Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-07-21
ECLI:NL:GHAMS:2026:1986
Executiegeschil over de hoogte van verbeurde dwangsommen na een bevel om publicaties met betrekking tot de wederpartij te verwijderen en verwijderd houden van de eigen websites en het eigen twitteraccount. Uitleg bevel. Bepaling omvang overtreding daarvan. Bepaling van het bedrag aan teveel geïncasseerde dwangsommen. GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.347.949/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/741826 / HA ZA 23-1000 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juli 2026 inzake [appellant] , zich thans noemend [naam 1] , wonend te Israël, appellant, tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat mr. A.T. Eisenmann te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] wonend te [plaats] , geïntimeerde, tevens appellant in incidenteel hoger beroep, advocaat mr. J.J. Valk te Amsterdam, Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. 1 De zaak in het kort [geïntimeerde] is op straffe van een dwangsom van € 1.625,- per dag bevolen om publicaties met betrekking tot [appellant] te verwijderen en verwijderd te houden van zijn websites en twitteraccount. Dit executiegeschil gaat over de hoogte van door [geïntimeerde] verbeurde dwangsommen. 2 Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 3 juli 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 10 april 2024 van de rechtbank Amsterdam onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel houdende wijziging van eis, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel tevens houdende akte uitlating wijziging van eis; - akte uitlating stuiting van de verjaring en overgelegde stuitingsexploten; - antwoordakte. Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 12 mei 2026 aan de hand van spreekaantekeningen laten toelichten, [appellant] door mr. L. van Hezik, advocaat te Amsterdam, en [geïntimeerde] door zijn voornoemde advocaat. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarin is geoordeeld dat in beginsel sprake is van misbruik van procesrecht en de vorderingen van [geïntimeerde] zijn afgewezen, en, zo begrijpt het hof, het bestreden vonnis verder zal bekrachtigen en voorts – uitvoerbaar bij voorraad – zijn gewijzigde eis zal toewijzen en over de proceskosten zal beslissen. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 3 Feiten De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 17 januari 2024 onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende. 3.1. Partijen hebben bij de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam een procedure gevoerd over door [geïntimeerde] op zijn de twitteraccounts [accounts] en aan [geïntimeerde] toebehorende websites gepubliceerde artikelen en via zijn twitteraccount verspreide berichten met betrekking tot [appellant] (hierna tezamen ook: de publicaties). Het gaat om: een artikel van 9 juni 2017 op de website van [geïntimeerde] , [website] (hierna: de website) getiteld ‘ [appellant] steunt Holocaust’; twitterberichten van 9 juni 2017 waarin onder meer staat dat het tijd wordt aangifte te doen wegens het steunen van de Holocaust tegen ‘ [appellant] ’; een artikel op de website van 9 juni 2017 getiteld ‘ [appellant] leider Jodenvervolging’; soortgelijke artikelen op de website van [geïntimeerde] en soortgelijke berichten op twitter. 3.2. Voor zover van belang heeft de kantonrechter in die procedure bij op 7 mei 2018 gewezen vonnis (hierna: het vonnis van de kantonrechter) het volgende beslist (hierna: het bevel): “I. gelast [geïntimeerde] publicaties met betrekking tot [appellant] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden van zijn websites en twitteraccount op straffe van een dwangsom van € 1.625,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 1.000.000,00;” 3.3. Het vonnis van de kantonrechter luidt verder, voor zover hier relevant: “8. De publicaties van [geïntimeerde] zijn, zoals [appellant] stelt, onrechtmatig. [geïntimeerde] heeft weliswaar in omvangrijke stukken uiteengezet waarom en op welke manier, volgens hem, Zionisten hebben bijgedragen aan de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog, maar heeft verzuimd enig bewijs te leveren dat [appellant] , voor zover de theorie van [geïntimeerde] al waar zou zijn, daaraan heeft bijgedragen. Het enkele feit dat [appellant] bestuurslid is van de CIJO is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Nu de Tweede Wereldoorlog vóór de geboorte van [appellant] was, is het bovendien ongeloofwaardig dat [appellant] hieraan heeft bijgedragen. Ook heeft [geïntimeerde] nagelaten enige aanwijzing te overleggen dat [appellant] zich thans bezig zou houden met het beramen van misdrijven tegen Joden. Sterker, uit de feiten blijkt juist dat Van [appellant] zich actief bezig houdt met het voorkomen van antisemitisme. De publicaties zijn derhalve niet in het minste geënt op de waarheid. 9. Hoewel [appellant] als bestuurslid van de CIJO zich een en ander wellicht eerder zal moeten laten welgevallen, zijn de aantijgingen in de publicaties van [geïntimeerde] zo absurd en grievend, juist voor iemand die zich publiekelijk inzet tegen antisemitisme, dat het recht op bescherming van de eer, de goede naam en de persoonlijke levenssfeer van Van [appellant] vóór gaat op de vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerde] . Daarbij geldt dat [geïntimeerde] weet dat hij mensen niet mag beschuldigen op basis van zijn theorie, aangezien hij hiervoor al meerdere keren is veroordeeld.” 3.4. Op 9 mei 2018 vermeldde de website van de CIJO, waarvan [appellant] voorzitter was: “Kort na het verschijnen van de uitspraak gingen alle websites en Twitteraccounts van de holocaustontkenner op zwart.” Die dag postte [appellant] het volgende bericht op Instagram: “Alle websites en Twitteraccounts van [geïntimeerde] zijn inmiddels offline ” Op Twitter schreef hij die dag: “Update: alle websites en Twitteraccounts van [geïntimeerde] zijn offline!” 3.5. Het vonnis van de kantonrechter is op 12 mei 2018 aan [geïntimeerde] betekend. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. 3.6. [geïntimeerde] heeft op 13 mei 2018 het volgende geschreven aan de deurwaarder: “Ik heb binnen vierentwintig uur publicaties met betrekking tot rekwirant verwijderd van mijn websites en twitteraccounts, en ik zal ze daarvan verwijderd houden. Ik verneem graag uiterlijk voor 15:50 uur vandaag 13 mei 2018 of ik ook in beleving van rekwirant aan het bevel heb voldaan. Zo niet dan is dit per ongeluk en onbedoeld en verneem ik dit graag direct waarna ik onmiddellijk zal voldoen.” 3.7. Op 13 mei 2018 vermeldde de website van [geïntimeerde] onder de kop “Over en uit” dat de website “tot nader orde” gesloten was. 3.8. Op 13 mei 2018 heeft [appellant] op zijn Twitteraccount het volgende bericht gepost: “Het is (voorgoed?) over en uit voor Jodenhater [geïntimeerde] : al zijn websites en twitteraccounts zijn gisteren op zwart gegaan, nadat hem executie van het vonnis is aangezegd. Een overwinning voor iedereen die door hem werd lastiggevallen! goedeniews.nl.” 3.9. In een op 10 juni 2018 gepubliceerd interview met het Algemeen Dagblad (AD) heeft [appellant] verklaard dat [geïntimeerde] aan de veroordeling heeft voldaan. 3.10. Op 26 juni 2018 heeft [appellant] de volgende berichten van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) ontvangen: “had nog een oude link van [website] openstaan, nog voordat hij de boel eraf haalde. hij heeft weliswaar van de voorkant verwijderd, maar als je link intikt, kom je nog steeds op de antisemitische rommel, en dus in overtreding van de uitspraak check bv [website] /2018/0 ... http:// www.goedenieuws.nl /vandaag/2018/04/09/kolonisatiebaronnen-en-protestrabbijnen ik zie dan Fuhrer [appellant] staan etc Hij heeft dus slechts referentie verwijderd van homepage, maar als je de paginanaam kent, of hebt bewaard kun je er gewoon bij” 3.11. [appellant] heeft die dag een emailbericht aan de deurwaarder gezonden waarin hij schrijft dat [geïntimeerde] het vonnis van de kantonrechter heeft overtreden. 3.12. Bij deurwaarderexploot van 9 juli 2018 (hierna: het exploot) is namens [appellant] aan [geïntimeerde] aangezegd dat [geïntimeerde] niet tijdig en/of volledig heeft voldaan aan het bevel. Aan het exploot is een print gehecht van een door [geïntimeerde] geschreven artikel, getiteld “ Kolonisatiebaronnen en Protestrabbijnen ” (hierna: het artikel). Onder het artikel staat vermeld: “ by [geïntimeerde] - last modified 09-04-2018 06:00 ”. Het op de print vermelde webadres luidt: [website] . Het artikel aan het exploot gehechte artikel staat onder meer het volgende: “Uit de Zionistische Schriften van de prominente journalist en grote Zionistische leider [naam 3] blijkt dat [naam 3] en [naam 4] op 10 juli 1904 aanwezig waren bij de 16e zitting van de Britse parlementaire commissie voor studie van migratie-problemen: “Der Londoner FremdenKommission”. (…) Deze bijeenkomst 10 juli 1904 is een van de actieve voorbereidingen op WOII en de Holocaust. Mede naar aanleiding van deze lobby van [naam 3] en [naam 4] wordt in de Balfour-verklaring afgegeven (02 november 1917) en commandeert de familie [naam 4] met het bezit de legers der grote machten naar oorlog en Endlösung. (…) Daarin zegt de “Protestrabbiner”' over Joden en het Jodendom wat de Zionisten, mede middels de antisemitische hetze van [appellant] tegen het Goede Nieuws op [website] , doelbewust in de doofpot stoppen: (…) Totdat de Zionisten zich in Palestina vestigde waren er geen noemenswaardige spanningen tussen Arabieren en Joden in Palestina of het Midden Oosten. Joden in Iran leven daar graag. Joden in lrak warden bedreigd door Zionisten om te emigreren naar Israel (het wereld-getto). Niemand heeft erover. [appellant] , de Führer van de CIDI-jugend, vindt het niet relevant in zijn civiele zaak tegen [website] op [website] . Moslims en Joden gingen gebroederlijk met elkaar om, men zorgde zelfs voor elkaars kinderen. Dit alles is veranderd door de Zionisten die in strijd met de Joodse normen en waarden een Joodse Natie Staat vestigen in Palestina, en WOII en de Holocaust hebben bewerkstelligd om dit te realiseren .” 3.13. De deurwaarder heeft in het exploot namens [appellant] bevel gedaan aan [geïntimeerde] om binnen twee dagen een bedrag van € 96.625,- aan verbeurde dwangsommen te voldoen aan [appellant] , met aanzegging dat bij niet-, niet-tijdige en/of niet behoorlijke voldoening het vonnis verder ten uitvoer zal worden gelegd. In het exploot wordt uitgegaan van een overtreding van het bevel in de periode van 13 mei 2018 tot en met 9 juli 2018. 3.14. [geïntimeerde] heeft op 9 juli 2018 na ontvangst van het exploot het artikel meteen verwijderd van zijn website. 3.15. Op 11 juli 2018 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven: “Het artikel is korte tijd per ongeluk openbaar geweest. Ik selecteerde artikelen die geen betrekking hadden op jou om te publiceren (…)” [appellant] heeft hierop geantwoord: “Je weet dat dit niet klopt. Het artikel stond al online voor het vonnis (ik kwam erachter dat het nog online stond doordat het artikel nog open stond op een sporadisch door mij gebruikte computer), om precies te zijn op 9 april 2018. Vervolgens is het artikel aangepast (maar zonder de lasterlijke teksten over mij weg te halen) op 21 juni 2018. Ook op deze datum wist je dus al dat het artikel over mij online stond. Ik heb vervolgens over een langere periode gedocumenteerd dat het online heeft gestaan. Zoals je begrijpt zal ik dan ook doorzetten, aangezien je lange tijd niet aan het vonnis hebt voldaan.” 3.16. Op 18 juli 2018 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven: “Je weet dat jij onrechtmatig profiteert van terrorisme gerelateerde bedreigingen en bedrog. Je weet ook dat je doelbewust liegt over de schuld van de Zionisten aan de gruwelen van de Holocaust. Jij bent een antisemiet die beschermd door zijn Joodse dekmantel Joodse bezittingen executeert op grond van lasterlijke aanklachten en valse verdachtmakingen.” 3.17. [appellant] heeft op 14 augustus 2018 executoriaal beslag laten leggen ten laste van [geïntimeerde] onder het UWV te Amsterdam (hierna: het beslag) en ter uitwinning van het beslag zijn vervolgens maandelijks bedragen ingehouden op een uitkering die [geïntimeerde] van het UWV ontvangt. 3.18. [geïntimeerde] is ter opheffing van het beslag en staking van de executie van het vonnis van de kantonrechter en terugbetaling van de (volgens hem ten onrechte) ingevorderde bedragen op zijn uitkering een executie kortgeding gestart (hierna: het kort geding). De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 3l augustus 2020 de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen. Tegen dit vonnis van de voorzieningenrechter is geen hoger beroep ingesteld. 3.19. Op de website staat een aangepaste versie van het artikel waarin de naam van [appellant] is verwijderd ( [website] /kolonisatiebaronnen-en-protestrabbijnen, hierna: het aangepaste artikel). 4 Beoordeling 4.1. Voor zover van belang in hoger beroep strekken de vorderingen van [geïntimeerde] ertoe dat [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om de executie van het vonnis van de kantonrechter te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en [appellant] zal worden bevolen de van [geïntimeerde] ten onrechte op zijn uitkering ingehouden bedragen aan hem terug te betalen, met rente. 4.2. De rechtbank heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] gedurende veertien dagen – in de periode van 26 juni 2028 tot en met 9 juli 2028 – in strijd heeft gehandeld met het bevel maar dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot executie door aanspraak te maken op meer dan over zeven dagen verbeurde dwangsommen (€ 11.375,-) omdat hij niet zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen zeven dagen na 26 juni 2028, de geconstateerde overtreding kenbaar heeft gemaakt aan [geïntimeerde] . De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om: het beslag op te heffen; de executie van het vonnis van de kantonrechter ter zake van het artikel op straffe van verbeurte van een dwangsom te staken en gestaakt te houden; € 16.200,40 aan in de periode van september 2018 tot en met februari 2022 ten onrechte ingehouden bedragen terug te betalen aan [geïntimeerde] ; de vanaf maart 2022 ten onrechte betaalde bedragen aan [geïntimeerde] terug te betalen. 4.3. De grieven van partijen richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd door de hoogte van zijn, in eerste aanleg niet gespecificeerde, vordering tot terugbetaling van de vanaf maart 2022 ingehouden bedragen te stellen op € 47.939,92. 4.4. Anders dan [appellant] stelt (in zijn grief I) heeft [geïntimeerde] geen misbruik van procesrecht gemaakt of in strijd met de goede procesorde gehandeld door deze procedure te voeren na het kort geding. [geïntimeerde] heeft niet twee keer dezelfde vorderingen in dezelfde soort procedure ingesteld aangezien in het kort geding een voorlopig oordeel is gegeven over de verbeurde dwangsommen en in deze bodemzaak een definitief oordeel daarover wordt gegeven. Zoals [geïntimeerde] naar aanleiding van deze grief en in zijn eerste incidentele grief betoogt, stond het hem in beginsel vrij om geen hoger beroep in te stellen tegen het vonnis in kort geding, maar een bodemprocedure te beginnen. Ook zijn keuze om na het kortgedingvonnis van 13 december 2018, pas op 30 oktober 2020 de inleidende dagvaarding uit te brengen in deze bodemzaak tegen de roldatum 26 oktober 2021 levert geen misbruik van procesrecht op en is niet strijdig met de goede procesorde. Dat wordt niet anders doordat dit geschil over de hoogte van de verbeurde dwangsommen veel sneller beslecht had kunnen worden. Ter zijde merkt het hof op dat [appellant] de bodemprocedure door middel van een anticipatie exploot had kunnen versnellen. 4.5. In dit executiegeschil moet de vraag worden beantwoord of dwangsommen zijn verbeurd. Daartoe moet worden onderzocht of [geïntimeerde] de door de kantonrechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom als sanctie is verbonden, heeft verricht. Het gaat in deze zaak om de tenuitvoerlegging van het op straffe van verbeurte van een dwangsom gegeven bevel om ‘publicaties met betrekking tot [appellant] ’ te verwijderen en verwijderd te houden van de websites en twitteraccount van [geïntimeerde] . 4.6. [geïntimeerde] betoogt met zijn tweede incidentele grief tevergeefs dat het artikel niet valt binnen de reikwijdte van het bevel, althans dat redelijke twijfel daarover mogelijk is. Het bevel moet worden uitgelegd in het licht van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid. Ook moeten het doel en de strekking van het bevel tot richtsnoer worden genomen in de zin dat de veroordeling niet verder strekt dan het te bereiken doel. In het vonnis van de kantonrechter is geconcludeerd dat de publicaties ‘niet in het minste (zijn) geënt op de waarheid’ onder meer omdat [geïntimeerde] heeft verzuimd enig bewijs te leveren dat [appellant] heeft bijgedragen aan de bewering van [geïntimeerde] die eruit bestaat dat Zionisten hebben bijgedragen aan de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. Hoewel [appellant] niet het hoofdonderwerp is van het artikel en hij niet in de titel wordt genoemd, wordt hij wel in verband gebracht met de Holocaust en de hiervoor bedoelde bewering van [geïntimeerde] . Anders dan [appellant] meent, moet het artikel dan ook als een ‘publicatie met betrekking tot [appellant] ’ zoals bedoeld in het bevel worden aangemerkt. Daarover is geen redelijke twijfel mogelijk. 4.7. Ter uitvoering van het bevel moest [geïntimeerde] het artikel verwijderen en verwijderd houden. De rechtbank heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] van 26 juni 2018 tot en met 9 juli 2018 in strijd heeft gehandeld met het vonnis van de kantonrechter en in beginsel over deze periode van veertien dagen dwangsommen heeft verbeurd. [appellant] en [geïntimeerde] zijn het daar allebei niet mee eens. [appellant] betoogt met zijn grief II dat [geïntimeerde] reeds vanaf 13 mei 2018 in strijd heeft gehandeld met het bevel. [geïntimeerde] betoogt met zijn derde incidentele grief dat hij alleen op 9 juli 2018 het bevel heeft overtreden. Deze grieven gaan op grond van het navolgende geen van beide op. 4.8.1. [geïntimeerde] erkent dat het artikel op 9 juli 2018 (onbedoeld) openbaar toegankelijk was. Hij stelt dat hij het artikel die dag heeft geselecteerd voor herpublicatie in een nieuwe directory ( [website] ) en dat het artikel uitsluitend die dag tijdelijk in de oude directory ( [website] ) online extern toegankelijk was. [geïntimeerde] meent dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het artikel ook vóór 9 juli 2018 – en wel vanaf 26 juni 2018 – openbaar was. [geïntimeerde] zet uiteen dat hij na het vonnis van de kantonrechter eerst alle artikelen, ook het hierbedoelde artikel, op ‘privé’ heeft gezet en op de homepage van de website heeft medegedeeld dat de website tot nader order gesloten is in verband met dat vonnis. [geïntimeerde] heeft verder toegelicht dat hij op 16 juni 2018 is begonnen artikelen opnieuw te publiceren door de status per artikel in de oude directory te veranderen van ‘privé’ naar ‘extern publiceren’ zodat hij naar het desbetreffende webadres kon gaan en kon beoordelen hoe de artikelen eruit zouden zien voor een externe bezoeker. Als hij tevreden was kopieerde hij het artikel van de oude naar de nieuwe directory. Hieruit volgt dat de website na het vonnis van de kantonrechter ‘op zwart’ stond en dat daarop vanaf 16 juni 2018 in een nieuwe directory extern openbaar gemaakte en zo nodig aangepaste artikelen konden worden geraadpleegd. 4.8.2. Uit de onder 3.10 geciteerde berichten van [naam 2] volgt dat deze het artikel op 26 juni 2028 heeft geraadpleegd met behulp van een door hem bewaarde en aan [appellant] doorgestuurde link. [appellant] heeft het artikel daarna onbetwist gevonden aan de hand van, zo begrijpt het hof, de toegezonden link of de URL. De kanttekeningen van [geïntimeerde] bij deze constatering van [naam 2] en de als producties 4 en 5 bij conclusie van antwoord overgelegde prints van het artikel bij raadpleging door [appellant] op 26 en 29 juni 2018 en 1 juli 2018 en het als productie 3 bij die conclusie overgelegde overzicht van de zoekresultaten bij raadpleging op 4 juli 2018, zijn hypothese dat het gaat om prints van ‘in cache’ geladen versies van het artikel. Deze kanttekeningen van [geïntimeerde] en de bezoekersstatistieken van de website bieden onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat het artikel alleen op 9 juli 2018 (onbedoeld) openbaar was. De omstandigheden dat enkele zoekresultaten de directory ‘vndg’ vermelden en kennelijk het aangepaste artikel betreffen en de zoekresultaten ook een website vermelden (holocaust.nl) waarvan niet blijkt dat dit een website van [appellant] is waarop het bevel ziet maken dit niet anders. 4.8.3. [appellant] meent dat het artikel al vanaf 13 mei 2018 extern raadpleegbaar als de directe paginanaam/URL werd ingetoetst, zodat hooguit de ‘homepage’ van de website offline was. Hij stelt dat het artikel ook toegankelijk was via de auteurspagina en de interne zoekfunctie van de website. Hij baseert zich op bevindingen van 26 juni 2018 en daarna. Los van het feit dat [geïntimeerde] kanttekeningen bij deze bevindingen heeft geplaatst, valt op grond daarvan niet zonder meer te concluderen dat de situatie voor 26 juni 2018 hetzelfde was. De gestelde wijziging van het artikel op 21 juni 2018 zegt niets over de externe toegankelijkheid van het artikel en [appellant] meent ten onrechte dat de in rov. 4.8.1 bedoelde toelichting een erkenning van [geïntimeerde] inhoudt dat hij zijn volledige website (en het artikel) op 16 juni 2018 (weer) openbaar heeft gemaakt. Dat reeds voor 26 juni 2018 dwangsommen zouden zijn verbeurd is derhalve onvoldoende toegelicht. 4.9.1. De rechtbank heeft geconcludeerd dat [appellant] maximaal aanspraak kan maken op € 11.375 aan verbeurde dwangsommen en te veel dwangsommen heeft geïncasseerd. De hiertegen gerichte grieven III en IV van [appellant] treffen geen doel. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld, kon in de gegeven omstandigheden van [appellant] worden verlangd dat hij zo spoedig mogelijk en in ieder geval zeven dagen na de constatering van 26 juni 2018 in actie zou komen. Daarbij is van belang dat [geïntimeerde] van meet af aan [appellant] heeft laten weten dat hij zich zou houden aan het vonnis van de kantonrechter en via de deurwaarder aan [appellant] heeft gevraagd of deze (ook) vond dat [geïntimeerde] zich aan het bevel hield, met de toevoeging ‘zo niet dan is dit per ongeluk en verneem ik dat graag waarna ik onmiddellijk zal voldoen’. Hieruit blijkt dat [geïntimeerde] beoogde het bevel volledig na te leven. Hoewel [geïntimeerde] geen reactie had ontvangen op zijn vraag aan de deurwaarder, kon hij op basis van de onder 3.4, 3.8 en 3.9 bedoelde publieke uitingen van [appellant] ervan uitgaan dat deze vond dat [geïntimeerde] aan het bevel had voldaan. [geïntimeerde] heeft voorts, overeenkomstig zijn bericht aan de deurwaarder, het artikel meteen verwijderd toen hij het exploot ontving. 4.9.2. Wat [appellant] aanvoert leidt niet tot een ander oordeel. Zijn betoog dat het artikel al vanaf 13 mei 2018 openbaar was, is hiervoor verworpen. Niet ter discussie staat voorts dat de verantwoordelijkheid om het bevel na te leven primair bij [geïntimeerde] lag.