Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-07-23
ECLI:NL:GHAMS:2026:2188
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het niet doen van aangiften omzetbelasting door een bedrijf over vijf kwartalen in de jaren 2011-2012, terwijl dit feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Volgens de Belastingdienst heeft dit geresulteerd in een belastingnadeel van in totaal € 680.612,49. Hierop zal geen bedrag (aan voorbelasting) in mindering worden gebracht. Dit eventuele bedrag aan voorbelasting is door de onvolledige administratie van het bedrijf onvoldoende inzichtelijk geworden. De verdachte wordt wel vrijgesproken van het (medeplegen van) feitelijk leidinggeven aan het als rechtspersoonbestuurder van een failliete rechtspersoon medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. afdeling strafrecht parketnummer: 23-004016-19 datum uitspraak: 23 juli 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-993128-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2026, 7 mei 2026 en 9 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Het openbaar ministerie is op basis van de beginselen van een goede procesorde gebonden aan beleidsregels en protocollen om mensen tegen arbitraire vervolging te beschermen, waaronder het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD). Aan de benadelingsbedragen, die in deze regels tot uitgangspunt worden genomen om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging, is in deze zaak niet voldaan. De Belastingdienst heeft immers alleen inzage gekregen in de verkoopfacturen van [bedrijf 1] BV, op basis waarvan tot een aanzienlijk belastingnadeel werd geconcludeerd. Als de Belastingdienst – naast de verkoopfacturen – ook de inkoopfacturen zou hebben meegenomen in de nadeelberekening, dan was een dusdanig bedrag aan voorbelasting in aftrek gebracht dat van een benadelingsbedrag voor de Belastingdienst in het geheel geen sprake zou zijn geweest. Het openbaar ministerie zou bij die stand van zaken dan ook niet tot vervolging zijn overgegaan. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Op 10 januari 2017 is in de stuur- en weegploeg (het afstemmingsoverleg van de Belastingdienst, de FIOD en het openbaar ministerie) het besluit genomen om tegen onder meer de verdachte een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Op dat moment was het Protocol AAFD 2015 van kracht. Daarin stond als criterium onder meer vermeld dat bij een nadeelbedrag van € 100.000,00 of meer de zaak wordt aangemeld voor mogelijke strafrechtelijke afhandeling als sprake is van een vermoeden van opzet. Vast staat dat [bedrijf 1] BV geen aangiften omzetbelasting heeft gedaan over de periode van het 2de kwartaal 2011 tot en met het 3de kwartaal 2013, terwijl die aangiften – gelet op de bevindingen naar aanleiding van het boekenonderzoek door de Belastingdienst – wel hadden moeten worden gedaan. [persoon 1] , controleambtenaar bij de Belastingdienst, heeft aan de hand van de verstuurde verkoopfacturen van [bedrijf 1] BV en de 14 uitgevoerde derdenonderzoeken berekend dat dit uiteindelijk heeft geleid tot een belastingnadeel van € 557.898,00 in 2011 en van € 122.713,00 in 2012. Dit zijn de totale bedragen die [bedrijf 1] BV in deze jaren aan omzetbelasting had moeten afdragen. Dit betekent dat het totale benadelingsbedrag voor 2011-2012 (557.898,00 + 122.713,00 =) € 680.611,00 is. Op het moment dat het openbaar ministerie besloot tot vervolging over te gaan, was bij de Belastingdienst niets bekend over eventuele door [bedrijf 1] BV in de jaren 2011 en/of 2012 ontvangen inkoopfacturen waarop omzetbelasting in rekening is gebracht die door haar ook is betaald en die de vennootschap mogelijk als voorbelasting in aftrek zou mogen brengen. De kwartaalaangiften omzetbelasting over voornoemde periode – waaruit (het recht op teruggave van) de voorbelasting zou kunnen volgen – zijn immers, zoals hierna ook zal blijken bij de bespreking van feit 2, door [bedrijf 1] BV niet gedaan. Dit betekent dat het openbaar ministerie, gelet op (de hoogte van) het destijds bij de Belastingdienst bekende benadelingsbedrag, tot vervolging mocht overgaan. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat: 1. [bedrijf 2] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 30 juni 2016 te Rijswijk en/ of Alphen aan de Rijn en/of Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (te weten [bedrijf 3] B.V.) of anderen, althans alleen, als bestuurder(s) van - [bedrijf 4] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis van 2 augustus 2013 in staat van faillissement is verklaard en/of - [bedrijf 1] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis van 19 november 2013 in staat van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van voornoemde rechtsperso(o)n(en) ( [bedrijf 4] B.V. en/of [bedrijf 1] B.V.) niet heeft voldaan aan de op [bedrijf 3] B.V. en/of [bedrijf 5] B.V. rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld, immers was de administratie van [bedrijf 4] B.V. en/of [bedrijf 3] B.V. niet volledig verstrekt aan de curator(en) en/of niet zodanig bijgehouden en/of bijgewerkt tot de faillissementsdatum dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtsperso(o)n(en) [bedrijf 4] B.V. en/of [bedrijf 1] B.V. konden worden vastgesteld (DOC-113 t/m DOC-115), tot welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven; 2. [bedrijf 1] B.V., op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 april 2011 tot en met 19 november 2013 te Rijswijk en/of Alphen aan de Rijn en/of Den Haag en/of Apeldoorn, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meer (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting, over - het jaar 2011 (tweede kwartaal tot en met het vierde kwartaal) en/of - het jaar 2012 (eerste kwartaal tot en met het vierde kwartaal) en/of - het jaar 2013 (eerste kwartaal tot en met het derde kwartaal), op naam van [bedrijf 1] B.V. niet of niet binnen de door de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan en/of heeft laten doen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander (te weten [persoon 2] ) of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank. Standpunten van partijen Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Daartoe heeft zij wat betreft feit 1 aangevoerd dat de verdachte, tezamen en in vereniging met [persoon 2] , feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 2] BV en [bedrijf 5] BV niet voldoen aan de op hen rustende administratieplicht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de failliete rechtspersonen [bedrijf 4] BV en [bedrijf 1] BV. Voor de verdachte en [persoon 2] moet het vanaf 31 mei 2013 ( [bedrijf 4] BV) en vanaf 2 juli 2012 ( [bedrijf 1] BV) duidelijk zijn geweest dat een faillissement onvermijdelijk was. Vanaf die data bestond de aanmerkelijke kans dat schuldeisers in de faillissementen zouden worden benadeeld door het nalaten een deugdelijke administratie te voeren. Die aanmerkelijke kans hebben de verdachte en [persoon 2] bewust aanvaard, gelet op het feit dat zij hebben nagelaten maatregelen te nemen om de administratie van [bedrijf 4] BV en [bedrijf 1] BV alsnog op orde te brengen. Feit 2 kan eveneens worden bewezen, met dien verstande dat de verdachte van het (medeplegen van feitelijk leidinggeven aan het door [bedrijf 1] BV) opzettelijk niet-doen van aangiften omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal 2012 en het eerste tot en met het derde kwartaal 2013 moet worden vrijgesproken. Niet is gebleken dat [bedrijf 1] BV in die perioden facturen met omzetbelasting bij derden in rekening heeft gebracht, zodat niet kan worden bewezen dat het feit (ook) over die kwartalen ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van feit 1 en feit 2 moet worden vrijgesproken. Wat betreft feit 1 voert zij primair aan dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een onvolledige administratie van de failliete vennootschappen [bedrijf 4] BV en/of [bedrijf 1] BV. Uit de door de verdediging overgelegde stukken (bijlage 2 bij de brief van de verdediging van 1 april 2026) blijkt immers dat (vrijwel) alle benodigde stukken aan de curator zijn verstrekt; de overzichten van de curator in het dossier met ‘ontbrekende stukken’ (DOC-113 en DOC-115) zijn dan ook onjuist. Subsidiair heeft de verdachte als feitelijk leidinggever van deze failliete rechtspersonen niet gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. Het niet of onvoldoende voeren van een administratie, zelfs als dat het geval zou zijn, impliceert niet zonder meer voorwaardelijk opzet op deze verkorting aan de zijde van de verdachte. Als al sprake zou zijn van een aanmerkelijke kans dat door het niet-naleven van de administratieplicht de rechten van de schuldeisers zouden worden verkort, hetgeen de verdediging betwist, heeft in ieder geval te gelden dat de verdachte deze kans niet bewust heeft aanvaard. Wat betreft feit 2 stelt zij dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten de aangiften omzetbelasting van [bedrijf 1] BV te (laten) doen van het tweede kwartaal 2011 tot en met het derde kwartaal 2013. De verdachte verkeerde, en mocht verkeren, in de veronderstelling dat zijn boekhouder [persoon 3] deze aangiften zou verzorgen. De verdachte heeft zich ingespannen aan de aangifteplicht te voldoen en ervoor te zorgen dat door [persoon 3] juiste aangiften werden ingediend. Verder geldt dat voor de verdachte ook vast stond dat er een teruggaaf zou volgen: voor [bedrijf 1] BV waren de inkoopkosten hoger dan de verkoopkosten. Uit de door de verdediging overgelegde rapporten van [persoon 2] , te weten de ‘conceptrapportage bevindingen nadeelberekening [verdachte] ’ van 25 maart 2026 en de ‘aanvullende bevindingen nadeelberekening [verdachte] ’ van 29 april 2026, volgt dat [bedrijf 1] BV per saldo recht had op een teruggaaf van de Belastingdienst ter hoogte van ruim € 53.000,00 en dus geen verplichting had tot afdracht. Aldus kan niet worden bewezen dat het niet doen van de aangiften omzetbelasting ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Oordeel van het hof Feiten en omstandigheden Het hof stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 22 juli 2009 is [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 3] ) opgericht. De ondernemingsactiviteiten bestonden uit het ontwikkelen van vijf kantoorpanden en een bedrijfsverzamelgebouw aan de [plek 1] / [plek 2] in Rijswijk. De bestuurders van [bedrijf 3] waren sinds 31 maart 2011 en in ieder geval tot 15 december 2016 [bedrijf 2] BV en [bedrijf 5] BV , die op hun beurt ieder door een natuurlijke persoon werden bestuurd: - [bedrijf 2] BV is op 20 juli 2000 opgericht en de verdachte was vanaf die datum bestuurder en enig aandeelhouder van deze rechtspersoon ; - [bedrijf 5] BV is op 12 juni 2003 opgericht en [bedrijf 3] was vanaf die datum bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap. De verdachte heeft verklaard dat hij, samen met [bedrijf 3] , feitelijk leiding heeft gegeven aan [plek 3] . Ook [bedrijf 3] heeft verklaard dat hij, samen met de verdachte, de feitelijk bestuurder was van [plek 3] . Niet is gebleken dat er andere personen in [plek 3] werkzaam waren of dat de rechtspersoon daarnaast andere werknemers in dienst had. Bij vonnis van 19 november 2013 is [bedrijf 3] in staat van faillissement verklaard en is [persoon 4] aangesteld als curator. Enkele maanden eerder, op 2 augustus 2013, is [bedrijf 4] BV (hierna [bedrijf 4] ), een andere vennootschap waarvan de bestuurders eveneens [bedrijf 2] BV en [bedrijf 5] BV waren, in staat van faillissement verklaard. Curator [persoon 4] heeft in beide faillissementen aangifte gedaan van faillissementsfraude. In de aangifte betreffende het faillissement van [plek 3] heeft de curator onder meer aangegeven dat niet aan de administratie- en bewaarplicht is voldaan: “ Er is zeker driemaal gevraagd naar de administratie, namelijk op 20 november 2013, 22 november 2013 en 6 december 2013. Door de bestuurders werd steeds beloofd om met meer stukken en informatie te komen. Maar uiteindelijk bleek dat er niet meer was dan de gegeven gebrekkige administratie. (…) Aangezien ik niet de beschikking heb over de balans, verlies- en winstrekening van het laatste volledige boekjaar, het grootboek van het lopende jaar tot aan datum faillissement en de onderliggende boekingsstukken is het voor mij niet mogelijk om de rechten en verplichtingen van gefailleerde op faillissementsdatum vast te stellen. (…) ” De aangifte betreffende het faillissement van [bedrijf 4] laat een soortgelijk beeld zien: “ Terstond na de uitspraak op 2 augustus 2013 heb ik (…) diverse malen verzocht om uitlevering van de administratie. Na een maand ontbraken nog steeds administratieve stukken. (..) De boekhouding zal zeer incompleet blijven omdat deze maar tot september 2012 is bijgewerkt. In de boekhouding van 2013 zijn tot april 2013 slechts enkele bankstukken verwerkt. Door de accountant zijn slechts de jaarstukken 2009 en 2010 aangeleverd. 2011 is niet opgemaakt omdat er nog een 20-tal vragen openstaan van de accountant bij de bestuurders over de rekening-courant verhouding tussen [bedrijf 4] BV en de 100% deelneming [bedrijf 1] BV. (…) Zonder dat jaarstukken over 2011 zijn opgemaakt of vastgesteld is wel een publicatiebalans over 2011 (veel te laat) gedeponeerd. De saldibalansen over 2011 t/m 2013 zijn door de curator opgevraagd, maar zijn niet aangeleverd. ” [persoon 3] , de boekhouder van beide vennootschappen, heeft als getuige de conclusie van [persoon 4] inzake de onvolledige administratie bevestigd. Zij heeft verklaard: “ U houdt mij voor dat de curator de conclusie trekt dat de administratie niet compleet was en dat het hierdoor niet mogelijk was om een volledig beeld te krijgen. Die conclusie begrijp ik. Dat gold niet alleen voor de privé-gegevens van [verdachte] maar ook voor de BV’s [het hof begrijpt: inclusief [bedrijf 4] en [bedrijf 3] ] . Ik kreeg, ondanks herhaalde verzoeken niet alle gegevens aangeleverd. Daarom heb ik mijn werkzaamheden op een gegeven moment gestaakt.(..) Ik kon geen goede jaarstukken opmaken omdat ik een incompleet dossier had. Dat was voor mij de reden om mijn werkzaamheden te staken. ” Illustratief in dit verband is het e-mailbericht dat een collega van [persoon 3] , [persoon 5] , op 24 februari 2012 (9.41 uur) aan de verdachte heeft verstuurd. Hij schreef: “ In de bijlage mail ik u overzichten van de ontbrekende gegevens in de administraties van 2011. Daarnaast ontvang ik graag van alle banken de financiële jaaroverzichten. ” Op 25 juni 2015 heeft belastingambtenaar [persoon 1] een inleidend gesprek gevoerd met curator [persoon 4] in het kader van een boekenonderzoek bij [bedrijf 3] inzake de omzetbelasting over de jaren 2011, 2012 en 2013. [persoon 1] heeft [persoon 4] verzocht de administratie van deze rechtspersoon zowel fysiek als digitaal te verstrekken. [persoon 4] kon hem slechts beperkt documenten ter beschikking stellen omdat de administratie slechts gedeeltelijk bij hem aanwezig was. [persoon 1] heeft van [persoon 4] de aanwezige verkoopfacturen in kopie meegekregen. Dat betroffen alleen verkoopfacturen uit het jaar 2011. [persoon 1] heeft in dit boekenonderzoek ervoor gekozen zogenoemde derdenonderzoeken in te stellen, omdat hij op de facturen de tekst “bouwtermijnen” zag en hij het vermoeden had dat er meer bouwtermijnen en dus ook meer verkoopfacturen moesten zijn. Hij had gezien dat op de verkoopfacturen van [bedrijf 3] over 2011 omzetbelasting was vermeld in verband met een bouwproject aan de [plek 1] op het bedrijventerrein [terrein] in Den Haag. [persoon 1] heeft in totaal veertien derdenonderzoeken verricht; twaalf voor het controlejaar 2011 en twee voor het controlejaar 2012. De resultaten zijn verwerkt in twee overzichten voor respectievelijk 2011 en 2012 met als titel “Overzicht aangetroffen facturen [naam] ”. Uit de bankafschriften van [bedrijf 3] blijkt dat in ieder geval een deel van deze verkoopfacturen, inclusief omzetbelasting, door de kopers is voldaan. De facturen voor [bedrijf 3] werden zowel door de verdachte als door [bedrijf 3] opgemaakt. [persoon 3] heeft de aangiften omzetbelasting voor [bedrijf 3] tot en met het eerste kwartaal van 2011 ingediend. Zowel de verdachte als [bedrijf 3] brachten administratie naar [persoon 3] . Na de aangifte op 29 april 2011 voor het eerste kwartaal 2011 heeft [persoon 3] voor [plek 3] geen aangiften omzetbelasting meer ingediend, omdat de benodigde administratie zoals onderbouwing van kosten – ondanks haar herhaalde verzoeken hiertoe aan zowel de verdachte als aan [bedrijf 3] – niet of niet volledig werd aangeleverd. [persoon 3] heeft verklaard dat zij met name de verdachte heeft aangesproken op de onvolledigheid van de administratie, dat zij aan hem en [bedrijf 3] hierover vragen heeft gesteld en dat zij [bedrijf 3] erop heeft aangesproken dat de verdachte stukken moest aanleveren. Op 27 oktober 2011 (15.58 uur) heeft [persoon 5] , een e-mailbericht gestuurd aan de verdachte met het voorstel uiterlijk de daaropvolgende dag aangiften omzetbelasting in te dienen voor het tweede en derde kwartaal 2011 met daarin vermeld de te betalen bedragen aan omzetbelasting voor onder andere [plek 3] . Op 27 oktober 2011 (16.28 uur) heeft de verdachte per e-mailbericht geantwoord, met [persoon 3] in de cc, dat de voorgestelde bedragen “ erg hoog op mij over [komen] ” en heeft hij voorgesteld voor deze rechtspersoon nihil aangiften te doen. Dit heeft [persoon 3] geweigerd. Op 31 oktober 2011 (10.52 uur) heeft [persoon 3] een e-mailbericht gestuurd aan de verdachte met daarbij acceptgiro’s voor de afdrachten omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal 2011 en met daarin haar bevestiging van de afspraak dat de verdachte de aangiften zelf indient. In een e-mailbericht van [persoon 3] van 12 maart 2012 stuurt zij daarover aan de verdachte: “ wij kunnen echt geen aangiften inzenden waarvan we weten dat ze onjuist zijn. Dat hebben we toen uitvoerig besproken, dan krijgen wij als kantoor problemen met de belastingdienst”. In een e-mailbericht van 21 april 2012 (10.14 uur) aan de verdachte herhaalt [persoon 3] nog eens de bevestiging van de afspraak dat de verdachte de aangiften zelf zou doen. Diezelfde dag (om 13.46 uur) heeft de verdachte dit e-mailbericht van [persoon 3] beantwoord met [bedrijf 3] in de cc. [persoon 3] heeft ter terechtzitting in hoger beroep in de strafzaak tegen [bedrijf 3] als getuige voormelde gang van zaken ook bevestigd: “ Ik heb gezegd dat zij [het hof begrijpt: de verdachte en [bedrijf 3] ] zelf een inlogcode moesten aanvragen voor de aangiften omzetbelasting. Ik wilde geen aangiften doen waarvan ik wist dat deze onjuist waren.” In een notitie van 6 november 2012 van [persoon 6] , medewerker van de Belastingdienst, staat: “ [persoon 7] (…) aan de lijn gehad, hij gaat verzorgen dat de aangiften OB vanaf 2e kw-2011 tot heden ingediend gaan worden ”. Blijkens de verklaring van belastingambtenaar [persoon 8] heeft de Belastingdienst van [bedrijf 3] geen elektronische aangiften omzetbelasting ontvangen over het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2011, over alle vier de kwartalen van 2012 en over het eerste tot en met het derde kwartaal van 2013. [bedrijf 3] heeft in het tweede tot en met het vierde kwartaal 2011 én in het eerste en vierde kwartaal 2012 wel facturen met omzetbelasting bij derden in rekening gebracht. Belastingambtenaar [persoon 1] heeft aan de hand van zowel de van [persoon 4] ontvangen verkoopfacturen van [bedrijf 3] als de veertien uitgevoerde derdenonderzoeken berekend dat dit heeft geleid tot een belastingnadeel van € 557.898,84 voor 2011 en van € 122.713,65 voor 2012 . De verdachte heeft over het (niet) afdragen van omzetbelasting onder meer verklaard dat hij weet dat je naar aanleiding van verstuurde verkoopfacturen omzetbelasting moet betalen en dat deze verkoopfacturen door hemzelf en [bedrijf 3] zijn opgesteld. Feit 1 Wettelijk kader Op 1 juli 2016 zijn de strafbepalingen ten aanzien van faillissementsfraude, waaronder artikel 343 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr), herzien ( Stb. 2016/154). Gedragingen die vóór de inwerkingtreding zijn verricht, vallen nog onder de oude wetgeving. Omdat het tenlastegelegde feit zich voorafgaand aan deze datum heeft afgespeeld, is in deze zaak de oude wetgeving nog van toepassing. Artikel 343, aanhef en onder 4º, (oud) Sr, luidde, voor zover relevant: “ De bestuurder of commissaris van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon: […] 4°. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld. ” Beoordeling Het hof dient de vraag te beantwoorden of de bestuurder [bedrijf 2] BV, al dan niet tezamen en in vereniging met [bedrijf 5] BV, aan de administratieplicht heeft voldaan en zo nee, of dit is geschied ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. Niet voldoen aan administratieplicht Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden met betrekking tot de aangiften faillissementsfraude door curator [persoon 4] , de getuigenverklaring van boekhouder [persoon 3] en de aangehaalde e-mailcorrespondentie, concludeert het hof allereerst dat in dit geval niet is voldaan aan de administratieplicht. Er was sprake van een ‘gebrekkige administratie’, een boekhouding die ‘zeer incompleet’ was en benodigde administratie werd niet aangeleverd, waardoor de accountant zelfs haar werkzaamheden staakte. Het verweer van de raadsvrouw, inhoudende dat niet kan worden vastgesteld dat de administratie van [bedrijf 4] en [plek 3] onvolledig was, wordt, tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, verworpen. De door de raadsvrouw als bijlage 2 bij haar brief van 1 april 2026 overgelegde stukken, waaruit volgens de raadsvrouw zou blijken dat (vrijwel) alle benodigde stukken aan de curator in de faillissementen van de twee vennootschappen zijn verstrekt, leiden niet tot een ander oordeel. De raadsvrouw stelt dat de curator bepaalde stukken in DOC-113 ( [bedrijf 3] ) en DOC-115 ( [bedrijf 4] ) ten onrechte als ‘niet aanwezig’ heeft aangemerkt. Volgens de raadsvrouw zouden deze stukken wel ‘aanwezig’ of ‘niet van toepassing’ zijn. De vindplaatsen in het dossier waarnaar de raadsvrouw in dat verband verwijst, hebben het hof – op enkele hierna te noemen uitzonderingen na – niet overtuigd. Kortgezegd gaat het bij de vindplaatsen van de raadsvrouw óf om een ander dan het specifiek gevraagde stuk, óf blijkt uit de verwijzing dan wel uit andere dossierstukken juist de afwezigheid van een gevraagd stuk, óf kan op basis van de verwijzing niet worden vastgesteld dat het door de curator gevraagde stuk ‘niet van toepassing’ is of dat dit, zoals de raadsvrouw veronderstelt, volledig is aangeleverd. Niettemin heeft de raadsvrouw terecht opgemerkt dat vier stukken op DOC-113 en DOC-115 wel degelijk aanwezig of niet van toepassing zijn op de vennootschap in kwestie, terwijl deze door de curator waren aangekruist als ‘niet aanwezig’ (lees: ontbrekend). Gelet op de hoeveelheid stukken die niet is aangeleverd, leidt deze bevinding echter niet tot een ander oordeel over de vraag of de bestuurders aan de administratieplicht hebben voldaan. Ook kan op basis van deze enkele onjuiste vermeldingen van curator [persoon 4] de kern van zijn verklaring niet als onbetrouwbaar terzijde worden geschoven, gezien ook de bevestiging daarvan in de verklaring van [persoon 3] . Ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers De tweede vraag – of niet aan de administratieplicht is voldaan ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon’ – beantwoordt het hof evenwel ontkennend. In dit verband is van belang dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het enkele niet of onvoldoende voeren, bewaren en/of tevoorschijn brengen van een administratie – het aldus nalaten – niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan. En ook in het geval dat op basis van de bewijsvoering een dergelijke aanmerkelijke kans wel kan worden vastgesteld, dan volgt daaruit nog niet dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Het hof is van oordeel dat het dossier aanwijzingen bevat dat vanaf bepaalde data de faillissementen van [bedrijf 4] en [plek 3] aanstaande waren en dat de verdachte hier (als enig bestuurder van [bedrijf 2] BV) van wist. In die zin heeft [bedrijf 2] BV door het niet (voldoende) voeren van de administratie van [bedrijf 4] en [plek 3] en het vervolgens (daardoor) niet aanleveren daarvan aan de curator de aanmerkelijke kans doen ontstaan dat de rechten van de schuldeisers werden verkort. Dat van daadwerkelijke verkorting sprake is geweest, blijkt uit de aangiften van curator [persoon 4] waarin is opgenomen dat het faillissementstekort in [bedrijf 3] ongeveer € 1,5 miljoen en in [bedrijf 4] ongeveer € 6 miljoen bedraagt. Het hof is echter met de raadsvrouw van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat [bedrijf 2] BV die kans ook bewust heeft aanvaard. Het nalaten maatregelen te nemen om de administratie van [bedrijf 4] en [plek 3] alsnog op orde te brengen, beschouwt het hof – in het licht van de geldende jurisprudentie en anders dan de advocaat-generaal – in dit geval niet als zo’n bewuste aanvaarding. Het nalaten dergelijke maatregelen te nemen, impliceert immers (nog) niet dat [bedrijf 2] BV op dat moment heeft gehandeld met het opzet de rechten van schuldeisers te verkorten. Conclusie: vrijspraak De verdachte zal, gelet op het voorgaande, van het feitelijk leidinggeven aan de onder feit 1 ten laste gelegde gedraging worden vrijgesproken. Feit 2 Beoordeling Op basis van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden staat vast dat door [plek 3] in de periode van 30 april 2011 tot en met 19 november 2013 (de faillissementsdatum) geen aangiften omzetbelasting zijn gedaan. Het betreft het tweede kwartaal 2011 tot en met het derde kwartaal 2013. Vast staat ook dat [plek 3] wel aangiften omzetbelasting had moeten doen. Zij heeft in de jaren 2011 en 2012 immers verkoopfacturen verstuurd waarin omzetbelasting in rekening is gebracht bij derden. Deze verkoopfacturen inclusief omzetbelasting zijn (goeddeels) door de kopers ook voldaan, maar de in rekening gebrachte en ontvangen omzetbelasting is, door het niet doen van aangiften omzetbelasting, niet afgedragen aan de Belastingdienst. Daderschap van de rechtspersoon en opzet De vraag of [bedrijf 3] als dader kan worden aangemerkt voor het niet (laten) doen van deze aangiften omzetbelasting, beantwoordt het hof bevestigend. In dat verband wordt het volgende overwogen. Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de rechtspersoon geadresseerde is van de betreffende rechtsnorm, de verboden gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend en als het eventuele subjectieve bestanddeel – in dit geval opzet – kan worden bewezen. Daarvan is in dit geval sprake. [bedrijf 3] was wettelijk verplicht periodiek aangiften omzetbelasting te doen. Het niet doen van aangiften omzetbelasting kan redelijkerwijs aan [bedrijf 3] worden toegerekend, omdat deze gedraging heeft plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon, waartoe de navolgende drie omstandigheden redengevend zijn: - ten eerste gaat het om een nalaten van iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam was ten behoeve van de rechtspersoon. Uit de verklaringen van [persoon 3] volgt dat zij, vanwege de gebrekkige aanlevering van administratie, vanaf het tweede kwartaal 2011 was gestopt met het doen van aangiften omzetbelasting voor [bedrijf 3] . Vanaf dat moment was de afspraak dat de verdachte de aangiften omzetbelasting zelf zou indienen. Dit heeft de verdachte nagelaten. De verdachte was, via [bedrijf 2] BV, als formele middellijke bestuurder werkzaam ten behoeve van [plek 3] ; - ten tweede past de gedraging – het doen van aangiften omzetbelasting – binnen de normale bedrijfsvoering omdat de rechtspersoon hiertoe verplicht was; - ten derde is de gedraging de rechtspersoon dienstig geweest. Door het niet-afdragen van omzetbelasting is er meer geld in [bedrijf 3] achtergebleven. Tot slot kan worden bewezen dat [bedrijf 3] opzettelijk heeft gehandeld. Daarbij rekent het hof het opzet van de verdachte als natuurlijk persoon aan de rechtspersoon toe. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt immers dat de verdachte binnen [bedrijf 3] de positie van formele middellijke bestuurder bekleedde en binnen die rechtspersoon (op [bedrijf 3] na) geen andere personen werkzaam waren. De verdachte wist dat [bedrijf 3] verkoopfacturen heeft verstuurd, hij wist dat de verantwoordelijkheid tot het doen van de aangiften omzetbelasting vanaf het tweede kwartaal 2011 bij hem lag en hij heeft deze aangiften desondanks en niettegenstaande de aansporingen daartoe van [persoon 3] en van de Belastingdienst zelf, niet gedaan, waardoor de in rekening gebrachte omzetbelasting niet werd afgedragen aan de Belastingdienst. Dit (vol) opzet van de verdachte op het niet doen van aangiften omzetbelasting kan onder deze omstandigheden aan [bedrijf 3] worden toegerekend. Het verweer van de raadsvrouw dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten de aangiften omzetbelasting van [bedrijf 3] te (laten) doen, wordt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verworpen. Het argument dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat [persoon 3] voor deze vennootschap ook vanaf het tweede kwartaal 2011 de aangiften omzetbelasting zou doen, acht het hof ongeloofwaardig. Uit de schriftelijke communicatie van de verdachte met zowel [persoon 3] als de Belastingdienst blijkt immers het tegendeel. Ook het verweer dat uit het dossier geen eenduidig beeld naar voren komt over deze periode en de verdachte in de veronderstelling was dat [persoon 3] haar werkzaamheden wat betreft de aangiften omzetbelasting van [bedrijf 3] na het eerste kwartaal 2011 zou voortzetten, wordt verworpen. De verdachte bleef als (middellijk) bestuurder eindverantwoordelijk voor het (tijdig) doen van deze aangiften omzetbelasting. Het was de verantwoordelijkheid van de verdachte te controleren of dit (door [persoon 3] ), ook echt was gedaan. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [bedrijf 3] als pleger van het niet (laten) doen van aangiften omzetbelasting kan worden aangemerkt. Strekkingsvereiste De vraag of het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, beantwoordt het hof bevestigend. Naar vaste jurisprudentie is aan het strekkingsvereiste voldaan indien de gedraging naar haar aard en in het algemeen geschikt is teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Het hof is van oordeel dat het feit in het tweede tot en met het vierde kwartaal 2011 en in het eerste en vierde kwartaal 2012 ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. In voornoemde kwartalen heeft [bedrijf 3] verkoopfacturen met omzetbelasting bij derden in rekening gebracht. Door in die kwartalen geen aangiften omzetbelasting te doen, is de in rekening gebrachte omzetbelasting niet voldaan aan de Belastingdienst. De te lage heffing van belasting was hierdoor naar redelijke verwachting het gevolg. Het niet afdragen van de omzetbelasting heeft geleid tot een belastingnadeel van € 557.898,84 in 2011 en van € 122.713,65 in 2012. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat niet is gebleken dat [plek 3] in de overige tenlastegelegde kwartalen – te weten: het tweede en derde kwartaal 2012 en het eerste tot en met het derde kwartaal 2013 – facturen met omzetbelasting bij derden in rekening heeft gebracht, welke omzetbelasting zij vervolgens aan de Belastingdienst had moeten voldoen. Omstandigheden waaruit moet worden afgeleid dat het niet doen van de aangifte in deze kwartalen geschikt was om te bewerkstelligen dat onvoldoende belasting werd geheven, ontbreken. Daarom kan niet worden bewezen dat het niet-doen van aangiften omzetbelasting over voornoemde vijf kwartalen ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven en zal de verdachte van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Het verweer van de raadsvrouw dat niet aan het strekkingsvereiste is voldaan omdat de inkoopkosten hoger waren dan de verkoopkosten, zodat [plek 3] per saldo geen verplichting had tot afdracht – en zelfs recht had op een teruggaaf van ruim € 53.000,00 – volgt het hof niet. De raadsvrouw gaat uit van een onjuiste invulling van het strekkingsvereiste. Het standpunt gaat bovendien uit van de onjuiste aanname dat een vennootschap pas verplicht is tot voldoening van omzetbelasting als zij, gerekend over een periode van meer dan één kwartaal, ‘per saldo’ meer omzetbelasting heeft ontvangen dan dat zij heeft betaald. De vennootschap moest per kwartaal aangifte doen en daarin zowel de betaalde als de ontvangen omzetbelasting vermelden. Dit heeft de vennootschap nagelaten. Bovendien zijn er voorwaarden verbonden aan het in aftrek kunnen brengen van omzetbelasting over zakelijke uitgaven, zoals een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. De verdachte heeft destijds geen aangifte gedaan van belasting welke in het betreffende tijdvak aan [plek 3] in rekening is gebracht. De Belastingdienst heeft daarom niet kunnen vaststellen of (i) er inkoopfacturen met in rekening gebrachte omzetbelasting aan de inkoopkosten ten grondslag lagen en zo ja, (ii) de inkoopkosten voor rekening en risico van déze vennootschap zijn gekomen en zo ja, (iii) de vennootschap over de inkoopkosten omzetbelasting in het betreffende tijdvak in aftrek mocht brengen. Pas wanneer een vennootschap haar administratie (ieder kwartaal) op orde heeft, ontstaat een eventueel recht op teruggaaf van door haar betaalde omzetbelasting. Hiervan was geen sprake. De Belastingdienst heeft bij de nadeelberekening over de jaren 2011 en 2012 dan ook terecht geen acht geslagen op de door [bedrijf 3] gestelde verschuldigde voorbelasting. Het hof gaat voorbij aan de door de verdediging overgelegde rapporten van [persoon 2] van 25 maart 2026 en van 29 april 2026. Aan deze rapporten, wat daarvan ook zij, kunnen circa vijftien jaar na het niet voldoen aan de verplichting om aangiften omzetbelasting te doen, geen argumenten worden ontleend om te stellen dat niet aan het strekkingsvereiste is voldaan. De gedraging, het niet doen van aangifte, is naar haar aard in het algemeen geschikt om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Niet vereist is dat daadwerkelijk te weinig belasting is geheven. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet-doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 3] ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. (Medeplegen van) feitelijk leidinggeven Het hof acht bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met [bedrijf 3] , feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 3] niet (laten) doen van aangiften omzetbelasting. Daarvoor acht het hof van belang dat de verdachte en [bedrijf 3] middellijk bestuurders waren van de vennootschap en tevens de enigen die feitelijk handelingen verrichtten uit naam van de rechtspersoon. De gezamenlijke uitvoering van het niet doen van de aangiften volgt uit de omstandigheid dat zowel de verdachte als [bedrijf 3] verkoopfacturen hebben opgemaakt, zodat zij allebei wisten dat omzetbelasting in rekening werd gebracht en dat deze vervolgens moest worden afgedragen. Zowel de verdachte als [bedrijf 3] waren door [persoon 3] ingelicht over de incompleetheid van de (verkoop)administratie en in het verlengde hiervan is door [persoon 3] aan hen medegedeeld dat de verdachte de aangiften omzetbelasting voor de vennootschap vanaf het tweede kwartaal 2011 zelf diende af te handelen. De verdachte en [bedrijf 3] waren aldus bevoegd en gehouden de aangiften te doen en lieten dit achterwege. Dat, anders dan door de verdediging is bepleit, daarbij ook aan het opzetvereiste is voldaan, volgt uit hetgeen daarover in het voorgaande ( daderschap van de rechtspersoon en opzet) reeds is overwogen. Conclusie Het hof is van oordeel dat kan worden bewezen dat [bedrijf 3] zich schuldig heeft gemaakt aan het niet (laten) doen van aangiften omzetbelasting over drie kwartalen in 2011 en over twee kwartalen in 2012, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Aan deze verboden gedraging heeft de verdachte, tezamen en in vereniging met [bedrijf 3] , feitelijk leiding gegeven. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: [bedrijf 1] B.V., in de periode van 30 april 2011 tot en met 19 november 2013, in Nederland opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting, over - het jaar 2011 (tweede kwartaal tot en met het vierde kwartaal) en - het jaar 2012 (eerste kwartaal en het vierde kwartaal), op naam van [bedrijf 1] B.V. niet heeft gedaan of heeft laten doen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met een ander (te weten [persoon 2] ) feitelijk leiding heeft gegeven. Hetgeen onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van feitelijk leidinggeven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsvrouw heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te kiezen voor een andere strafmodaliteit in voorwaardelijke vorm. In dat kader is gewezen op het feit dat sprake is van een hardwerkende ondernemer. Het gaat om oude feiten en er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Bovendien is er in de optiek van de verdediging geen benadeling van de schatkist, zodat dit buiten de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) valt. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met [persoon 2] schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het niet doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 3] over vijf kwartalen in de jaren 2011-2012, terwijl dit feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Het hof maakt uit de omstandigheid dat de verdachte zich ook in hoger beroep nog achter de boekhouder blijft verschuilen op, dat de verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Enig inzicht in het strafbare van zijn gedragingen is dan ook niet gebleken. Omdat [bedrijf 3] de betreffende aangiften omzetbelasting niet heeft gedaan, heeft dat volgens de Belastingdienst geresulteerd in een belastingnadeel van in totaal € 680.612,49. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, zal hierop geen bedrag (aan voorbelasting) in mindering worden gebracht. Dit eventuele bedrag aan voorbelasting is door de onvolledige administratie van [plek 3] onvoldoende inzichtelijk geworden. Het in hoger beroep alsnog overleggen van inkoopfacturen maakt dat niet anders, reeds vanwege het feit dat een groot deel van deze facturen zijn gericht aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] tezamen, zodat onduidelijk is op welke rechtspersoon deze facturen betrekking hebben. Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft de verdachte eraan bijgedragen dat te weinig belasting is voldaan. Hij heeft nagelaten om de op de vennootschap rustende fiscale verplichtingen te vervullen. Het systeem van de omzetbelasting is mede gebaseerd op het vertrouwen dat de rechtspersoon tijdig (een juiste) aangifte omzetbelasting doet. Dit vertrouwen is geschonden en dat rekent het hof de verdachte aan. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juni 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Het hof stelt verder vast dat de feiten dateren uit de periode 2011-2013, derhalve meer dan 10 jaar geleden. Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet worden volstaan met een andere straf dan een straf die (deels) een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. In dit geval is echter sprake van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De redelijke termijn is aangevangen met het eerste politieverhoor van de verdachte op 2 augustus 2017 en in eerste aanleg geëindigd met het vonnis van de rechtbank van 18 oktober 2019, zodat de redelijke termijn van 2 jaren in die fase met ruim 2 maanden is overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen met het instellen van hoger beroep op 30 oktober 2019 en geëindigd met dit arrest op 23 juli 2026, zodat in deze fase sprake is van een overschrijding met ongeveer 57 maanden. Het hof is echter van oordeel dat deze overschrijding gedeeltelijk aan de verdediging is te wijten. Het betreft (in ieder geval) de periode tussen 4 november 2024 en 6 maart 2025, nu op 4 november 2024 door de verdediging kenbaar werd gemaakt dat een nadere regiezitting nodig werd geacht, waarna later (met de nieuwe verdediging) van onderzoekswensen werd afgezien. Deze periode van 4 maanden wordt in mindering gebracht op de overschrijding, zodat deze in hoger beroep (57 - 4 maanden =) 53 maanden betreft. Gelet op de (in totaal) geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn zal het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen met een proeftijd van 3 jaren en daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden . Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis . Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M. Senden en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juli 2026.