Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-07-23
ECLI:NL:GHAMS:2026:2046
Enquêterecht; mondelinge uitspraak; afwijzing verzoeken. proces-verbaal __________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.366.477/01 OK Proces-verbaal van het verhandelde ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 23 juli 2026. Tegenwoordig zijn mr. C.C. Meijer, voorzitter, mr. A.W.H. Vink, mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en mr. D.E.M. Aleman MBA, mr. drs. F. Marring RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Haksteeg, griffier. Aan de orde is de behandeling van het verzoekschrift van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [aandeelhouder 1 B.V.] , gevestigd te [plaats] , VERZOEKSTER , advocaten: mr. L.Z. Bosman en mr. M.M.H. Sangers , beiden kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SO EXPO B.V. , gevestigd te Venray, VERWEERSTER , advocaat: mr. B.P.W. van Brink , kantoorhoudende te Venlo, e n t e g e n 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [aandeelhouder 2 B.V.] , gevestigd te [plaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [aandeelhouder 3 B.V.] , gevestigd te [plaats] , 3. [DGA aandeelhouder 2] , wonende te [plaats] , BELANGHEBBENDEN , advocaat: mr. B.P.W. van Brink , voormeld. Ter terechtzitting zijn aanwezig: - [DGA aandeelhouder 1] (verder: “ [DGA aandeelhouder 1] ”), in zijn hoedanigheid van bestuurder van [aandeelhouder 1 B.V.] (verder: “ [aandeelhouder 1 B.V.] ”), bijgestaan door mr. L.Z. Bosman en mr. M.M.H. Sangers voormeld; - [partner DGA aandeelhouder 1] , de partner van [DGA aandeelhouder 1] ; - [DGA aandeelhouder 2] (verder: “ [DGA aandeelhouder 2] ”), voor zichzelf en in zijn hoedanigheid van bestuurder van So Expo B.V. (verder: “So Expo”), alsmede in zijn hoedanigheid van bestuurder en enig aandeelhouder van [aandeelhouder 2 B.V.] (verder: “ [aandeelhouder 2 B.V.] ”), bijgestaan door mr. B.P.W. van Brink voormeld; - [DGA aandeelhouder 3] (verder: “ [DGA aandeelhouder 3] ”), in zijn hoedanigheid van bestuurder en enig aandeelhouder van [aandeelhouder 3 B.V.] (verder: “ [aandeelhouder 3 B.V.] ”), bijgestaan door mr. B.P.W. van Brink, voormeld; - [zoon DGA aandeelhouder 2] (hierna: “ [zoon DGA aandeelhouder 2] ”); - [adviseur aandeelhouder 2] , adviseur VDH. De voorzitter deelt mee dat de volgende stukken zijn ontvangen: Van de zijde van [aandeelhouder 1 B.V.] : op 18 maart 2026 een enquêteverzoek, met producties 1 tot en met 58; op 14 juli 2026 een akte overlegging nadere producties, met producties 59 tot en met 75. Van de zijde van So Expo, [aandeelhouder 2 B.V.] , [DGA aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 3 B.V.] : op 25 juni 2026 een verweerschrift, met producties 1 tot en met 56; op 15 juli 2026 een akte overlegging nadere producties, met producties 57 tot en met 60. [aandeelhouder 1 B.V.] heeft in deze procedure de Ondernemingskamer verzocht – kort samengevat – een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van So Expo vanaf 29 april 2016, bepaalde onmiddellijke voorzieningen te treffen en So Expo te veroordelen in de kosten. Bij verweerschrift hebben So Expo, [aandeelhouder 2 B.V.] , [aandeelhouder 3 B.V.] en [DGA aandeelhouder 2] verzocht om het verzoek van [aandeelhouder 1 B.V.] af te wijzen en [aandeelhouder 1 B.V.] te veroordelen in de kosten van het geding. De advocaten lichten de standpunten van de onderscheiden partijen toe aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen overgelegde – spreekaantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten beantwoorden vragen van de Ondernemingskamer en verstrekken inlichtingen. [aandeelhouder 1 B.V.] maakt geen gebruik van de geboden gelegenheid om te repliceren. Mr. Van Brink ziet af van dupliek. De voorzitter van de Ondernemingskamer schorst de behandeling ter terechtzitting. Na hervatting van de behandeling deelt de voorzitter mede dat mondeling uitspraak zal worden gedaan. De Ondernemingskamer doet als volgt mondeling uitspraak: 1. Het verzoek zal worden afgewezen omdat onvoldoende is gebleken van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij So Expo. De vijf daartoe door [aandeelhouder 1 B.V.] aangevoerde redenen volstaan niet, ook niet in onderlinge samenhang beschouwd. 2. Wat betreft de informatieverstrekking geldt dat [aandeelhouder 1 B.V.] als minderheidsaandeelhoudster, die niet in het bestuur is vertegenwoordigd, in beginsel ruimhartig van informatie moet worden voorzien. [aandeelhouder 1 B.V.] had tot februari 2023 toegang tot het AFAS-programma en had tot juni 2025 inzage in de bankgegevens van So Expo. Daarmee beschikte zij tot in detail over de financiële en operationele gegevens van So Expo. Bovendien verkreeg zij maandelijkse projectrapportages. Deze zeer uitgebreide informatieverstrekking vond haar oorsprong in de tijd dat [aandeelhouder 1 B.V.] meerderheidsaandeelhoudster was en in 2017 een deel van haar belang verkocht aan [DGA aandeelhouder 2] , dan wel een nader door [DGA aandeelhouder 2] op te richten vennootschap, tegen een earnout regeling. So Expo heeft, nadat eind 2022 de earnout regeling volledig was nagekomen door [DGA aandeelhouder 2] , sinds 2023 de informatieverstrekking meer in lijn willen brengen met hetgeen passend is voor een minderheidsaandeelhouder. Zij heeft daartoe laatstelijk een concept informatieprotocol opgesteld, dat in het geding is gebracht. Van dat protocol kan niet worden gezegd dat het niet voldoet aan de op So Expo rustende verplichting tot informatieverstrekking aan haar minderheidsaandeelhouder. Ook het feit dat [aandeelhouder 1 B.V.] geen toegang meer heeft tot AFAS geeft geen aanleiding om te twijfelen aan het beleid en de gang van zaken toen [aandeelhouder 1 B.V.] informatie met derden wilde delen. [aandeelhouder 1 B.V.] heeft ook niet kunnen onderbouwen waarom zij als minderheidsaandeelhoudster belang heeft bij een ruimere informatieverstrekking dan waartoe het protocol verplicht. 3. [aandeelhouder 1 B.V.] klaagt ook tevergeefs over het dividendbeleid van verweerster. In dat verband is van belang dat [aandeelhouder 1 B.V.] sedert de laatste betaling uit hoofde van de earnout vrijwel jaarlijks omvangrijke bedragen aan dividend heeft ontvangen, in totaal bijna € 1 miljoen. [aandeelhouder 1 B.V.] meent dat grotere bedragen als dividend hadden kunnen worden uitgekeerd, maar dat miskent dat de aandeelhoudersvergadering en het bestuur daartoe niet hebben besloten, met name niet omdat zij, in elk geval sinds de COVID-pandemie, van mening zijn dat de financiële toestand van de vennootschap het handhaven van een financiële buffer vergt. [aandeelhouder 1 B.V.] klaagt ook over het ontbreken van een dividendbeleid, maar voldoende aannemelijk is dat in 2023 partijen het erover eens waren dat – kortweg – het bedrag waarmee het banksaldo van So Expo op 1 januari van het opvolgende jaar de buffer van € 1,4 miljoen oversteeg in principe voor dividenduitkering beschikbaar was. [aandeelhouder 1 B.V.] heeft later ontkend dat deze afspraak is gemaakt en inmiddels heeft So Expo een nieuw dividendbeleid voorgesteld. Daarmee kan [aandeelhouder 1 B.V.] zich niet verenigen, maar dat dat voorgestelde dividendbeleid onredelijk is voor haar als aandeelhouder, is niet gebleken. 4. [aandeelhouder 1 B.V.] heeft zich bij de voorgaande gronden beroepen op de aandeelhoudersovereenkomst van 29 april 2016 tussen [Holding DGA aandeelhouder 1] [DGA aandeelhouder 2] en de vennootschap, die tot ruimere informatieverstrekking en hogere dividenduitkeringen zou verplichten. Daargelaten de onzekerheid over de toepasselijkheid van die overeenkomst gezien de bij die overeenkomst betrokken partijen, kan uit de gedragingen van partijen in deze procedure, waaronder uitdrukkelijk ook die van [aandeelhouder 1 B.V.] zelf, niet worden afgeleid dat de tekst van de aandeelhoudersovereenkomst van aanvang af leidend is geweest voor de vraag op welke informatie en welke dividenduitkering aanspraak bestond. Zo zijn er geen aanwijzingen dat [aandeelhouder 1 B.V.] van aanvang af heeft geïnsisteerd dat, zoals artikel 13.1 van de aandeelhoudersovereenkomst luidt, de winst jaarlijks werd uitgekeerd voorzover dat (kortweg) wettelijk en statutair was toegestaan, en dat zij met minder geen genoegen nam. De invloed van de aandeelhoudersovereenkomst op de samenwerking tussen de (huidige) aandeelhouders van So Expo moet, indien al aanwezig, dan ook aanmerkelijk worden genuanceerd. Daar komt wat betreft de informatieverstrekking nog bij dat de tekst van artikel 5.2 van de aandeelhoudersovereenkomst, die niet zonneklaar is, moet worden gelezen in samenhang met de principeovereenkomst die dateert van dezelfde datum als de aandeelhoudersovereenkomst, en is gesloten tussen dezelfde partijen. In die laatste overeenkomst staat slechts dat de aandeelhouder van [aandeelhouder 1 B.V.] maandelijks recht heeft op financiële informatie over So Expo. Aan dat vereiste voldoet het voorgestelde informatieprotocol. 5. So Expo heeft niet betwist dat haar governance tot voor kort informeel was (bijvoorbeeld aandeelhoudersvergaderingen zonder hantering van de juiste oproepingstermijnen en zonder tevoren aangekondigde agenda) en dat jaarrekeningen niet steeds tijdig werden vastgesteld. De gang van zaken rondom die vergaderingen is ook lang rommelig geweest. Feit is echter ook dat, naar volgt uit de gedingstukken, er wel regelmatig besprekingen tussen alle aandeelhouders plaatsvonden over de onderwerpen die hen aangaan, dat [aandeelhouder 1 B.V.] zich tegen de informele gang van zaken jarenlang niet heeft verzet en dat zij daarover pas recentelijk is gaan klagen. Inmiddels heeft So Expo haar governance geformaliseerd. So Expo heeft erkend dat de besluitvorming niet altijd door het juiste orgaan heeft plaatsgevonden en waar dat aan de orde was (bijvoorbeeld bij de volmachtverlening aan [zoon DGA aandeelhouder 2] , de zoon van [DGA aandeelhouder 2] ) is dat gecorrigeerd. Onder die omstandigheden vormt de governance van So Expo ook onvoldoende reden voor twijfel aan een juist beleid. 6. Met betrekking tot tegenstrijdige belangen geldt als uitgangspunt dat transparantie dient te worden betracht en dat transacties dienen te worden aangegaan onder marktconforme voorwaarden. So Expo heeft erkend dat op dit vlak ruimte voor verbetering bestaat. Op ondergeschikte onderwerpen heeft So Expo niet de vereiste transparantie betracht. De Ondernemingskamer denkt daarbij aan de beloning van [schoondochter DGA aandeelhouder 2] en de verhuur van het boshuisje. Maar onvoldoende aannemelijk is dat So Expo onvoldoende transparantie heeft betracht over wezenlijke kwesties waarbij haar bestuurder een tegenstrijdig belang had (zoals het verhogen van zijn managementvergoeding, het verstrekken van de volmacht aan de zoon van [DGA aandeelhouder 2] en de salariëring van hem en andere personeelsleden). Nogmaals: tot juni 2025 had [aandeelhouder 1 B.V.] inzage in alle bankmutaties van So Expo. Dat de vennootschap is benadeeld door niet-marktconforme transacties is, gelet op de (onvoldoende betwiste) toelichting van So Expo, niet aannemelijk geworden. Er zijn geen aanwijzingen voor excessieve beloningen of andere onregelmatigheden. 7. Deze oordelen van de Ondernemingskamer brengen mee dat het verwijt dat sprake is van misbruik van meerderheidsmacht, evenmin gegrond is. 8. De conclusie luidt daarom dat er onvoldoende gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij So Expo. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De Ondernemingskamer ziet aanleiding geen proceskostenveroordeling uit te spreken. Redengevend is dat So Expo naar aanleiding van het starten van de enquêteprocedure op goede gronden aanleiding heeft gezien haar beleid met betrekking tot de minderheidsaandeelhouder aan te passen. De Ondernemingskamer: a. wijst het verzoek van [aandeelhouder 1 B.V.] af; b. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De voorzitter meldt dat een proces-verbaal van de mondelinge behandeling met de schriftelijke uitwerking van beslissing wordt opgemaakt en aan partijen wordt toegezonden. De voorzitter sluit de behandeling ter terechtzitting. Waarvan proces-verbaal,