Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-08-13
ECLI:NL:GHAMS:2026:2255
Veroordeling voor het voorhanden hebben van heroïne en het voorhanden hebben van voorwerpen die bestemd waren voor het verrichten van voorbereidingshandelingen voor het bereiden, bewerken en verwerken van heroïne tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden. Overschrijding van de redelijke termijn. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000766-24 datum uitspraak: 13 augustus 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-261496-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Omvang van het hoger beroep De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Daarbij is hij voor de onder feit 1 en 2 tenlastegelegde hoeveelheden cocaïne en MDMA vrijgesproken. Op grond van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering is het niet mogelijk om hoger beroep in te stellen tegen feiten waarvan is vrijgesproken. Gelet op het feit dat de feiten samengesteld zijn tenlastegelegd, verklaart het hof de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep ten aanzien van de cocaïne en MDMA. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde, en na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat: 1. hij, in of omstreeks een periode van 14 mei 2022 tot en met 23 mei 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, - ongeveer 40 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij, in of omstreeks de periode van 14 mei 2022 tot en met 23 mei 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen de navolgende voorwerpen: - heroïne, en/of - een woning (gelegen aan de [adres 2] ), en/of - een weegschaal, en/of - een koffiemolen, en/of - een bus Axe deodorant, en/of - éen of meerdere versnijdingsappara(a)t(en), en/of - 100 stuks vacuumzakken, en/of - een vacuum packaging machine voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachten mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd vanwege proceseconomische redenen. Bewijsoverweging feit 1 en 2 De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van het medeplegen. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat om vast te stellen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de heroïne en daarover feitelijke beschikkingsmacht uitoefende. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat het op grond van artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I aanwezig te hebben. Het met opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) handelen in strijd met dit verbod is als misdrijf strafbaar gesteld op grond van artikel 10, lid 3 en artikel 13 Opiumwet. Voor de bewezenverklaring van 'aanwezig hebben' is nodig dat de verdachte feitelijke macht over het verdovende middel heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte op z'n minst bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het middel in zijn machtssfeer aanwezig is geweest. Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. De politie heeft op 23 mei 2022, omstreeks 19.15 uur, de woning aan de [adres 2] (hierna: de woning) betreden. In de woonkamer werden onder meer ongeveer 40 kilogram heroïne, een weegschaal, Axe deodorant, versnijdingsapparaten, vacuümzakken en een vacuümverpakkingsmachine aangetroffen. Dit zijn goederen waarmee strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot harddrugs kunnen worden verricht. De aangetroffen heroïne en genoemde goederen lagen op en rond de tafel in de woonkamer, direct in het zicht. Uit onderzoek blijkt dat op de bus Axe deodorant DNA is aangetroffen, dat afkomstig kan zijn van de verdachte en minimaal twee onbekende personen. Door het NFI is geconcludeerd dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van de verdachte en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen. Het hof concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van een deel van het celmateriaal op de bus Axe deodorant. Uit onderzoek is gebleken dat er op 14 en 15 mei 2022 via Thuisbezorgd een maaltijd is besteld door ‘ [verdachte] , [telefoonnummer] , e-mail: [email] ’ en bezorgd op het adres van de woning. Uit onderzoek naar dit telefoonnummer is gebleken dat het nummer op 22, 23 en 24 mei 2022 twaalf keer is aangestraald op de gsm-mast aan de [adres 3] . Daarnaast blijkt uit de netwerkmeting dat de telefoon, gekoppeld aan bovengenoemd telefoonnummer, op de momenten dat het gebruik maakte van de Cell-ID’s met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] in de woning geweest kan zijn. Gelet hierop volgt uit het historische overzicht dat de telefoon, gekoppeld aan bovengenoemd telefoonnummer, in de woning geweest kan zijn op 22 mei 2022 om 13.55 en om 23.49 uur, en op 23 mei 2022 om 5.05, 5.20, 5.34, 12.32 en 13.34 uur. Uit het historische overzicht blijkt daarnaast dat de telefoon, gekoppeld aan bovengenoemd telefoonnummer, op 23 mei 2022 om 18.33 uur en om 19.52 uur gebruik maakte van Cell-ID’s in de directe omgeving van de woning, te weten een Cell-ID met het adres ‘ [adres 3] , Amsterdam’ en een Cell-ID met het adres ‘ [adres 4] ’. De verdachte heeft gedurende het onderzoek wisselende verklaringen gegeven ten aanzien van zijn aanwezigheid in de woning en betrokkenheid bij de feiten. Aanvankelijk heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij nooit in de woning aan de [straat] is geweest, dat hij nog nooit een huis heeft ondergehuurd en dat hij € 1.000,00 heeft overgemaakt naar [persoon] (de hoofdhuurder van de woning) voor het verplaatsen van spullen voor de verhuizing van zijn ouders. Kort voor de zitting in hoger beroep heeft de verdachte bij de politie een verklaring afgelegd, waarin hij onder meer heeft verklaard dat hij ongeveer drie maanden slechts één kamer in de woning onderhuurde van [persoon] , dat het bedrag van € 1.000,00 de betaling van een maand huur is, en dat hij vlak voor de inval van de politie in de woning was maar dat hij een half uur van tevoren de woning uit moest, en dat hij wel eens in de woonkamer is geweest. De verdachte ontkent dat hij over de aangetroffen verdovende middelen en goederen beschikte, dan wel dat hij deze in de woning heeft gezien. Gelet op de plaats waar en de omstandigheden waaronder de verdovende middelen zijn aangetroffen, is het hof van oordeel dat van de verdachte daarvoor een (redelijke) verklaring mag worden verlangd. Het hof is van oordeel dat de verklaring van de verdachte onvoldoende aannemelijk is geworden. Het hof betrekt daarbij dat volgens de verdachte meerdere mensen in de woning verbleven, en dat meerdere mensen daarvan een sleutel hadden, maar dat hij niet weet hoeveel mensen dat waren en dat hij verder ook geen informatie heeft gegeven over die personen. Verder blijkt uit de verklaring van [persoon] dat hij de hele woning had verhuurd aan iemand die hij in het koffiehuis had ontmoet, en dat hij precies genoeg kreeg om zijn huur te betalen. Het hof schuift de door de verdachte gegeven verklaring daarom als ongeloofwaardig terzijde en gaat ervan uit dat de verdachte beschikte over de gehele woning. Weliswaar was de verdachte niet in de woning op het moment dat de verdovende middelen werden aangetroffen, maar gelet op de plaats waar ze zijn aangetroffen (openlijk in het zicht in de woonkamer) en de omstandigheden waaronder (verspreid over de woonkamer en samen met veel andere (drugsgerelateerde) voorwerpen, waaronder een spuitbus deodorant met het celmateriaal van de verdachte), gaat het hof ervan uit dat deze spullen daar ook al lagen toen verdachte de woning verliet. Voornoemde, naar hun uiterlijke verschijningsvorm redengevende feiten voor het bewijs dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van heroïne en voorwerpen die bestemd waren voor het verrichten van voorbereidingshandelingen met betrekking tot het bereiden, bewerken en verwerken van heroïne, maken, bij gebreke van een die redengevendheid ontzenuwende verklaring, dat het hof de ten laste gelegde feiten bewezen acht en het tot vrijspraak strekkende verweer verwerpt. Op basis van de bewijsmiddelen (die in geval van cassatie zullen worden uitgewerkt in een aanvulling op dit verkort arrest) oordeelt het hof dat de verdachte de verdovende middelen en voorwerpen opzettelijk aanwezig heeft gehad. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende concreet bewijs bevat dat de verdachte met anderen nauw en bewust heeft samengewerkt. Van het onderdeel medeplegen wordt de verdachte dan ook vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 23 mei 2022 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 40 kilogram van een materiaal bevattende heroïne. 2. hij op 23 mei 2022 te Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het bereiden, bewerken en verwerken van heroïne, voor te bereiden en/of te bevorderen de navolgende voorwerpen: - heroïne, en - een weegschaal, en - een bus Axe deodorant, en - versnijdingsapparaten, en - 100 stuks vacuumzakken, en - een vacuum packaging machine voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsvrouw heeft verzocht dat er in geval van een bewezenverklaring van de feiten een straf wordt opgelegd die in belangrijke mate bestaat uit een taakstraf, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft bepleit dat er rekening dient te worden gehouden met de beperkte rol van de verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ongeveer 40 kilo heroïne en van voorwerpen die bestemd waren voor het verrichten van voorbereidingshandelingen met betrekking tot het bereiden, bewerken en verwerken van heroïne. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en de handel erin gaat niet zelden gepaard met ernstige vormen van criminaliteit, die voor grote overlast in de samenleving zorgen. Gelet op de ernst van de feiten volstaat geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden met ruim 4 maanden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de opgelegde straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van het voorarrest. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Beslag Het hof zal gelasten dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst onder de nummers 1, 2, 3, 4 en 8, te weten: een zak, handschoenen, een mondkapje, Axe deodorant en een tas, dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Dit betreft immers geen voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst onder de nummers 5, 6 en 7, te weten: de verdovende middelen, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte onder 1 en 2 begane feit aangetroffen. Zij behoren aan de verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36d en 55 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.