Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-08-11
ECLI:NL:GHAMS:2026:2213
De GI is tot tweemaal toe niet verschenen op de mondelinge behandeling en heeft geen geactualiseerd plan van aanpak gereed. Geen duidelijkheid over de situatie van de minderjarige en het hof acht zich onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen over de omgang met de vader. Zaak wordt aangehouden in afwachting van de hulpverlening en een geactualiseerd plan van aanpak van de GI. GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.362.338/01 zaaknummer rechtbank: C/15/368842 / JU RK 25-1182 beschikking van de meervoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak van [de vader] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , verzoeker in hoger beroep, hierna: de vader, advocaat: mr. J. Brouwer te Haarlem , en de gecertificeerde instelling stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te [plaats B] , verweerster in hoger beroep, hierna: de GI of DJGB. Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt: - de minderjarige [kind 1] , hierna: [kind 1] ; - [de moeder] , hierna: de moeder. In de procedure heeft een adviserende taak: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem , hierna: de raad. 1 De zaak in het kort De zaak gaat over de omgang tussen [kind 1] (11 jaar) en de vader. De kinderrechter heeft op verzoek van de GI de eerder vastgestelde zorgregeling tussen [kind 1] en de vader geschorst. De vader is het daarmee niet eens en wil dat het verzoek van de GI wordt afgewezen en – kort gezegd – dat de zorgregeling weer wordt hervat en onder regie van de GI uiteindelijk wordt opgebouwd tot de vóór de schorsing bestaande zorgregeling. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 De vader is op 4 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter). 2.2 Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen: - e-mailberichten van de moeder van 1 april en 17 april 2026. 2.3 Een zitting heeft op 23 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en - de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe. De moeder is met bericht van afmelding niet ter zitting verschenen. De GI is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 2.4 De behandeling van de zaak is ter zitting van 23 april 2026 aangehouden vanwege de afwezigheid van de GI. De GI is de inleidende verzoekster en het hof acht het van belang van de GI te horen wat de huidige stand van zaken is en welk standpunt de GI op dit moment inneemt. 2.5 Het hof heeft daarna de volgende stukken ontvangen: - een bericht van de GI van 4 mei 2026, inhoudende dat namens de GI een jeugdbeschermer zal verschijnen tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling; - een bericht van de moeder van 19 mei 2026, inhoudende dat zij (en [kind 1] ) niet aanwezig zullen zijn tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling. 2.6 De behandeling van de zaak is op 28 mei 2026 voortgezet. Hierbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat (via een digitale videoverbinding); - de raad, vertegenwoordigd door S. Molenaar. De moeder is met bericht van afmelding niet ter zitting verschenen. De GI heeft een half uur voor aanvang van de zitting een aanhoudingsverzoek ingediend en is niet ter zitting verschenen. 2.7 De zaak is ter zitting op 28 mei 2026 opnieuw aangehouden. De behandeling kon niet worden voortgezet zonder informatie van de GI. Het hof heeft bepaald dat aan de GI een bevel zal worden gegeven op de volgende zitting te verschijnen. Ook heeft het hof de GI de opdracht gegeven om bij de volgende mondelinge behandeling, die nadien is bepaald op 24 juni 2026, een voorlopig plan van aanpak gereed te hebben. 2.8 Het hof heeft daarna het volgende stuk ontvangen: - een bericht van de GI van 12 juni 2026, inhoudende een op 18 oktober 2025 geactualiseerd plan van aanpak. 2.9 De behandeling van de zaak is op 24 juni 2026 voortgezet. Hierbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI; - de moeder; - de raad, vertegenwoordigd door R. Bark. 2.10 Het hof heeft [kind 1] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. [kind 1] heeft op 29 juni 2026 met de voorzitter gesproken. Aan de belanghebbenden is een samenvatting van het gesprek toegezonden, waarbij hun de mogelijkheid is geboden daarop te reageren. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt. 3 De feiten 3.1 De vader en de moeder (hierna: de ouders) zijn getrouwd geweest en woonden tot medio juli 2017 samen. De ouders zijn op 22 oktober 2018 gescheiden. Tijdens het huwelijk is [kind 1] geboren [in] 2015 in [plaats C] . De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind 1] . Bij beschikking van 17 april 2019 is door de rechtbank bepaald dat [kind 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. 3.2 De moeder is op 27 augustus 2024 opnieuw getrouwd en heeft met haar echtgenoot twee zoontjes, [kind 2] van 3 jaar en [kind 3] van 2 jaar. De vader heeft uit een eerdere relatie een meerderjarige dochter, [kind 4] (23 jaar). 3.3 [kind 1] is eerder onder toezicht gesteld geweest van 10 november 2017 tot 10 november 2024. 3.4 Bij beschikking van 17 april 2019 is door de rechtbank de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarbij [kind 1] bij de moeder verblijft van woensdag 12:00 uur tot zondag 09:00 uur en bij de vader verblijft van zondag 09:00 uur tot woensdag 12:00 uur. 3.5 De kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft bij beschikking van 30 oktober 2020 de volgende zorgregeling vastgesteld: [kind 1] verblijft met ingang van 5 november 2020 om de week bij de vader van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, waarbij de overdrachtsmomenten op school zullen plaatsvinden. 3.6 Op 20 augustus 2025 is [kind 1] , op het verzoek van de raad, voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor drie maanden. Op 11 november 2025 is [kind 1] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 11 november 2026. 4 De omvang van het hoger beroep 4.1 De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de GI, de bij beschikking van 30 oktober 2020 vastgestelde zorgregeling gewijzigd, in die zin dat deze wordt geschorst totdat door de kinderrechter anders is beslist. 4.2 De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te beslissen dat in het belang van [kind 1] minimaal eenmaal per veertien dagen een al dan niet begeleid contactmoment plaatsvindt, waarbij deze minimale regeling onder regie van de GI verder kan worden uitgebreid, met als doel toe te werken naar hervatting van de zorgregeling zoals vastgelegd bij beschikking van 30 oktober 2020. 4.3 De GI heeft ter zitting het standpunt ingenomen als hierna onder 5.3 vermeld. 5 De motivering van de beslissing Het wettelijk kader 5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) - voor zover hier van belang - kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een zorgregeling wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De standpunten 5.2 De vader stelt dat de kinderrechter ten onrechte de zorgregeling heeft geschorst. Hij staat niet achter de reden van de schorsing, want hij heeft [kind 1] (en de moeder) nooit mishandeld. De vader is ervan overtuigd dat [kind 1] zich bevindt in een loyaliteitsconflict tussen de ouders. Hij denkt dat [kind 1] het gevoel heeft dat hij moet kiezen tussen de ouders en zich om die reden negatief uitlaat over hem. De vader voelt zich niet serieus genomen door de GI omdat bijna een jaar na de schorsing van de zorgregeling nog geen concrete stappen zijn ondernomen door de GI. Ook is de GI niet verschenen bij de zittingen bij het hof op 23 april 2026 en 28 mei 2026. Daarnaast reageert de GI niet op de e-mails en telefonische oproepen van of namens de vader en verstrekt de GI geen informatie aan de vader. Daarom zou een wisseling van GI voor de hand liggen. Bovendien stelt de advocaat van de vader vernomen te hebben dat Jeugdbescherming Regio [plaats B] sneller een gezinsplan zou kunnen opstellen. De vader benadrukt het belang dat snel gehandeld wordt door de GI aangezien hij [kind 1] sinds augustus 2025 niet meer heeft gezien. Hij is bang dat als het contactherstel te lang op zich laat wachten [kind 1] geen contact meer met hem wil. 5.3 De GI kan op dit moment niet zeggen of het hervatten van de zorgregeling in het belang is van [kind 1] . Op 23 december 2025 heeft de GI een aanvraag gedaan voor de inzet van hulpverlening. Inmiddels heeft iHub zich bereid verklaard om te onderzoeken of bij [kind 1] sprake is van (een) trauma. Indien dit het geval is, zal traumabehandeling vanuit iHub worden gestart. In dat geval weet de GI niet of contactherstel direct kan plaatsvinden, aangezien het trauma mogelijk eerst dient te worden behandeld. Wanneer contactherstel kan plaatsvinden, zal ZIJN. worden ingezet om begeleide omgang te faciliteren. De GI heeft daarover nog niets vernomen van ZIJN. 5.4 De moeder heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het goed gaat met [kind 1] . Hij voetbalt graag en hij is toegelaten tot een voetbalteam dat op een hoger niveau speelt. Op school gaat het wisselend met [kind 1] . De moeder merkt dat er dingen zijn die hem dwars zitten. Met betrekking tot de zorgregeling tussen de vader en [kind 1] merkt de moeder op dat zij het niet wenselijk vindt dat er geen contact is tussen de vader en [kind 1] . Zij benadrukt wel dat zij het belangrijk vindt dat de veiligheid wordt gegarandeerd indien er contactherstel zou plaatsvinden. Het advies van de raad 5.5 De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad ziet dat [kind 1] klem zit tussen de ouders. Hij wordt belast met spanningen waardoor hij niet met beide ouders ongedwongen contact kan hebben. De raad maakt zich zorgen over de uitspraken die [kind 1] in het gesprek met de raad heeft gedaan, waarin hij aangaf dat de vader hem heeft mishandeld. Ook als deze mishandelingen niet hebben plaatsgevonden, acht de raad het zorgelijk dat [kind 1] deze uitspraken heeft gedaan. De raad acht het van belang dat er op korte termijn een gesprek met [kind 1] plaatsvindt vanuit iHub, waarna een plan kan worden opgesteld om te bepalen of de omgang geleidelijk kan worden opgebouwd of dat eerst aan het trauma moet worden gewerkt. Dat plan moet binnen drie maanden gereed kunnen zijn, mits binnen zes weken met de gesprekken wordt gestart. De raad betwijfelt of de GI de juiste instelling is om deze zaak op zich te nemen, aangezien de raad de urgentie mist bij de GI. De GI heeft de raad tweemaal toegezegd actie te zullen ondernemen maar deze toezeggingen hebben tot op heden niet geleid tot concrete stappen. Gelet hierop acht de raad het van groot belang dat zo spoedig mogelijk alsnog actie wordt ondernomen. De raad heeft ook vernomen dat JBRA ruimte heeft en binnen zes weken de mogelijkheid heeft om afspraken met de ouders te maken. Tot slot heeft de raad de vader meegegeven dat hij kan focussen op leuke dingen als hij [kind 1] weer ziet, zodat [kind 1] niet wordt belast met de schuldvraag of de mishandelingen wel of niet hebben plaatsgevonden. Ondertussen zou de vader kunnen starten met het sturen van een kaartje naar [kind 1] . De beoordeling door het hof 5.6 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. De kinderrechter heeft bij de bestreden beschikking de zorgregeling geschorst. De kinderrechter is hiertoe overgegaan vanwege de ernstige zorgen over de veiligheid van [kind 1] bij de vader. Deze zorgen zijn ontstaan nadat [kind 1] bij de raad had verklaard dat hij fysiek werd mishandeld door de vader. Ook verklaarde [kind 1] dat hij meerdere keren getuige is geweest van agressie door de vader jegens anderen en dat hij bang is voor de vader. De kinderrechter heeft vervolgens de opdracht gegeven aan de GI om meer zicht te krijgen op de situatie van [kind 1] , zodat van daaruit kan worden beoordeeld wat de (on)mogelijkheden van omgang met de vader zijn. 5.7 Het hof constateert dat sinds de bestreden beschikking nog weinig zicht is verkregen op de situatie van [kind 1] . Ter zitting in hoger beroep heeft de GI verklaard dat de hulpverlening vanuit iHub en ZIJN. nog niet is gestart. Het hof betreurt het - en spreekt in zoverre zijn ongenoegen uit - dat de hulpverlening een lange tijd op zich laat wachten en dat de GI tot tweemaal toe niet is verschenen op een mondelinge behandeling, waardoor de zaak moest worden aangehouden. Op de nadere zitting is zij wel verschenen, maar zonder een geactualiseerd plan van aanpak gereed te hebben. Het hof acht het, evenals de raad, van belang dat op korte termijn duidelijkheid komt over de situatie van [kind 1] . Er dient duidelijkheid te komen over de vraag of bij [kind 1] sprake is van (een) trauma en zo ja, welke behandeling daarvoor geïndiceerd is en hoeveel tijd daarmee naar verwachting gemoeid zal zijn. Verder dient duidelijkheid te komen over de vraag of het mogelijk herstarten van omgang met de vader valt te verenigen met de traumabehandeling, en over de vraag of er overigens nog contra-indicaties voor omgang bestaan. Op dit moment is nog geen enkele informatie beschikbaar omdat iHub en ZIJN. nog moeten beginnen. Gelet op het voorgaande acht het hof zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen over de vraag of omgang met de vader in strijd is met zwaarwegende belangen van [kind 1] . Daarom zal het hof de zaak pro forma aanhouden als na te melden in afwachting van de te starten hulpverlening. Daarbij verwacht het hof dat iHub en zo nodig ook ZIJN. tegen die tijd actief betrokken zijn bij [kind 1] . Daarnaast verzoekt het hof DJGB, dan wel – indien een wijziging van de gecertificeerde instelling plaatsvindt – de opvolgende GI, te zijner tijd een geactualiseerd plan van aanpak in te dienen. In dit plan van aanpak moet onder andere worden vermeld de hulpverlening die wordt ingeschakeld, en de onderbouwing van de noodzaak daarvan, alsmede de (verdere) doelstellingen van de bemoeienis van de GI. 6 De beslissing Het hof: houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling pro forma aan tot 27 oktober 2026 ; verzoekt partijen om binnen twee weken na deze beschikking hun verhinderdata voor de periode van 1 november tot 31 december 2026 aan het hof op te geven voor een nader te plannen mondelinge behandeling; draagt de GI op om uiterlijk 27 oktober 2026 een (geactualiseerd) plan van aanpak in te dienen en daarbij informatie te verschaffen over de trajecten van [kind 1] bij iHub en het traject bij ZIJN. als overwogen in rechtsoverweging 5.7. Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A.N. van de Beek en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 11 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.