Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-04-01
ECLI:NL:GHAMS:2026:2176
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001762-25 datum uitspraak: 1 april 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-116660-25 (zaak A), 13-104158-25 (zaak B) en 13-104159-25 (zaak C) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1981, zonder bekende woon- of verblijfplaats. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: Zaak A (parketnummer 13-116660-25) hij op of omstreeks 15 april 2025 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel tot sluiting woning, te weten de sluiting van de woning aan de [adres] , (kenmerk: Z/25/2894738-6300977) krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 13b, lid 1 van de Opiumwet en artikel 5:31, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 Gemeentewet gedaan door of namens de burgemeester van gemeente Amsterdam, (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om het pand gelegen aan de [adres] gedurende 3 maanden niet te betreden. Zaak B (parketnummer 13-104158-25) primairhij op of omstreeks 6 januari 2025 te Amsterdam, drankwaar (een of meerdere kratten bier en/of een fles wijn), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Artis, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming; subsidiairhij op of omstreeks 6 januari 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om drankwaar (een of meerdere kratten bier en/of een fles wijn), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Artis, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming, - over een muur heeft geklommen en/of - een steekwagen heeft gepakt en/of - verschillende kratten en/of flessen heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Zaak C (parketnummer 13-104159-25) 1.hij op of omstreeks 3 april 2025 te Amsterdam [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voorwerpen in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te slaan en/of schuiven; 2.hij op of omstreeks 3 april 2025 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar,te weten [verbalisant 1] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "kanker moeder" en/of "kijk me aan" en/of "ik ben van de maffia" en/of "ik ga je met de grond gelijk maken" en/of "je kanker moeder" en/of "kanker kechba", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; 3.hij op of omstreeks 4 april 2025 te Amsterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 2] , werkzaam als hoofdagent bij de eenheid Amsterdam en/of [verbalisant 1] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te w De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert. 4. Een bestuurscommissie bezit de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang en de bevoegdheid tot het geven van een machtiging tot binnentreden van een woning slechts indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen. Naar het oordeel van het hof voorzien deze wettelijke bepalingen niet in een uitdrukkelijke bevels- en/of vorderingsbevoegdheid als vereist voor artikel 184 lid 1 Sr ten aanzien van personen die in strijd met een bevel tot sluiting van een woning, die woning na de sluiting toch betreden. Daarmee kan niet worden bewezen dat sprake is geweest van een bevel of vordering “krachtens wettelijk voorschrift” zoals bedoeld in artikel 184 lid 1 Sr, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. Om in een situatie als de onderhavige toch strafrechtelijk te kunnen reageren is in de APV – voor zover relevant – het volgende opgenomen: Artikel 2.10 Sluiting gebouw: 3. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan. 4. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. 5. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen. 6. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden. 7. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf. Artikel 6.1 Strafbepaling: Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.6 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een geldboete van de tweede categorie: […] 2.10 vijfde lid […]. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak B primair en in de zaak C onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak B hij op 6 januari 2025 te Amsterdam, drankwaar (een of meerdere kratten bier en een fles wijn), toebehorende aan Artis, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming. Zaak C 1.hij op 3 april 2025 te Amsterdam [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voorwerpen in de richting van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te slaan en/of schuiven. 2.hij op 3 april 2025 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kanker moeder" en "je kanker moeder" en "kanker kechba". 3.hij op of omstreeks 4 april 2025 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen de ambtenaren, [verbalisant 2] , werkzaam als hoofdagent bij de eenheid Amsterdam en [verbalisant 1] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter vervoer van de verdachte door zijn benen uit het voertuig te houden en zijn spuugmasker kapot te scheuren en zijn hoofd te bewegen. Wat in zaak B primair en in zaak C onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassat