Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-06-11
ECLI:NL:GHAMS:2026:2133
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 25/1345 11 juni 2026 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: V.A.L. van Oostrum), tegen de uitspraak van 27 maart 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/5658 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.293. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 181 belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft tegen de aanslag en beschikking op 28 maart 2023 bezwaar gemaakt. 1.2. Namens belanghebbende is de inspecteur bij brief van 8 augustus 2024 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. 1.3. Namens belanghebbende is op 1 september 2024 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. 1.4. Bij uitspraak op bezwaar van 5 september 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. 1.5. Bij besluit van 11 september 2024 heeft de inspecteur beslist geen dwangsom toe te kennen. 1.6. In de bestreden uitspraak van 27 maart 2025 heeft de rechtbank als volgt op het beroep van belanghebbende beslist: “De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ziet op het niet tijdig nemen van de uitspraak op bezwaar; en verklaart het beroep voor het overige ongegrond.” 1.7. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “1. Voor het belastingjaar 2018 is een restant persoonsgebonden aftrek (PGA) vastgesteld van € 12.850. Deze vaststelling is opgenomen op de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018. 2. In het belastingjaar 2019 heeft eiseres geen inkomen genoten. 3. In het belastingjaar 2020 heeft eiseres een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking ontvangen van € 14.194. Eiseres heeft bij het doen van aangifte IB/PVV voor dit jaar niet het restant PGA in aanmerking genomen. 4. Eiseres heeft voor het jaar 2021 een voorlopige aangifte IB/PVV ingediend waarin zij een restant PGA van € 13.100 heeft aangegeven. Met dagtekening 5 augustus 2022 heeft de inspecteur conform die aangifte een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 opgelegd. Deze voorlopige aanslag betreft een te ontvangen bedrag van € 6.106, bestaande uit een bedrag van € 6.054 aan belastingteruggave en een bedrag van € 52 aan vergoede belastingrente. 5. Eiseres heeft in de definitieve aangifte IB/PVV 2021 een bedrag van € 13.100 als restant PGA aangegeven. 6. Op 14 februari 2023 is de definitieve aanslag IB/PVV 2021 aan eiseres opgelegd. Verweerder heeft in deze aanslag de aftrek van het restant PGA geweigerd en de aangifte IB/PVV 2021 gecorrigeerd met een bedrag van € 13.100. Dit heeft geleid tot een door eiseres te betalen bedrag van € 6.284, bestaande uit te betalen IB/PVV van € 6.103 en € 181 aan belastingrente. 7. Op 28 maart 2023 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2021 en op 3 april 2023 heeft zij een aanvullend bezwaarschrift ingediend. 8. Op 12 juni 2024 heeft verweerder contact met eiseres opgenomen over de behandeling van het bezwaar. 9. Met dagtekening 3 juli 2024 heeft verweerder een voorgenomen beslissing op bezwaar verstuurd waarin hij kenbaar maakt dat hij voornemens is om het bezwaar af te wijzen. 10. In de maanden juni en juli 2024 is diverse malen, per e-mail en telefonisch, over het bezwa Verweerder heeft op 12 augustus 2024 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen. Eiseres kon vervolgens na verloop van twee weken beroep instellen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Eiseres is eerst op 1 september 2024 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. In zoverre is voldaan aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. 26. Verweerder erkent dat de beslistermijn door hem is overschreden. Tussen partijen bestaat geen discussie dat de beslistermijn – na verdaging van die termijn – eindigde op 20 juni 2022 [ het Hof verstaat : 2023]. Verweerder verzoekt echter het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend, dan wel omdat zich misbruik van procesrecht voordoet. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. 27. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel waarbij de Awb is ingevoerd, is over de voorloper van artikel 6:12 van de Awb – voor zover thans relevant – het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 132): “Aan dit artikel ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het niet nodig en ook niet erg redelijk is om de rechtzoekende slechts gedurende een betrekkelijk korte periode (bij voorbeeld zes weken) de gelegenheid te geven een rechtsmiddel aan te wenden tegen het uitblijven van een beslissing welke door het bestuur genomen behoort te worden. Wanneer het bestuur nalatig blijft tijdig te besluiten, moet de rechtzoekende wel de mogelijkheid hebben een rechtsmiddel aan te wenden, maar er is geen goede reden hem te verplichten zulks binnen de termijn te doen. Verkiest de rechtzoekende nog te wachten in de hoop of het vertrouwen dat – zij het tardief – het bestuur nog zal besluiten, dan dient de wet hem deze keuze mogelijk te maken. Waar (nog) geen behoefte gevoeld wordt aan het aanwenden van een rechtsmiddel, dient de wet niet tot het instellen van beroep of het indienen van een bezwaarschrift te prikkelen. (…) Omdat het noch gewenst noch nodig is de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het uitblijven van een beslissing oneindig te doen zijn, schrijft het derde lid voor dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het onredelijk laat is ingesteld. Deze regel biedt daarmee tevens een afdoende waarborg tegen eventueel misbruik van procesrecht.” Voorts is opgemerkt (Kamerstukken II 1990-1991, 21 221, nr. 5 (MvA), blz. 90): “2 173. De term «onredelijk laat» in het derde lid van artikel 6.2.6 beoogt te voorkomen dat een bezwaar of beroep nog ontvankelijk is nadat de belanghebbende zolang heeft stilgezeten dat eenieder erop mocht vertrouwen dat hij van beroep zou afzien. Zonder deze bepaling zou de termijn voor bezwaar en beroep tegen het niet beslissen op een aanvraag geen einde nemen. Wanneer gezegd kan worden dat het bezwaar of beroep onredelijk laat is, zal van de omstandigheden afhangen. Het zal echter niet vlug worden aangenomen: men kan de belanghebbende in het algemeen niet verwijten dat hij stilzit omdat hij erop vertrouwt dat het bestuur nog wel zal voldoen aan zijn verplichting een besluit te nemen. Het vorenstaande geldt uiteraard ook voor de fiscale procedures. (…) 2 174. Het opnemen van een vaste maximumtermijn zou onzes inziens onvoldoende recht doen aan de diversiteit in de gevallen waarvoor de onderhavige regeling een rol kan spelen, om welke reden wij van oordeel zijn dat opneming daarvan geen aanbeveling verdient.” 28. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1365, geoordeeld dat de beantwoording van de vraag of een beroepschrift dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, onredelijk laat is ingediend, afhankelijk is van de omstandigheden waarop mede licht kan worden geworpen door de uitleg die de indiener van het beroepschrift geeft omtrent de oorzaak van de late indiening van het beroepschrift. 29. De rechtbank oordeelt dat het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar niet onredelijk Verweerder stelt zich wel op het standpunt dat eiseres hem onredelijk laat in gebreke heeft gesteld, dan wel dat zich misbruik van procesrecht voordoet. Voor wat betreft het onredelijk laat in gebreke stellen overweegt de rechtbank als volgt. 34. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Awb (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 6, blz. 5 en 13) is – voor zover hier relevant – het volgende vermeld: “De eerste uitzondering op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term ‘onredelijk’ zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, hij zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht na hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. (…) Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).” 35. Daarnaast heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 13 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3293, r.o. 4.2) overwogen dat bij de vraag of een dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden, zoals een lopend overleg tussen de aanvrager en het bestuursorgaan. 35. De rechtbank stelt vast onder verwijzing naar overweging 26. hierboven dat de beslistermijn eindigde op 20 juni 2023. Het tijdsverloop van 20 juni 2023 tot het moment waarop eiseres verweerder in gebreke heeft gesteld op 12 augustus 2024, is bijna veertien maanden. Dat is aanzienlijk langer dan het in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Awb vermelde tijdsverloop van ‘hooguit enkele weken’. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres, door bijna veertien maanden te wachten, terwijl geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die een dergelijke lange termijn rechtvaardigen, verweerder onredelijk laat in gebreke heeft gesteld. Dat vanaf 12 juni 2024 overleg tussen eiseres en verweerder heeft plaatsgevonden, brengt geen verandering in dit oordeel van de rechtbank. Dat contact neemt immers niet weg dat tussen het moment waarop de beslistermijn eindigde en het moment waarop het contact tussen eiseres en verweerder werd hervat bijna een jaar was gelegen, waarin geen lopend overleg tussen eiseres en verweerder heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft desgevraagd geen afdoende verklaring gegeven waarom zij niet eerder na het eindigen van de beslistermijn verweerder in gebreke heeft gesteld. De omstandigheid dat eiseres begin augustus 2024 van gemachtigde is gewisseld, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat de eerdere gemachtigde het bezwaar heeft laten stilliggen en haar niet heeft gewezen op de mogelijkheid van een dwangsom, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bijzondere omstandigheid voor het uitblijven van een ingebrekestelling. Van een gegronde reden voor het late moment van in gebreke stellen is derhalve niet gebleken. Eiseres heeft dan ook niet zo snel als mogelijk na het verstrijken van de beslistermijn een ingebrekestelling gestuurd. Verweerder is dus onredelijk laat in gebreke gesteld waardoor eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen recht heeft op een dwangsom. Het beroep is in zoverre ongegrond. Restant persoonsgebonden aftrek 36. Niet in geschil is dat eiseres in 2018 een restant PGA heeft opgebouwd van € 12.850 en dat dit bedrag in 2019 niet verrekend kon worden. 37. Evenmin is in geschil dat eiseres in het jaar 2020 een inkomen uit dienstbetrekking heeft genoten van € 14.194, waardoor het mogelijk was om het restant PGA van € 12.850 hiermee (volledig) te v Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte over de periode van 1 juli 2022 tot en met 5 augustus 2022 belastingrente heeft berekend terwijl het te betalen bedrag van de aanslag volgens haar nog op de rekening van verweerder stond. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres over de periode 1 juli 2022 tot en met 5 augustus 2022 op grond van artikel 30fa van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (Awr) rente heeft ontvangen en dat deze vergoede belastingrente derhalve de te betalen belastingrente over deze periode compenseert. 44. Ter zake van eiseres’ standpunt dat het bedrag van belasting reeds op de bankrekening van verweerder stond en toch belastingrente is geïnd, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB/PVV 2021 door verweerder tevens een beschikking vergoede belastingrente van € 52 is vastgesteld. Uit het dossier en hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard, volgt dat verweerder de vergoede belastingrente op de voet van artikel 30fa van de Awr heeft berekend vanaf 1 juli 2022 tot 6 weken na de voorlopige aanslag van 5 augustus 2022. Eiseres heeft ter zitting de vergoeding van deze belastingrente niet weersproken. Vervolgens is bij het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2021 belastingrente in rekening gebracht over – onder andere – de periode 1 juli tot en met 5 augustus 2022. De rechtbank overweegt, gelet op het bovenstaande, dat bij de voorlopige aanslag van 5 augustus 2022 op grond van artikel 30fa van de Awr belastingrente is vergoed, waarna bij het opleggen van de definitieve aanslag van 14 februari 2021 belastingrente in rekening is gebracht over (onder andere) dezelfde periode. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat effectief geen belastingrente is betaald over de periode 1 juli tot en met 5 augustus 2022. Daardoor is geen sprake is van te veel betaalde belastingrente. De rechtbank oordeelt daarom dat ook deze beroepsgrond niet slaagt. Vergoeding van immateriële schade 45. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. 46. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. 47. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift is ontvangen op 28 maart 2023. Op het moment van de uitspraak van de rechtbank op 27 maart 2025 zijn er geen twee jaren verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden. Nu ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden oordeelt de rechtbank dat geen is van vergoeding van immateriële schade. Slotsom 48. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zover zij is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Voor het overige dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten en griffierecht 49. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht. Zij overweegt daartoe als volgt. 50. Hoewel in een geval als hier – wanneer na het instellen van beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar alsnog een besluit wordt genomen – de rechter in de regel gebruik maakt van zijn bevoegdheid het bestuursorgaan te veroordelen in de kosten die redelijkerwijs moesten worden gemaakt voor het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (zie HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3504), ziet de rechtbank in de voorliggende zaak aanleiding om daarvan af te wijken. Verweerder heeft op 5 augustus 2024 zijn herziene Belanghebbende neemt het standpunt in dat haar ten onrechte een vergoeding voor proceskosten van 0,5 punt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) wegens het beroep niet tijdig beslissen is onthouden evenals een vergoeding van het griffierecht. Belanghebbende kon niet weten dat 5 september 2024, derhalve kort na het instellen van het beroep op 1 september, uitspraak op bezwaar zou worden gedaan; belanghebbende kan daarom niet verweten worden op die datum beroep te hebben ingesteld. 5.2.1. De inspecteur betwist het standpunt van belanghebbende dat de datum waarop de uitspraak aan partijen wordt bekendgemaakt leidend zou zijn voor het vaststellen of de redelijke termijn voor het berechten van het geschil is overschreden. Volgens de inspecteur zijn er geen omstandigheden die aanleiding geven tot twijfel over de datum van de uitspraak. 5.2.2. De inspecteur wijst erop dat op grond van vaste jurisprudentie het procesbelang aan een beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar, komt te ontvallen, als hangende de beroepsprocedure uitspraak op bezwaar is gedaan. Daarom heeft de rechtbank in dit geval het beroep niet tijdig beslissen terecht niet-ontvankelijk verklaard. 5.2.3. Voor de vraag of een ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend is naar de mening van de inspecteur van belang wat tussen belanghebbende en het bestuursorgaan heeft plaatsgevonden nadat de beslistermijn is overschreden. De inspecteur wijst er in dat verband op dat tussen 29 maart 2023 en 20 juni 2024 belanghebbende geen enkele keer contact heeft gezocht over het uitblijven van een beslissing en er vanaf 20 juni 2024 wel intensief contact is geweest, waarbij een voornemen uitspraak op bezwaar zowel met de belanghebbende als de gemachtigde is besproken. Naar aanleiding daarvan is een gewijzigd voornemen toegezonden en het was volgens de inspecteur toen duidelijk dat een uitspraak op bezwaar niet lang meer op zich zou laten wachten. Volgens de inspecteur is hij dan ook onredelijk laat in gebreke gesteld. Dat belanghebbende begin augustus 2024 is gewisseld van gemachtigde is volgens de inspecteur geen bijzondere omstandigheid die een ingebrekestelling in dit geval rechtvaardigt. 5.2.4. Ten aanzien van het restant PGA huldigt de inspecteur het standpunt dat het restant PGA het eerstvolgende jaar in mindering komt op het inkomen. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op de Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 70, waarin is aangegeven dat op grond van artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 een niet in aanmerking genomen PGA in een volgend kalenderjaar geldt als PGA van dat kalenderjaar. Een keuzemogelijkheid is volgens de inspecteur dan ook niet te lezen in de wet, noch in de wetsgeschiedenis. 5.2.5. De inspecteur weerspreekt de stelling van belanghebbende dat de rechtbank ongemotiveerd geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend en wijst daartoe op onderdeel 50 van de uitspraak. De inspecteur onderschrijft de daarin opgenomen motivering waarom geen proceskosten zijn toegekend. Oordeel Hof 5.3.1. Het Hof vindt geen aanleiding voor twijfel omtrent de datum waarop door de rechtbank uitspraak is gedaan. Anders dan belanghebbende meent, is die datum leidend voor het antwoord op de vraag of de redelijke termijn voor het berechten van het geschil is overschreden (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.3.2). Daarvan uitgaande heeft de rechtbank in de onderdelen 45 tot en met 47 van haar uitspraak terecht overwogen dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade aangezien bij het doen van uitspraak nog geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn. 5.3.2. In onderdeel 32 van haar uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat gegeven de inmiddels door de inspecteur gedane uitspraak op bezwaar, procesbelang ontbreekt bij het door belanghebbende ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank dat beroep (in onderdeel 48 Het Hof overweegt dat belanghebbendes beroep ten aanzien van de dwangsombeschikking en het restant PGA weliswaar door de rechtbank inhoudelijk zijn behandeld, maar dit niet heeft geleid tot een gegrond beroep. Niettemin ligt het in de rede dat, in een geval zoals het onderhavige waarin onbestreden is dat de inspecteur niet tijdig op het bezwaarschrift uitspraak heeft gedaan, de rechter in de regel gebruik maakt van zijn bevoegdheid de inspecteur te veroordelen in de kosten van het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3504). Dit is alleen anders indien bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan die vergoeding in de weg staan (vgl. HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106). In het voorliggende geval acht het Hof gegeven de overwegingen in 5.3.3 dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig die in de weg staan aan het vergoeden van de kosten van het bij de rechtbank ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen door de inspecteur. Deze omstandigheden komen er op neer dat belanghebbende beroep heeft ingesteld, terwijl de inspecteur het contact juist weer had opgepakt, kenbaar maakte dat en hoe hij voornemens was te gaan beslissen en het juist belanghebbende was die de beslissing verder vertraagde. Het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen, was op dat moment evident onnodig. Gelet op deze omstandigheden acht het Hof het maken van kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand voor het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen niet redelijk (vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o. 4.6). Op grond daarvan kon de rechtbank tot het oordeel komen dat geen recht bestaat op een proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht. 5.3.6. Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep bedoeld heeft op te komen tegen de beschikking belastingrente, acht het Hof het daarop gegeven oordeel van de rechtbank juist alsmede de gronden waarop het berust. In hoger beroep is niets gesteld dat leidt tot een ander oordeel. Slotsom 5.3.7. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. 6 Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet. 7 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, H.E. Kostense en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 11 juni 2026 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voo