Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-08-11
ECLI:NL:GHAMS:2026:2214
Raadsonderzoek gelast naar zorgregeling in verband met recente (verhuis)ontwikkelingen. Het hof laat de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie in stand. Ook in hoger beroep heeft de vader onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Er zijn geen stukken beschikbaar op basis waarvan een deugdelijke behoefteberekening en draagkrachtberekening kan worden gemaakt. GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummers: 200.364.300/01 en 200.364.300/02 zaaknummers rechtbank: C/15/368350 / FA RK 25-4049 en C/15/348443 / FA RK 24-370 beschikking van de meervoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak van [de vader] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , verzoeker in hoger beroep, verzoeker in het incident, hierna: de vader, advocaat: mr. S. Burger te Rotterdam, en [de moeder] , wonende te [plaats B] , verweerster in hoger beroep, verweerster in het incident, hierna: de moeder, advocaat: mr. T. Hoekx-Audiffred te Amsterdam. Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt: - de minderjarige [kind 1] , hierna: [kind 1] . In de procedure heeft een adviserende taak: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar, hierna: de raad. 1 De zaak in het kort De zaak gaat over de verdeling van de zorg voor [kind 1] (6 jaar) en de door de vader te betalen kinderalimentatie. De rechtbank heeft – kort samengevat – onder meer bepaald dat de zorgregeling wordt gewijzigd naar een regeling waarbij [kind 1] een weekend per veertien dagen bij de vader verblijft en dat de door de vader te betalen kinderalimentatie wordt gewijzigd naar een bedrag van € 500,- per maand. De vader is het daarmee niet eens en wil – kort samengevat – dat het hof een zorgregeling bepaalt waarbij [kind 1] de ene week bij hem verblijft en de andere week bij de moeder verblijft en het verzoek van de moeder tot wijziging van de kinderalimentatie afwijst. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking. Het hof gelast een raadsonderzoek naar de zorg- en vakantieregeling en beslist dat de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie in stand blijft. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 De vader is op 27 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank). Het beroepschrift bevat tevens een verzoek tot schorsing van de werking van een gedeelte van de bestreden beschikking (zaaknummer 200.364.300/02). 2.2 De moeder heeft op 15 april 2026 een verweerschrift in de hoofdzaak en het incident ingediend. 2.3 Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen: - een bericht van de zijde van de vader van 4 juni 2026 met bijlage (proces-verbaal eerste aanleg), - een bericht van de zijde van de vader van 15 juni 2026 met bijlagen (prod. 13 t/m 20), - een bericht van de zijde van de moeder van 15 juni 2026 met bijlagen (prod. 31-32), - een bericht van de zijde van de vader van 23 juni 2026 met bijlage, - een bericht van de zijde van de moeder van 24 juni 2026. 2.4 De zitting heeft op 26 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat, - de moeder, bijgestaan door haar advocaat, - de raad, vertegenwoordigd door R. Bark via een digitale video-verbinding in verband met het weeralarm code rood. De advocaten van de vader en de moeder hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd. 3 De feiten 3.1 De vader en de moeder zijn de ouders van: - [kind 1] , geboren [in] 2019 te [plaats C] . De vader heeft [kind 1] erkend en de ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [kind 1] uit. 3.2 Bij beschikking van 31 maart 2023 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - bepaald dat het door partijen ondertekende ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. Partijen zijn in het ouderschapsplan een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen, waarbij – kort samengevat – [kind 1] wekelijks van dinsdagochtend tot vrijdagochtend bij de vader verblijft en van vrijdagmiddag tot dinsdagochtend bij de moeder verblijft. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat [kind 1] met de ouder waar zij op dat moment niet verblijft, videobelmomenten heeft. Ten aanzien van de kinderalimentatie zijn partijen in het ouderschapsplan het volgende overeengekomen: “ 7.1. De ouders zullen vooralsnog de kosten van [kind 1] niet begroten. Zij zullen tijdig voordat [kind 1] naar de basisschool gaat met elkaar in overleg treden over een nieuw rooster voor de zorgverdeling en alsdan de kosten van [kind 1] begroten en elkaar over en weer van de benodigde stukken voorzien om dit correct te berekenen. 7.2. Met ingang van 1 maart 2023 en totdat deze afspraken zoals hierboven beschreven gewijzigd zijn, komen de ouders overeen dat vader aan moeder een bijdrage zal voldoen van € 200, -per maand. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2024. De ouders zullen elkaar tijdig voor de bespreking in (uiterlijk) september 2023 over en weer de financiële stukken en informatie doen toekomen om tot een berekening van een passende bijdrage voor [kind 1] te komen, waaronder in ieder geval jaarrekeningen van de BV’s van vader, prognose 2023 en 2024, en aangiften en aanslagen IB, jaaropgaven, inkomen uit vermogen (waaronder verhuur) en recente salarisstroken. ” 3.3 Op 23 mei 2023 heeft Veilig Thuis (VT) een melding van de politie ontvangen over de zorgen die de vader heeft over seksueel misbruik van [kind 1] door de moeder. 3.4 Bij beschikking van 21 november 2023 heeft de rechtbank de verzoeken van de vader om de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij hem te bepalen en begeleid contact tussen [kind 1] en de moeder afgewezen. Ook de verzoeken van de moeder te bepalen dat de vader financiële gegevens moet overleggen, de zorgregeling met de vader te wijzigen naar een weekend per twee weken en een raadsonderzoek te gelasten of een bijzondere curator voor [kind 1] te benoemen, zijn afgewezen, evenals het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. 3.5 Bij beschikking van 26 april 2024 heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – als tijdelijke zorgverdeling bepaald dat [kind 1] bij de vader verblijft: - in de oneven weken: van donderdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school; - in de even weken: van woensdagmiddag uit school tot en met vrijdagochtend naar school. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de belmomenten zoals opgenomen onder 3.3 van het ouderschapsplan komen te vervallen. 3.6 Uit de relatie van de moeder en haar nieuwe partner ( [naam] ) is [kind 2] geboren [in] 2024 te [plaats D] . 3.7 [naam] is ook de vader van [kind 3] en [kind 4] . [kind 3] en [kind 4] hebben hun hoofdverblijf bij hun moeder in [plaats E] en zij verblijven de ene week op vrijdag, zaterdag en zondag bij hun vader en in de andere week op donderdag en vrijdag. 3.8 Op 27 augustus 2025 heeft de raad bij de Beschermingstafel besloten om ten aanzien van [kind 1] een beschermingsonderzoek te verrichten. 3.9 Bij de – in zoverre niet langer – bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder vervangende toestemming verleend om met [kind 1] te verhuizen naar [plaats B] en haar daar in te schrijven bij een basisschool, huisarts en tandarts. 3.10 Op 12 januari 2026 is de moeder met [kind 1] naar [plaats B] verhuisd. 4 De omvang van het hoger beroep 4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, met wijziging van de beschikking van 31 maart 2023 bepaald dat [kind 1] bij de vader verblijft om het weekend in de even weken van vrijdagmiddag uit school (dan wel vanaf 11.00 uur op niet-schooldagen, zoals vakantie-, studiedagen en feestdagen) tot zondagmiddag 17.00 uur, waarbij de moeder [kind 1] naar de vader brengt en haar daar weer ophaalt. Daarnaast heeft de rechtbank een vakantie-, feestdagen- en verjaardagenregeling vastgesteld. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] wordt gewijzigd naar € 500,- per maand, met ingang van 22 december 2025. 4.2 De vader verzoekt – na wijziging van zijn verzoek – primair, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de verzoeken van de moeder tot wijziging van de zorgregeling en de kinderalimentatie alsnog af te wijzen, de beschikking van 31 maart 2023 te wijzigen en een nieuwe zorgregeling te bepalen inhoudende dat [kind 1] in een week-op, week-af regeling bij de vader en de moeder verblijft met als wisselmoment de vrijdag na school, waarbij het volgende geldt: Op het moment dat één van de ouders (om welke reden dan ook) verhinderd is om de zorg van [kind 1] te dragen, is de andere ouder de eerste aangewezen persoon om [kind 1] op te vangen. Dit geldt ook tijdens de vakanties en feestdagen. Daarnaast verzoekt de vader de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen, waarbij het schema wordt gehanteerd zoals opgenomen in punt 4.3 van het inleidend verzoekschrift van de vader van 23 januari 2024. Subsidiair verzoekt de vader de zorgregeling zoals verzocht in te laten gaan, zodra hij een woning heeft gevonden binnen een reisafstand van 45 minuten van de woning van de moeder, althans een regeling vast te stellen zoals door het hof in goede justitie te bepalen. 4.3 De moeder verzoekt primair de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, dan wel het hoger beroep af te wijzen. Subsidiair verzoekt zij - voor zover en indien het gerechtshof van oordeel mocht zijn dat de vader ontvankelijk is in het hoger beroep - de vader in de gelegenheid te stellen om alsnog de ontbrekende stukken (de brief van 7 augustus 2025 met bijbehorende producties) in het geding te brengen. Meer subsidiair verzoekt de moeder, voor zover en indien het gerechtshof van oordeel mocht zijn dat de vader niet meer in de gelegenheid wordt gesteld om alsnog de ontbrekende stukken (de brief van 7 augustus 2025 met bijbehorende producties) in het geding te brengen, dat aan haar de gelegenheid wordt geboden om alsnog deze ontbrekende stukken (de brief van 7 augustus 2025 met bijbehorende producties) in het geding te brengen. 4.4 Bij wijze van incident verzoekt de vader, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de werking van de bestreden beschikking te schorsen voor zover deze ziet op de vastgestelde zorgregeling en kinderalimentatie en te bepalen dat deze schorsing geldt totdat het hof in de hoofdzaak onherroepelijk heeft beslist, althans een zodanige voorziening te treffen als het hof in goede justitie juist acht. 4.5 De moeder verzoekt het schorsingsverzoek van de vader af te wijzen. 5 De motivering van de beslissing 5.1 De vader heeft ter zitting in hoger beroep het schorsingsverzoek ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist. 5.2 De moeder heeft ter zitting in hoger beroep haar verzoek ten aanzien van het alsnog overleggen van de bij het beroepschrift ontbrekende brief van 7 augustus 2025 met bijbehorende producties ingetrokken, zodat ook daarop niet meer hoeft te worden beslist. 5.3 Nu de vader op 23 juni 2026 zijn verzoek in hoger beroep heeft gewijzigd, zijn alleen nog de zorgregeling en de kinderalimentatie aan de orde. Het wettelijk kader – zorgregeling 5.4 Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten: a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben; b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft; c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd; d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft. De standpunten 5.5 De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte een zorgregeling heeft vastgesteld die leidt tot een ingrijpende beperking van het contact tussen de vader en [kind 1] . Vanaf de geboorte van [kind 1] tot aan de verhuizing van de moeder en [kind 1] naar [gemeente] is de vader zo goed als 100% van de tijd aanwezig en betrokken geweest. Vanaf het moment dat de moeder haar eigen woning in [plaats A] heeft betrokken, merkt de vader een wereld van verschil en voelt hij zich langzaamaan buitengesloten en op een zijspoor gezet. De vader ziet dit in samenhang met het moment waarop hij heeft gevraagd om gezamenlijk gezag en een vaste stabiele omgangsregeling. [kind 1] heeft recht op een goed en verdiepend contact met beide ouders en heeft er verder recht op dat de zorg indien mogelijk gelijk wordt verdeeld. Er zijn geen concrete zorgen over [kind 1] die aanleiding geven om de tijd van de vader met [kind 1] drastisch te beperken. De vader heeft sterk de indruk dat de zorgregeling eerst is gewijzigd om nadien het verhuisverzoek toe te kunnen wijzen zonder de criteria te hoeven toetsen. De toegewezen vakantieverdeling is ook zonder nadere bespreking en kritische beoordeling zonder meer toegewezen terwijl het toewijzen van het verzoek van de moeder onhaalbare gevolgen heeft. Waar de rechtbank begint met op te merken dat beide ouders een aandeel hebben in de verstoorde communicatie gaat de rechtbank vervolgens enkel door op de rol van de vader met als conclusie dat een wijziging in de zorgregeling zou moeten volgen. De vader gaat niet voorbij aan het belang van [kind 1] . Het is onbegrijpelijk hoe de rechtbank concludeert dat de vader wantrouwen heeft in de moeder en dat dit wantrouwen ertoe zou leiden dat de vader geen goed opvoedklimaat voor [kind 1] zou kunnen creëren. De vader is niet uit op strijd met de moeder en/of met hulpverleners. Naar het oordeel van de vader heeft de kindbehartiger niet juist gehandeld. De vader heeft inmiddels een woning in [plaats B] gevonden die hij in de zomerperiode zal betrekken. Mede hierdoor staat niets er aan in de weg dat de door de vader verzochte co-ouderschapsregeling wordt toegewezen. Ten aanzien van de vakantieregeling is van de zijde van de vader ter zitting in hoger beroep aangeven dat een week-op-week-af-regeling praktisch is te hanteren naast een vakantieregeling waarbij [kind 1] de helft van de vakanties bij hem verblijft. De vader heeft aangegeven dat in ieder geval duidelijkheid moet komen over de vraag wanneer een vakantie start en eindigt en waar de overdracht plaatsheeft. Om genoemde redenen kan de bestreden beschikking volgens hem niet in stand blijven. 5.6 De moeder meent dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd. De rechtbank heeft na een langdurig procesverloop, meerdere zittingen en kennisneming van een omvangrijk dossier een zorgvuldige en integrale belangenafweging gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang beoordeeld, mede op basis van de betrokken hulpverlening, waaronder de raad, Veilig Thuis, de Beschermingstafel, iHub Familiezorg en de SCHIP-behandelaar/kindbehartiger. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [kind 1] is. Doorslaggevend is dat sprake is van structurele communicatieproblemen tussen de ouders en het ontbreken van een werkbare samenwerkingsbasis, waardoor een gelijkwaardige zorgverdeling niet uitvoerbaar is. Dit oordeel sluit ook aan bij de bevindingen van de betrokken hulpverlening en is voldoende gemotiveerd. Het co-ouderschap stond reeds vanaf begin 2023 onder zware druk en heeft nooit duurzaam gefunctioneerd. Kort na het, op initiatief van de vader, overeengekomen ouderschapsplan in april 2023 is een patroon ontstaan van escalatie en juridisering. De hulpverlening is nooit van de grond gekomen dan wel voortijdig beëindigd. Uit meerdere recente hulpverleningsrapportages blijkt dat geen basis bestaat voor een gelijkwaardige zorgregeling. Dit betreft geen recente ontwikkeling, maar een structureel en langdurig patroon. In een dergelijke situatie leidt uitbreiding van zorgmomenten niet tot verbetering, maar vergroot dit juist het aantal overdrachtsmomenten en contactmomenten tussen ouders, waardoor de minderjarige in toenemende mate wordt blootgesteld aan de bestaande spanningen. De omstandigheid dat de vader binnenkort een woning in [plaats B] zal betrekken maakt dit niet anders. De huidige zorgregeling dient dan ook te worden voortgezet. Het advies van de raad 5.7 De raad adviseert het hof een raadsonderzoek te gelasten naar de zorgregeling, zoals de raad ook in eerste aanleg heeft geadviseerd. Een raadsonderzoek doet recht aan de specifieke vraag naar een passende zorgregeling in de situatie zoals deze zal zijn met de verhuizing van de vader naar [plaats B] . Recent heeft een beschermingsonderzoek plaatsgevonden en in dat onderzoek is alleen gekeken naar de huidige situatie. Naar aanleiding van het beschermingsonderzoek is geen ondertoezichtstelling verzocht. Daarin speelde mee dat de ouders op grote afstand van elkaar zouden gaan wonen en voorts dat de ouders aangaven verdere hulpverlening te wensen. Hoewel die situatie voor [kind 1] meer rust zou brengen, zag de raad dat de ouders desondanks constant op een negatieve manier met elkaar bezig bleven, hetgeen niet in het belang van [kind 1] is. Nu de vader in de zomer naar [plaats B] verhuist, is sprake van een nieuwe situatie. Het is de vraag wat deze nieuwe situatie voor [kind 1] betekent. De raad kan onderzoek doen naar het antwoord op de vraag welke zorgregeling in het belang van [kind 1] is, met beide ouders wonend in [plaats B] . De wachttijd voor het starten van een raadsonderzoek in Alkmaar bedraagt ongeveer twee maanden, maar de moeder woont officieel in [plaats B] . Wat de wachttijd in [plaats F] is, kan worden nagevraagd. Het hof kan ook vragen of de raad Alkmaar het onderzoek nog kan doen. Partijen zijn daar immers al bekend vanwege het beschermingsonderzoek. Naar verwachting kan het onderzoek dan binnen drie tot vier maanden worden afgerond. De beoordeling door het hof 5.8 Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de verstandhouding tussen partijen al jaren ernstig verstoord is en dat de ingezette hulpverlening daarin tot op heden geen verandering heeft kunnen brengen. De vader voelt zich buiten spel gezet door de moeder en de moeder voelt zich onder druk gezet door de vader. De vraag is in hoeverre [kind 1] belast wordt door de situatie tussen haar ouders. Zoals de raad heeft aangegeven, zal [kind 1] naarmate zij ouder wordt steeds meer meekrijgen van de spanningen tussen haar ouders. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat een te groot appel wordt gedaan op de loyaliteitsgevoelens van [kind 1] , dat hieraan een einde moet komen en dat het in haar belang is dat zij het merendeel van de tijd opgroeit bij één ouder. Bij diezelfde beschikking heeft de rechtbank aan de moeder vervangende toestemming verleend om met [kind 1] te verhuizen van [gemeente] naar [plaats B] . Deze verhuizing is lange tijd een punt van discussie tussen partijen geweest. Een aantal dagen voor de zitting in hoger beroep is gebleken dat de vader zich heeft neergelegd bij deze verhuizing en voornemens is om in de zomervakantie ook naar [plaats B] te verhuizen. Met de raad vraagt het hof zich af wat deze recente ontwikkeling betekent voor [kind 1] en of dit moet leiden tot een uitbreiding van de huidige zorgregeling, zoals de vader voorstaat. 5.9 Gelet hierop acht het hof zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een eindbeslissing te nemen over de zorgregeling. Het hof zal dan ook de behandeling van de zaak op dit onderdeel aanhouden en de raad verzoeken een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen omtrent - in ieder geval - de volgende vragen. Ten aanzien van de vakantieregeling is het voor het hof niet duidelijk waarin het verzoek van de vader afwijkt van de door de rechtbank bepaalde vakantieregeling. Om die reden gaat het hof ervan uit dat dit punt geen onderwerp van het debat is. Wel zal het hof de raad vragen de haal-en brengmomenten ten aanzien van de vakantieregeling mee te nemen in het onderzoek. - Welke zorgregeling (inclusief de haal- en brengmomenten met betrekking tot de vakantieregeling) acht de raad in het belang van [kind 1] ? - Acht de raad hulpverlening aangewezen? En zo ja, welke vorm van hulpverlening zou dit moeten zijn? - Zijn er voor het overige omstandigheden die van belang zijn voor de door het hof te nemen beslissing? 5.10 De raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat als de raad, locatie Alkmaar, het onderzoek op zich neemt, op kortere termijn kan worden gestart met het onderzoek en het onderzoek sneller afgerond zal zijn, vanwege het reeds verrichte beschermingsonderzoek. Het hof maakt graag gebruik van dit aanbod en zal de zaak daarom voor de duur van vijf maanden pro forma aanhouden, te weten tot zondag 10 januari 2027, in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek. De raad wordt verzocht uiterlijk twee weken voorafgaand aan genoemde datum het hof schriftelijk te informeren over de onderzoeksresultaten en het daarop gebaseerde advies. Daarna zal een nieuwe zittingsdatum worden bepaald. 5.11 Ter zitting in hoger beroep heeft het hof met partijen gesproken over de mogelijkheid van een tijdelijke uitbreiding van de huidige zorgregeling. De moeder heeft daarop een voorstel gedaan. De vader heeft dit voorstel niet geaccepteerd, omdat hij een co-ouderschap voor ogen heeft. Hoewel het hof begrip heeft voor deze wens, zal uit het raadsonderzoek moeten blijken of een dergelijke regeling in het belang van [kind 1] is. Nu de vader echter in [plaats B] op anderhalve kilometer afstand van [kind 1] zal komen te wonen, gunt het hof [kind 1] een uitgebreider contact met haar vader dan de huidige weekendregeling. Wel acht het hof het van belang dat de rust voor [kind 1] blijft gewaarborgd. Het hof zal dan ook de moeder in haar voorstel volgen en als tijdelijke regeling bepalen dat [kind 1] met ingang van het nieuwe schooljaar bij de vader verblijft: - in de even weken van donderdag uit school tot maandag naar school; - in de oneven weken van woensdag uit school tot donderdag naar school. Nu de overdracht van [kind 1] via school zal verlopen, gaat het hof ervan uit dat eventuele onduidelijkheid over de overdrachtslocatie is weggenomen. Deze tijdelijke regeling zal gelden totdat het hof een eindbeslissing heeft genomen over de zorgregeling en is onderwerp van onderzoek. 5.12 Voor wat betreft de vakantieregeling oordeelt het hof dat de door de rechtbank vastgestelde regeling blijft gelden. Wel wordt, zoals uit rov. 5.9 volgt, de raad verzocht de haal- en brengmomenten in het onderzoek te betrekken. Omdat het hof onduidelijkheid tussen partijen wenst te voorkomen, geldt ten aanzien van de vakantieweken dat deze starten op maandag om 10:00 uur en eindigen op zondag om 19:00 uur. In de vakantieweek van de vader brengt de moeder [kind 1] op maandag om 10:00 uur naar het (nieuwe) woonadres van de vader en brengt de vader [kind 1] op zondag om 19:00 uur terug naar het woonadres van de moeder in [plaats B] . Kinderalimentatie Het wettelijk kader 5.13 Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. 5.14 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking op verzoek van de moeder de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen kinderalimentatie gewijzigd naar € 500,- per maand door de vader aan de moeder te betalen met ingang van 22 december 2025 en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen. De standpunten 5.15 De vader stelt dat de rechtbank voor hem onverwachts een beslissing heeft genomen over de kinderalimentatie. Voorafgaand aan de zitting was voor hem niet kenbaar dat de kinderalimentatie inhoudelijk onderwerp van beoordeling zou zijn. Ook tijdens de mondelinge behandeling is hieraan geen aandacht besteed. De beslissing is genomen zonder dat de vader daadwerkelijk is gehoord, de rechtbank voldoende inzicht heeft gekregen in alle financiële gegevens en zonder dat de vader in de gelegenheid is geweest om op de standpunten van de moeder te reageren. Alleen al deze omstandigheid is voldoende aanleiding om de bestreden beschikking te vernietigen en een beslissing te nemen die in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Verder stelt de vader dat hij geen substantieel inkomen geniet uit zijn werkzaamheden, dat hij leeft van zijn spaargeld en geen draagkracht heeft om een bijdrage te leveren in de kosten van [kind 1] . 5.16 De moeder stelt dat het standpunt van de vader onbegrijpelijk is. Het verzoek tot vaststelling van de kinderalimentatie ligt al sinds 2023 voor en is herhaaldelijk in procedures en correspondentie aan de orde gesteld door de moeder. Partijen zijn bovendien op grond van het ouderschapsplan van april 2023 verplicht hun financiële gegevens over en weer te verstrekken. De vader heeft er desondanks voor gekozen geen inzicht te geven in zijn financiële situatie. Dat komt volledig voor zijn rekening en risico. De door de vader in hoger beroep overgelegde financiële stukken geven geen deugdelijk en controleerbaar inzicht in zijn daadwerkelijke financiële positie. Uit de overgelegde jaarstukken en aangifte inkomstenbelasting (IB) volgt dat sprake is van een vennootschapsstructuur waarin meerdere rechtspersonen met elkaar zijn verbonden in de zin van artikel 2:24b BW, waarbij onderlinge geldstromen en rekening-courantverhoudingen bestaan. Zonder inzicht in de volledige groep, waaronder de onderliggende vennootschappen en hun onderlinge verbintenissen, kan geen betrouwbaar beeld worden gevormd van het inkomen, vermogen en de draagkracht van de vader. De overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2024 is bovendien evident onvolledig. Het is dan ook nog steeds geheel onduidelijk hoe de vader zijn levensonderhoud financiert. 5.17 Het hof overweegt als volgt. Voor zover voor de vader niet duidelijk was dat ook de kinderalimentatie in de bestreden beschikking aan de orde zou komen, hetgeen de moeder overigens betwist, geldt dat het hoger beroep mede is bedoeld om eventuele fouten en omissies in de procedure bij de rechtbank te herstellen. In onderhavige procedure in hoger beroep is de kinderalimentatie aan de orde geweest en heeft de vader zijn standpunten daarover in de stukken en op de zitting naar voren kunnen brengen. Daarmee is een eventuele omissie in eerste aanleg hersteld. 5.18 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot wijziging van de door de vader te betalen kinderalimentatie toegewezen, zonder dat daaraan een berekening ten grondslag is gelegd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de vader onvoldoende heeft betwist dat hij de door de moeder verzochte kinderalimentatie kan voldoen en dat hij heeft nagelaten om jaarstukken van zijn ondernemingen, eventuele prognoses van zijn ondernemingen en recente IB-aangiftes te overleggen. In hoger beroep heeft de vader een aangifte IB 2024 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat hij een aanmerkelijk belang heeft in Jadu Beheer BV en Epsilon Ursae Majoris Ltd. Daarnaast heeft hij (concept-)jaarstukken 2023 en 2024 van Jadu Beheer BV, De Oversluiter Financiële Diensten BV, Epsilon Ursae Majoris Ltd en ROI Services BV overgelegd, waaruit blijkt dat er aanzienlijke rekening-courantschulden op groepsmaatschappijen en directie zijn. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader naar voren gebracht dat hij sinds maart 2026 werkzaam is en een inkomen van € 14.000,- bruto per maand geniet. Stukken ter onderbouwing daarvan heeft hij niet overgelegd. Desgevraagd heeft de vader op de zitting in hoger beroep bevestigd dat hij evenmin stukken ten aanzien van zijn spaargeld heeft overgelegd. Het hof is dan ook net als de rechtbank van oordeel dat de vader onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie in het licht van de gemotiveerde betwisting door de moeder van de stellingen van de vader ten aanzien van zijn draagkracht. Geconstateerd moet worden dat geen stukken beschikbaar zijn op basis waarvan een deugdelijke behoefteberekening en een draagkrachtberekening kan worden gemaakt. Door de vader zijn daartoe volstrekt onvoldoende bewijsstukken in het geding gebracht. Hoewel de vader stelt dat hij geen substantieel, en naar het hof begrijpt structureel, inkomen geniet uit zijn werkzaamheden, voldoet hij blijkens de door hem overgelegde huurovereenkomst kennelijk wel aan de inkomenseisen voor een huurwoning in de vrije sector. Daarnaast is ter zitting in hoger beroep duidelijk geworden dat de vader kennelijk een verdiencapaciteit heeft van € 14.000,- bruto per maand. Het hof gaat er dan ook van uit dat de door de moeder verzochte kinderalimentatie het aandeel van de vader in de kosten van de verzorging en opvoeding van [kind 1] niet overstijgt en dat de vader voldoende draagkracht heeft om de verzochte kinderalimentatie van € 500,- per maand te voldoen. Het hof zal dan ook de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de kinderalimentatie bekrachtigen. 5.19 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing Het hof: in de hoofdzaak: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 22 december 2025, voor zover het de kinderalimentatie betreft; stelt de volgende tijdelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast: met ingang van het nieuwe schooljaar (2026-2027) verblijft [kind 1] bij de vader: - in de even weken van donderdagmiddag uit school tot maandag naar school; - in de oneven weken van woensdag uit school tot donderdag naar school. en, alvorens verder te beslissen: verzoekt de raad, locatie Alkmaar, een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de onder 5.9 geformuleerde vragen; houdt de verdere behandeling van de zaak pro forma aan tot zondag 10 januari 2027, en verzoekt de raad omtrent de resultaten van dit onderzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee weken voor deze datum een schriftelijk rapport met advies uit te brengen en aan het hof te doen toekomen; bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen; houdt iedere verdere beslissing aan; in het incident: verstaat dat het schorsingsverzoek is ingetrokken. Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. M.T. Hoogland en mr. J.M.I. Vink, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 11 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.