Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-05-12
ECLI:NL:GHAMS:2026:2028
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 25/1 12 mei 2026 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: V.A.L. van Oostrum) tegen de uitspraak van 24 oktober 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/2521 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 6 december 2022 aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. 1.2. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om bij beschikking de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2017 vast te stellen op € 10.850. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “De rechtbank: ₋ verklaart het beroep ongegrond; ₋ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser[es] tot een bedrag van € 1.750, en ₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser[es] te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het Hof op 13 februari 2026 aan partijen een bericht gezonden (zie 2.3). Partijen hebben hierop gereageerd. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 1.7. Het Hof heeft het onderzoek heropend en op 10 maart 2026 aan partijen een bericht (verzoek nadere inlichtingen) gezonden (zie 2.9). Partijen hebben hierop gereageerd. 1.8. Het Hof heeft het onderzoek gesloten nadat partijen niet verzocht hebben om een nadere zitting. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld: “1. Eiseres woonde tot 27 juli 2017 in [land] en vervolgens in Nederland. Voordat eiseres naar Nederland kwam had zij zich ingeschreven voor een [studie] aan de [universiteit] in [Z] . Het collegegeld bedroeg € 11.100. 2. Op 13 april 2022 heeft eiseres een aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 ingediend. Hierin heeft eiseres een verzamelinkomen aangegeven van € 10.850 negatief, dat geheel bestaat uit het collegegeld, verminderd met een drempel van € 250. Per brief van 4 mei 2022 deelde verweerder eiseres mee dat zij een onjuiste aangifte had ingediend en dat zij een zogenoemd migratiebiljet (M-biljet) moest indienen. Met de brief had verweerder een Mbiljet meegestuurd. 3. Op 17 juni 2022 heeft eiseres het M-biljet ingediend. Op het M-biljet bracht eiseres € 10.850 scholingskosten in aftrek en noemde zij 28 juli 2017 als datum van haar immigratie uit [land] . 4. Per brief van 12 oktober 2022 stelde verweerder eiseres vragen over de aangifte. Per brief van 15 november 2022 reageerde eiseres daarop. Bij die brief had eiseres drie bijlagen gevoegd. Op één van de bijlagen is te zien dat het collegegeld op 22 mei 2017 aan de [universiteit] is overgemaakt. Uit de andere bijlagen blijkt dat eiseres het bedrag had geleend van haar moeder en dat zij dit op 3 november 2022 aan haar moeder heeft terugbetaald. 5. Per brief van 16 november 2022 deelde verweerder eiseres mee dat hij voornemens was van de aangifte af te wijken en de studiekosten niet in aftrek zou toelaten. Met dagtekening 6 december 2022 heeft verweerder eiseres de aanslag opgelegd. Het aanslagbiljet vermeldt een verzamelinkomen van nihil en een te betalen bedrag van eveneens nihil. 6. Eiseres heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is gedagtekend 29 november 2022 en is op 1 december 2022 bij verweerder ontvangen. Per brief van 19 januari 2023 deelde verweerder eis Deze wijze is niet verplicht, maar studenten die aan de IND eis voldoen door geld over te schrijven naar de bankrekening van de onderwijsinstelling kiezen er vrijwel nooit voor om na verlening van de verblijfsvergunning de deposit/waarborgsom terug te laten boeken. Deze studenten hebben al kosten gemaakt voor een internationale overschrijving, als de [universiteit] het bedrag terug overmaakt middels een internationale overboeking komen deze kosten teven ten laste van de student, en de student moet vervolgens opnieuw kosten maken voor een internationale overschrijving om het collegegeld ineens te betalen, of naar een Nederlandse bankrekening om vanaf daar gespreid te betalen middels een afgegeven incassomachtiging. (…) --- einde vraag en antwoord ---- (…) Uit de bewijsmiddelen blijkt dat eiser eerst een bankafschrift heeft overgelegd, maar dat deze in de aanvraag is afgekeurd. Het betrof een deposito rekening. Omdat de deadline naderde is geadviseerd het geld over te maken. Eiser heeft gedaan wat nodig was om dit te bewerkstelligen. Veel later heeft IND positief op de verblijfsvergunning beslist. Ook heeft eiser aan alle andere voorwaarden voldaan, zoals inschrijving via Studielink. Ook is bij Studielink een digitale machtiging afgegeven voor de incasso van het collegegeld (ineens) echter heeft de universiteit (in de hoedanigheid van incassant) dit logischerwijs verrekend met de deposit die zij (in de hoedanigheid van visa sponsor) nog onder zich had. Indien er geen deposit (meer) was geweest, dan zou het collegegeld ineens eind september zijn geïncasseerd. Eiser is uiteindelijk 10 augustus 2017 pas definitief toegelaten tot de opleiding, zodat pas vanaf dat moment voor partijen duidelijk was dat er collegegeld verschuldigd zou gaan raken. Eiser was toen binnenlands belastingplichtige. Was er op 22 mei 2017 een rechtsverhouding tussen eiser en de [universiteit] waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake collegegeld voortvloeit? Nee, de rechtsverhouding tussen eiser en de [universiteit] waarbinnen de betaling op 22 mei 2017 heeft plaatsgevonden is die van visa aanvrager en visa sponsor. Tussen partijen is overeengekomen dat de [universiteit] als visa sponsor een aanvraag bij IND indient en afhandelt voor eiser als visa aanvrager. Partijen zijn overeengekomen dat eiser hiervoor een fee van €350 verschuldigd was aan de [universiteit] . Strekte de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe om van tevoren aan een toekomstige betalingsverplichting te voldoen? Nee, het was de bedoeling van partijen om te voldoen aan één van de zes door IND voorgeschreven opties die ertoe strekken om aan te tonen dat de visa aanvrager over voldoende financiële middelen beschikte. Partijen hadden geen ander doel, en er bestond geen andere grondslag dan voornoemd. Er bestond geen toekomstige betaalverplichting. Eiser legt enkele bewijsmiddelen over waarbij de gearceerde delen het voorgaande bevestigen. Het betreft: Productie 1: [website 1] Productie 2: [website 2] Productie 3: [website 3] Productie 4: e-mail d.d. 31 januari 2017 Productie 5: e-mail d.d. 2 mei 2017 Productie 6: e-mail d.d. 10 mei 2017 Productie 7: e-mail d.d. 10 augustus 2017” 2.6. In bijlage 4 bij het onder 2.5 opgenomen schrijven van belanghebbende is de volgend e-mail, gedateerd 31 januari 2017, van [naam 1] ( [functie] van de [universiteit] ) aan belanghebbende opgenomen: “ Your visa and/ or residence permit arranged via [universiteit] – (…) Please allow me to introduce myself, my name is [naam 1] . I have been informed by your International Student Advisor that you have been (conditionally) admitted to one of our programmes at [universiteit] . Congratulations! Our International Office at [universiteit] [Z] will apply for a visa and/ or residence permit for you, after we have received the uploaded required documents in your [universiteit] account and the 350 EUR fee for the visa and/ or residence permit. It is only possible to start uploading you Betaling (Collegegeld & Visumkosten) -Uiterste betaaldatum: De hogeschool of universiteit stuurt een factuur voor het collegegeld, visumkosten (leges, ca. €200-€450) en vaak ook de "living expenses" (levensonderhoud) voor het eerste jaar. -Vooruitbetaling: U moet het collegegeld voor het eerste jaar en de leges volledig en vooraf betalen. -Bewijs van financiële middelen: U moet aan de IND aantonen dat u voldoende geld hebt voor levensonderhoud (ca. €13.000 - €15.000, afhankelijk van het jaar en instelling). Dit bedrag wordt vaak via de universiteit overgemaakt en na aankomst teruggestort. 3. Visumaanvraag (IND via Onderwijsinstelling) -Indienen: Zodra de betaling is ontvangen, start de instelling de 'Toelating en Verblijf' (TEV) procedure bij de IND. Het Hof verzoekt u aan te geven of het Hof voor de inschrijving van [X] voor de [studie] aan de [universiteit] ook ervan kan uitgaan dat dit traject is gevolgd. Zo dat anders is verzoekt het Hof u gedocumenteerd aan te geven wat de afwijking betreft. U bent op grond van artikel 8:28 Awb verplicht deze inlichtingen te verschaffen. Indien u niet aan dit verzoek voldoet kan het Hof daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen (artikel 8:31 Awb). De gevraagde informatie dient uiterlijk vrijdag 30 maart 2026 door het Hof ontvangen te zijn. Ook verzoekt het Hof u (mits akkoord) om te bevestigen dat het Hof het onderzoek, na het verstrekken van de inlichtingen, zonder nadere zitting kan afdoen.” 2.10. De inspecteur heeft op 26 maart 2026 als volgt gereageerd: “U heeft mij in uw brief van 10 maart 2026 verzocht om een reactie inzake het ontstaan van de rechtsverhouding tussen belanghebbende en de universiteit. Uw voorstelling van de chronologische stappen inzake het proces rondom de inschrijving bij de universiteit en de visumaanvraag onderschrijf ik. Wat mij betreft is het aannemelijk dat dit proces voor belanghebbende ook zo heeft plaatsgevonden.” 2.11. Belanghebbende heeft in haar reactie van 7 april 2026 onder meer het volgende geschreven: “PROCEDURE EN AFWIJKINGEN Of de door het Hof uit algemene bronnen gedestilleerde procedure correct is en chronologisch juist is laat eiser in het midden. Eiser kan slechts benoemen wat de procedure was in haar geval, destijds in 2017, bij de [universiteit] . Eiser doet dit chronologisch. Eiser heeft zich in eerste instantie niet via Studielink, maar bij de [universiteit] aangemeld. De [universiteit] heeft, in de hoedanigheid van onderwijsinstelling, onderzocht of eiser toe te laten viel voor de opleiding van haar keuze. De onderwijsinstelling heeft hiervoor de [land] diploma’s van eiser beoordeeld, en eiser was voor de uitvoering van deze opdracht een fee van ongeveer €100 verschuldigd aan de onderwijsinstelling. Het resultaat was een voorlopige toelating. Een persoon met de [land] nationaliteit, zoals eiser destijds, heeft voor rechtmatig verblijf in Nederland een verblijfsvergunning nodig. Een van de gronden op basis waarvan IND deze verleend, is studie. Aanvragen op basis van studie kunnen alleen bij IND worden ingediend door erkend referenten zoals bedoeld in artikel 2 Vreemdelingenwet. Eiser heeft opdracht gegeven aan een erkend referent om bij IND een verblijfsvergunning wegens studie aan te vragen en daarvoor een fee betaald van €350 aan de erkend referent. De erkend referent was Stichting [universiteit] . Rond 2 mei 2017 heeft eiser contact opgenomen (productie 5) met de erkend referent omtrent een probleem met de visumaanvraag. Om aan de voorwaarden van IND te voldoen heeft eiser bankafschriften aan de erkend referent doen toekomen van eisers depositorekening met voldoende financiële middelen. Het probleem was echter dat een depositorekening niet voldoet aan de voorwaarden. In overleg met de erkend referent is uiteindelijk de keuze gemaakt om gebruik te maken van één van de andere opties. Op 22 mei 2017 is er een bedrag gestort op de bankrekening van de erkend referent, waarmee alsnog is voldaan aan de voorwaarden van IND. De Van een betaling in de zojuist bedoelde zin is ook sprake indien op het moment waarop het geldbedrag wordt overgemaakt, een rechtsverhouding tussen partijen bestaat waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit die als persoonsgebonden aftrekpost kan worden aangemerkt, en de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe strekt om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Daarbij is niet van belang of een eventuele prestatie van de wederpartij waarop de betaling betrekking heeft, op dat moment al is verricht. 4.2.2 Van een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001 is daarentegen geen sprake indien de belastingplichtige een geldbedrag naar de bankrekening van een ander overmaakt zonder dat daaraan een bestaande of toekomstige verplichting als hiervoor in 4.2.1 bedoeld ten grondslag ligt. In dat geval is een rechtstoestand ontstaan waarin het overgemaakte bedrag ter beschikking van de belastingplichtige is gebleven. De mogelijkheid bestaat dan dat het bedrag naar de bedoeling van partijen is overgemaakt als depotstorting, waarop een of meer bedragen die naderhand verschuldigd zijn op een later moment in mindering kunnen worden gebracht. In een zodanig geval vindt op dat latere moment verrekening plaats in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter b, Wet IB 2001.” 15. In de zaak die heeft geleid tot het hierboven geciteerde arrest ging het om iemand uit India die naar Nederland kwam om te studeren. Om de daarvoor nodige verblijfsvergunning te kunnen krijgen had de belanghebbende het collegegeld betaald voordat hij naar Nederland kwam. Dat geval was dus feitelijk nagenoeg gelijk aan het geval van eiseres en de in die zaak aangevoerde beroepsgronden komen ook sterk overeen met de beroepsgronden van eiseres. Uit het arrest is op te maken dat de uitleg die eiseres geeft aan artikel 6:40 van de Wet IB onjuist is. Vaststaat dat de betaling van het collegegeld in mei 2017 heeft plaatsgevonden door de moeder van eiseres. De betaling drukt op dat moment op eiseres nu zij een lening was aangegaan bij haar moeder. De overmaking van het geldbedrag strekt ertoe om te voldoen aan de verplichting tot het betalen van het collegegeld. Zoals uit het arrest volgt is hierbij niet van belang of de studie al een aanvang had genomen. Het feit dat terugbetaling van de lening aan de moeder heeft plaatsgevonden in november 2022, brengt niet mee dat op dat moment sprake is geweest van betaling als bedoeld in artikel 6.40 Wet IB 2001. 16. Gelet op het weergegeven arrest is een vooruitbetaling onder omstandigheden aan te merken als een depotstorting. Van een depotstorting is sprake als het bedrag nog ter beschikking van de belastingplichtige is gebleven. De bewijslast dat sprake is van een depotstorting ligt bij de belastingplichtige. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat van een depotstorting geen sprake is. Eiseres heeft ook geen feiten en omstandigheden genoemd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat zij tot de aanvang van de studie nog de beschikking hield over het bedrag. Met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.2.1 van het arrest is de rechtbank daarom van oordeel dat op het moment dat het collegegeld werd overgemaakt naar de [universiteit] in mei 2017, sprake was van het betalen van scholingskosten. Op dat moment woonde eiseres nog niet in Nederland en was zij nog geen belastingplichtige. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1 van de Wet IB 2001 is aftrek van het collegegeld dus niet mogelijk. In zoverre is het gelijk dus aan verweerder. 17. Eiseres heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel of het non-discriminatiebeginsel omdat het standpunt van verweerder tot gevolg heeft dat studenten van buiten de EU anders behandeld worden dan studenten vanuit een lidstaat van de EU. Studenten van buiten de EU hebben een verblijfsvergunning nodig en zullen daarom eerder gehouden zijn het collegegeld bij vooruitb Het Hof gaat ervan uit dat de inspecteur tegelijkertijd met het opleggen van de nihilaanslag impliciet een beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek van nihil heeft genomen en dat het bezwaar en het beroep tegen deze (nihil)beschikking is gericht. Collegegeld 5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op 22 mei 2017 een bedrag ad € 11.100 collegegeld is overgeboekt naar de [universiteit] en dat belanghebbende op die datum nog niet binnenlands belastingplichtig was. Voorts zijn beide partijen van mening dat belanghebbende vanaf 27 juni 2017 binnenlands belastingplichtig is. Het Hof zal hier ook van uitgaan. 5.3. Belanghebbende stelt zich, anders dan in eerste aanleg (in die fase stelde belanghebbende dat van een depotstorting geen sprake was), in hoger beroep op het standpunt dat het collegegeld is overgemaakt als “deposit/waarborgsom” (depotstorting), waarop één of meer bedragen die naderhand verschuldigd zijn geworden, op een later moment in mindering zijn gebracht. Volgens haar is de overboeking op 22 mei 2017 gedaan in de rechtsverhouding visumaanvrager (belanghebbende) en visumsponsor ( [universiteit] ). Volgens haar wordt haar stelling dat sprake was van een de depotstorting ondersteund door de door haar ingebrachte bewijsmiddelen (zij verwijst naar de zeven producties bij het schrijven van 23 februari 2026). Uit die stukken volgt, zo stelt zij, dat op 22 mei 2017 nog geen sprake was van een (toekomstige) betalingsverplichting. 5.4. Artikel 6.40 van de Wet IB 2001 bepaalt dat uitgaven ter zake van de persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen op het tijdstip waarop zij zijn betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend zijn geworden. 5.5. Op 6 februari 2026 heeft de Hoge Raad een arrest (ECLI:NL:HR:2026:84) gewezen over de- eventuele- aftrek van scholingskosten. In dit arrest is het volgende overwogen: “4.1. Het middel richt zich tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 (hierna: het arrest van 12 juli 2024), dat het Hof nader had moeten motiveren waarom de hiervoor in 2.3 bedoelde overboeking door belanghebbende op 25 juni 2015 van een bedrag ter grootte van het verschuldigde collegegeld naar de bedoeling van partijen op dat moment niet strekte tot voldoening aan een verplichting die voortvloeit of zal voortvloeien uit een toen al bestaande rechtsverhouding tussen belanghebbende en de Universiteit ter zake van de betaling van het collegegeld. 4.2. Het middel slaagt, aangezien het Hof niet kenbaar heeft onderzocht of die overboeking is aan te merken als betaling op grond van een toekomstige betalingsverplichting als bedoeld in de tweede volzin van rechtsoverweging 4.2.1 van het arrest van 12 juli 2024. Voor het aannemen van een zodanige betaling is vereist dat op het moment waarop het geldbedrag werd overgemaakt een rechtsverhouding tussen partijen bestond waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit, en de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe strekte om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Een overboeking van geld die niet is aan te merken als betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001, kan zich gelet op rechtsoverweging 4.2.2 van dat arrest slechts voordoen indien geld wordt overgemaakt zonder dat daaraan een bestaande of een dergelijke toekomstige betalingsverplichting ten grondslag ligt. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat een andere maatstaf heeft te gelden, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, had het nader moeten motiveren waarom het niet een betaling op grond van een toekomstige betalingsverplichting in de hiervoor bedoelde betekenis heeft aangenomen.”. In voornoemd arrest van 12 juli 2024 heeft de Hoge Raad als volgt overwogen (zie deels ook onder punt 14 van de rechtbankui De inschrijving bij de [universiteit] en (voorlopige) toelating door de [universiteit] voorafgaand aan de betaling van het collegegeld is naar het oordeel van het Hof aan te merken als de (ontstane) rechtsverhouding tussen belanghebbende en de [universiteit] waar de (toekomstige) betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit. Het kan naar het oordeel van het Hof dan ook niet anders dan dat de overmaking op 22 mei 2017 van het geldbedrag van € 11.100 er toe strekt om aan die toekomstige betalingsverplichting te voldoen. Dat het hier ging om de betaling van collegegeld vindt bevestiging in de op 18 mei 2017 ter zake afgesloten leningsovereenkomst tussen belanghebbende en haar moeder en in hetgeen belanghebbende op 15 november 2022 aan de inspecteur schrijft; “het collegegeld [is] door mijn moeder overgemaakt”. Dat daarnaast financiële voorwaarden aan het verkrijgen van een visum worden gesteld (om aan te tonen dat de belanghebbende voldoende financiële middelen heeft) doet aan dit oordeel niet af evenals de omstandigheid dat belanghebbende daartoe kennelijk onder meer het aan de [universiteit] overgemaakte collegegeld als bewijsmiddel voor haar financiële gesteldheid heeft opgevoerd. 5.7. Ten aanzien van het eerst in hoger beroep ingenomen standpunt van belanghebbende dat sprake is geweest van een depotstorting merkt het Hof nog het volgende op. Belanghebbende heeft de door haar gestelde gang van zaken nauwelijks gestaafd met gegevens, hoewel zij de meest gerede partij is om die gegevens over te leggen. Nergens valt uit op te maken dat er in het geval van belanghebbende sprake is geweest van een depotstorting waarop een of meer bedragen die naderhand verschuldigd zijn op een later moment in mindering kunnen worden gebracht. Wel volgt uit door belanghebbende overgelegde documenten, welke nagenoeg geheel betrekking hebben op de procedures voor het verkrijgen van een visum, dat het, nadat een student van buiten de EU zich inschrijft bij de [universiteit] , noodzakelijk is om de immigratieprocedure te doorlopen. Als deze procedure ook succesvol is doorlopen kunnen deze studenten beginnen met studeren aan de [universiteit] . Deze documentatie en informatie maakt evenwel geenszins aannemelijk dat een rechtstoestand is ontstaan waarin het op 22 mei 2017 door belanghebbende aan de [universiteit] overgemaakte bedrag als depotstorting, waarop een of meer bedragen die naderhand verschuldigd zijn op een later moment in mindering kunnen worden gebracht, moet worden aangemerkt. Belanghebbende heeft dan ook niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht en de bewijslast ten aanzien van feiten waaruit de juistheid van haar standpunt voortvloeit. 5.8. Gelet op het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat op het moment waarop het bedrag van € 11.100 werd overgemaakt, een rechtsverhouding tussen belanghebbende en de [universiteit] bestond waaruit de (toekomstige) betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeide. De overmaking van het geldbedrag strekt er naar de bedoeling van zowel belanghebbende als de [universiteit] toe om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Nu belanghebbende op 22 mei 2017 nog niet in Nederland woonde (zie rechtsoverweging 12 van de rechtbankuitspraak) was zij nog niet binnenlands belastingplichtige; aftrek van het collegegeld is dan niet mogelijk. Alsdan is terecht het bedrag van de op enig tijdstip niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek op nihil gesteld. 5.9 Voor zover belanghebbende zich in hoger beroep nog beroept op het gelijkheidsbeginsel of het non-discriminatiebeginsel neemt het Hof hetgeen de rechtbank ter zake in rechtsoverweging 17 heeft overwogen over. Overige klachten Schending hoorrecht en terugwijzing 5.10. Belanghebbende heeft terecht gesteld dat er sprake is van een schending van het hoorrecht (zie rechtsoverweging 18 van de rechtbankuitspraak). Om die reden is door de rechtbank aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend en is het griffier