aangenomen dat een schuld zakelijk is ingegeven als aannemelijk is gemaakt dat de schuld in feite is verschuldigd aan een derde. Dat is het geval als de schuld, in dit geval de aandeelhouderslening, voldoende parallelliteit vertoont met de externe schuld, in dit geval de schuld van [X Y] F Ltd aan externe kredietverstrekkers. In zijn arrest van 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1102, heeft de Hoge Raad dienaangaande het volgende overwogen: “3.6.4 Aangenomen moet worden dat de wetgever niet heeft beoogd de renteaftrekbeperking van het eerste lid van toepassing te laten zijn op rente ter zake van een schuld die feitelijk is aangegaan met een derde. Indien de belastingplichtige de feiten stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, die de conclusie rechtvaardigen dat een schuld die rechtens is verschuldigd aan een verbonden lichaam in feite is verschuldigd aan een derde, heeft die belastingplichtige voldaan aan de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet. Dat geldt dan ten aanzien van zowel de schuld als de daarmee verband houdende rechtshandeling, zoals bedoeld in die bepaling. Evenals bij de toepassing van het eerste en het derde lid, aanhef en letter b, van artikel 10a van de Wet moeten bij de beoordeling van de vraag of een dergelijk geval zich voordoet in elk geval worden betrokken looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan van de leningen. Het gaat om beoordeling van deze omstandigheden in onderlinge samenhang. [voetnoot: Vgl. HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:640, rechtsoverweging 2.4.5.3]” 34. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldaan aan de bewijslast dat aan de aandeelhouderslening in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat sprake is van de daartoe vereiste parallellie tussen deze schuld en de door [X Y] F Ltd extern aangetrokken Facility B2. Daartoe overweegt de rechtbank dat blijkens de leningsovereenkomsten de looptijd, aflossing, rentevergoeding en het tijdstip van aangaan vrijwel volledig parallel lopen. In de overeenkomst van de aandeelhouderslening wordt op al deze punten verwezen naar en aangesloten bij de voorwaarden van Facility B2. Dat op het rentepercentage van de aandeelhouderslening een opslag van 0,05% zit, is een zodanig klein verschil dat dit naar het oordeel van de rechtbank niet afdoet aan de parallelliteit. Het gaat immers om de beoordeling van de omstandigheden in onderlinge samenhang bezien. 35. Verweerder voert aan dat de voorwaarden van de aandeelhouderslening desalniettemin onvoldoende overeenstemmen met de voorwaarden van Facility B2. Hij wijst in dit verband op feitelijke verschillen in aflossing en rentebetaling. Eiseres heeft hier tegenin gebracht dat het gaat om marginale verschillen die niet spelen in het onderhavige boekjaar. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen feitelijke (betalings-) verschillen in latere jaren, wat hier verder ook van zij, niet de parallelliteit in het onderhavige boekjaar doorbreken. Ook wijst verweerder op (de toelichting bij) de jaarrekening van eiseres waarin een bedrag van € 16.821 als aan [X Y] F Ltd te betalen rente is opgenomen. Verweerder leidt hieruit af dat de rente op de aandeelhouderslening niet wordt betaald maar schuldig gebleven. Volgens eiseres gaat het om een onjuiste toelichting in de jaarrekening. Het bedrag van € 16.821 bestaat uit twee door [Y] BV namens eiseres aan een derde partij betaalde facturen die tot de gedingstukken behoren. In de winst- en verliesrekening staat een (juist) bedrag van € 6.147.879 vermeld als rentekosten op leningen van aandeelhouders. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het bedrag van € 16.821 niet ziet op door eiseres aan [X Y] F Ltd verschuldigde rente op de aandeelhouderslening. Verder is de aandeelhouderslening in de jaarrekening van eiseres opgenomen onder kortlopende schulden, terwijl de looptijd volgens de leningsovereenkomst zeven jaar is. Volgens eiseres is ook dit een fout in de jaarrekening. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Vast staat dat de lening na afloop van het onderhavige boekjaar feitelijk nog bestond. Gelet op het voorgaande heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat aan de schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. 36. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat de aandeelhouderslening feitelijk is gefinancierd met eigen vermogen, zodat de aandeelhouderslening niet samenhangt met de door [X Y] F Ltd extern aangetrokken Facility B2. Daartoe voert verweerder aan dat de externe gelden volledig zijn aangewend om de koopprijs van de [Y] groep te voldoen. Onder verwijzing naar het ‘closing certificate’ in de Senior Facilities Agreement stelt verweerder dat het bedrag van de aandeelhouderslening in feite al aanwezig was in de structuur voordat de externe schuld werd aangetrokken en dat geen behoefte bestond om de aandeelhouderslening met vreemd vermogen te financieren. Er is volgens verweerder eigen vermogen via Jersey omgeleid en omgezet in vreemd vermogen. 37. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn onder 36 weergegeven stellingen. Uit het eerder overwogene, de vaststelling dat sprake is van parallelliteit en de overige vaststaande feiten, volgt dat een deel van de externe lening is doorgeleend aan eiseres en dat eiseres dit vervolgens heeft doorgeleend aan [X Y] Limited teneinde de koopsom voor de [Y] groep te kunnen voldoen. Met overdracht van de hiermee bij eiseres ontstane vordering van € 233 mio heeft eiseres – na het uitzakken van eiseres in de overgenomen [Y] groep – de aandelen in [Y] BV verworven (interne verhanging). Uit de stukken kan niet worden opgemaakt dat [X Y] F Ltd andere gelden dan Facility B2 heeft aangewend om door te lenen aan eiseres of dat er geen financieringsbehoefte bestond ter zake van de aandeelhouderslening. Evenmin zijn er in het dossier aanknopingspunten te vinden op grond waarvan kan worden vastgesteld of vermoed dat er tegenover de rentelast bij eiseres een daarmee corresponderende (onbelaste) bate op Jersey is gecreëerd. Uit de tot de gedingstukken behorende jaarrekeningen volgt veeleer dat de met deze rentelasten corresponderende rentebaten bij [X Y] F Ltd in het Verenigd Koninkrijk in de heffing zijn betrokken. 38. Ten aanzien van de beweegredenen voor het verrichten van de rechtshandeling heeft eiseres aangevoerd dat de markt kopers dwingt om de gehele groep in één keer en door één entiteit in één jurisdictie over te nemen. Als gevolg van deze marktwerking was interne reorganisatie vóór en na ‘closing’ noodzakelijk. De huidige eindstructuur, waarvan de onderhavige rechtshandeling onderdeel uitmaakt, heeft volgens eiseres tot doel om geldstromen van de [Y] groep makkelijker en efficiënter naar [X Y] F Ltd te laten lopen ten behoeve van het ‘servicen’ van de bankfinanciering. Zonder de reorganisatie zou de geldstroom alleen via een dividendstroom met drie tussenschakels bij [X Y] F Ltd terecht kunnen komen. Het commerciële doel van de reorganisatie is het realiseren van meer zekerheid bij het kunnen dienen van de Facility B2, aldus eiseres. Onder verwijzing naar het door [adviesbureau] UK opgestelde fiscale stappenplan betwist verweerder dat sprake is van in overwegende mate zakelijke overwegingen ten aanzien van de rechtshandeling. Volgens verweerder blijkt uit het stappenplan dat de schuld enkel is gecreëerd zodat daarmee de winst van [Y] BV kan worden gedraineerd. Volgens verweerder is het fiscale stappenplan bovendien door de aandeelhouder opgelegd. De reorganisatie is daarmee geen onafhankelijke beslissing van de directie van eiseres, aldus verweerder. 39. Met eiseres gaat de rechtbank ervan uit dat in het kader van de toepassing van de tegenbewijsregeling de beweegredenen van alle betrokkenen bij de (schuld en de daarmee verband houdende) rechtshandeling in aanmerking moeten worden genomen. Dit volgt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1460 (hersteld bij arrest van 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2167), rechtsoverweging 3.1.2. Dit betekent dat niet, zoals verweerder stelt, enkel de overwegingen van de directie van eiseres zelf relevant zijn. Bij de beoordeling betrekt de rechtbank alle relevante overwegingen van het concern. Het gaat immers om (de financiering van) een overname van een gehele groep. 40. De rechtbank acht de door eiseres voor de rechtshandeling gegeven beweegredenen zakelijk en acht aannemelijk dat hierdoor zakelijke motieven ten grondslag hebben gelegen aan de structurering van de overname. Verweerder heeft de door eiseres genoemde beweegredenen ook niet weersproken, anders dan met het betoog dat eiseres doorslaggevende fiscale beweegredenen had voor de structurering. De rechtbank acht evenwel aannemelijk dat genoemde zakelijke motieven in overwegende mate ten grondslag hebben gelegen aan de structurering. Doordat de [Y] groep door één entiteit moest worden overgenomen was interne reorganisatie noodzakelijk, mede om de geldstromen efficiënter te laten lopen. Het aangaan van de aandeelhoudersschuld, het uitzakken van eiseres in de [Y] groep , de interne verhanging van [Y] BV en het aangaan van een fiscale eenheid tussen eiseres en [Y] BV, zijn aldus een uitvloeisel van de wijze waarop de externe overname heeft plaatsgevonden. Een dergelijke ‘debt push down’ waarbij het Nederlandse deel van de [Y] groep in een Nederlandse holdingstructuur is ondergebracht en een fiscale eenheid is aangegaan om de met de overname gemoeide rentelasten te kunnen verrekenen met winsten van de overgenomen werkmaatschappij is het gevolg van de wijze waarop de externe overname heeft plaatsgevonden en is dus niet van doorslaggevend belang geweest voor de gekozen structurering. De tot de gedingstukken behorende Tax Structure paper van [adviesbureau] (zie onder 11), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Anders dan verweerder meent heeft de interne verhanging van [Y] BV dan ook economische betekenis en is geen sprake van een kunstmatige constructie. 41. De financiering en de structurering van de externe overname waarbij de rentelasten van eiseres binnen de fiscale eenheid kunnen worden verrekend met de winsten van de overgenomen vennootschap [Y] BV, passen ook binnen de in het arrest van 3 maart 2023 (zie hiervoor) genoemde keuzevrijheid bij de wijze van financiering en de vrijheid om binnen een concern de economische belangen en (financiële) middelen onder te brengen in een in Nederland gevestigde vennootschap. Deze vrijheid wordt in casu niet beperkt door artikel 10a Wet Vpb. De kwijtschelding van de vordering van [Y] BLX Ltd op [X Y] Ltd na de overdracht van de aandelen [Y] BV aan eiseres, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de dubbele zakelijkheidstoets en valt buiten het kader van artikel 10a Wet Vpb. Hetzelfde geldt voor de stellingen van verweerder die ertoe strekken dat er een onzakelijk hoge overdrachtsprijs voor de aandelen in [Y] BV zou zijn betaald (zie dienaangaande hierna). 42. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan haar bewijslast dat ook aan de rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Nu naar het oordeel van de rechtbank in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan zowel de schuld als de rechtshandeling, is voldaan aan de dubbele zakelijkheidstoets. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de compenserende heffingstoets. 43. Gelet op het voorgaande worden de rentekosten ad € 6.003.507 en de afschrijvingslast op de doorbelaste kosten ad € 757.631 niet in aftrek beperkt door artikel 10a van de Wet Vpb. Zakelijkheid overdrachtsprijs 44. Verweerder betoogt dat de voor [Y] BV betaalde prijs van € 233 mio niet aansluit bij de waarde in het economisch verkeer en onzakelijk is. De onzakelijke overdrachtsprijs heeft volgens verweerder gevolgen voor de zakelijkheid van de aandeelhouderslening en daarmee ook voor de aftrekbaarheid van de rentekosten en overige doorbelaste kosten. Die kosten zijn, naar verweerder stelt, alleen aftrekbaar voor zover de overdrachtsprijs van [Y] BV zakelijk is. Verweerder wijst in dit verband op de artikelen 8 en 8b van de Wet Vpb alsmede de uitleg daarvan in de jurisprudentie (Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AB2865) en de verrekenprijsbesluiten van 2013 (Stcrt. 26 november 2013, nr. 32.854, nr. IFZ 2013/184M) en 2018 (Stcrt. 11 mei 2018, nr. 26.874, nr. 2018-6865). 45. Artikel 8, eerste lid, van de Wet Vpb 1969 luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “De winst wordt opgevat en bepaald op de voet van de artikelen 3.8, (…) van de Wet inkomstenbelasting 2001 (…)” 46. Artikel 3.8. van de Wet inkomstenbelasting 2001 luidt als volgt: “Winst uit een onderneming (winst) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming” 47. Artikel 8b van de Wet Vpb 1969 luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “1. Indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam en tussen deze lichamen ter zake van hun onderlinge rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd (verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van die lichamen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen. (…) 3. De in het eerste (…) lid bedoelde lichamen nemen in hun administratie gegevens op waaruit blijkt op welke wijze de in dat lid bedoelde verrekenprijzen tot stand zijn gekomen en waaruit kan worden opgemaakt of er met betrekking tot de totstandgekomen verrekenprijzen sprake is van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen.” 48. Vast staat dat de overdrachtsprijs van [Y] BV is gebaseerd op de veronderstelling dat [Y] BV een ‘full risk entrepreneur’ is. Vast staat ook dat [Y] BV in feite een ‘limited risk retailer’ is, aangezien zij niet de economisch eigenaar is van de Nederlandse (merken)rechten. [Y] BV draagt maar een deel van het ondernemersrisico. De operationele winst van [Y] BV wordt daarom jaarlijks commercieel en fiscaal bijgesteld tot een vast percentage van 9% van de omzet. Bij de waardering van [Y] BV is echter gerekend met hogere winstpercentages. Verweerder stelt dat, om tot een zakelijke waarde van [Y] BV te komen, de overdrachtsprijs als ‘full risk entrepreneur’ moet worden verminderd met de door [adviseur] berekende waarde van de (merken)rechten van [Y] BV (afgerond € 141.300.000). Dit leidt tot een zakelijke prijs van afgerond € 91.700.000. Verweerder voert aan dat eiseres er ten tijde van het indienen van de aangifte Vpb 2017/2018 van bewust was dat de voor [Y] BV gehanteerde overdrachtsprijs te hoog was. Eiseres heeft immers in de jaarrekening 2017/2018 de boekwaarde van [Y] BV verlaagd tot een bedrag van € 192.006.579. Daar komt bij dat [Y] BV blijkens de jaarrekening van haar voorgaande aandeelhouder, [Y] BLX Ltd, voorheen in de boeken werd verantwoord voor £ 170.000.000. 49. Eiseres heeft hier tegenin gebracht dat de winst van [Y] BV vanwege de bijstelling van de omzet altijd positief is en een hoge mate van stabiliteit kent. De werkelijke cijfers van de afgelopen jaren zijn bovendien beter dan de prognoses van [adviseur] voor die jaren. De marges zijn door de bijstelling weliswaar lager, maar de zekerheid dat die marges worden gerealiseerd is veel hoger dan bij een ‘full risk entrepreneur’. Indien voor de waardering van [Y] BV rekening moet worden gehouden met een vast winstpercentage, moet volgens eiseres ook de disconteringsvoet worden bijgesteld. Eiseres heeft een nadere berekening van de disconteringsvoet overgelegd. Rekening houdend met die disconteringsvoet komt de waarde van [Y] BV uit op ongeveer € 246.000.000. De voor [Y] BV gehanteerde prijs is daarom in elk geval niet te laag. 50. De rechtbank stelt voorop dat verweerder terecht heeft gesteld dat de overdrachtsprijs van [Y] BV niet gelijk is aan de waarde in het economisch verkeer ten tijde van de overdracht omdat geen rekening is gehouden met de feitelijk beperkte risico’s bij eiseres. De rechtbank is het ook met verweerder eens dat de waarde in het economisch verkeer ten tijde van de overdracht lager moet zijn geweest dan de gehanteerde prijs van € 233 mio, omdat [Y] BV geen eigenaar was van de (merken)rechten. Verweerder heeft hierbij terecht aansluiting gezocht bij de cijfers uit het waarderingsrapport van [adviseur] . 51. Dit kan echter niet de gevolgtrekkingen hebben die verweerder voorstaat. Ervan uitgaande dat er een te hoge overdrachtsprijs is betaald voor de aandelen in [Y] BV, zou onder voorwaarden (bevoordelingsbedoeling, vermogensverschuiving, eis van dubbele bewustheid) sprake kunnen zijn van een winstuitdeling aan de aandeelhouder [Y] BLX Ltd. Een dergelijke correctie is niet gesteld en er is evenmin een beroep op interne compensatie gedaan. Verweerder heeft voorts te kennen gegeven ter zake van een mogelijke winstuitdeling geen beroep te doen op artikel 10a eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet Vpb (tiendagenstuk 14 mei 2025 onderdeel B.5). Van een (deels) relatieve schijnhandeling, zoals verweerder eerst in zijn nadere stuk stelt, is geen sprake. Voor het aannemelijk maken van een schijnhandeling rust de bewijslast op verweerder. Hij heeft geen bewijs geleverd voor de stelling dat partijen in werkelijkheid niet hebben beoogd een geldlening tot stand te brengen of dat er geen terugbetalingsverplichting zou bestaan ter zake van de geldlening. Ook ontbreekt het bewijs dat geen enkele niet-gelieerde ondernemer tegen de overeengekomen voorwaarden de aandeelhouderslening zou zijn aangegaan. Van een onzakelijke lening is daarom evenmin sprake. 52. Verweerder heeft nog aangevoerd dat het rentepercentage op de aandeelhouderslening een opslag kent van 0,05% zonder dat dit is onderbouwd. Deze opslag is volgens verweerder onzakelijk en in zoverre moet de renteaftrek worden geweigerd. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Eiseres heeft toegelicht dat de marge van 0,05% een vergoeding betreft voor het management van de lening op het niveau van [X Y] F Ltd (een ‘handling fee’). Het betreft geen compensatie voor andersoortige kosten, zoals verweerder stelt. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Niet in geschil is dat het zakelijk is om [X Y] F Ltd te belonen voor het faciliteren van de aandeelhouderslening. Vast staat ook dat [X Y] F Ltd méér risico’s draagt dan een eenvoudige doorleenvennootschap. Voor een eenvoudige doorleenvennootschap met beperkte risico’s is een vergoeding van 0,05% voor loanmanagement-activiteiten volgens door eiseres aangehaald beleid (Vragen en antwoorden met betrekking tot besluit Dienstverleningslichamen en zekerheid [...] in vorm van Advance Tax Ruling (ATR), DGB 2014/3099, vraag 26 en 27) zeer laag. Eiseres stelt daarom terecht dat een marge van 0,05% voor [X Y] F Ltd in ieder geval niet te hoog kan zijn. Gelet op artikel 8c, derde lid, van de Wet Vpb, worden dergelijke vergoedingen bovendien ook voor doorleenvennootschappen zonder reële risico’s tot de winst gerekend. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de renteaftrek met betrekking tot de marge van 0,05% te weigeren. 53. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank op grond van de artikelen 8 en 8b van de Wet Vpb en de daarop gebaseerde jurisprudentie, niet tot een weigering van de (rente)kostenaftrek op de aandeelhouderslening. Doorbelasting kosten door [X Y] F Ltd 54. In de aanslag heeft verweerder de afschrijvingslast op de door [X Y] F Ltd doorbelaste kosten geweigerd. Volgens verweerder is niet aannemelijk dat die kosten verband houden met de aandeelhouderslening en dat ze zodoende terecht zijn doorbelast. Ter zitting heeft verweerder nader het standpunt ingenomen dat hij alleen nog de aftrekbaarheid van de ‘RCF fee’ en de ‘legal fees’ betwist. Ten aanzien van de ‘RCF fee’ stelt verweerder dat niet aannemelijk is dat eiseres daar nut van heeft. Slechts voor zover eiseres aannemelijk maakt dat zij daar nut van heeft, kunnen deze kosten aan haar worden gealloceerd. Eiseres heeft desgevraagd verklaard dat de kosten zijn gemaakt voor het beschikbaar stellen van een ‘Revolving Credit Facility’ op het niveau van [X Y] F Ltd. Dit was nodig om de externe lening(en) überhaupt aan te kunnen trekken. Zonder de Revolving Credit Facility had [X Y] F Ltd dus ook Facility B2 niet kunnen aantrekken. Uit de door eiseres overgelegde berekening blijkt dat de ‘RCF fee’ pro rata is doorbelast aan eiseres, te weten voor de omvang van de aandeelhouderslening (15,5%) in verhouding tot de totale omvang van de externe lening(en). Naar het oordeel van de rechtbank is het in aanmerking genomen deel van de ‘RCF fee’ terecht aan eiseres doorbelast. Ten aanzien van de ‘legal fees’ heeft verweerder aangevoerd dat het due diligence kosten zijn waarvan niet duidelijk is geworden of ze zien op de aandelenkoop van de [Y] -groep (deelnemingskosten) of op de financiering. Eiseres heeft aangevoerd dat van de ‘legal fees’ geen facturen beschikbaar zijn, maar dat het totaalbedrag direct is ingehouden bij het verstrekken van de externe financiering aan [X Y] F Ltd. Hieruit volgt volgens eiseres dat de kosten alleen betrekking kunnen hebben op de financiering en niet op de aandelenkoop. De rechtbank acht deze verklaring plausibel en ziet geen reden daaraan te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres hiermee aannemelijk gemaakt dat de kosten terecht aan haar zijn doorbelast als financieringskosten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de afschrijvingslast op deze kosten in aftrek te beperken. Rentelast ad € 82.911 55. Verweerder stelt dat de in de aangifte opgenomen rentekosten van € 82.911 niet aftrekbaar zijn omdat ze niet zijn onderbouwd. Hij heeft om bewijsstukken gevraagd, maar die heeft hij niet gekregen. Eiseres heeft toegelicht dat het niet gaat om rentekosten op het niveau van eiseres, maar dat het rentekosten op het niveau van [Y] BV zijn die al bestonden vóór de overname door [X] . Ter onderbouwing wijst eiseres op de jaarrekening 2017/2018 van [Y] BV. Daarin staat onder ‘Interest paid to group companies’ een bedrag vermeld van (afgerond) € 83.000 als zijnde aan groepsvennootschappen betaalde rentekosten. Uit de jaarrekening van [Y] BV volgt dat de schuld al in het voorgaande boekjaar bestond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aftrek van deze – in de jaarrekening opgenomen – rentekosten te weigeren. Omkering en verzwaring bewijslast 56. Verweerder heeft nog aangevoerd dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard (artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)). De aangifte kent volgens hem zowel formele als materiële gebreken. 57. In de eerste plaats is de vereiste aangifte volgens verweerder materieel niet gedaan omdat een onzakelijke overdrachtsprijs voor [Y] BV is gehanteerd. Volgens vaste jurisprudentie heeft een belastingplichtige de vereiste aangifte niet gedaan indien sprake is van één of meer gebreken in de ingediende aangifte die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Zoals hiervoor onder 51. is overwogen, heeft een te hoge overdrachtsprijs voor [Y] BV echter geen gevolgen voor de verschuldigde belasting, daargelaten of het om een substantiële afwijking in voornoemde zin gaat. Reeds om die reden kan de bewijslast niet worden omgekeerd en verzwaard vanwege materiële gebreken. 58. Verweerder voert in de tweede plaats aan dat de vereiste aangifte formeel niet is gedaan omdat de aandeelhouderslening onder de toepassing van artikel 10a van de Wet Vpb valt, maar eiseres in de aangifte geen beroep heeft gedaan op de tegenbewijsregeling. Eiseres is volgens verweerder verplicht om dit in de aangifte te vermelden omdat het een aanwijzing is dat de Nederlandse grondslag kan worden uitgehold. 59. In zijn arrest van 27 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:767) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, indien de aangifteplichtige in het door hem ingediende aangiftebiljet een of meer vragen onbeantwoord laat of onjuist beantwoordt, dit in de regel tot gevolg heeft dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit lijdt echter uitzondering als het niet of onjuist beantwoorden van de desbetreffende vraag van onvoldoende gewicht is om die zware sanctie te kunnen rechtvaardigen (vgl. Hoge Raad 29 augustus 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2257). Nu naar het oordeel van de rechtbank artikel 10a van de Wet Vpb van toepassing is op de aandeelhouderslening en eiseres aldus in de aangifte een beroep had moeten doen op de tegenbewijsregeling, heeft eiseres de vereiste aangifte niet gedaan. Dit leidt in beginsel tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank acht het niet beantwoorden van de tegenbewijsvraag echter van onvoldoende gewicht om de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in het onderhavige geval te rechtvaardigen. In het algemeen is de vraag of een beroep wordt gedaan op de tegenbewijsregeling van belang omdat deze de inspecteur in staat kan stellen op het spoor te komen van het bestaan van een artikel 10a-lening. In het onderhavige geval is het belang van deze vraag echter niet gebleken. Op grond van de jaarrekening is verweerder op de hoogte geraakt dat eiseres een lening heeft gekregen van haar aandeelhouder en niet lang daarna [Y] BV heeft overgenomen. Voorafgaand aan de aanslagoplegging heeft verweerder dit al als discussiepunt opgeworpen. Gelet hierop past de rechtbank geen omkering en verzwaring van de bewijslast toe. Conclusie 60. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. De aanslag dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbare winst van (€ 6.468.948 + € 127.879 =) € 6.596.827. De belastingrentebeschikking dient dienovereenkomstig te worden verminderd. De overige gronden behoeven geen behandeling meer. Proceskosten 61. De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Anders dan eiseres heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een integrale kostenvergoeding in bezwaar en/of beroep. Uit de gedingstukken en hetgeen eiseres heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat sprake is van het tegen beter weten in handhaven van de beslissing of een zodanig ernstig onzorgvuldig handelen van verweerder dat aanleiding geeft om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht is dan ook geen sprake. 62. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.662 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1,5 wegens het gewicht van de zaak). Ook kent de rechtbank de door eiseres verzochte verletkosten ad € 267 toe. Verweerder had daar desgevraagd geen bezwaar tegen. De totale proceskostenvergoeding bedraagt dus € 4.929.” 5 Beoordeling van het geschil Vooraf – rente van 1 oktober 2017 5.1.1. Tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg bestond verschil van inzicht tussen belanghebbende en de inspecteur inzake de hoogte van de rente die voor het onderhavige jaar door belanghebbende aan [X Y] F Ltd. verschuldigd was. In haar aangifte had belanghebbende ter zake een aftrek van € 6.147.879 opgenomen. Belanghebbende heeft echter in eerste aanleg erkend dat een bedrag van € 127.879 ziet op een ander jaar en ten onrechte in het onderhavige boekjaar ten laste van de winst is gebracht. Het resterende bedrag van € 6.020.000 aan rente ziet wel op onderhavige boekjaar. Belanghebbende heeft er voorts op gewezen dat de acquisitie van de aandelen in [Y] BV plaatsvond op 2 oktober 2017, zijnde de tweede dag van het boekjaar, en ontleende hieraan het standpunt dat aftrek van de rente verschuldigd vóór 1 oktober 2017 (€ 16.493) – toen de lening al wel uitstond, maar de aandelen nog niet verworven waren, niet door de beperking van artikel 10a van de Wet Vpb kon worden bestreken. 5.1.2. Getuige het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank heeft de inspecteur dienaangaande het volgende verklaard: “U vraagt mij wat mijn standpunt is ten aanzien van de rentekosten van € 16.493 die zien op één dag voor de overname van [Y] B.V. ( [Y] BV): ik stel mij op het standpunt dat deze kosten alsnog in aftrek kunnen worden toegelaten.” Ook in haar uitspraak gaat de rechtbank ervan uit dat de aftrek van het bedrag van € 16.493 niet langer in geschil is. Belanghebbende neemt dit eveneens als uitgangspunt; in haar verweerschrift in hoger beroep vermeldt zij dat de inspecteur in eerste aanleg akkoord is gegaan met de aftrek van bedoelde rentekosten en ontleent daaraan de gevolgtrekking dat aftrek van dit bedrag niet langer in geschil is. 5.1.3. Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur gesteld dat deze passage van het proces-verbaal geen juiste weergave van zijn verklaring ter zitting is. Hij heeft bij de rechtbank weliswaar erkend dat dit bedrag rente betreft, maar hij heeft nimmer het standpunt ingenomen dat deze rentekosten in aftrek toegelaten kunnen worden, aldus de inspecteur. 5.1.4. Zijn standpunt dat het proces-verbaal op dit punt onjuist is heeft de inspecteur niet eerder betrokken dan ter zitting van het Hof (terwijl een snelle reactie wel voor de hand ligt in geval van een evidente misslag in het proces-verbaal van de rechtbank). In zijn hogerberoepschrift heeft de inspecteur weliswaar vermeld dat het bedrag van de bestreden rente € 6.020.000 bedraagt (om daar in een voetnoot aan toe te voegen dat dit dus inclusief het rentebedrag van € 16.493 voor 1 oktober 2017 is); de geciteerde passage uit het proces-verbaal wordt aldaar niet eens benoemd. Hoewel de door de inspecteur bij de rechtbank ingediende stukken geen blijk geven van het prijsgeven van dit standpunt, heeft de rechtbank de uitlatingen op de zitting wel als zodanig opgevat. 5.1.5. Het Hof overweegt dat de uitspraak van de rechtbank en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting de enige kenbronnen zijn van hetgeen ter zitting van de rechtbank is voorgevallen (vgl. onder meer HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:838). Uit het in 5.1.2 opgenomen citaat leidt het Hof af dat de inspecteur zijn standpunt dat het bedoelde rentebedrag van € 16.493 niet ten laste van de winst kan worden gebracht uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft prijsgegeven, zodat hij daar, zonder instemming van belanghebbende, die ontbreekt, in hoger beroep niet op terug kan komen (zie HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:781). Het Hof zal in zijn uitspraak de juistheid van het in 5.1.2 opgenomen citaat als uitgangspunt nemen. In de hiervoor beschreven omstandigheden ziet het Hof geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur 5.1.6. Tussen partijen heeft zich een discussie over de in deze zaak gepresenteerde feiten ontsponnen. Belanghebbende heeft de indruk dat de inspecteur daarbij een niet passende toonzetting bezigt en wijst op elementen die naar haar indruk discriminatoir zijn. De inspecteur heeft op de zitting van het Hof toegelicht dat een volledig beeld van deze zaak naar zijn opvatting ook enige context vergt. De inspecteur heeft echter ook erkend dat sommige van deze gepresenteerde feiten, zoals de (Russische) nationaliteit van belanghebbendes (uiteindelijke) aandeelhouder, niet relevant zijn voor het voorliggende geschil. Daarmee heeft hij echter niet bedoeld de zaak te kleuren; de inspecteur stelt zijn correcties te hebben aangebracht vanwege de aard van de structuur en niet vanwege de nationaliteit van de aandeelhouder. Beide partijen hebben hun punt gemaakt. Hoewel de stijl neutraler kan, is de kwestie niet van dien aard dat belanghebbende tegenover de betwisting door de inspecteur de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die tot het oordeel kunnen leiden dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur, dan wel het discriminatieverbod. Aangezien geen sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen zal het Hof hier ook in het kader van belanghebbendes verzoek om (integrale) proceskostenvergoeding, geen gewicht aan toekennen (zie punt 6). Toepassing artikel 10a, lid 1, van de Wet Vpb 5.2. In onderdelen 26 en 27 van haar uitspraak heeft de rechtbank het wettelijk kader weergegeven voor het bepalen van aftrekbaarheid van rente onder artikel 10a van de Wet Vpb. Het Hof zal dit toetsingskader eveneens hanteren. In onderdelen 28 tot en met 30 van haar uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de schuld van belanghebbende aan [X Y] F Ltd. onder de werking valt van artikel 10a, lid 1, van de Wet Vpb. Het Hof onderschrijft dit oordeel en de gronden waarop het berust en maakt deze tot de zijne. Eerste tegenbewijsregeling: de (dubbele) zakelijkheidstoets 5.3.1 Het gevolg is dat artikel 10a, lid 1, van de Wet Vpb aan aftrek door belanghebbende van rente op de bedoelde schuld in de weg staat, tenzij belanghebbende een succesvol beroep doet op de tegenbewijsregeling van het derde lid van dat artikel. 5.3.2. De inspecteur kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat aan de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet Vpb is voldaan. Hij meent dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de verwerving door belanghebbende van de aandelen in [Y] BV (hierna ook: de rechtshandeling) in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen en dat belanghebbende evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de schuld van belanghebbende aan [X Y] F Ltd. 5.3.3. Met partijen is het Hof van oordeel dat bij de beoordeling daarvan een onderscheid gemaakt dient te worden tussen de periode vóór inwerkingtreding, per 1 januari 2018, van het Belastingplan 2018 (Staatsblad 2017, 517) en de periode daarna. Vóór die inwerkingtreding luidde artikel 10a, lid 3, letter a, van de Wet Vpb als weergegeven in onderdeel 27 van de uitspraak van de rechtbank. Toen had te gelden dat aan de tegenbewijsregeling is voldaan, indien aannemelijk is gemaakt dat een schuld die rechtens is verschuldigd aan een verbonden lichaam in feite is verschuldigd aan een derde (zie HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:640, r.o. 2.4.7.1). In zoverre zou men ook kunnen spreken van een enkele zakelijkheidstoets. Na inwerkingtreding van het Belastingplan 2018 kwam artikel 10a, lid 3, letter a, van de Wet Vpb te luiden zoals weergegeven in onderdeel 28 van de rechtbankuitspraak. Vanaf dat moment diende, ook bij een schuld die materieel is verschuldigd aan een derde, de beweegredenen van de daarmee verband houdende rechtshandeling alsnog afzonderlijk in de zakelijkheidstoets te worden betrokken (zie MvT, Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 3, p. 6-7). Vanaf dat moment kon men dus, ook in de bedoelde situatie, weer spreken van een dubbele zakelijkheidstoets. 5.3.4. De wetswijziging had directe werking per 1 januari 2018. Dit volgt uit onderdeel XV van het Belastingplan 2018 en dat is ook tijdens de parlementaire behandeling bevestigd (zie hiertoe NnavV, Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 6, p. 12-13). De nieuwe tekst van artikel 10a, lid 3, letter a, van de Wet Vpb was dan ook vanaf 1 januari 2018 van toepassing op renten vanaf toen, dus ook op renten ter zake van reeds vóór die datum bestaande schulden. Deze directe werking gaat echter niet zo ver dat zij zich uitstrekt tot rentelasten aangegroeid vóór de datum van inwerkingtreding. Het Hof voegt hieraan toe dat de Wet Vpb geen bepaling kent met dezelfde strekking als artikel 3.66, lid 2, van de Wet IB 2001 noch een schakelbepaling naar dat artikellid. Voor aftrekbaarheid van rentelasten van vóór 1 januari 2018 dient het Hof dan ook de op dat moment geldende wetsbepaling (en jurisprudentie) toe te passen. Het Hof zal zich hierna buigen over de vraag of belanghebbende aan de op haar rustende bewijslast voor de periode tot 1 januari 2018 en voor de periode daarna heeft voldaan. De rechtshandeling 5.4.1.1. Het Hof zal allereerst ingaan op de gestelde zakelijkheid van de rechtshandeling. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat aan de rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen. De rechtbank noemt in dit verband de overweging om geldstromen van de [Y] groep gemakkelijker en efficiënter naar [X Y] F Ltd te laten lopen. Belanghebbende heeft in dat kader toegelicht dat de geldstroom zo efficiënter liep wat betreft het ‘servicen’ van de banklening, immers zonder de reorganisatie zou de geldstroom alleen via een dividendstroom met drie tussenschakels bij [X Y] F Ltd terecht kunnen komen (zie rechtsoverweging 38 tot en met 40 van de uitspraak van de rechtbank). Belanghebbende onderschrijft het in rechtsoverweging 40 gegeven oordeel van de rechtbank. 5.4.1.2. Belanghebbende stelt daarnaast dat een zakelijke overweging erin gelegen was dat [Y] BV op de juiste of logische plaats in het concern moest worden gebracht en dat een interne herstructurering na een externe aankoop van een groep van vennootschappen niet bijzonder is. 5.4.2.1. De inspecteur betoogt dat niet aannemelijk is dat aan de rechtshandeling in overwegende mate zakelijke redenen ten grondslag lagen. Hij betwist dat de door belanghebbende gegeven – en door de rechtbank gevolgde – overwegingen ten grondslag lagen aan de interne herstructurering (waarmee de stappen beschreven in 2.4, 2.8, 2.11 en 2.12 worden bedoeld). Zo deze daaraan al ten grondslag hebben gelegen zijn deze niet doorslaggevend geweest, aldus de inspecteur. Hij wijst in het bijzonder op het vermelde in de engagement letter (zie 2.14) en in het Tax Structure paper, waaruit hij concludeert dat het te doen is om renteaftrek in Nederland te creëren zonder een toename van enige betekenis van de belastingheffing in het Verenigd Koninkrijk (zie 2.15.1). Hij wijst daarbij ook op de loan note die door [X Y] Midco aan [X Y] Jersey is verstrekt (zie 2.3). Uit het vermelde in het Tax Structure paper leidt hij af dat de schuldverschuiving (debt pushdown) het aangaan van additionele aandeelhoudersschuld door de fiscale consolidatiegroep in het Verenigd Koninkrijk mogelijk maakt (zie weer 2.15.1). Deze loan note leidt tot rentekosten die aftrekbaar zijn in het Verenigd Koninkrijk, terwijl de corresponderende rentebaten van [X Y] Jersey niet belast worden aangezien [X Y] Jersey in Jersey onderworpen is aan een 0%-tarief (zie 2.15.6). 5.4.2.2. De inspecteur meent dat niet geloofwaardig is dat de interne herstructurering in betekenende mate bij kon dragen aan het efficiënter ‘servicen’ van de betalingen op de banklening door [X Y] F Ltd. Hij wijst er daartoe op dat belanghebbende (als ‘lege’ tussenhoudster) voor de betaling van de aan [X Y] F Ltd verschuldigde rente afhankelijk was van uitkeringen uit de winst van [Y] BV. Omdat [Y] BV een limited risk retailer was, was deze winst voorspelbaar en beperkt. Op voorhand kon worden vastgesteld, aldus de inspecteur, dat de winst van [Y] BV te beperkt was om de rente te voldoen. Daarnaast meent de inspecteur dat, zo er al een efficiëntievoordeel kan worden behaald met het achterwege laten van een dividendstroom via drie tussenschakels, dit niet opweegt tegen de kosten en inefficiëntie die de herstructurering zelf met zich meebracht. De inspecteur acht dan ook ongeloofwaardig dat met de interne herstructurering een efficiëntievoordeel te behalen is en betwist dat dit een overweging kan zijn geweest bij de tenuitvoerlegging van de interne herstructurering. 5.4.2.3. Daarnaast betwist de inspecteur dat de gestelde zakelijke overwegingen bij belanghebbende (of de aan haar verbonden vennootschappen) ook daadwerkelijk een rol hebben gespeeld, laat staan dat deze doorslaggevend zijn geweest. De inspecteur wijst er daartoe op dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waarmee aannemelijk kan worden gemaakt dat de door belanghebbende gestelde zakelijke redenen daadwerkelijk in haar overwegingen zijn betrokken. 5.4.2.4. De inspecteur betwist voorts de stelling van belanghebbende (die de rechtbank in haar uitspraak niet heeft gevolgd) dat een zakelijke overweging is gelegen in de wens om [Y] BV in de juiste of logische plek binnen het concern onder te brengen. Ook deze stelling is door belanghebbende niet met stukken onderbouwd. Belanghebbende heeft ook nagelaten te verhelderen aan welke vereisten de juiste concernpositionering dient te voldoen (en of dit al dan niet fiscaal gedreven overwegingen betrof). Ook heeft belanghebbende niet toegelicht, aldus de inspecteur, wat maakte dat [Y] BV als dochtervennootschap van [Y] BLX Ltd zich niet, maar, na het tussenschuiven van belanghebbende (toen een nieuw opgerichte lege houdstermaatschappij), als kleindochter van [Y] BLX Ltd zich wel op de juiste plek binnen het concern bevond. Een zakelijke overweging hiervoor kan niet gevonden worden in de wens om vennootschappen uit dezelfde jurisdictie te groeperen, want zonder de interne herstructurering zou belanghebbende niet zijn opgericht en was [Y] BV de enige Nederlandse vennootschap binnen de groep, aldus nog steeds de inspecteur. Een zakelijke overweging kan evenmin worden gevonden in de omstandigheid dat een nieuwe concernpositionering na een externe acquisitie gebruikelijk (niet bijzonder) is. Het gaat er immers niet om te beoordelen of sprake is van een ongebruikelijke transactie, het gaat erom vast te stellen wat de overwegingen zijn geweest die aan de rechtshandeling ten grondslag hebben gelegen en of aannemelijk is gemaakt dat die in overwegende mate zakelijk waren. 5.4.3.1. Het Hof stelt voorop dat het bij het bewijs van de zakelijkheid van een rechtshandeling niet zozeer gaat om het bestaan van een abstracte mogelijkheid dat die rechtshandeling een zakelijk voordeel op zou kunnen leveren. Het gaat erom welke concrete overweging of overwegingen een belastingplichtige (en diens concern) tot die rechtshandeling hebben gebracht, om vervolgens aan de hand van die concrete overwegingen aannemelijk te maken dat zakelijke, niet-fiscale, overwegingen bij het aangaan van die rechtshandeling de doorslag hebben gegeven. Slechts op die wijze kan de belastingplichtige erin slagen aannemelijk te maken dat aan de met de schuld verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, zoals artikel 10a, lid 3, letter a, Wet Vpb verlangt. Indien het, door het ontbreken van bewijsmiddelen, niet mogelijk is aannemelijk te maken dat concrete zakelijke overwegingen daartoe de doorslag hebben gegeven, dient, gelet op de door de wet voorgeschreven bewijslastverdeling, het oordeel te zijn dat niet aan (dit onderdeel van) de tegenbewijsregeling is voldaan. 5.4.3.2. Het Hof stelt vast dat de stukken van het geding geen aanwijzing bevatten dat het door belanghebbende in deze procedure gestelde belang van een efficiënte geldstroom of van een zakelijk onderbouwde juiste concernpositionering bij het besluit tot de interne herstructurering een rol heeft gespeeld, behoudens die stelling (c.q. partijverklaring) van belanghebbende zelf. Die aanwijzing kan niet worden gevonden in het vermelde op pagina 40 van het Tax Structure paper (zie 2.15.5). Daar staat immers enkel dat rente afkomstig van belanghebbende zal worden aangewend om de bankrente te financieren en dat deze rente zal worden gefinancierd met dividenden van [Y] BV en niet dat dit een reden is om de rechtshandeling (of de interne herstructurering waarvan deze onderdeel uitmaakte) aan te gaan en evenmin dat dit een efficiëntievoordeel heeft. Het Hof volgt daarnaast hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd (in 5.4.2.4) ter betwisting van het standpunt van belanghebbende (in 5.4.1.2. weergegeven) dat een zakelijke overweging is gelegen in de wens tot een juiste concernpositionering van [Y] BV. De notulen van de vergadering van 2 oktober 2017 van het bestuur van belanghebbende (zie 2.16) waarin werd besloten om over te gaan tot de stappen van de interne herstructurering die een bestuursbesluit behoeven (c.q. een bekrachtiging) bevatten ook geen aanwijzing voor een zakelijke overweging voor de interne herstructurering (de rechtshandeling daaronder begrepen). Daarin wordt overwogen dat de transacties, kortgezegd, in het vennootschappelijk belang van belanghebbende en haar groepsvennootschappen zijn en dat zij daar een vennootschappelijk voordeel uit put, maar waaruit dat belang en dat voordeel concreet bestaat wordt niet vermeld. 5.4.3.3. Het is echter niet zo dat de gedingstukken elke aanwijzing ontberen van hetgeen belanghebbende (en haar concern) tot de interne herstructurering heeft bewogen. Het Hof wijst op het vermelde in ‘Schedule 1’ bij de engagement letter van [adviesbureau] UK (zie 2.14). Aldaar staat dat dat [adviesbureau] een ‘tax structure memorandum’ zal opstellen waarin de stappen beschreven worden om naar de gewenste structuur te komen (“the steps required to implement the desired structure”) en dat dit omvat dat de schuld naar Nederland wordt verschoven teneinde een gedeelte van de belastbare winst in Nederland te verminderen met renteaftrek (“ so as to offset a portion of the taxable profits in Netherlands with interest expenses ”). Op de vermelding aldaar dat het een gedeelte van de overnameschuld aan de banken is dat wordt verschoven zal het Hof in 5.5.5.3 ingaan. Hierover wordt voorts opgemerkt dat de schuldverschuiving (zo verstaat het Hof, daarbij uitleg gevende aan de woorden ‘to optimise the tax efficiency’) in belaste rente-inkomsten van de crediteur in het Verenigd Koninkrijk resulteert en dat hierom een aandeelhouderslening in de structuur wordt geïntroduceerd, zodat de daaruit voortvloeiende aftrekbare rente tegen deze belaste rente-inkomsten kan worden afgezet. 5.4.3.4. Het Tax Structure paper bouwt op deze voorgestelde schuldverschuiving voort. Op pagina 8 daarvan wordt gewezen op het dubbele voordeel van die verschuiving: renteaftrek tegen het Nederlandse belastingtarief dat hoger is dan dat in het Verenigd Koninkrijk en de mogelijkheid om aanvullende aandeelhoudersschuld in het Verenigd Koninkrijk te plaatsen zonder dat de netto-rente (het Hof begrijpt: rentekosten verminderd met rente-inkomsten) de bovengrens van 30% van de EBITDA overstijgt. Geanticipeerd wordt daarbij op verwachte wetgeving die renteaftrek boven die bovengrens zou beperken. Het Hof acht aannemelijk dat deze aanvullende aandeelhoudersschuld is vormgegeven met de loan note die door [X Y] Midco is uitgegeven aan [X Y] Jersey en dat het (voornaamste) doel hiervan geweest moet zijn om gebruik te maken van de extra renteaftrekmogelijkheid in het Verenigd Koninkrijk, zonder dat dit in heffing over de rentebaten in Jersey resulteert (zie 2.15.6). Het Tax Structure paper besteedt daarnaast aandacht aan de in Nederland geldende beperkingen van renteaftrek. Zo wordt op pagina’s 8, 23 en 25 (zie 2.15.1-3) ingegaan op de wenselijkheid voor de renteaftrek van parallellie tussen de bankschuld en de schuld van belanghebbende en op de werking van de aftrekbeperking van rente op bovenmatige overnameschulden binnen de fiscale eenheid (het in 2019 vervallen artikel 15ad van de Wet Vpb). Met het oog op dit artikel 15ad van de Wet Vpb wordt de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen van belanghebbende aanvankelijk onder 40% tegenover 60% gehouden. 5.4.3.5. Zoals in 5.4.3.2 is overwogen vermelden de notulen van de bestuursvergadering van belanghebbende (zie 2.16) niet welk concreet vennootschappelijk belang is gediend met de interne herstructurering (en de rechtshandelingen die daarvan onderdeel uitmaken) of welk concreet voordeel belanghebbende daaruit put. In de overwegingen die in de notulen zijn opgenomen wordt wel verwezen naar het Tax Structure paper, waarin daarvoor, zoals in 5.4.3.4. is uiteengezet, met betrekking tot de transacties leidende tot de schuldverschuiving enkel fiscale overwegingen worden gegeven. Het Hof houdt het ervoor dat, zo het bestuur van belanghebbende bij zijn instemming al een concreet vennootschappelijk belang en voordeel voor ogen heeft gehad, dit niet in de efficiëntere geldstromen of andere zakelijke overwegingen, maar in de fiscale gevolgen moet hebben gelegen. Voor belanghebbende betrof het fiscale gevolg de renteaftrek. Voor de groep als geheel ontwaart het Hof aan concrete overwegingen in de stukken enkel dat naast de belastingbesparing in Nederland het belang (het dubbele voordeel, zie 2.15.1) erin moet hebben gelegen dat als gevolg van de rente op de loan note per saldo geen additionele belasting van enige betekenis verschuldigd zou worden vanwege de aftrek (in het Verenigd Koninkrijk) zonder heffing (in Jersey) van de rente op de loan note. 5.4.3.6. In het licht van het hiervoor overwogene acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende en de groep van aan haar verbonden vennootschappen niet zozeer tot de rechtshandeling zijn bewogen door zakelijke overwegingen, maar veeleer door overwegingen van fiscale aard. Het Hof komt tot het oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast aannemelijk te maken dat aan de rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen. Gelet op het hiervoor onder 5.4.3.1 tot en met 5.4.3.5 overwogene geven de stukken er enkel blijk van dat bij belanghebbende en de groep van aan haar verbonden vennootschappen overwegingen van fiscale aard doorslaggevend zijn geweest bij het aangaan van de rechtshandeling. De schuld aan het verbonden lichaam 5.5.1.1. Het Hof zal vervolgens ingaan op de vraag of aan de schuld van belanghebbende aan [X Y] F Ltd (een met haar verbonden lichaam) in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Gelet op het overwogene in 5.3.4 is het antwoord op deze vraag in ieder geval relevant voor de periode vóór 1 januari 2018. 5.5.1.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad liggen aan een schuld die een belastingplichtige rechtens is verschuldigd aan een met hem verbonden lichaam voor de toepassing van de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, letter a, Wet Vpb in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag indien de schuld in feite is aangegaan met een derde (zie bijvoorbeeld HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1102 r.o. 3.6.4 en HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:394, r.o. 4.2.1). Voor de periode tot 1 januari 2018 geldt daarbij dat, indien de belastingplichtige de feiten stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, die de conclusie rechtvaardigen dat een schuld die rechtens is verschuldigd aan een verbonden lichaam in feite is verschuldigd aan een derde, die belastingplichtige voldaan heeft aan de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet Vpb (zie HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:640, r.o. 2.4.5.3). 5.5.2. Belanghebbende wijst (onder andere) op de in 5.5.1.2 genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. Zij betoogt dat zij de door [X Y] F Ltd aan haar geleende gelden feitelijk bij derden, in de markt, heeft aangetrokken en dat sprake is van voldoende parallellie tussen de interne en de externe lening. Daarmee is volgens haar voldaan aan het in artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet Vpb gestelde vereiste dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat aan de schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. 5.5.3.1. De inspecteur heeft de argumentatie van belanghebbende weersproken door zich allereerst op het standpunt te stellen dat de door [X Y] F Ltd aan belanghebbende uitgeleende gelden afkomstig zijn van de fondsen die als eigen vermogen zijn gestort op aandelen in het kapitaal van [X Y] F Ltd en dat deze fondsen uiteindelijk afkomstig zijn van [X] (zie 2.3). Daarmee betoogt hij tevens dat de gelden die belanghebbende heeft geleend niet afkomstig zijn van de aan [X Y] F Ltd verstrekte banklening. De met deze externe banklening beschikbaar gekomen middelen waren volgens de inspecteur namelijk ervoor bestemd, en zijn ook volledig gebruikt, om de koopsom voor de aandelen in [Y] Int Ltd te voldoen. Bovendien heeft belanghebbende in haar nader stuk in hoger beroep bevestigd dat zij ten tijde van de transactie in augustus 2017 niet beschikte over een eigen bankrekening. 5.5.3.2. De inspecteur betwist daarnaast dat sprake is van voldoende parallellie tussen de interne lening en de externe bankschuld en meent dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat voldoende parallellie aanwezig is voor wat betreft looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan van de leningen. Hij betoogt dat het daarbij gaat om de werkelijk geldende voorwaarden en dat de rechtbank ten onrechte teveel waarde heeft gehecht aan de akte van de interne leningsovereenkomst (deels in 2.8 opgenomen). Indien door partijen zonder kenbare gevolgen van de voorwaarden in die akte wordt afgeweken, gelden kennelijk andere voorwaarden die in die akte niet zijn opgenomen en die belanghebbende niet heeft verstrekt. Hij wijst onder andere op het volgende: - Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de rentevergoeding op de interne lening steeds is voldaan (waar de rente op de banklening steeds op factuur is betaald). Uit de slotbalansen van belanghebbende volgt dat soms rente schuldig is gebleven. Voor het boekjaar is dit bedrag nog beperkt. Dat de slotbalans per 30 september 2019 deze balanspost niet bevat maakt niet dat de eerder opgenomen rente is voldaan, andere verklaringen zijn immers denkbaar. Uit de jaarrekening 2022/2023 van [X Y] F Ltd blijkt dat de aangegroeide, onbetaalde rente is opgelopen van ongeveer GBP 14,3 miljoen tot ongeveer GBP 20,6 miljoen. Belanghebbende had aannemelijk kunnen maken dat de rente steeds juist is voldaan door betalingsbewijzen of notificaties te verstrekken, maar heeft dat, ondanks haar toezegging daartoe, nagelaten, aldus de inspecteur. - De hoogte van de rentevergoeding die [X Y] F Ltd in haar jaarrekening 2017/2018 verantwoordt (3,9%) komt niet overeen met de rente die onder de akte van de interne lening verschuldigd zou zijn (4,3%). - De interne lening heeft een looptijd van 7 jaar, of een andere overeengekomen looptijd die nader tussen partijen overeengekomen is (zie 2.8). Volgens de jaarrekeningen en aangiften VpB van het boekjaar en de jaren 2018/2019 en 2019/2020 van belanghebbende heeft de interne lening een looptijd van minder dan 1 jaar, zodat kennelijk gebruik is gemaakt van de mogelijkheid een andere looptijd overeen te komen. Daarmee lopen de looptijden van de leningen uiteen, want de banklening heeft een vaste looptijd van 7 jaar. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake was van een fout in de jaarrekeningen en belanghebbende heeft de lening in haar jaarrekeningen voor 2020/2021 en 2021/2022 wel als langlopende schuld opgenomen. De inspecteur wijst er echter op dat de bewijslast voor de parallellie (en daarmee op die van de overeenkomende looptijd van de interne lening en de banklening) op belanghebbende rust en acht belanghebbende in die bewijslast niet geslaagd door zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, te stellen dat de in de jaarstukken en aangiften opgenomen looptijd onjuist is, zeker gelet op het gewicht dat aan deze stukken gehecht dient te worden. - Belanghebbende heeft als bijlagen bij haar tiendagenstuk in hoger beroep aangepaste (niet gecertificeerde) interne jaarrekeningen 2019/2020, 2020/2021 en 2021/2022 overgelegd die, gelet op de ondertekening, pas in december 2025 zijn opgesteld. Volgens de inspecteur blijkt daaruit dat de rente gedurende de looptijd van de externe lening sinds die jaren ook schuldig wordt gebleven en dus niet periodiek is betaald parallel met de betalingen uit hoofde van de externe schuld. Overigens is de rubricering van de interne schuld als langlopend in de jaarrekeningen van belanghebbende pas in december 2025 aangepast, nadat zij door de inspecteur op de kortlopende rubricering was gewezen. Volgens de inspecteur is niet aannemelijk dat hierbij sprake is geweest, zoals belanghebbende stelt, van fouten in haar jaarrekening die zij niet eerder had opgemerkt, omdat het hierbij gaat om de belangrijkste balanspost en om jaarstukken die door haar zelf zijn opgesteld. - Ook de gevolgde aflossingsschema’s van de leningen lopen uiteen, getuige de jaarrekeningen van belanghebbende en [X Y] F Ltd. Zo is in elk geval op de interne lening in 2018/2019 7,6% afgelost en op de banklening niets (hetgeen belanghebbende niet heeft betwist). De rechtbank heeft geoordeeld dat het hier enkel gaat om een feitelijk betalingsverschil in een later jaar en heeft daar kennelijk mee tot uitdrukking willen brengen dat dit geen onderdeel was van een aflossingsschema dat in het onderhavige jaar al was overeengekomen of waartoe de interne lening wel de vrijheid bood en de bankschuld niet. Hij brengt hier tegenin dat het volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad gaat om een aflossings schema , hetgeen duidt op een beoordeling over meerdere jaren en dat de bewijslast van de parallellen in dat schema rust op belanghebbende, aldus nog steeds de inspecteur. 5.5.4.1. Gelet op het betoog van de inspecteur dat de banklening niet is bedoeld en door [X Y] F Ltd niet is gebruikt om de lening aan belanghebbende te verstrekken, ziet het Hof zich gesteld voor de vraag of deze omstandigheid van belang is om vast te kunnen stellen of belanghebbende de schuld feitelijk verschuldigd is aan een derde (de banken), of dat kan worden volstaan met het toetsen van de parallellie in de voorwaarden van de interne en de banklening. Het Hof overweegt als volgt. 5.5.4.2. De Hoge Raad leidt in zijn arrest van 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:640 (r.o. 2.4.5.3) de zakelijkheid van een interne schuld die feitelijk is aangegaan jegens een derde af uit de parlementaire geschiedenis van de bedoelde wettelijke bepaling, meer in het bijzonder uit de volgende twee passages: “Voorts kan worden gedacht aan de situatie dat er sprake is van een lening verstrekt door een verbonden lichaam, terwijl dit lichaam op zijn beurt leent van een derde. Feitelijk is de lening alsdan aangegaan jegens een derde. Bij de zakelijke overwegingen blijven motieven die er op zijn gericht de heffing van belasting voor het vervolg geheel of gedeeltelijk onmogelijk te maken buiten beschouwing. Dit betekent dat indien er aan het complex van rechtshandelingen alsmede aan de lening in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, de rente in aftrek kan worden gebracht.” (Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 21) “In de memorie van toelichting is op bladzijde 21 aangegeven dat hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin sprake is van een lening verstrekt door een verbonden lichaam, terwijl dit lichaam op zijn beurt leent van een derde. Feitelijk is de lening dan aangegaan jegens een derde.” (Kamerstukken II 1996/97, 24 696, nr. 8, p. 27) 5.5.4.3. De Hoge Raad neemt in zijn arrest van 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:394, in r.o. 3.1.6 het volgende tot uitgangspunt: “Belanghebbenden hebben na hun overname door [E] leningen opgenomen bij [C] [ Hof : de interne leningen]. [C] heeft daartoe bij derden, in de markt, gelden aangetrokken (hierna: de externe financiering). (…)”. Het Hof overweegt dat uit het gebruik van het woord ‘daartoe’ afgeleid kan worden dat de Hoge Raad klaarblijkelijk als feitelijk uitgangspunt van belang achtte dat sprake dient te zijn van een causaal verband tussen de interne leningen en de externe financiering. Voorts leidt het Hof af uit de omstandigheid dat de zaak die uiteindelijk heeft geleid tot het hiervoor vermelde arrest van 22 maart 2019 aanvankelijk na de eerste cassatieronde is verwezen (bij het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638), dat alleen boekhoudkundige dekking (“boekhoudkundige-dekkingsparallellie") ontoereikend is om voldoende schuldparallellie aannemelijk te achten en dat daarvoor tevens causaal verband vereist is, zoals hiervoor overwogen. 5.5.4.4. Een andere aanwijzing dat een dergelijk causaal verband tussen de interne en de externe schuld belang heeft, kan worden gevonden in het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:640. Ook in dat arrest gebruikt de Hoge Raad (in r.o. 2.1.6) het woord ‘daartoe’ op dezelfde wijze als in het arrest van 22 maart 2019. Daarnaast overweegt de Hoge Raad (in r.o. 2.3.2) het volgende: “(…) Naar ’s Hofs oordeel is sprake van parallellie indien er een causaal (historisch) verband bestaat tussen de geldlening aan belanghebbende en de externe lening, en indien de voorwaarden van die leningen vergelijkbaar zijn.” en in r.o. 2.3.4: “Het Hof heeft aannemelijk geacht dat sprake is van parallellie tussen de interne lening van [X London Branch] aan belanghebbende en de externe lening(en) van [X London Branch] waarmee die interne lening is gefinancierd. Het Hof heeft zich daarbij gebaseerd op (a) hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd, in het bijzonder door middel van een op schrift gestelde verklaring van een bij [X London Branch] werkzame ‘trader’, en (b) op het ontbreken van een gemotiveerde weerspreking van de inhoud van die verklaring door de Inspecteur.” De Hoge Raad overweegt in r.o 2.4.7.2: “Voor zover het middel ’s Hofs hiervoor in 2.3.4 weergegeven oordeel bestrijdt, faalt het eveneens. Het Hof heeft vastgesteld dat [X London Branch] voor de financiering van de aan belanghebbende verstrekte lening bij derden [cursivering Hof], in de markt, gelden heeft aangetrokken en wel, naar tussen partijen niet in geschil is, in de vorm van vreemd vermogen. In het licht van deze vaststelling is niet onbegrijpelijk het oordeel van het Hof dat de parallellie tussen de interne lening van [X London Branch] aan belanghebbende en de externe lening van [X London Branch] waarmee die interne lening is gefinancierd, voldoende aannemelijk is te achten. Het Hof heeft hiermee ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip parallellie, zoals hiervoor nader beschreven in 2.4.5.3.” 5.5.4.5. De Hoge Raad stelt bij zijn oordeel het vereiste causaal verband voorop door te overwegen dat het Hof heeft vastgesteld dat de externe gelden zijn aangetrokken voor de financiering van de interne lening (zie de gecursiveerde zinsnede) om daarna tot het oordeel te komen dat er parallellie bestaat. Het Hof leidt hieruit af dat het bij de feitelijke crediteur (de derde jegens wie de lening feitelijk is aangegaan) gaat om de feitelijke geldverstrekker, waarbij daarnaast voldoende parallellie dient te bestaan in de voorwaarden van de interne en de externe lening. Een ander argument is dat de Hoge Raad in zijn toetsingscriteria voor parallellie, niet de criteria ‘risico en zekerheid’ noemde (zie het arrest van 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, r.o. 2.7.3). A-G Wattel suggereerde dit al in zijn conclusie bij het arrest van 22 maart 2019 (zie onderdeel 6.11 daarvan), en ontleent een argument voor de stelling dat het om de feitelijke geldverstrekker moet gaan aan het ontbreken van de criteria ‘risico en zekerheid’ als hoofdcriteria voor de beoordeling van de aanwezigheid van de vereiste parallellie. Doordat de Hoge Raad hierop (zonder kenbare noodzaak daartoe) verduidelijkt dat voor de beoordeling van de parallellie niet van belang is of ten behoeve van de interne crediteur zekerheid is gesteld in wint dit argument van de A-G aan kracht (zie r.o. 4.2.1 van het arrest van 22 maart 2019). 5.5.5.1. Het Hof stelt in de thans voorliggende zaak voorop dat, nu belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de lening weliswaar rechtens verschuldigd is aan [X Y] F Ltd maar in feite verschuldigd is aan het syndicaat van (niet-verbonden) banken, op haar de bewijslast rust feiten en omstandigheden te stellen en, gelet op de betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken die tot de conclusie leiden dat dit standpunt juist is. Het Hof overweegt als volgt. 5.5.5.2. Gelet op het in 5.5.4.1 tot en met 5.5.4.5. overwogene is het bij de beoordeling daarvan van belang dat de lening onder de SFA met het bankensyndicaat (gedeeltelijk, namelijk voor € 140.000.000) ten doel dient te hebben intern te worden doorgeleend en dat de banken ook de feitelijke verstrekkers moeten zijn van de intern aan belanghebbende geleende gelden. Daarnaast geldt de voorwaarde dat voldoende parallellie bestaat tussen voorwaarden van de interne en die van de banklening. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan de op haar rustende bewijslast van die eerste voorwaarde (doel en gebruik van de banklening) heeft voldaan en overweegt daartoe als volgt. 5.5.5.3. Allereerst heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de banklening is aangetrokken met het doel om daaruit de door belanghebbende verschuldigde koopsom van de aandelen in [Y] BV (ten dele) te financieren. Uit de SFA valt veeleer af te leiden dat deze aanwending van de gelden van de banklening nu juist niet bedoeld was. Het doel van de banklening staat omschreven in Clause 3 van de SFA (zie 2.5) en houdt kort gezegd in: het financieren van de kooprijs van de aandelen in [Y] Int Ltd, de kosten van die aankoop en het herfinancieren van schulden van (leden van) de [Y] groep van vóór de aankoop. Het verstrekken van de interne lening aan belanghebbende om haar in staat te stellen de koopprijs van de aandelen in [Y] BV te financieren is hier naar ’s Hofs oordeel geenszins onder te scharen. De gelden van de banklening zijn daarnaast ook feitelijk niet aangewend om als (interne) lening aan belanghebbende te verstrekken. Belanghebbende heeft althans tegenover de betwisting door de inspecteur niet de feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat de banklening geheel of gedeeltelijk is aangewend voor voldoening van de koopprijs voor de aandelen in [Y] Int Ltd en voor voldoening van de fees. Het gedeelte dat is gebruikt voor de betaling van de koopprijs (van de B1 Facility ongeveer £ 426,1 miljoen van de £ 450 miljoen en van de B2 Facility ongeveer € 407 miljoen van de € 415 miljoen) is daarbij direct aan de verkoper voldaan, zij het dat voor de in euro luidende B2 Facility een korte tussenstop was geprogrammeerd om het bedrag in Britse ponden te converteren. De fees zijn door de banken van de hoofdsom ingehouden. De omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de banklening gebruikt of bedoeld is voor het financieren van de interne schuld leidt het Hof tot de gevolgtrekking dat het (niet-verbonden) bankensyndicaat niet als de feitelijke financier van de interne lening beschouwd kan worden. Het betoog van belanghebbende (zie 5.5.2) kan niet worden gevolgd. 5.5.5.4. De aanwezigheid van enige parallellen tussen voorwaarden van de interne lening en die van de banklening leidt niet tot een andere conclusie. Het toetsen van parallellie dient er immers toe vast te stellen of de feitelijke geldverstrekker een derde is en dat heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Het dient er niet toe om te beoordelen of twee verbonden lichamen erin zijn geslaagd de voorwaarden van een banklening, waarvan vaststaat dat de daaronder geleende gelden niet zijn aangewend om een interne lening te financieren, zoveel mogelijk in een interne lening na te bootsen met aftrekbaarheid van de rente daarop als doel (zie 2.15.1). Het Hof voegt hieraan toe dat, zo dit al anders zou zijn en de parallellen in de leningsvoorwaarden wel dienen te worden meegewogen, gelet op hetgeen de inspecteur daartegen heeft aangevoerd (zie 5.5.3.2), belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de interne lening voor wat betreft looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan voldoende parallellen vertoont met de banklening om de conclusie te rechtvaardigen dat belanghebbende feitelijk een lening met derden (het bankensyndicaat) is aangegaan. 5.5.5.5. Het Hof stelt hierbij voorop dat de rechtbank (in ro. 33) het juiste toetsingskader weergeeft, maar (in ro. 34) niet aan die exacte vijf voorwaarden voor parallellie toetst. De omvang van de schuld blijft als criterium onbenoemd en de rechtbank spreekt van aflossing, in plaats van aflossingsschema. Dit laatste criterium van het aflossings schema legt een eerste verschil in parallellie bloot: De aflossing – in het onderhavige boekjaar – wijkt niet veel af, maar het aflossingsschema – over de gehele looptijd bezien – weldegelijk. Zo heeft de inspecteur onbetwist gesteld dat in het boekjaar 2018/2019 op de interne lening 7,6% is afgelost en op de banklening niets. Dit is naar het oordeel van het Hof een relevant verschil dat afbreuk doet aan parallellie, aangezien het aflossingsschema een essentieel element van een geldlening is. Ook over de looptijd is onduidelijkheid ontstaan doordat de banklening een looptijd van 7 jaren heeft, maar de interne schuld jarenlang als kortlopend (een looptijd van minder dan 1 jaar) in belanghebbendes jaarrekening en in de aangifte Vpb is vermeld. De rubricering is pas in december 2025, na de uitspraak van de rechtbank, gewijzigd en dan ook nog eens via interne, niet gecertificeerde jaarrekeningen. Een eerdere en gecertificeerde correctie zou echter wel voor de hand liggen indien sprake zou zijn een dergelijke grote fout. Over de rentevergoeding heerst veel onduidelijkheid. De rente op de banklening is steeds op factuur betaald, maar van rentebetalingen op de interne lening heeft belanghebbende, ondanks toezeggingen daartoe, geen betalingsbewijs verstrekt. Er zijn ook aanwijzingen dat de rentevergoedingen uiteen lopen. In de jaarrekening van 2017/2018 van [X Y] F Ltd staat een ander rentepercentage (3,9%) dan is overeengekomen (4,3%) en de jaarrekening 2022/2033 van [X Y] F Ltd bevat een post van £ 20,6 miljoen aan onbetaalde rente. Naar het oordeel van het Hof lijken de leningen weliswaar contractueel goed overeen te komen, maar roept de uitvoering van het contract de vraag op of de contractuele tekst is nageleefd en of de tekst overeenstemt met hetgeen partijen bedoeld hebben overeen te komen. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om twijfels over deze verschillen, onduidelijkheden en ongerijmdheden weg te nemen. Desgevraagd ter zitting bij het Hof heeft belanghebbende hierop niet veel meer kunnen antwoorden dan dat het lastig is om bewijsstukken te verkrijgen, onder meer door de wisseling van personeel bij belanghebbende maar ook van pogingen om de stukken te verkrijgen ontbreekt elk bewijs. Belanghebbende heeft daarmee geen goede reden gegeven voor deze bewijslacune en dit bewijstekort dient dan ook (temeer) voor haar rekening te komen. 5.5.6. Het Hof komt tot het oordeel dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat aan de schuld van belanghebbende aan [X Y] F Ltd in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Het beroep van belanghebbende op de (dubbele) zakelijkheidstoets van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet Vpb faalt. Tweede tegenbewijsregeling: de compenserende-heffingstoets 5.6.1. Evenals in eerste aanleg heeft belanghebbende zich in hoger beroep beroepen op de aanwezigheid van een zogeheten compenserende heffing, waardoor artikel 10a, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet Vpb (de compenserende-heffingstoets) aan toepassing van lid 1 van dat artikel in de weg staat. Deze bepaling luidt voor zover van belang: “3. Het eerste lid vindt geen toepassing: (…) b. indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat over de rente bij degene aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct of indirect is verschuldigd, per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is en dat er geen sprake is van verrekening van verliezen of van andersoortige aanspraken uit jaren voorafgaande aan het jaar waarin de schuld is aangegaan waardoor over de rente per saldo geen heffing naar bedoelde redelijke maatstaven is verschuldigd, behoudens ingeval de inspecteur aannemelijk maakt dat de schuld is aangegaan met het oog op het verrekenen van verliezen of andersoortige aanspraken welke in het jaar zelf zijn ontstaan dan wel op korte termijn zullen ontstaan of dat aan de schuld of aan de daarmee verband houdende rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. (….)” 5.6.2. Belanghebbende stelt dat, door haar feitelijke vestiging in het Verenigd Koninkrijk, [X Y] Ltd aldaar als binnenlands belastingplichtige volledig onderworpen is aan corporation tax. De rentebaten worden daarom in het Verenigd Koninkrijk in een belastingheffing naar de winst betrokken. Hiertegenover staat dat de rentekosten van de banklening in aftrek worden gebracht, waardoor [X Y] F Ltd in een verliespositie belandt. Dat maakt de situatie volgens belanghebbende niet anders. Zij verwijst naar hetgeen is opgenomen in de parlementaire geschiedenis van de wet Werken aan winst, meer in het bijzonder naar de volgende passage: “De leden van de fractie van het CDA vragen of de term «per saldo» zo moeten worden opgevat dat, naar analogie van de bruto grondslageis in de tegenbewijsregeling van het huidige artikel 15ad Wet Vpb, voor het tegenbewijs van artikel 10a niet vereist is dat de ontvangst van de rente betaling daadwerkelijk tot belastingheffing leidt, indien tegenover de rentebaten bijvoorbeeld rentelasten staan. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord met de kanttekening dat de aanwezigheid van corresponderende rentelasten kan betekenen dat de crediteur fungeert als doorgeefluik binnen concern, zodat de compenserende heffing in een volgende schakel (crediteur van crediteur) moet worden beoordeeld.” (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 80) Belanghebbende ontleent hieraan de gevolgtrekking dat de rentelasten van [X Y] Ltd niet in de weg staan aan de vaststelling dat een compenserende heffing aanwezig is. Omdat de rentebaten volledig verdwijnen tegenover die rentelasten onder de banklening zijn zij niet meer beschikbaar ter verrekening van verliezen of andersoortige aanspraken uit jaren voorafgaand aan het aangaan van de schuld. Belanghebbende erkent dat [X Y] Ltd deel uitmaakt van een fiscaal consolidatieregime, de regeling voor group relief in het Verenigd Koninkrijk, maar omdat [X Y] Ltd zelf steeds verliezen genereert wordt geen verlies aan haar overgedragen, aldus belanghebbende. De schuld is dan ook niet aangegaan ter verrekening van toekomstige verliezen, aldus weer belanghebbende. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende een cijferoverzicht genaamd “Corporation Tax Computations” en een aangifteformulier (Company Tax Return) van [X Y] F Ltd voor het boekjaar ingebracht. Het aangifteformulier is niet ondertekend. Belanghebbende heeft dergelijke documenten ook ingebracht voor [X Y] Midco. Deze documenten vermelden inderdaad dat beide vennootschappen in het betreffende jaar een verlies hebben aangegeven. 5.6.3. De inspecteur betoogt dat niet is voldaan aan de compenserende-heffingstoets. Nu de rentebaten in het Verenigd Koninkrijk nimmer tot daadwerkelijke belastingheffing zullen leiden meent hij dat van een compenserende heffing geen sprake is. Hij stelt zich daarnaast op het standpunt dat sprake is van verliesanticipatie; dat de schuld is aangegaan met het oog op het verrekenen van verliezen in de toekomst. Ten derde stelt hij dat de interne herstructurering (en met name de schuldverschuiving naar Nederland die daarvan deel uitmaakt) in overwegende mate om fiscale redenen is uitgevoerd. Ter onderbouwing voert hij de argumenten aan die reeds in 5.4.2.1-5.4.2.4 zijn weergegeven. Het Hof begrijpt de redenering van de inspecteur voorts aldus dat de beoogde gevolgen van de herstructurering zijn dat (i) in Nederland een rentelast ontstaat die tegen de winst van [Y] BV kan worden afgezet; (ii) de daarmee in het Verenigd Koninkrijk corresponderende rentebate van [X Y] F Ltd teniet wordt gedaan door aftrek van de rentelast van [X Y] Midco onder de loan note; en (iii) de met die laatste rentelast corresponderende rentebate van [X Y] Jersey niet tot belastingheffing op Jersey leidt vanwege het voor haar geldende 0%-tarief. Daarbij is nog van belang dat, gelet op de aftrekbeperking in het Verenigd Koninkrijk die aangrijpt bij netto rente, de ontvangst van de rentebate door [X Y] F Ltd de aftrek van de rentelast bij [X Y] Midco mogelijk maakt en voorts dat indien [X Y] F Ltd en [X Y] Midco enkelvoudig bezien verliezen maken deze verliezen vanwege het fiscale consolidatieregime door middel van group relief aan groepsvennootschappen in het Verenigd Koninkrijk kunnen worden overgedragen. 5.6.4. Het Hof is van oordeel dat aannemelijk is dat aan de interne herstructurering, daaronder begrepen de besmette rechtshandeling die daar deel van uitmaakt, niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, maar dat deze in overwegende mate is ingegeven door fiscale overwegingen. Deze overwegingen houden kort gezegd in dat is gepoogd op gekunstelde wijze een schuld aan een verbonden lichaam te creëren teneinde renteaftrek ten laste van de Nederlandse winst te bewerkstelligen, terwijl daartegenover per saldo geen belastingheffing van enige betekenis staat over de rentebate (niet binnen de groep van verbonden lichamen en evenmin daarbuiten). Ter onderbouwing wijst het Hof naar het overwogene in 5.4.3.3 tot en met 5.4.3.6 en naar het betoog van de inspecteur zoals dit in de laatste twee volzinnen van 5.6.3 is weergegeven. Dit betekent dat de inspecteur is geslaagd in de bewijslast genoemd in het laatste onderdeel van het in 5.6.1 opgenomen citaat. Bij deze stand is niet voldaan aan de compenserende-heffingstoets; ook niet indien het in 5.6.2 weergegeven betoog van belanghebbende veronderstellenderwijs gevolgd zou worden. Het Hof zal dat betoog daarom verder niet beoordelen. 5.7. De conclusie van het voorgaande is dat het beroep van belanghebbende op de compenserende-heffingstoets niet slaagt. Gelet daarop en op het overwogene in 5.4.3.7 (zakelijkheid rechtshandeling) en 5.5.6 (zakelijkheid schuld) staat het derde lid van artikel 10a van de Wet Vpb niet aan de toepassing van het eerste lid van dat artikel in de weg. Dit leidt ertoe dat bij het bepalen van de winst van belanghebbende de rente ter zake van de schuld aan [X Y] F Ltd niet in aftrek mag worden gebracht. 5.8. Bij deze stand van het geding zal het Hof ingaan op het betoog van de inspecteur ter zake van de voor de aandelen in [Y] BV betaalde overdrachtsprijs (zie onderdelen 44 en 48 van de uitspraak van de rechtbank). De inspecteur heeft het standpunt betrokken dat belanghebbende en [Y] BLX Ltd. bewust een te hoge koopprijs zijn overeengekomen voor de aandelen in [Y] BV teneinde een grotere schuld aan [X Y] F Ltd met een hogere renteaftrek voor belanghebbende te creëren. Het betoog strekt tot hetzelfde gevolg als waartoe het Hof reeds heeft geoordeeld: namelijk dat de rente op de schuld aan [X Y] F Ltd niet aftrekbaar is vanwege de toepassing van artikel 10a van de Wet Vpb. Dit heeft de inspecteur ter zitting van het Hof ook bevestigd. De besmette rechtshandeling wordt in dat geval echter niet gevormd door de interne verhanging, maar door een winstuitdeling of kapitaalterugbetaling als bedoeld in letter a van het eerste lid van artikel 10a van de Wet Vpb. De bewust te hoog gestelde koopprijs leidt immers tot een vermogensverschuiving van belanghebbende naar haar aandeelhouder, [Y] BLX Ltd, met de bedoeling deze laatste als aandeelhouder te bevoordelen, waarbij belanghebbende en [Y] BLX Ltd zich bewust moeten zijn geweest van die vermogensverschuiving en die bevoordelingsbedoeling. Omdat het gevolg – niet-aftrekbaarheid van rente – intreedt ongeacht of het Hof het betoog van de inspecteur volgt of niet, zal het Hof voorbijgaan aan de beoordeling van de vraag of de koopprijs bewust te hoog is overeengekomen. Gelet op het hiervoor overwogene komt het Hof evenmin toe aan een beoordeling van de overige argumenten van de inspecteur waarop hij zijn standpunt baseert dat de rente ter zake van de schuld aan [X Y] F Ltd niet in aftrek mag worden gebracht (kwalificatie als (relatieve) schijnhandeling, onzakelijke lening en fraus legis). RCF fee en legal fees 5.9. Nu het Hof tot het oordeel is gekomen dat de rente op de schuld aan [X Y] F Ltd niet aftrekbaar is, treft hetzelfde lot de door de inspecteur betwiste aftrekbaarheid van de ‘RCF fee’ en de ‘legal fees’ (althans de door belanghebbende aftrekbaar in aanmerking genomen afwaardering ter zake). De rechtbank was immers tot de conclusie gekomen dat dit beide kosten van de bankleningen betreffen die aan belanghebbende zijn doorberekend en het Hof volgt de rechtbank hierin (zie ro. 54 van de rechtbank). Een dergelijke doorberekening is naar het oordeel van het Hof onterecht, aangezien de gelden geleend onder de banklening niet aan belanghebbende zijn doorgeleend, maar slechts zijn gebruikt voor het betalen van de koopprijs van de aandelen in [Y] Int Ltd (zie 5.5.5.1 tot en met 5.5.5.3). Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daarvan een voordeel heeft gehad dat het dragen van (het aan haar toebedeelde gedeelte van) die kosten door belanghebbende rechtvaardigt. Ook in het geval dat de RCF fee en de legal fees in feite kosten zijn van de schuld aan [X Y] F Ltd (hetgeen belanghebbende betoogt) zijn deze niet aftrekbaar vanwege het bepaalde in artikel 10a van de Wet Vpb. Vereiste aangifte 5.10.1. De inspecteur klaagt in hoger beroep over het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende weliswaar niet de vereiste aangifte heeft gedaan door de daarin opgenomen ‘10a-vraag’ (zie onderdeel 15 van de rechtbankuitspraak; de vraag luidt: “Maakt u in dit boekjaar gebruik van de tegenbewijsregeling van artikel 10a Vpb?”) ten onrechte niet bevestigend te beantwoorden, maar dat dit van onvoldoende gewicht is om de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast te rechtvaardigen (zie onderdelen 56 tot en met 59 van de rechtbankuitspraak). Belanghebbende meent dat het oordeel van de rechtbank op dit punt juist is. 5.10.2. Het Hof overweegt dat de 10a-vraag erop is gericht de inspecteur in staat te stellen om op het spoor te komen van gegevens die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn, en die zo nodig aanleiding kunnen zijn voor onderzoek (vgl. HR 22 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767). Bevestigende beantwoording stelt de inspecteur in staat de juistheid van de toepassing van de tegenbewijsregeling aan een onderzoek te onderwerpen. Automatische conforme afdoening van de aangifte kan (mits de 10a-vraag daarin juist is ingevuld) op die manier worden voorkomen door het instellen van een voorgeprogrammeerde ‘uitworpreden’ in het elektronische beoordelingssysteem van de Belastingdienst van aangiften waarin de 10a-vraag met ‘ja’ wordt beantwoord. 5.10.3. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof, door ten onrechte de 10a-vraag niet bevestigend te beantwoorden, de inspecteur de mogelijkheid ontnomen om op het spoor te komen van gegevens die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn, en die zo nodig aanleiding kunnen zijn voor onderzoek. In de regel dient de onjuiste beantwoording door belanghebbende te leiden tot de gevolgtrekking dat niet de vereiste aangifte is gedaan. Daarvoor hoeft niet vast te staan dat de tekortkoming in de beantwoording van de 10a-vraag ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting of dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van die tekortkoming niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (zie HR 22 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767 r.o. 4.2.3), maar in het onderhavige geval is van een (zeer) aanzienlijk bedrag wel sprake (zie hierna). 5.10.4. Dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan heeft in beginsel tot gevolg dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast wordt toegepast. Het Hof ziet geen aanleiding in het onderhavige geval daarvan af te wijken. Het Hof stelt daartoe vast dat de 10a-vraag en het antwoord daarop zien op de heffing van belasting voor de periode waarop de aangifte betrekking heeft en dat het gegeven waarop de 10a-vraag ziet voor die heffing ook van groot gewicht is (het Hof wijst op de grootte van het rentebedrag waarop de 10a-discussie ziet). Ook voor toepassing van de uitzondering bij aanwezigheid van een pleitbaar standpunt ziet het Hof geen aanleiding. Naar het oordeel van het Hof is het verband tussen de schuld aan [X Y] F Ltd en de verwerving van de aandelen in [Y] BV evident. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:640, blijkt voorts dat ook als het standpunt van belanghebbende dat de schuld aan [X Y] F Ltd feitelijk is aangegaan met een derde gevolgd zou worden, dit niet zonder meer aan de toepasselijkheid van artikel 10a, lid 1, van de Wet Vpb in de weg staat, zodat belanghebbende zich ook in dat geval op de tegenbewijsregeling had dienen te beroepen. Naar het oordeel van het Hof moet belanghebbende zich bij het invullen van de aangifte ervan bewust zijn geweest dat de 10a-vraag bevestigend diende te worden beantwoord. Een andersluidend standpunt acht het Hof niet pleitbaar. Ook de omstandigheid dat de inspecteur door het bestuderen van de jaarstukken van belanghebbende reeds in een vroeg stadium op het spoor kwam van de toepasselijkheid van artikel 10a van de Wet Vpb maakt het voorgaande in het onderhavige geval niet anders. Dit heeft immers niet tot gevolg dat op belanghebbende niet langer de verplichting rust haar aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te doen noch dat geen gevolg zou moeten worden gehecht aan het op de hiervoor beschreven wijze onjuist doen van de aangifte. 5.10.5. Het Hof zou echter, nu reeds met toepassing van de normale (wettelijke) bewijslastverdeling de rente en de kosten niet bij het bepalen van de winst in aftrek zijn toegestaan, met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast tot geen andere uitkomst komen. Dat is echter anders voor de ‘overige rentelasten’ van € 82.911 (zie onderdeel 55 van de uitspraak van de rechtbank). Hierop zal het Hof hierna ingaan. Overige rentekosten van € 82.911 5.11.1. Belanghebbende stelt dat de door haar in de aangifte opgenomen, en door de inspecteur geweigerde, rentekosten van € 82.911 rentekosten van [Y] BV zijn, die al bestonden vóór de overname door [X] . Zij heeft de kosten onderbouwd (naast haar verklaringen ter zake) door te wijzen op de jaarrekening 2017/2018 van [Y] BV. Daarin staat onder ‘Interest paid to group companies’ een bedrag vermeld van (afgerond) € 83.000 als zijnde aan groepsvennootschappen betaalde rentekosten. In de jaarrekening van [Y] BV staat dat in het voorgaande boekjaar een bedrag van € 133.000 als ‘Interest paid to group companies’ in aanmerking is genomen. Belanghebbende leidt hieruit af dat de betreffende lening ook in het vorige boekjaar al bestond. 5.11.2. Het Hof is van oordeel dat de (omkering en) verzwaring van de bewijslast ook voor de overige rentekosten toegepast dient te worden. Gelet op de summiere omschrijving waar belanghebbende op wijst is namelijk niet uit te sluiten dat de 10a-vraag ook voor de overige rentekosten van belang is. Het is immers zeer wel mogelijk dat verbonden lichamen (zoals bedoeld in artikel 10a van de Wet Vpb) zijn begrepen in de omschrijving ‘group companies’. Door het ontbreken van enige aanwijzing van de aanwending van de schuld waarop de rentekosten worden betaald valt ook niet uit te sluiten dat deze met een ‘besmette’ rechtshandeling verband houdt. 5.11.3. Gelet op de verzwaarde bewijslast dient belanghebbende op overtuigende wijze aan te tonen dat de door de inspecteur toegepaste correctie van de overige rentekosten van € 82.911 onjuist is. Daarvoor is al hetgeen zij in dit geding daarover heeft ingebracht en verklaard onvoldoende. De correctie dient dan ook in stand te blijven. Slotsom 5.12. De slotsom is dat de rentebetaling die belanghebbende heeft verricht op de schuld aan [X Y] F Ltd, de RCF fee en de legal fees en de overige rentekosten van € 82.911 niet door belanghebbende ten laste van de winst mogen worden gebracht, behoudens het in 5.1.5 genoemde rentebedrag van € 16.493. Dat betekent dat het hoger beroep gegrond is en de uitspraak van de rechtbank vernietigd dient te worden, zij het dat deze dient te worden bevestigd voor zover het betreft de daarin toegekende proceskostenvergoeding en het griffierecht. Het beroep van belanghebbende slaagt immers voor zover het betreft de aftrek van het rentebedrag van € 16.493 en faalt voor het overige. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen. 6 Kosten Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van haar werkelijke proceskosten af. Feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat de Belastingdienst in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld of dat er anderszins gronden bestaan om een bijzondere omstandigheid aan te nemen als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zijn naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden (zie ook het onder 5.1.6 overwogene). 7 Beslissing Het Hof: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voor zover het betreft de daarin toegekende vergoedingen van proceskosten en griffierecht; - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 13.440.876; en - vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig. De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, H.E. Kostense en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 20 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen.