Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-08-13
ECLI:NL:GHAMS:2026:2251
Mishandeling buurman. Beroep op noodweer(exces) verworpen. afdeling strafrecht parketnummer: 23-003465-22 datum uitspraak: 13 augustus 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 december 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-331223-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de verdachte naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 8 december 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan/stompen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een (iets) andere bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde komt dan de politierechter. Bewijsoverwegingen De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verklaringen van de aangever niet betrouwbaar en niet geloofwaardig zijn wegens tegenstrijdigheden, en deze geen steun vinden in objectief bewijs. De verdachte heeft daarentegen consistent verklaard. Het hof overweegt als volgt. Uit de in zoverre eensluidende verklaringen van de aangever en de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, bezien in samenhang met het bij de aangever geconstateerde letsel, blijkt dat de verdachte en de aangever met elkaar in gevecht zijn geraakt, de aangever daarna in zijn auto is gaan zitten, waarna de verdachte naar de auto is gegaan en de aangever door het door de verdachte kapotgeslagen autoraam heen tweemaal met de vuist tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor de aangever letsel heeft opgelopen. Het standpunt van de raadsvrouw wordt derhalve weerlegd door de bewijsmiddelen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 8 december 2021 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen (met kracht) stompen tegen het gezicht van voornoemde [benadeelde partij] . Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer(exces) en als gevolg daarvan moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte werd geconfronteerd met agressief gedrag van de aangever, waardoor de verdachte zich ernstig bedreigd voelde. De situatie is in zeer korte tijd geëscaleerd, waardoor de verdachte zich in het nauw gedreven voelde en geen reële mogelijkheid zag zich aan de confrontatie te onttrekken. De confrontatie, en daarmee de noodweersituatie, was niet direct beëindigd toen omstanders tussen de verdachte en de aangever waren gekomen. Het handelen van de verdachte was verdedigend van aard en uitsluitend gericht op het beëindigen van de aanval. Als het hof van oordeel is dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, is sprake van noodweerexces. Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’. Van een ‘ogenblikkelijke’ aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ook bij noodweerexces dient in ieder geval de noodzaak tot verdediging te hebben bestaan. Zoals hiervoor al is vastgesteld, zijn de verdachte en de aangever met elkaar in gevecht geraakt, waarna de aangever in zijn auto is gestapt. De aangever heeft zich op die manier aan de vechtpartij onttrokken. De verdachte is vervolgens naar de auto van de aangever gegaan. Hij heeft in hoger beroep verklaard dat hij uit boosheid en verontwaardiging de autoruit van de aangever heeft kapotgeslagen, terwijl de aangever op dat moment in zijn auto zat. Daarna heeft hij de aangever in het gezicht geslagen. Ten tijde van de bewezenverklaarde geweldpleging kunnen de omstandigheden waaronder die plaatsvond niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, zodat de verdachte reeds daarom geen beroep op noodweer(exces) toekomt. De verdachte heeft op dat moment de confrontatie met de aangever opgezocht, terwijl de aangever zich juist van de verdachte distantieerde door in zijn auto te gaan zitten. Nu ook geen andere omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, is dit strafbaar. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis. De raadsvrouw heeft verzocht geen onvoorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen. Indien het hof overgaat tot oplegging van een onvoorwaardelijke straf, is verzocht dit in de vorm van een taakstraf te doen en in ieder geval geen hogere straf op te leggen dan de straf in eerste aanleg. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige buurman door hem tweemaal te slaan, waardoor de verdachte hem letsel heeft toegebracht. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn buurman. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 juli 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Gelet op het tijdsverloop vanaf de aanvang van deze strafzaak tot de huidige behandeling in hoger beroep dient bij de bepaling van de duur van de straf rekening te worden gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM. Naar het oordeel van het hof is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, terwijl de overschrijding niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Omdat het hof zal overgaan tot de oplegging van een taakstraf voor de duur van minder dan 100 uren, zal daaraan geen consequentie worden gekoppeld, maar worden volstaan met de constatering van de termijnoverschrijding. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.783,86. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft verzocht de kosten voor het eigen risico van de benadeelde partij (€ 302,72) en een bedrag ter hoogte van € 200,00 aan immateriële schade toe te wijzen. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair is aangevoerd dat de benadeelde partij ook eigen schuld aan het incident heeft, wat in een matiging tot uiting dient te komen, en dat niet alle posten in causaal verband staan met de mishandeling. Het hof overweegt als volgt. Materiële schade Het hof overweegt ten aanzien van de materiële schadeposten die verband houden met (de schade aan) de auto van de benadeelde dat, gelet op de in eerste aanleg gegeven vrijspraak voor de onder 2 tenlastegelegde vernieling van de auto, niet is komen vast te staan dat de benadeelde de schade door toedoen van de verdachte heeft geleden. Een rechtstreeks, causaal verband tussen de bewezenverklaarde mishandeling en de opgevoerde autoschade kan niet worden vastgesteld. Deze causaliteit ontbreekt eveneens voor wat betreft de kosten die de benadeelde zou hebben gemaakt voor (het huren van) bussen in verband met een verhuizing en het huren van boxen bij Shurgard. De benadeelde partij wordt in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering verklaard. De benadeelde partij heeft daarnaast de vergoeding van zorgkosten voor een doktersbezoek op 8 december 2021 en het eigen risico van de zorgverzekering gevorderd. Ten aanzien van beide medische posten is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade, die ziet op kosten in verband met een handkwetsuur/handchirurgie, door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. Een onderzoek naar de causaliteit tussen het handelen van de verdachte en de gestelde schade vormt een onevenredige belasting van het strafgeding. Ook in zoverre wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en kan hij de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Immateriële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde heeft lichamelijk letsel opgelopen, zodat artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek een wettelijke grondslag biedt. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een naar billijkheid vastgesteld bedrag van € 300,00 zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis . Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schade af. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 december 2021. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. H.A. Stalenhoef en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 augustus 2026. mr. M.F.J.M. de Werd en J.F.C. Schnitzler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.