Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-07-27
ECLI:NL:GHAMS:2026:2047
beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.366.471/01 OK beschikking van de Ondernemingskamer van 27 juli 2026 inzake in het verzoek tot uitstoting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Holding Broer 1] , gevestigd te [plaats] , VERZOEKSTER , advocaten: mrs. J.I. van Vlijmen en L.A.C. van Lierop , kantoorhoudende te Den Haag, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Holding Broer 2] , gevestigd te [plaats] , VERWEERSTER , advocaat: mr. R. Willemsen , kantoorhoudende te Den Haag, e n t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de vennootschap] , gevestigd te [plaats] , BELANGHEBBENDE , advocaten: mrs. J.I. van Vlijmen en L.A.C. van Lierop voornoemd; in het voorwaardelijke enquêteverzoek de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de vennootschap] , gevestigd te [plaats] , VERZOEKSTER , advocaten: mrs. J.I. van Vlijmen en L.A.C. van Lierop voornoemd, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de vennootschap] , gevestigd te [plaats] , VERWEERSTER , advocaten: mrs. J.I. van Vlijmen en L.A.C. van Lierop voornoemd, e n t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Holding Broer 2] , gevestigd te [plaats] , BELANGHEBBENDE , advocaat: mr. R. Willemsen voornoemd, e n t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Holding Broer 1] , gevestigd te [plaats] , BELANGHEBBENDE , advocaten: mrs. J.I. van Vlijmen en L.A.C. van Lierop voornoemd; in het voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek tot uitstoting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Holding Broer 2] , gevestigd te [plaats] , VERZOEKSTER , advocaat: mr. R. Willemsen voornoemd, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Holding Broer 1] , gevestigd te [plaats] , VERWEERSTER , advocaten: mrs. J.I. van Vlijmen en L.A.C. van Lierop voornoemd, e n t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de vennootschap] , gevestigd te [plaats] , BELANGHEBBENDE , advocaten: mrs. J.I. van Vlijmen en L.A.C. van Lierop voornoemd. Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid: [Holding Broer 1] als: [Holding Broer 1] [Holding Broer 2] als: [Holding Broer 2] [de vennootschap] als: [de vennootschap] 1 De zaak in het kort 1.1. Deze uitstotingsprocedure gaat over twee broers, ieder met indirect 50%-belang in [de vennootschap] , een onderneming die software en apps voor voetbalclubs ontwikkelt. Tussen hen is spanning ontstaan in een periode waarin een van de broers in een moeilijke privésituatie kwam te verkeren. De Ondernemingskamer wijst het verzoek tot uitstoting toe en treft enige voorlopige voorzieningen. Daarmee komt zij niet toe aan het voorwaardelijke enquêteverzoek. Het tegenverzoek wordt afgewezen. 2 Het verloop van het geding 2.1. [Holding Broer 1] en/of [de vennootschap] hebben bij verzoekschrift van 18 maart 2026 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat: 1. [Holding Broer 2] te bevelen de door haar gehouden aandelen in [de vennootschap] over te dragen aan [Holding Broer 1] ; 2. een deskundige te benoemen die over de waarde van de aandelen schriftelijk bericht dient uit te brengen; 3. te bepalen dat het voorschot en de kosten van de deskundige ten laste komen van [Holding Broer 2] , dan wel [de vennootschap] , althans een beslissing te nemen die de Ondernemingskamer juist acht; voorwaardelijk, te weten in het geval de Ondernemingskamer het verzoek van [Holding Broer 1] tot uitstoting niet toewijst: 4. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [de vennootschap] over de periode vanaf 1 januari 2025; 5. te bepalen dat de kosten van dit onderzoek ten laste komen van [Holding Broer 2] , dan wel [de vennootschap] ; en: 6. de volgende voorlopige respectievelijk onmiddellijke voorzieningen te treffen: a. de door [Holding Broer 2] gehouden aandelen in De betrokken werknemer heeft dezelfde dag per e-mail aan [Broer 2] en [Broer 1] geschreven ‘met bevreemding’ kennis te hebben genomen van deze waarschuwing en heeft gevraagd om intrekking van de waarschuwing. Bij e-mail van 25 november 2025 heeft [Broer 1] de werknemer en [Broer 2] uitgenodigd voor een gesprek. De werknemer heeft hierop dezelfde dag positief gereageerd. [Broer 2] heeft op 26 november 2025 geschreven: “Evaluatie heeft nu geen zin. De aandachtspunten zijn voor nu duidelijk en dit is een nulpunt, zodat we over enige tijd de verbetering goed in beeld hebben.” Op 17 december 2025, 20:10 uur heeft [Broer 2] aan de werknemer per e-mail geschreven: “Afgelopen maandag heb ik je integraal nogmaals gewezen op de doelen die je niet gesteld hebt voor afgelopen jaar en voor komend jaar. Je hebt aangegeven afgelopen maandag dat je dit gaat doen. Ben je hier al mee bezig en klaar. Ik vind het belangrijk dat je doet wat je zegt. Afspraak is afspraak. Als aanvulling daarop heb ik geen goed gevoel meer bij het thuiswerken. Ik wil daarom dat je per uur registreert wat voor werkzaamheden je doet. Dit is startend per direct in een excelsheet. Waarbij een werkdag uit 8 uur bestaat en je per dag per uur aangeeft wat je werkzaamheden zijn en je output. (…) Het is belangrijk dat je nu zaken opvolgt. Ik heb eerdere verzoeken vaak herhaaldelijk voor je moeten neerleggen voordat je het opvolgde. (…)” [Broer 2] heeft vervolgens via Slack aan de werknemer een spoedopdracht gegeven die hij vanwege het vertrouwelijke karakter niet met collega’s mocht delen. De werknemer heeft geantwoord dat hij het een vreemd verzoek vond en dat hij het verzoek ook bij [Broer 1] neerlegde die daarmee werd gekopieerd in de Slack-conversatie. In reactie hierop heeft [Broer 2] geschreven dat de maat vol is en dat de werknemer zeer vertrouwelijke informatie, een privéaangelegenheid, heeft gedeeld. Vervolgens heeft [Broer 2] op 17 december 2025, 21:15 uur per e-mail aan de werknemer geschreven: “Ik ben geschokt (…) dat je wederom werk weigert, maar bovenal dat je vertrouwelijk informatie zomaar deelt terwijl ik expliciet heb aangegeven dat dit vertrouwelijk is. Een prive aangelegenheid was dit(!). (…) Voor mij is de maat vol en bij deze ontsla ik je bij [de vennootschap] BV. Ik combinatie van het negeren van eerdere formele waarschuwing waar je niks mee hebt gedaan is dit rede voor ontslag op staande voet. Ik wil om deze reden niet meer verder omdat het vertrouwen met jouw totaal gebroken. Je hebt als enige werknemer geen doelen gesteld zowel niet in 2024 en 2025. Je hebt slackverzoeken en reacties keer op keer genegeerd. Ik geef je een deadline, dat je meewerkt aan een afkoopregeling en dan heb je alle geluk van de wereld dat menselijkheid en gezinnen voor mij bovenaan staan. Dat ik je niet direct op straat zet, hoewel de faciliteiten in Nederland uitzonderlijk zijn voor ontslagen. Ik doe je een voorstel voor twee maanden doorbetaling vanaf 1 januari. Zonder reiskostenvergoeding uiteraard. Zonder pensioen opbouw. Zonder andere secundaire regelingen. Het is gratis verlof. Wel op basis van openheid. Ik zal integraal deze boodschap gaan delen aan alle werknemers. Dat het vertrouwen gebroken is en dat we gezamenlijk hebben besloten uit elkaar te gaan en wij uit verantwoordelijkheid je nog een periode doorbetalen. Als jij eerder hierover eerder spreekt met iemand van onze club of de club van de andere bedrijven bij ons heb je geen deal meer, want dan schaad je dubbel mijn vertrouwen. Een reactie per email is bij akkoord ook direct het bewijs voor je dat wij januari en februari nog gaan uitbetalen voor je. Er komt dan een vaststellingovereenkomst. Afspraak is voor mij afspraak en wat ik zeg is wat ik doe. Als je akkoord gaat met de deal moet je dit voor half 9, 18 december gecommuniceerd hebben aan mij. Je kunt je dan zonder opgaaf van reden afmelden. Ik zal dan de verantwoordelijkheid nemen het team te informeren.” 3.6. Op 18 december 2025 heeft [Broer 1] aangifte ged In deze norm liggen een gedragscriterium, een schadecriterium en een redelijkheidscriterium besloten, die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Niet alleen gedragingen ten aanzien waarvan de betrokken aandeelhouder een verwijt treft zijn bij de toepassing van deze norm relevant, maar ook gedragingen die zich in zijn risicosfeer bevinden kunnen leiden tot of bijdragen aan toewijzing van het verzoek (vlg. ECLI:NL:GHAMS:2026:268, Brightstone). Het redelijkheidscriterium vergt dat de Ondernemingskamer een belangenafweging maakt tussen enerzijds het belang van de vennootschap bij het eindigen van het aandeelhouderschap van [Holding Broer 2] en anderzijds het belang van [Holding Broer 2] om aandeelhouder te blijven (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2025:2275, Autodemontagebedrijf). 4.4. Uit het feitenrelaas blijkt genoegzaam dat het aandeelhouderschap van [Holding Broer 2] niet langer kan worden geduld. De Ondernemingskamer verwijst naar de onttrekkingen (3.3) en naar het zonder overleg met zijn medebestuurder aannemen van een ‘sociaal directeur’ voor een hoog salaris, zonder dat een vacature bestaat (3.4). Ook de onheuse bejegening van een werknemer, tot aan ontslag op staande voet in de avonduren (dat nadien door [Broer 1] is teruggedraaid), weegt daarbij mee (3.5). Naar [Broer 2] op zitting heeft toegelicht, verzocht hij de betrokken werknemer in de avonduren om gegevens van leden van een korfbalvereniging te verwijderen omdat hij niet wilde dat persoonsgegevens van zijn kinderen – die lid van deze vereniging zijn – werden verwerkt. Toen de werknemer ook [Broer 1] betrok in het ongebruikelijke verzoek, was dit aanleiding voor ontslag op staande voet, dit alles per e-mail en in de avonduren. [Broer 1] heeft naar aanleiding van deze gang van zaken de toegang van zijn broer tot bepaalde ICT-systemen van [de vennootschap] geblokkeerd, waarna [Broer 2] bij zijn broer verhaal is komen halen, de beveiligingscamera met een klauwhamer heeft vernield en [Broer 1] naar zijn zus heeft moeten vluchten (3.6). De Ondernemingskamer verwijst verder naar de detentie van [Broer 2] , uitmondend in een schorsing als bestuurder (3.7-3.9). Het is evident dat de vennootschap en haar onderneming door deze gedragingen zijn en worden geschaad. Als gevolg van de onttrekkingen ontstond liquiditeitskrapte waardoor de vennootschap bijna in problemen kwam bij het betalen van salarissen. De gedragingen van [Broer 2] leidden tot stijging van personeelskosten, terwijl het onnodige ontslag op staande voet buiten werktijd haar uitwerking op de werkvloer niet heeft gemist. Als gevolg van zijn detentie kan hij feitelijk geen leiding meer geven aan de onderneming. De handelwijze van [Broer 2] heeft in overwegende mate bijgedragen aan een impasse tussen de twee broers waardoor normale samenwerking in de algemene vergadering en in het bestuur duurzaam niet meer mogelijk is. Dit alles brengt mee dat het voortduren van het aandeelhouderschap van [Holding Broer 2] niet langer kan worden geduld. Dat wordt niet anders indien de gedragingen van [Broer 2] geheel of gedeeltelijk zijn verricht onder invloed van een psychische stoornis. In dat geval gaat het om een omstandigheid die in zijn risicosfeer ligt die niet voor risico van de vennootschap dient te komen. De Ondernemingskamer zal het verzoek tot uitstoting toewijzen. 4.5. Wat [Holding Broer 2] daartegen heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. [Holding Broer 2] was weliswaar zelfstandig bevoegd [de vennootschap] te vertegenwoordigen maar de onttrekkingen hadden niets te maken met de aard van de onderneming en hadden daarom op voorhand moeten worden overlegd met [Holding Broer 1] . Anders dan [Holding Broer 2] betoogt, hebben de onttrekkingen op en na 29 november 2025 wel degelijk geleid tot liquiditeitsproblemen: bijna 89% van het banksaldo werd op 29 november 2025 overgeboekt, met gevolg dat de salarissen over december 2025 bijna niet meer konden worden betaald. Het onnodige ontslag van een werknemer en het zonder De Ondernemingskamer stelt partijen zo nodig in de gelegenheid zich over het definitieve plan van aanpak uit te laten en bepaalt vervolgens bij beschikking de hoogte (inclusief btw) van het voor de kosten van de deskundige ter griffie te storten voorschot, tenzij partijen over dit laatste punt afwijkende afspraken maken. In diezelfde beschikking zal de Ondernemingskamer bepalen binnen welke termijn de deskundige het deskundigenbericht dient uit te brengen. 4.11. Na indiening van het deskundigenbericht zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk op het deskundigenbericht te reageren en hun zienswijze kenbaar te maken, waarna de Ondernemingskamer (tenzij alle partijen laten weten daarop geen prijs te stellen) een mondelinge behandeling zal bepalen ter bespreking van het deskundigenbericht en de vaststelling van de prijs van de over te dragen aandelen. 4.12. Ingevolge artikel 2:340 lid 1 BW zal de Ondernemingskamer in de beschikking waarin zij de prijs van de aandelen vaststelt, bepalen wie uiteindelijk de kosten van het deskundigenonderzoek dient te dragen. Vooruitlopend daarop zal de Ondernemingskamer bepalen dat het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste komt van [de vennootschap] . De Ondernemingskamer zal daarbij tevens bepalen dat de deskundige niet met zijn werkzaamheden voor het opstellen van een plan van aanpak behoeft te beginnen voordat een door de deskundige te bepalen bedrag als voorschot is ontvangen. 4.13. De Ondernemingskamer kan voorlopige voorzieningen treffen indien het noodzakelijk is om, in afwachting van de uitkomst van de geschillenprocedure, ordemaatregelen te treffen die op die uitkomst vooruitlopen, dit op basis van een weging van alle omstandigheden en relevante belangen, waaronder die van verzoeker, verweerder, de vennootschap en de overige belanghebbenden (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2023:583, Voltalessandro en ECLI:NL:GHAMS:2026:1473, In Domo). 4.14. De Ondernemingskamer acht het noodzakelijk om, in afwachting van de uitkomst van deze procedure voor de duur van het geding, de volgende voorlopige voorzieningen te treffen. Zij zal [Holding Broer 2] schorsen als bestuurder van [de vennootschap] . Voor het benoemen van een beheerder van de aandelen van [Holding Broer 2] in [de vennootschap] ziet de Ondernemingskamer geen aanleiding. Wel ziet de Ondernemingskamer aanleiding om het stemrecht op de door [Holding Broer 2] gehouden aandelen in [de vennootschap] te schorsen. Deze voorziening is in lijn met het verzoek en is op zitting met partijen besproken. 4.15. Voor het treffen van andere voorlopige voorzieningen ziet de Ondernemingskamer voorlopig geen aanleiding. 4.16. Met de toewijzing van het verzoek van [Holding Broer 1] is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder [de vennootschap] haar enquêteverzoek heeft ingesteld. Dit verzoek behoeft daarom geen verdere behandeling. 4.17. De Ondernemingskamer ziet ten slotte aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 5 De beslissing De Ondernemingskamer: a. beveelt een onderzoek naar de waarde van de door [Holding Broer 2] gehouden aandelen in [de vennootschap] , per heden, althans een zo dicht mogelijk daarbij liggende door de deskundige te bepalen praktische datum; b. benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon (deskundige) om het onderzoek naar de waarde van de door [Holding Broer 2] gehouden aandelen in [de vennootschap] te verrichten; c. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig – in de zin van artikel 190 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van de Ondernemingskamer – zal verrichten; d. bepaalt dat de griffier van de Ondernemingskamer onverwijld een afschrift van deze beschikking en het procesdossier aan de deskundige zal doen toekomen; e. verzoekt de deskundige binnen vier weken – of zoveel eerder als mogelijk – een plan van aanpak met een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Onderne