Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-03-17
ECLI:NL:GHAMS:2026:2011
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 24/3416 en 24/3417 17 maart 2026 uitspraak van de meervoudige douanekamer op het hoger beroep van [X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma) tegen de uitspraak van 2 juli 2024 in de zaak met kenmerken HAA 24/259 en HAA 24/260 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Douane, de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 30 november 2021 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 1) uitgereikt van € 238.646,39, zijnde een bedrag van € 43.220,10 aan douanerechten, € 172.880,40 aan definitieve antidumpingrechten en € 22.545,89 aan rente op achterstallen. 1.1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 2 februari 2022 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 2) uitgereikt van € 4.291.643,84, zijnde een bedrag van € 812.272,06 aan douanerechten, € 3.249.088,22 aan definitieve antidumpingrechten en € 230.283,56 aan rente op achterstallen. 1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2023 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, utb 1 verminderd met een bedrag van € 23.667 (€ 4.287,59 aan invoerrechten, € 17.150,34 aan antidumpingrechten en € 2.229,07 aan rente op achterstallen) en utb 2 verminderd met een bedrag van € 288.796,43 (€ 53.798,38 aan invoerrechten, € 215.193,53 aan antidumpingrechten en € 19.804,52 aan rente op achterstallen). 1.3. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond; - veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de immateriële schade vastgesteld op een bedrag van € 500; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75; en - draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden tot een bedrag van € 365.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft 15 januari 2026 een nadere stukken ingediend. Belanghebbende heeft op 16 januari 2026 nadere stukken ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld: “1. Eiseres houdt zich bezig met de fabricage van en de groothandel in verpakkingsmaterialen. Zij is gespecialiseerd in het wikkelen van aluminiumfolie, plastic folie, bakpapier alsmede de productie van koffiefilters. Binnen het productieproces van eiseres worden onder meer grote rollen aluminium van circa 300 kg per stuk (hierna: grote rollen) getransformeerd tot kleine rollen aluminium voor huishoudelijk gebruik met een gewicht van minder dan 10 kg per stuk (hierna: kleine rollen). De goederencode in de Gecombineerde Nomenclatuur verandert daardoor van 7607 1119 naar 7607 1111. Eiseres koopt grote rollen in met een oorsprong uit verschillende landen buiten het douanegebied van de Unie en slaat deze grote rollen gezamenlijk op. Eiseres gebruikt deze grote rollen voor het produceren van kleine rollen zonder daarbij onderscheid te maken tussen de grote rollen van oorsprong uit China en andere landen (hierna: siloprincipe). Van de kleine rollen wordt 90% binnen de Europese Unie (hierna: EU) afgezet en 10% buiten de EU. 2. Eiseres heeft op 24 augustus 2016 een vergunning onder het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) aangevraagd voor het gebruik van de bijzondere regeling Actieve veredeling (hierna: AV). Daarbij heeft eiseres aan verweerder een e-mail gestuurd met een tekstvoorstel om als toelichting in de vergunning op te nemen: “ [X] importeert aluminiumfolie in verschillende breedtes en diktes en in slechts 1 handelskwaliteit: aluminium huishoudfolie. [X] produceert hui Eiseres heeft over die periode (januari 2016 tot en met december 2020) ook douaneaangiften, zonder voorafgaande douaneregeling, gedaan tot plaatsing van de uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten onder de douaneregeling uitvoer voordat de goederen die zij vervangen onder de bijzondere regeling AV zijn geplaatst, met code 11 00. 7. Bij brief van 6 juli 2021 heeft verweerder aan eiseres een onderzoek aangekondigd inzake de naleving van de voorwaarden en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van de vergunning AV over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020. Het controlerapport dateert van 2 februari 2022. Verweerder heeft vastgesteld dat voor alle niet-Uniegoederen die zijn geplaatst onder de bijzondere regeling AV geen douaneaangifte is gedaan voor een opvolgende douaneregeling, noch is vastgesteld dat deze goederen feitelijk het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Ook is vastgesteld dat er een definitief antidumpingrecht van toepassing is op de goederen die eiseres heeft geplaatst onder de bijzondere regeling AV, waardoor het gebruik van equivalente goederen niet is toegestaan. 8. Vervolgens zijn de onder het procesverloop genoemde utb’s uitgereikt, voor zover de douaneschuld nog niet was verjaard, omdat de goederen die onder de bijzondere regeling AV zijn geplaatst niet zijn aangezuiverd in de zin van artikel 215, eerste lid, van het DWU. Utb 1 heeft betrekking op aangiften gedaan in de periode april en mei 2016; utb 2 heeft betrekking op aangiften gedaan in de periode juni 2016 tot en met december 2020. 9. Bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2023 zijn de bedragen van de utb’s verminderd door toepassing van artikel 124, eerst lid, aanhef en onder k, DWU, omdat verweerder, op basis van administratie die eiseres heeft overgelegd, bij een aantal douaneaangiften heeft vastgesteld dat de desbetreffende onder de bijzondere regeling AV gebrachte goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Voor het resterende deel zijn de utb’s in stand gebleven.” 2.2. Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten. 3 Geschil in hoger beroep In geschil is of de utb’s terecht zijn uitgereikt. Verder houdt het hoger beroep klachten in over enkele formeelrechtelijke punten. 4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen: “ Niet overleggen van gedingstukken in de voornemenfase en de bezwaarfase 13. Eiseres stelt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 22, zesde lid, van het DWU gelezen in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Uitvoeringsverordening van het DWU en artikel 7:4 van de Awb door in de voornemen- en de bezwaarfase niet alle stukken over te leggen. Verweerder heeft pas in beroep een intern logboek over de controle, een verslag van een interne bespreking over de mogelijkheid tot het opleggen van utb’s en een interne e-mail over de verlenging van de navorderingstermijn overgelegd. Verder verwijst eiseres naar twee inventarislijsten, waarvan één in bezwaar is overgelegd. Doordat verweerder de stukken te laat heeft overgelegd, meent eiseres in haar verdediging te zijn geschaad. 14. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2015, nr. 12/02876, ECLI:NL:HR:2015:3467, r.o. 2.2, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen: “Het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, indien van toepassing, brengt voor een bestuursorgaan de verplichting mee de geadresseerde van een besluit in de gelegenheid te stellen om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen. Deze regel heeft tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Met name beoogt deze regel, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon of onderneming, deze laatsten in staat te stellen een vergissing te corrigeren of individuele omstandig De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (zie de arresten van de HR van 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672 en 23 oktober 2020, nr.19/04499, ECLI:NL:HR:2020:1670). 20. Eiseres voert aan dat niet alle stukken die op de zaak betrekking hebben in beroep zijn overgelegd, althans dat deze te laat zijn overgelegd. Dat moet volgens eiseres op grond van artikel 8:31 van de Awb leiden tot vernietiging van de utb’s. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat weliswaar een overzicht van de douaneaangiften die ten grondslag liggen aan de utb’s is overgelegd, maar dat een uitdraai van deze douaneaangiften ontbreekt. Verder heeft eiseres ook geen overzicht of uitdraai van de douaneaangiften tot plaatsing van de equivalente goederen onder de douaneregeling uitvoer overgelegd. Ten slotte is er slechts één aanzuiveringsafrekening, namelijk van januari 2016, overgelegd. Alle andere aanzuiveringsafrekeningen ontbreken. Aangezien de utb’s op deze douaneaangiften zijn gebaseerd, betreffen het naar het oordeel van de rechtbank op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Verweerder diende deze stukken dan ook over te leggen. De rechtbank zal daar echter, anders dan eiseres verzoekt, geen gevolgtrekking aan verbinden in de zin van artikel 8:31 van de Awb. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat hij deze douaneaangiften niet heeft overgelegd omdat er geen geschil was over onder meer de bedragen die tot de utb’s hebben geleid. Dit heeft eiseres ter zitting bevestigd. Daar komt bij dat eiseres de douaneaangiften heeft ingediend en dus ook digitaal toegang heeft daartoe althans beschikt over een uitdraai ervan. Partijen, anders dan de rechtbank, beschikken dus over dezelfde informatie. Eiseres heeft ook niet gesteld of aangetoond dat op deze douaneaangiften in vak 37, waarin de gevraagde douaneregeling en de voorafgaande douaneregeling worden aangegeven, andere codes zouden zijn aangegeven, dan waar verweerder vanuit is gegaan. De aanleiding tot het opleggen van de utb’s zit, zoals onder 15. is overwogen, in de aangegeven douaneregelingen. Eisers heeft niet betwist dat zij de onder 5. en 6. genoemde codes heeft aangegeven in de douaneaangiften. Dat betekent dus dat de relevante feiten die ten grondslag liggen aan het geschil niet ter discussie staan. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij op grond van de stukken die zijn overgelegd en het verhandelde ter zitting een oordeel kan geven. Daarom bestaat geen reden tot toepassing van artikel 8:31 van de Awb. Voor zover eiseres stelt dat een stuk dat ziet op het intern moreel beraad te laat is overgelegd, kan ook dat niet leiden tot toepassing van artikel 8:31 van de Awb. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat wanneer dit stuk eerder was overgelegd, het niet zou zijn uitgesloten dat dit tot een andere afloop zou hebben geleid (zie Hoge Raad 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1666, BNB 2015/186). Op de zitting, na kennisname van het stuk, heeft eiseres namelijk niet gesteld of en hoe uit dat document volgt dat de utb’s niet in stand kunnen blijven. De beroepsgrond slaagt niet. Ontstaan douaneschuld 21. Tussen partijen is in geschil of een douaneschuld is ontstaan. Eiseres stelt dat geen douaneschuld is ontstaan omdat zij – kort gezegd – handelde overeenkomstig de verplichtingen bij het plaatsen van goederen onder de bijzondere regeling AV althans overeenkomstig de afspraken met verweerder. Eiseres leidt uit de vergunning en het (gedeeltelijk) opnemen van het tekstvoorstel in de e-mail af dat eiseres met verweerder heeft afgesproken dat zij, onder de voorwaarde dat hetzelfde volume Het HvJ heeft in de uitspraak Döhler Neuenkirchen GmbH (onder punt 43) hierover overwogen dat het niet naleven van een dergelijke verplichting moet worden beschouwd als het gevolg van het niet voldoen aan de voorwaarden voor de verkrijging van het voordeel dat voortvloeit uit de bijzondere regeling AV. Eiseres kan dus geen aanspraak maken op het voorwaardelijk voordeel en de heffing van douanerechten en antidumpingheffing is daarom gerechtvaardigd. 25. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat tussen partijen ook niet in geschil is dat veredelingsproducten waarbij gebruik is gemaakt van grote rollen van oorsprong uit China op de Europese markt zijn afgezet. Eiseres heeft op zitting bevestigd dat zij de grote rollen van verschillende oorsprong gezamenlijk heeft opgeslagen en voor veredeling het siloprincipe heeft toegepast. Daardoor is volgens eiseres niet duidelijk hoeveel rollen van Chinese oorsprong zijn gebruikt voor veredeling onder de bijzondere regeling AV en die vervolgens ook weer het douanegebied hebben verlaten. Voor circa 350.000 kilogram heeft verweerder op basis van de administratie van eiseres echter kunnen vaststellen dat de veredelingsproducten het douanegebied van de Unie hebben verlaten, maar dat geldt niet voor de resterende 5.037.991 kilogram aan veredelingsproducten. Dat sluit ook aan op het feit dat 90% van de afzetmarkt van eiseres zich bevindt in de Europese Unie en dus het leeuwendeel van de veredelingsproducten op de Europese markt terecht is gekomen zonder dat daarover douanerechten en antidumpingheffing zijn betaald. Siloprincipe en equivalentieverkeer 26. De stelling van eiseres dat geen sprake is van equivalentieverkeer, zij het silo-principe mocht toepassen en dus een willekeurige rol mocht nemen uit de voorraad om die te veredelen, kan, wat daar overigens van zij, aan het voorgaande niet afdoen. De utb’s zijn namelijk niet opgelegd wegens het in strijd met artikel 169, tweede lid, van de Gedelegeerde verordening van het DWU gebruiken van equivalente goederen wanneer de onder de bijzondere regeling AV geplaatste goederen onderworpen zijn aan een definitief antidumpingrecht. 27. Om diezelfde reden komt de rechtbank ook niet toe aan de beroepsgronden die zien op het gebruik van equivalente goederen en op eventuele afspraken die daarover volgens eiseres zouden zijn gemaakt. Verjaringstermijn 28. Verweerder heeft in utb 1 over de verjaringstermijn opgenomen dat voor de niet-Uniegoederen die tijdens de controleperiode onder de bijzondere regeling AV zijn gebracht, geen douaneaangifte is gedaan voor een opvolgende douaneregeling. Dit betekent dat de bijzondere regeling AV niet is aangezuiverd conform artikel 215, eerste lid, van het DWU, en binnen de gestelde termijnen vanuit de vergunningvoorwaarden. De handeling wordt in 10:3, eerste lid, van de Adw aangemerkt als strafrechtelijk vervolgbare handeling. Daarom is de verjaringstermijn toegepast van vijf jaar, zoals genoemd in artikel 103, tweede lid, van het DWU juncto artikel 7:7 van de Adw. 29. Eiseres stelt dat verweerder in utb 2 ten onrechte de verjaringstermijn van vijf jaar heeft toegepast omdat dit niet is gemotiveerd. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat in utb 2 wordt verwezen naar utb 1 zodat de passage in utb 1 over de verjaringstermijn van vijf jaar in utb 2 moet worden ingelezen. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt zodat geen sprake is van een motiveringsgebrek. Niet alleen is in utb 1 namelijk aangegeven dat een verjaringstermijn van vijf jaar wordt toegepast, maar ook in het voornemen tot het opleggen van utb’s én het controlerapport, die mede zien op de douaneaangiften die ten grondslag liggen aan utb 2, is deze verjaringstermijn vermeld. 30. Eiseres stelt dat een belangrijk deel van de douaneschuld is verjaard omdat verweerder ten onrechte de verjaringstermijn van vijf jaar toepast en hiermee op onjuiste wijze invulling geeft aan artikel 103 van het DWU en artikel 7:7 van de Adw. Er is geen sprake van een strafrechte Zij acht de grote rollen namelijk inwisselbaar met als gevolg dat zij ook grote rollen van oorsprong uit China heeft gebruikt voor de productie van kleine rollen die zij op de Europese markt heeft afgezet. 35. Eiseres voert aan dat als de simpele vaststelling dat een douaneaangifte niet is gedaan, al voldoende is om te spreken van een strafbaar feit, verweerder (in theorie) de mogelijkheid heeft om de verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen bij iedere (onbewuste) onjuistheid ongeacht wat de achtergrond van de onjuistheid is. Feitelijk wordt hierdoor geen invulling gegeven aan het onderscheid dat in artikel 103 van het DWU wordt gemaakt tussen de reguliere en de verlengde navorderingstermijn. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. 36. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiseres geen bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van artikel 7:7 Adw tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Opzet is geen vereiste voor de strafbaarstelling in artikel 10:3 van de Adw, en dus ook niet voor het verlengen van de verjaringstermijn op grond van artikel 7:7 Adw. Tenietgaan douaneschuld 37. Eiseres stelt dat de douaneschuld geheel teniet gaat op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU omdat eenzelfde hoeveelheid aan goederen als die welke onder de bijzondere regeling AV zijn geplaatst, het douanegebied van de Unie ook weer heeft verlaten. Eiseres kan niet toetsen of de berekening van verweerder juist is. 38. Artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k luidt: “1. Onverminderd de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat een douaneschuld bij invoer of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen: (…) k) indien, behoudens lid 6, de douaneschuld is ontstaan overeenkomstig artikel 79 en ten genoegen van de douaneautoriteiten is aangetoond dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten”. 39. Bij het ingestelde onderzoek door verweerder is per douaneaangifte vastgesteld wat de uiteindelijke bestemming van de goederen is. Uit de door eiseres overgelegde gegevens volgt dat er een totaal nettogewicht van afgerond 5.397.295 kilogram grote rollen onder de bijzondere regeling AV is geplaatst, waarvan tenminste 5.386.203 kilogram nettogewicht veredelde producten zijn geproduceerd. Van deze hoeveelheid is 5.037.991 kilogram nettogewicht afgezet binnen het douanegebied van de Unie. De overige hoeveelheid is buiten het douanegebied van de Unie gebracht (Noorwegen en Zwitserland). Verweerder heeft voor dit deel de douaneschuld teniet laten gaan op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU, zoals volgt uit de uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, op wie de bewijslast rust, niet aangetoond dat alle goederen die onder de bijzondere regeling AV zijn geplaatst het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Vergissing van de autoriteiten en billijkheid 40. Eiseres voert aan dat ook als een douaneschuld is ontstaan, deze alsnog – direct – moet worden kwijtgescholden wegens artikel 119 van het DWU. Het is aan verweerder te wijten dat eiseres de wettelijke bepalingen onjuist heeft toegepast. Wanneer de douaneschuld ondanks artikel 119 van het DWU in stand blijft, dan kan de douaneschuld alsnog niet in stand blijven en moet deze worden kwijtgescholden wegens artikel 120 van het DWU. De douaneschuld is immers ontstaan in bijzondere omstandigheden waarbij geen bedrog heeft gespeeld noch kennelijk nalatigheid. 41. Gronden voor terugbetaling of kwijtschelding worden getoetst aan de hand van een verzoek dat daartoe wordt ingediend en vervolgens wordt behandeld volgens de procedure van artikel 121 van het DWU. Deze gronden kunnen niet worden getoetst in een beroepsprocedure als de onderh De rechtbank overweegt dat de hoogte van de kostenvergoeding in beginsel wordt bepaald met toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is bepaald dat de bestuursrechter in bijzondere omstandigheden kan afwijken van de op grond van in artikel 2, eerste lid, van het Bpb, op forfaitaire wijze, berekende bedragen. Als de Inspecteur het verwijt kan worden gemaakt dat hij de aanslag heeft vastgesteld of in rechte heeft gehandhaafd, terwijl op dat moment duidelijk is dat die aanslag in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, is dit een reden om een hogere vergoeding van proceskosten toe te kennen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook is aanleiding voor een hogere vergoeding als bij het opleggen van de aanslag in vergaande mate onzorgvuldig is gehandeld (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). 50. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de door eiseres gevraagde afwijkende (hogere) veroordeling in de kosten, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb. Niet is gebleken dat de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. In tegendeel, naar aanleiding van door eiseres overgelegde administratie heeft verweerder in bezwaar vastgesteld dat een klein deel van de onder de bijzondere regeling AV gebrachte goederen het douanegebied van de Unie heeft verlaten en in overeenstemming daarmee de bedragen van de utb’s verlaagd. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale vergoeding van de kosten in bezwaar daarom af. Proceskosten in beroep 51. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25) (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526). Verweerder moet de proceskosten betalen en het griffierecht van eiseres vergoeden. 52. Het verzoek om integrale proceskosten wijst de rechtbank af, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb.” 5. Beoordeling van het geschil Beperkte kennisneming (artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht) 5.1. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Voor een veertiental stukken heeft de inspecteur een beroep op beperkte kennisneming gedaan. Omdat belanghebbende niet instemde met beperkte kennisneming, is het verzoek behandeld door een geheimhoudingskamer. Bij uitspraak van 16 april 2024 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank geoordeeld dat beperking van kennisneming van de desbetreffende (delen) van stukken gerechtvaardigd is. 5.2. In hoger beroep heeft de inspecteur, voor dezelfde (delen van) stukken, een beroep op beperkte kennisneming gedaan. Belanghebbende heeft daarop kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met het oordeel van de geheimhoudingskamer van de rechtbank en dat zij zich ook in hoger beroep op het standpunt stelt dat alle stukken volledig aan haar ter beschikking dienen te worden gesteld. Wel heeft belanghebbende, anders dan in eerste aanleg, in hoger beroep op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, Awb toestemming gegeven om mede op de grondslag van de ongeschoonde stukken uitspraak te doen. 5.3. Het Hof heeft de ongeschoonde stukken bezien en verenigt zich met de beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank van 16 april 2024 en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne. Douaneschuld 5.4. Belanghebbende betoogt ook in hoger beroep dat geen douaneschuld is ontstaan, zodat de utb’s reeds om die reden ten onrechte aan haar zijn uitgereikt. De goederen zijn, anders da Aanzuivering van de bijzondere regeling actieve veredeling kan daarom niet plaatsvinden met aangiften ten uitvoer. Voor niet-Uniegoederen die de Unie verlaten, zoals de door belanghebbende vervaardigde veredelingsproducten, dient aangifte tot wederuitvoer te worden gedaan (artikel 270 DWU). Wat hier ook van zij, zoals reeds vermeld onder 5.5 hebben de veredelingsproducten waarop het geschil betrekking heeft het douanegebied van de Unie niet verlaten, maar zijn zij afgezet binnen de Europese Unie. Aanzuivering had daarom moeten plaatsvinden door aangiften tot plaatsing onder de douaneregeling ‘in het vrije verkeer brengen’ (zie ook 5.14). 5.8. Ten overvloede zij opgemerkt dat, gelet op het vorenoverwogene, van equivalentieverkeer geen sprake is geweest (belanghebbende heeft geen uit equivalente Uniegoederen vervaardigde producten tot wederuitvoer aangegeven in plaats van de uit de Chinese grondstoffen vervaardigde veredelingsproducten), nog daargelaten dat het gebruik van equivalente goederen (als bedoeld in artikel 223 DWU) in de vergunning expliciet is uitgesloten voor goederen waarvoor (bij in het vrije verkeer brengen ervan) een antidumpingrecht geldt. De vergunning vermeldt ter zake: “ Individuele voorwaarden Deze vergunning geldt niet voor het gebruik van equivalente goederen wanneer de onder de bijzondere regeling (Actieve veredeling) geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht (…) als zij werden aangegeven voor het vrije verkeer. (artikel 169, lid 2 Gvo.DWU)” Belanghebbende is hierop reeds in 2016 uitdrukkelijk gewezen door de inspecteur, zo blijkt uit een tot de gedingstukken behorend controlerapport met nummer [# 1] , gedagtekend 21 oktober 2016, waar in onder meer is vermeld: “ 3.2. Invoering Douane wetboek van de Unie (DWU) Met de invoering van de DWU mag er geen vergunning worden verleend voor het gebruik van equivalente goederen wanneer de onder de bijzondere regeling geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht (…) als zij werden aangegeven voor het vrije verkeer. (artikel 169, lid 2 GVo.DWU) Ook bij vergunningen actieve veredeling die zijn afgegeven vóór 1 mei 2016 is het gebruik van equivalente goederen niet toegestaan als de invoergoederen die zij vervangen zijn onderworpen aan een anti-dumpingmaatregel. (…) Tijdens de uitvoering van de controle heb ik [belanghebbende] hiervan op de hoogte gebracht en heb ik contact gelegd met de afdeling vergunning afgifte te Amersfoort. Er zal door [belanghebbende] een nieuwe vergunning worden aangevraagd. In de tussenliggende periode zal [belanghebbende] handelen volgens de geldende wet- en regelgeving.” 5.9. Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat, hoewel equivalentieverkeer in de aan haar verleende vergunning was uitgesloten, zij vanwege het door haar gehanteerde “siloprincipe” toch mocht handelen zoals zij heeft gedaan, dient dit betoog te worden verworpen. Hantering van het siloprincipe zou tot gevolg kunnen hebben dat in werkelijkheid andere goederen zijn veredeld dan de goederen van Chinese oorsprong die met de onder 5.5 genoemde aangiften onder de bijzondere regeling actieve veredeling zijn geplaatst. Maar zo dit het geval is geweest vormt die (eventuele) oorsprongsverwisseling niet de aanleiding voor het uitreiken van de bestreden utb’s. Zoals uiteengezet onder 5.5 vinden de bestreden utb’s hun grondslag in de constatering dat de bijzondere regeling actieve veredeling niet is aangezuiverd en de veredelingsproducten – zonder voor het vrije verkeer te zijn aangegeven – binnen de Europese Unie zijn verkocht. 5.10. Evenmin kan belanghebbende worden gevolgd in haar betoog dat bij de beoordeling of al dan niet een douaneschuld is ontstaan dient te worden uitgegaan van de vergunning in samenhang met het klantdossier en de bij de vergunning gemaakte afspraken. Het Hof stelt in dit verband voorop dat niet is gebleken dat buiten de vergunning om afspraken zijn gemaakt d In artikel 158 van het DWU is bovendien bepaald dat voor alle goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, met uitzondering van de regeling vrije zone, een douaneaangifte tot plaatsing onder de desbetreffende regeling moet worden gedaan. Daarbij is van belang dat onder een “douaneregeling” in het DWU mede “in het vrije verkeer brengen” wordt begrepen, zo volgt uit de definitie van het begrip douaneregeling in artikel 5, punt 16, van het DWU. De delictsomschrijving van artikel 10:3 Adw is, door geen aangifte voor het vrije verkeer te doen, derhalve weldegelijk vervuld. 5.15. Het Hof ziet, anders dan belanghebbende, geen grond om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 30 september 2016, 14/02785, ECLI:NL:HR:2016:2195, dat voor termijnverlenging volstaat dat de delictsomschrijving is vervuld. In rechtsoverweging 3.8.5 van dat arrest oordeelde de Hoge Raad, voor zover hier van belang (onderstreping Hof): “Daaraan doet niet af dat het zijn voldaan aan de delictsomschrijving voortvloeit uit de vaststelling dat sprake is van misbruik van recht, en evenmin dat het handelen van de betrokkenen berustte op een pleitbaar standpunt. Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen in de punten 25 en 26 van het arrest van 16 juli 2009, Snauwaert e.a., C‑124/08 en C‑125/08, ECLI:EU:C:2009:469 (hierna: het arrest Snauwaert), vormt de omstandigheid dat een handeling door de douaneautoriteiten wordt aangemerkt als een ‘strafrechtelijk vervolgbare handeling’ geen vaststelling dat daadwerkelijk een strafbaar feit is gepleegd . Deze vaststelling wordt, aldus het Hof van Justitie, slechts verricht in het kader van en voor de doeleinden van een procedure van administratieve aard die uitsluitend tot doel heeft deze autoriteiten in staat te stellen een onjuiste of onvoldoende heffing van invoerrechten of uitvoerrechten te corrigeren. Met name uit genoemde overweging 26 van het arrest Snauwaert volgt naar ’s Hofs oordeel, naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is, dat de inspecteur niet gehouden is om te beoordelen of daadwerkelijk (met succes) vervolgd zou kunnen worden. De inspecteur hoeft daarom niet te beoordelen of wellicht sprake is van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld. Hij dient enkel aannemelijk te maken dat de delictsomschrijving is vervuld. Hierbij zij erop gewezen dat het verlengen van de verjaringstermijn niet is bedoeld als sanctie: indien één douaneschuldenaar handelingen heeft verricht waarmee de delictsomschrijving van enig strafbaar feit is vervuld wordt de termijn verlengd ten aanzien van alle schuldenaren, ook indien zij zelf geen strafbare handeling hebben verricht (zie voornoemd arrest Snauwaert, r.o. 24 t/m 32). 5.16. Wat betreft de klacht van belanghebbende dat in de tweede utb – anders dan in de eerste utb – niet is vermeld dat en waarom de verjaringstermijn is verlengd, oordeelt het Hof als volgt. Bij brief van 25 oktober 2021 heeft de inspecteur belanghebbende geïnformeerd over zijn voornemen om tot belastingheffing over te gaan. In deze brief is onder meer vermeld: “In het conceptrapport administratieve controle ( [# 2] ), bijgevoegd bij deze vooraankondiging, heb ik aangegeven hoe ik tot dit voornemen tot het opleggen van een uitnodiging tot betaling ben gekomen.” Het bijgevoegde conceptrapport vermeldt onder meer: “ 3.1.3. Correctie Voor de niet-Uniegoederen die tijdens de controleperiode onder de bijzondere regeling Actieve veredeling zijn gebracht, is geen aangifte gedaan voor een opvolgende regeling. Dit betekent dat de bijzondere regeling Actieve veredeling niet is aangezuiverd conform artikel 215 DWU en binnen de gestelde termijnen vanuit de vergunningsvoorwaarden. Deze handelswijze is van toepassing voor alle in bijlage 4 genoemde aangiften. De handeling wordt in 10:3 lid 1 ADW aangemerkt als strafrechtelijk vervolgbare handeling. Dit betekent dat de verlengde navorderingstermijn zal worden toegepast van vijf jaar, zoals genoem Zoals vermeld onder 5.1 en 5.3 is dit beroep op beperkte kennisneming gehonoreerd door de rechtbank en wordt deze beslissing door het Hof onderschreven. 5.23. Het Hof ziet, in navolging van de rechtbank, in de onder 5.20 tot en met 5.22 beschreven gang van zaken, die in overeenstemming is met de ter zake geldende wettelijke bepalingen, geen grond om belanghebbende een ruimere proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe te kennen dan de vergoeding die door de rechtbank reeds is toegekend. 5.24. Belanghebbende heeft er tot slot op gewezen dat de inspecteur pas in hoger beroep álle door belanghebbende ingediende aanzuiveringsafrekeningen heeft overgelegd. In de beroepsfase heeft de inspecteur slechts de aanzuiveringsafrekening over één maand overgelegd (kennelijk bedoeld als voorbeeld), met daarbij de vermelding “ Mocht u de aanzuiveringsafrekeningen over de andere maanden willen ontvangen, dan kan ik deze uiteraard nog toezenden ”. De rechtbank heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt. In hoger beroep heeft de inspecteur wel eigener beweging alle aanzuiveringsafrekeningen overgelegd, zowel op papier als digitaal. Ook hierin ziet het Hof geen aanleiding een ruimere proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe te kennen of daar anderszins gevolgen aan de verbinden met toepassing van artikel 8:31 Awb. Belanghebbende beschikte reeds over de aanzuiveringsafrekeningen (die zij immers zelf heeft opgesteld) en de inhoud van de door belanghebbende ingediende aanzuiveringsafrekeningen is tussen partijen nooit in geschil geweest, zodat de rechtbank voor de beslechting van het geschil niet over alle afrekeningen hoefde te beschikken. Rekening Rijk 5.25. Belanghebbende stelt zich tot slot op het standpunt dat, indien wel een douaneschuld is ontstaan, deze douaneschuld op grond van het evenredigheidsbeginsel voor rekening van het Rijk dient te komen. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Weliswaar staat de afdracht door een lidstaat van een belastingbedrag als “eigen middelen” aan de Europese Commissie los van vraag of die douaneschuld door de douaneautoriteiten daadwerkelijk is geboekt en medegedeeld aan de schuldenaar (zie HvJ 15 november 2005, Commissie/Denemarken, C-392/02, ECLI:EU:C:2005:683, punten 36 t/m 38), maar dit betekent niet dat lidstaten van de Unie naar eigen inzicht kunnen beslissen om een wettelijk verschuldigd belastingbedrag al dan niet te heffen van de douaneschuldenaar, terug te betalen of anderszins aan de schuldenaar te vergoeden. Het bepaalde in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (verboden staatssteun) staat in de weg aan het niet-heffen, terugbetalen of vergoeden van belastingen die op grond van het Unierecht verschuldigd zijn. 5.26. Wat hier verder ook van zij, de belastingrechter kan in een procedure die gaat over de rechtmatigheid van een uitgereikte uitnodiging tot betaling niet bepalen dat een belastingbedrag weliswaar wettelijk verschuldigd is, maar voor rekening van het Rijk dient te komen. Een wettelijke grondslag voor een dergelijk oordeel ontbreekt. 5.27. Ten aanzien van alle overige grieven sluit het Hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank en maakt het de overwegingen van de rechtbank in zoverre tot de zijne. Ook hetgeen belanghebbende overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. 5.28. Voor zover belanghebbende erover klaagt dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op door haar aangevoerde argumenten, faalt deze grief omdat de uitspraak van de rechtbank naar de eis der wet met redenen is omkleed en zij niet gehouden was op alle argumenten van partijen afzonderlijk in te gaan (vgl. Hoge Raad 14 november 1990, 26913, ECLI:NL:HR:1990:ZC4444). Slotsom 5.29. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. 6 Kosten Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. 7 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzit